Wilgevrouwtje. [46]

"Ik hoorde van 't magische wierook, dat oproept de ziel van wie

weg is;

Ach, kon ik wat daarvan branden, 's nachts, als ik eenzaam moet

wachten."

_Uit het Japansch._

In een zeker Japansch dorp groeide een groote wilgeboom. Geslacht na

geslacht werd die door het volk vereerd. In den zomer was hij een

rustplaats, een plaats, waar de dorpelingen bijeen kwamen, nadat

de inspanning en de hitte van den dag voorbij waren, en waar zij

bleven praten, totdat het maanlicht door de takken scheen. In den

winter was hij als een half geopend zonnescherm, dat bedekt was met

fonkelende sneeuw.

Heitaro, een jeugdige landbouwer, woonde vlak bij den boom,

en daardoor was hij nog meer dan één van zijn makkers in innige

gemeenschap gekomen met den statigen wilgeboom. De boom was bijna

het eerst wat hij bij zijn ontwaken zag, en als hij van zijn werk op

zijn akkers naar huis terugkeerde, zag hij steeds met verlangen uit

naar zijn bekende gedaante. Dikwijls brandde hij een stuk hout onder

zijn takken, en knielde daar neder om te bidden.

Op zekeren dag kwam een oud man uit dat dorp naar Heitaro, en vertelde

hem, dat de dorpsbewoners een brug over de rivier wilden bouwen,

en dat zij er bijzonder opgesteld waren, den grooten wilgeboom voor

timmerhout te gebruiken.

"Voor timmerhout?" zeide Heitaro, terwijl hij zijn gelaat in

zijn handen verborg. "Mijn geliefde wilgeboom voor een brug, die

onophoudelijk het trappelen van voeten zal moeten dulden! Nooit,

nooit, oude man!"

Toen Heitaro eenigszins zijn kalmte had teruggekregen, bood hij

den ouden man sommige van zijn eigen boomen aan, als hij en de

dorpsbewoners die voor timmerhout wilden aannemen en den ouden

wilgeboom wilden sparen.

De oude man nam gaarne dit aanbod aan, en de wilgeboom bleef in het

dorp staan, zooals hij reeds zoovele jaren gestaan had.

Toen Heitaro op zekeren avond onder den grooten wilgeboom zat, zag

hij plotseling een prachtig meisje dicht naast hem staan, die bedeesd

naar hem keek, alsof zij hem wilde toespreken.

"Achtbare dame", zoo sprak hij, "ik zal naar huis gaan. Ik zie,

dat gij op iemand wacht. Heitaro is niet onvriendelijk jegens hen,

die liefhebben.

"Hij komt nu niet meer", antwoordde het meisje lachend.

"Zou zijn liefde bekoeld zijn? Ach, hoe vreeselijk is het, dat een

onechte liefde komt, en asch, en een graf achterlaat?"

"Zijn liefde is niet bekoeld, waarde heer."

"En toch komt hij niet? Wat voor een vreemde mysterie is dit?"

"Hij is gekomen! Zijn hart is altijd hier geweest, hier onder dezen

wilgeboom." En met een stralenden glimlach verdween het meisje.

Nachten achter elkander kwamen zij onder den ouden wilgeboom samen. De

bedeesdheid van het meisje was geheel verdwenen, en het scheen wel,

alsof zij van de lippen van Heitaro niet genoeg lof kon hooren over

den wilgeboom, waaronder zij zaten.

Op zekeren avond zeide hij tot haar: "Lieve kleine, wilt gij mijn

vrouwtje worden--gij, die van den boom zelf af komstig schijn te zijn?"

"Ja," zeide het meisje. "Noem mij Higo ('Wilg') en vraag, ter wille

van uw liefde voor mij, niet verder. Ik heb noch vader, noch moeder,

en de dag zal komen, dat gij het zult begrijpen."

Heitaro en Higo huwden, en na verloop van tijd werd hun huwelijk

gezegend met een kind, dat zij Chiyodo noemden. Hun woning was

eenvoudig, maar de bewoners van het huisje waren de gelukkigste

menschen van geheel Japan.

Terwijl dit gelukkige paar hun verschillende werkzaamheden verrichtten,

kwam er groot nieuws in het dorp. De dorpelingen waren er vol van, en

het duurde dan ook niet lang, of het bereikte de ooren van Heitaro. De

oud-Keizer Toba wilde in Kyoto een tempel bouwen gewijd aan Kwannon

[47], en zij, die daarover te zeggen hadden, zonden wijd en zijd om

timmerhout. De dorpelingen zeiden, dat zij tot de oprichting van

het heilige gebouw moesten bijdragen, door hun grooten wilgeboom

aan te bieden. Alle redeneeringen, alle overreding en alle beloften,

dat hij andere boomen zou leveren, waren vruchteloos, want noch hij,

noch iemand anders kon een zóó grooten en schoonen boom schenken als

den grooten wilgeboom.

Heitaro ging naar huis en vertelde de zaak aan zijn vrouw: "Ach,

vrouwtje", zoo sprak hij, "zij zijn op het punt onzen dierbaren

wilgeboom te vellen! Voordat ik met u gehuwd was, zou ik het niet

hebben kunnen verdragen. Naar nu ik u bezit, kleintje, zal ik er

misschien ter eeniger tijd overheen komen".

Dien nacht werd Heitaro gewekt door het hooren van een doordringenden

kreet. "Heitaro" zeide zijn vrouw, "het wordt donker!" De kamer

is vol gefluister. Zijt gij daar, Heitaro? Luister? Zij vellen den

wilgeboom. Zie, hoe zijn schaduw in het maanlicht siddert. Ik ben

de ziel van den wilgeboom! De dorpelingen dooden mij. O, hoe hakken

en trekken zij mij in stukken! Beste Heitaro, wat een pijn, wat een

pijn! Leg uw handen hier, en hier. Nu kunnen de slagen toch niet

vallen, niet waar?"

"Mijn Wilgevrouwtje! Mijn Wilgevrouwtje!" snikte Heitaro.

"Beste man", zeide Higo, met zacht stem, terwijl zij haar vochtig,

met den dood worstelend gelaat tegen het zijne aandrukte: "Ik ga

u verlaten. Een liefde als de onze kan niet worden uitgeroeid, hoe

hard de slagen ook neerkomen. Ik zal op u en Chiyodo wachten--Mijn

haar valt door de lucht neer! Mijn lichaam breekt!"

Buiten werd een luid gekraak gehoord. De groote wilgeboom lag met

zijn groene bladeren ordeloos over den grond. Heitaro keek rond

naar haar, die hij meer liefhad dan iets op de wereld. Wilgevrouwtje

was verdwenen!

De Boom van den Eenoogigen Priester.

In oude tijden stond op den top van den Oki-yama een tempel, gewijd

aan Fudo, een god, omgeven door vuur, met een zwaard in de ééne hand

en een touw in de andere. Twintig jaar lang had Yenoki zijn taak

vervuld, en één van zijn verplichtingen was, Fudo te bewaken, die in

een altaar zat, dat alleen toegankelijk was voor den hoogepriester

zelf. Gedurende al dien tijd had Yenoki getrouw zijn verplichtingen

vervuld, en had hij weerstand geboden aan de verleiding, haastig een

blik te slaan op dien bijzonder leelijken God. Toen hij nu op zekeren

morgen zag, dat de deur van het altaar niet volkomen gesloten was,

werd zijn nieuwsgierigheid hem te machtig en sloeg hij even een blik

naar binnen. Nauwelijks had hij dit gedaan, of hij werd stekeblind

aan één oog, en onderging de vernedering, dat hij in een _tengu_

[48] veranderde.

Na die betreurenswaardige gebeurtenis leefde hij nog een jaar

lang, maar daarna stierf hij. Zijn geest ging over in een grooten

cryptomeria-boom, die aan de oostelijke helling van den berg stond,

en van dien tijd af werd de geest van Yenoki aangeroepen door de

zeelieden, die door stormen op de Chineesche Zee werden geteisterd. Als

een licht van den boom helder brandde als antwoord op hun gebeden,

dan was dat een vast teeken, dat de storm zou gaan liggen.

Aan den voet van den Oki-yama was een dorp, waar de jongelieden,

het is treurig te vermelden, slap waren in hun zedelijke

opvattingen. Gedurende het Doodenfeest voerden zij dansen uit,

bekend als de Bon Odori. Die dansen werden woest uitgevoerd en gingen

vergezeld van vurige en onzedelijke lief koozingen. Naarmate de jaren

voortgingen, werden de dansen hoe langer hoe bandeloozer, en het dorp

kreeg een slechten naam wegens de onzedelijke handelingen door het

jonge volk gepleegd.

Na een bijzonder woeste viering van de Bon trok een jong meisje, Kimi

genaamd, uit, om haar minnaar, Kurosuke, op te sporen. In plaats van

hem te zien, zag zij een jongeling, die er bijzonder goed uit zag en

haar toelachte en voortdurend wenkte. Kimi vergat Kurosuke geheel

en al; ja zelfs, van dat oogenblik af haatte zij hem en volgde zij

met innig verlangen den haar verlokkenden jongeling. Negen schoone,

doch slechte meisjes verdwenen op dergelijke wijze uit het dorp,

en het was altijd dezelfde jongeling, die haar op die geheimzinnige

wijze van den goeden weg lokte.

De ouderen van het dorp overlegden de zaak samen, en kwamen tot

de gevolgtrekking, dat de geest van Yenoki vertoornd was over de

buitensporigheden, die in verband stonden met het Bonfeest, en dat

die geest de gedaante van een schoonen jongeling had aangenomen, met

het doel een strenge vermaning toe te dienen. De Heer van Kishiwada

ontbood dus Sonobé bij zich, en beval hem te reizen naar den grooten

cryptomeria-boom op Oki-Yama.

Toen Sonobé zijn bestemming had bereikt, sprak hij den ouden boom aldus

toe: "O, verblijfplaats van den geest van Yenoki, ik beschuldig u er

van, dat gij onze dochters hebt weggevoerd. Als dit zoo voortgaat,

zal ik den boom omhakken, zoodat gij genoodzaakt zult zijn, een andere

verblijfplaats voor u te zoeken."

Nauwelijks had Sonobé gesproken, of de regen begon te vallen, en

hij hoorde het gerommel van een hevige aardbeving. Daarna verscheen

plotseling uit den boom de geest van Yenoki. Hij vertelde, dat een

aantal van de jongelieden uit het dorp van Sonobé door hun wangedrag

hadden gezondigd tegen de Goden, en dat hij, zooals ondersteld was,

den vorm had aangenomen van een schoonen jongeling, ten einde de

voornaamste der slechte meisjes te verwijderen. "Gij zult ze aan

boomen gebonden vinden op den tweeden top van dezen berg", zoo voegde

de geest van Yenoki er aan toe. "Ga, bevrijd ze, en geef haar verlof,

naar het dorp terug te keeren. Zij hebben niet alleen berouw over

haar dwaasheden, maar zullen ook haar invloed op anderen uitoefenen,

om een edeler en reiner leven te leiden." En na die woorden te hebben

gesproken, verdween weer Yenoki in zijn boom.

Sonobé begaf zich naar den tweeden top van den berg en bevrijdde

de meisjes. Zij keerden naar haar woningen terug als deugdzame en

plichtgetrouwe dochters, en van dien dag af tot heden toe zijn de

Goden zeer tevreden geweest over het gedrag der inwoners van het dorp,

dat gelegen is aan den voet van den Oki-Yama.

Het Verbranden van Drie Dwergboompjes.

Tijdens de regeering van Keizer Go-Fukakusa leefde er een beroemd

Rijksbestuurder, Saimyoji Tokiyori. Toen hij dertig jaar oud was,

trok hij zich terug naar een klooster, waar hij verscheidene jaren

vertoefde. Daar werd dikwijls zijn gemoedsvrede verstoord door verhalen

van boeren, die leden onder de behandeling, die zij van tyrannieke

ambtenaren ondervonden. Tokiyori echter voelde bijzonder veel voor

de welvaart van zijn volk, en nadat hij de zaak met groote zorg had

onderzocht, besloot hij, zich te vermommen, van de ééne plaats naar

de andere te reizen, en op de meest nauwgezette wijze te trachten, het

hart der armen te leeren kennen, en later alles in het werk te stellen,

om de slechte practijken der verschillende ambtenaren te onderdrukken.

Dien ten gevolge vertrok Tokiyori uit op zijn uitnemende zending,

en kwam ten slotte te Sano, in de provincie Kozuki. Het was toen in

den wintertijd, en een vreeselijke sneeuwstorm was oorzaak, dat de

aanzienlijke wandelaar het spoor bijster werd. Na dood vermoeid uren

lang te hebben rondgezworven in de hoop een schuilplaats te vinden,

was hij juist van plan zich in het onvermijdelijke te schikken en

onder een boom te gaan slapen, toen hij tot zijn groote vreugde een

met stroo bedekt huisje zag, dat niet op grooten afstand aan den voet

van een heuvel stond. Hij ging naar dat huisje toe, en vertelde de

vrouw, die hem begroette, dat hij verdwaald was, en dat hij haar zeer

dankbaar zou zijn, als zij hem gedurende dien nacht een schuilplaats

zou willen verleenen. De brave vrouw zeide hem, dat het, daar haar

echtgenoot van huis was, niet gepast voor haar, als zijn echtgenoote,

zou zijn, een schuilplaats in haar woning aan een vreemdeling te

verleenen. Niet alleen dat Tokiyori dit antwoord niet kwalijk nam, maar

hij was bijzonder verheugd, niettegenstaande hij den ganschen nacht

in de sneeuw zou moeten doorbrengen, dat hij een zoo deugdzame vrouw

aantrof. Maar hij had zich nog niet ver van het huisje verwijderd, toen

hij een man hem hoorde roepen. Kokiyori bleef stilstaan, en dadelijk

zag hij, dat iemand hem wenkte. De man zeide, dat hij de echtgenoot

was van de vrouw, dien de vroegere Rijksbestuurder juist had verlaten,

en noodigde hem, dien hij voor een rondreizend priester aanzag, uit,

met hem terug te keeren, en gebruik te maken van de slechts eenvoudige

gastvrijheid, die hij hem kon aanbieden.

Toen Tokiyori in de kleine woning gezeten was, werd hem een eenvoudig

maal voorgezet, en daar hij sedert den vorigen morgen niets had

gebruikt, deed hij het maal alle eer aan. Maar het feit, dat hem wel

gierst, maar geen rijst werd voorgezet, bewees den opmerkzamen Tokiyori

voldoende, dat in dat gezin wel armoede heerschte, maar dat daarmede

een milddadigheid gepaard ging, die hem in het hart greep. En dit was

nog niet alles, immers toen de maaltijd was afgeloopen, gingen zij

samen om het vuur zitten, dat op het punt was uit te gaan bij gebrek

aan brandstof. De brave huisheer keek in den bak, die de brandstof

moest bevatten. Maar helaas! de bak was leeg! Zonder een oogenblik te

aarzelen ging hij naar den tuin, die diep onder de sneeuw bedolven

was, en bracht drie potten met dwergboompjes mede naar binnen, een

pijnboom, een pruimeboom en een kerseboom. Nu moet men weten, dat

dwergboompjes in Japan op hooge waarde worden geschat; groote zorg

en veel tijd wordt daaraan besteed, en hun ouderdom en bijzondere

schoonheid hebben hen dierbaar gemaakt aan de bevolking van Nippon. In

weerwil van het verzet van Tokiyori, hakte zijn gastheer die boompjes

klein en maakte zoo een vroolijk vuurtje.

Dit tooneel, dat nauwelijks door een westerling op zijn juiste

waarde kan worden geschat, bracht er Tokiyori toe, zijn gastheer

te ondervragen, vooral daar het bezit van die kostbare boompjes

bij hem een krachtig vermoeden wekte, dat die edelmoedige man

geen landbouwer van geboorte was, maar dat beroep had gekozen ten

gevolge van bijzondere omstandigheden. De Oud-Rijksbestuurder bleek

volkomen juist te hebben vermoed, en zijn gastheer vertelde met eenigen

tegenzin, dat hij een _samurai_ was, en dat hij Sano Genzalmon Tsuneyo

heette. Hij was verplicht geweest, zich aan den landbouw te wijden

ten gevolge van de oneerlijkheid van één van zijn bloedverwanten.

Tokiyori herinnerde zich inderdaad den naam van dien _samurai_, en

sprak de meening uit, dat hij zich tot de regeering moest wenden, om

herstel van het geleden onrecht te vragen. Sano zeide, dat, aangezien

de goede en rechtvaardige bestuurder gestorven was (dit dacht hij

namelijk) en aangezien zijn opvolger nog zeer jong was, hij het als

een hopeloos pogen beschouwde, een verzoekschrift in te dienen. "Maar

in weerwil hiervan", zoo zeide hij tot zijn belangstellenden gast,

die met de grootste oplettendheid toeluisterde, "zal ik, als er ooit

een te wapen roepen zal plaats hebben, de eerste zijn om in Kamakura

te verschijnen. Juist die gedachte, dat misschien nog eens de dag

zal aanbreken, dat ik mijn vaderland van nut kan zijn, heeft de dagen

van mijn armoede verlicht."

Het gesprek, dat hier door ons slechts in korte woorden is geschetst,

nam in werkelijkheid geruimen tijd in beslag en toen het geëindigd

was, was reeds een nieuwe dag aangebroken. En toen de tochtdeuren

waren opengezet, bleek, dat het zonlicht zich over een sneeuwvlakte

uitspreidde. Voordat hij afscheid nam, bedankte Tokiyori zijn gastheer

en gastvrouw hartelijk voor hun gastvrijheid. Toen de vriendelijke

bezoeker vertrokken was, herinnerde hij zich plotseling, dat hij

vergeten had, navraag te doen naar den naam van zijn gast.

Toevallig had er de volgende lente een te wapen roepen plaats door

het gouvernement te Kamakura. Zoodra Sano het verblijdende nieuws

had gehoord, begaf hij zich op weg, om aan dien oproep gehoor te

geven. Zijn wapenrusting was uiterst haveloos, zijn hellebaard was met

roest bedekt, en zijn paard verkeerde in een treurigen toestand. Hij

maakte een treurig figuur onder de schitterende ridders, die hij in

Kamakura aantrof. Een aantal van die ridders maakten onvriendelijke

opmerkingen over hem, maar Sano verdroeg die onbeschaamdheden zonder

een woord te antwoorden. Terwijl hij daar stond, een rampzalig figuur,

onder de schitterende gelederen der _samurai_, die bij hem stonden,

naderde een heraut, die op een prachtig paard gezeten was, en die

een banier droeg, waarop het familiewapen van den Rijksbestuurder

was aangebracht. Met luider stem en zoo duidelijk mogelijk beval hij

den ridder, die de meest havelooze wapenrusting droeg, om voor zijn

meester te verschijnen. Sano gehoorzaamde met een bezwaard gemoed

aan dat bevel. Hij dacht, dat de Rijksbestuurder hem zou berispen,

dat hij onder een zoo sierlijk uitgedost gezelschap verscheen, in

zulk een armoedige uitrusting.

De nederige ridder was verbaasd over het hartelijk welkom, dat hij

ontving, en hij was nog meer verbaasd, toen een dienaar de schermen,

die voor een aangrenzende kamer waren geplaatst, op zijde duwde, en

hij den Rijksbestuurder Saimyoji Tokiyori vóór zich zag, die niemand

anders was dan de priester, die een schuilplaats had gevonden in zijn

nederige woning. Tokiyori was het verbranden der drie dwergboompjes,

den pijnboom, den pruimeboom en den kerseboom, nog niet vergeten. Als

dank voor het offer, dat zonder eenige hoop op winstbejag zonder

aarzelen was gebracht, werden Sano de dertig dorpen teruggegeven,

waarvan hij beroofd was. Doch dit was niet meer dan Sano van rechtswege

toekwam; maar bovendien voelde de dankbare Tokiyori zich gedrongen,

dien trouwen ridder de dorpen Matsu-idu, Umeda en Sakurai aan te

bieden, een gelukkig denkbeeld, daar _matsu_, _ume_ en _sakura_

de Japansche namen zijn voor pijnboom, pruimeboom en kerseboom.

De Gelieven onder den Pijnboom.

"De dageraad nadert,

En de rijp valt neer

Op de dennetakken;

Maar der blaad'ren groen

Verandert niet.

Ochtend en avond

Worden de blaadren verwijderd

Onder hun schaduw.

Toch ontbreken zij nooit.

Het is een feit,

Dat die denneboomen

Niet al hun blaadren doen vallen;

Frisch blijft hun groen,

Lange eeuwen,

Als de slepende Masaka wijnstok;

Zelfs onder altijd groene boomen--

Het beeld van 't onveranderlijke--

Is hun roem verspreid.

Als tot het laatst der dagen een symbool--

De faam der dennen, die te zamen

Zijn oud geworden."

_Takasago_ (Naar _W.G. Aston_).

De _Takasago_ wordt gewoonlijk beschouwd als één der schoonste onder

de _No_, of classieke drama's. De _No_ werd opgevoerd door schoon

gevormde spelers, die in een oud dialect speelden. Het behoorde tot die

periode van Japansche vormelijkheid, zoo juist beschreven als: "Een

Hemel om van te hooren, maar een Hel om te zien." Het onderwerp van

de _Takasago_ schijnt een overblijfsel te zijn van een phallusdienst,

die veelvuldig voorkomt in de geschiedenis van primitieve volken. De

pijnboom van Takasago is het symbool van een lang leven, en in het

volgende koor uit dit drama kunnen wij de groote macht van dien altijd

groenen boom leeren kennen:

"En nu, eindelooze wereld,

Zullen der dansende meisjes uitgespreide armen

In priesterlijk gewaad

Schadelijke invloeden wegjagen;

Haar handen, gevouwen, om in haar boezem te rusten,

Zullen allen het geluk omvatten;

Het loflied van duizenden herfsten

Het zal het volk geluk en zegen brengen,

En de zang van tienduizend jaren

Het leven des vorsten verlengen.

En al dien tijd

Zal de stem van het windje,

Dat waait door de dennen,

Die samen oud worden,

Vreugde ons schenken.

Nog in onzen tijd gelooft men aan de krachtdadige werking der

pijnboomen. Men ziet dit duidelijk bij het feest van San-ga-nichi, als

dennetakken gedurende de Nieuwjaarsfeesten de poorten versieren. Zoowel

dit gebruik der pijnboomen als dat van dit bijzondere No drama

ontleenen hun oorsprong aan den grooten pijnboom van Takasago,

waarover wij in de volgende legende zullen verhalen.

In oude tijden woonde in Takasago een visscher met zijn vrouw en zijn

dochtertje Matsue. Nergens hield Matsue meer van, dan te zitten onder

den grooten pijnboom. Zij hield in het bijzonder van de dennenaalden,

die nooit schenen op te houden op den grond te vallen. Daarvan maakte

zij een prachtig gewaad en ceintuur, terwijl zij zeide: "Ik zal die

dennekleeren niet dragen vóór mijn trouwdag."

Toen Matsue op zekeren dag onder den pijnboom zat, zong zij het

volgende lied:

"De meest verharde mensch slaakt toch nog wel een zucht,

Als op hem nederdaalt een dwarrelende vlucht

Van kersebloesems dor. Die bloesems teer en fijn.

Dat zullen zeker wel des hemels tranen zijn."

Terwijl zij zoo zong, stond, op de steile kust van Sumiyoshi, Teoyo,

die de vlucht van een reiger gadesloeg. Al hooger en hooger steeg

hij in de blauwe lucht, en Teoyo zag hem over het dorp vluchten,

waar het visschersgezin met hun dochter woonde.

Teoyo was een jongman, die belust was op avonturen; daarom dacht hij,

dat het zeer aangenaam zou zijn, de zee over te zwemmen en het land

te onderzoeken, waarover de reiger gevlogen was. Dus dook hij op

zekeren morgen in zee, en zwom hij zóó hard en zóó lang, dat de arme

jongen de golven zag dwarrelen en dansen, en het breede hemelgewelf

zich zag nederbuigen, om hem te trachten aan te raken, daarop lag hij

bewusteloos op het water; maar toch waren de golven vriendelijk voor

hem, daar zij hem vooruitdrongen, totdat hij juist aanspoelde op de

plaats, waar Matsue onder den pijnboom zat.

Matsue trok Teoyo voorzichtig voort tot onder de beschuttende takken en

legde hem neder op een bed van dennenaalden, waar hij spoedig weer bij

kennis kwam, en Matsue hartelijk voor haar vriendelijkheid bedankte.

Teoyo keerde niet naar zijn eigen land terug, immers nadat een paar

gelukkige maanden waren voorbijgegaan, trouwde hij met Matsue; zooals

hij gezegd had, droeg zij op haar trouwdag haar gewaad en ceintuur

van dennenaalden.

Toen de ouders van Matsue gestorven waren, deed dit verlies haar liefde

voor Teoyo nog toenemen. Hoe ouder zij werden, des te meer hadden zij

elkander lief. Iederen avond laat gingen zij bij maneschijn hand aan

hand naar den pijnboom en maakten zij met hun kleine harken een bed

voor den volgenden dag.

Op zekeren nacht keek het groote zilveren gelaat van de maan door de

takken van den boom heen en zocht te vergeefs naar de oude gelieven,

die plachten te zitten op een bed van dennenaalden. Hun kleine harken

lagen naast elkander, en nog altijd wachtte de maan op de langzame

en strompelende stappen van de Gelieven onder den Pijnboom. Maar zij

kwamen dien nacht niet. Zij waren naar huis gegaan in de eeuwigdurende

rustplaats aan de Rivier der Zielen. Zij hadden zóóveel en zóó heerlijk

liefgehad, zoowel in hun ouderdom als in hun jeugd, dat de Goden

hun zielen toestond, weer terug te keeren en rondom den pijnboom te

wandelen, die gedurende zóóveel jaren hun liefde had gadegeslagen. Als

het volle maan is, fluisteren en lachen zij, en zingen zij, terwijl zij

de dennenaalden bijeenbrengen, en de zee zachtkens op het strand zingt.

Mythen & Legenden van Japan · 第 26 / 53 题