"Ik hoorde van 't magische wierook, dat oproept de ziel van wie
weg is;
Ach, kon ik wat daarvan branden, 's nachts, als ik eenzaam moet
wachten."
_Uit het Japansch._
In een zeker Japansch dorp groeide een groote wilgeboom. Geslacht na
geslacht werd die door het volk vereerd. In den zomer was hij een
rustplaats, een plaats, waar de dorpelingen bijeen kwamen, nadat
de inspanning en de hitte van den dag voorbij waren, en waar zij
bleven praten, totdat het maanlicht door de takken scheen. In den
winter was hij als een half geopend zonnescherm, dat bedekt was met
fonkelende sneeuw.
Heitaro, een jeugdige landbouwer, woonde vlak bij den boom,
en daardoor was hij nog meer dan één van zijn makkers in innige
gemeenschap gekomen met den statigen wilgeboom. De boom was bijna
het eerst wat hij bij zijn ontwaken zag, en als hij van zijn werk op
zijn akkers naar huis terugkeerde, zag hij steeds met verlangen uit
naar zijn bekende gedaante. Dikwijls brandde hij een stuk hout onder
zijn takken, en knielde daar neder om te bidden.
Op zekeren dag kwam een oud man uit dat dorp naar Heitaro, en vertelde
hem, dat de dorpsbewoners een brug over de rivier wilden bouwen,
en dat zij er bijzonder opgesteld waren, den grooten wilgeboom voor
timmerhout te gebruiken.
"Voor timmerhout?" zeide Heitaro, terwijl hij zijn gelaat in
zijn handen verborg. "Mijn geliefde wilgeboom voor een brug, die
onophoudelijk het trappelen van voeten zal moeten dulden! Nooit,
nooit, oude man!"
Toen Heitaro eenigszins zijn kalmte had teruggekregen, bood hij
den ouden man sommige van zijn eigen boomen aan, als hij en de
dorpsbewoners die voor timmerhout wilden aannemen en den ouden
wilgeboom wilden sparen.
De oude man nam gaarne dit aanbod aan, en de wilgeboom bleef in het
dorp staan, zooals hij reeds zoovele jaren gestaan had.
Toen Heitaro op zekeren avond onder den grooten wilgeboom zat, zag
hij plotseling een prachtig meisje dicht naast hem staan, die bedeesd
naar hem keek, alsof zij hem wilde toespreken.
"Achtbare dame", zoo sprak hij, "ik zal naar huis gaan. Ik zie,
dat gij op iemand wacht. Heitaro is niet onvriendelijk jegens hen,
die liefhebben.
"Hij komt nu niet meer", antwoordde het meisje lachend.
"Zou zijn liefde bekoeld zijn? Ach, hoe vreeselijk is het, dat een
onechte liefde komt, en asch, en een graf achterlaat?"
"Zijn liefde is niet bekoeld, waarde heer."
"En toch komt hij niet? Wat voor een vreemde mysterie is dit?"
"Hij is gekomen! Zijn hart is altijd hier geweest, hier onder dezen
wilgeboom." En met een stralenden glimlach verdween het meisje.
Nachten achter elkander kwamen zij onder den ouden wilgeboom samen. De
bedeesdheid van het meisje was geheel verdwenen, en het scheen wel,
alsof zij van de lippen van Heitaro niet genoeg lof kon hooren over
den wilgeboom, waaronder zij zaten.
Op zekeren avond zeide hij tot haar: "Lieve kleine, wilt gij mijn
vrouwtje worden--gij, die van den boom zelf af komstig schijn te zijn?"
"Ja," zeide het meisje. "Noem mij Higo ('Wilg') en vraag, ter wille
van uw liefde voor mij, niet verder. Ik heb noch vader, noch moeder,
en de dag zal komen, dat gij het zult begrijpen."
Heitaro en Higo huwden, en na verloop van tijd werd hun huwelijk
gezegend met een kind, dat zij Chiyodo noemden. Hun woning was
eenvoudig, maar de bewoners van het huisje waren de gelukkigste
menschen van geheel Japan.
Terwijl dit gelukkige paar hun verschillende werkzaamheden verrichtten,
kwam er groot nieuws in het dorp. De dorpelingen waren er vol van, en
het duurde dan ook niet lang, of het bereikte de ooren van Heitaro. De
oud-Keizer Toba wilde in Kyoto een tempel bouwen gewijd aan Kwannon
[47], en zij, die daarover te zeggen hadden, zonden wijd en zijd om
timmerhout. De dorpelingen zeiden, dat zij tot de oprichting van
het heilige gebouw moesten bijdragen, door hun grooten wilgeboom
aan te bieden. Alle redeneeringen, alle overreding en alle beloften,
dat hij andere boomen zou leveren, waren vruchteloos, want noch hij,
noch iemand anders kon een zóó grooten en schoonen boom schenken als
den grooten wilgeboom.
Heitaro ging naar huis en vertelde de zaak aan zijn vrouw: "Ach,
vrouwtje", zoo sprak hij, "zij zijn op het punt onzen dierbaren
wilgeboom te vellen! Voordat ik met u gehuwd was, zou ik het niet
hebben kunnen verdragen. Naar nu ik u bezit, kleintje, zal ik er
misschien ter eeniger tijd overheen komen".
Dien nacht werd Heitaro gewekt door het hooren van een doordringenden
kreet. "Heitaro" zeide zijn vrouw, "het wordt donker!" De kamer
is vol gefluister. Zijt gij daar, Heitaro? Luister? Zij vellen den
wilgeboom. Zie, hoe zijn schaduw in het maanlicht siddert. Ik ben
de ziel van den wilgeboom! De dorpelingen dooden mij. O, hoe hakken
en trekken zij mij in stukken! Beste Heitaro, wat een pijn, wat een
pijn! Leg uw handen hier, en hier. Nu kunnen de slagen toch niet
vallen, niet waar?"
"Mijn Wilgevrouwtje! Mijn Wilgevrouwtje!" snikte Heitaro.
"Beste man", zeide Higo, met zacht stem, terwijl zij haar vochtig,
met den dood worstelend gelaat tegen het zijne aandrukte: "Ik ga
u verlaten. Een liefde als de onze kan niet worden uitgeroeid, hoe
hard de slagen ook neerkomen. Ik zal op u en Chiyodo wachten--Mijn
haar valt door de lucht neer! Mijn lichaam breekt!"
Buiten werd een luid gekraak gehoord. De groote wilgeboom lag met
zijn groene bladeren ordeloos over den grond. Heitaro keek rond
naar haar, die hij meer liefhad dan iets op de wereld. Wilgevrouwtje
was verdwenen!
De Boom van den Eenoogigen Priester.
In oude tijden stond op den top van den Oki-yama een tempel, gewijd
aan Fudo, een god, omgeven door vuur, met een zwaard in de ééne hand
en een touw in de andere. Twintig jaar lang had Yenoki zijn taak
vervuld, en één van zijn verplichtingen was, Fudo te bewaken, die in
een altaar zat, dat alleen toegankelijk was voor den hoogepriester
zelf. Gedurende al dien tijd had Yenoki getrouw zijn verplichtingen
vervuld, en had hij weerstand geboden aan de verleiding, haastig een
blik te slaan op dien bijzonder leelijken God. Toen hij nu op zekeren
morgen zag, dat de deur van het altaar niet volkomen gesloten was,
werd zijn nieuwsgierigheid hem te machtig en sloeg hij even een blik
naar binnen. Nauwelijks had hij dit gedaan, of hij werd stekeblind
aan één oog, en onderging de vernedering, dat hij in een _tengu_
[48] veranderde.
Na die betreurenswaardige gebeurtenis leefde hij nog een jaar
lang, maar daarna stierf hij. Zijn geest ging over in een grooten
cryptomeria-boom, die aan de oostelijke helling van den berg stond,
en van dien tijd af werd de geest van Yenoki aangeroepen door de
zeelieden, die door stormen op de Chineesche Zee werden geteisterd. Als
een licht van den boom helder brandde als antwoord op hun gebeden,
dan was dat een vast teeken, dat de storm zou gaan liggen.
Aan den voet van den Oki-yama was een dorp, waar de jongelieden,
het is treurig te vermelden, slap waren in hun zedelijke
opvattingen. Gedurende het Doodenfeest voerden zij dansen uit,
bekend als de Bon Odori. Die dansen werden woest uitgevoerd en gingen
vergezeld van vurige en onzedelijke lief koozingen. Naarmate de jaren
voortgingen, werden de dansen hoe langer hoe bandeloozer, en het dorp
kreeg een slechten naam wegens de onzedelijke handelingen door het
jonge volk gepleegd.
Na een bijzonder woeste viering van de Bon trok een jong meisje, Kimi
genaamd, uit, om haar minnaar, Kurosuke, op te sporen. In plaats van
hem te zien, zag zij een jongeling, die er bijzonder goed uit zag en
haar toelachte en voortdurend wenkte. Kimi vergat Kurosuke geheel
en al; ja zelfs, van dat oogenblik af haatte zij hem en volgde zij
met innig verlangen den haar verlokkenden jongeling. Negen schoone,
doch slechte meisjes verdwenen op dergelijke wijze uit het dorp,
en het was altijd dezelfde jongeling, die haar op die geheimzinnige
wijze van den goeden weg lokte.
De ouderen van het dorp overlegden de zaak samen, en kwamen tot
de gevolgtrekking, dat de geest van Yenoki vertoornd was over de
buitensporigheden, die in verband stonden met het Bonfeest, en dat
die geest de gedaante van een schoonen jongeling had aangenomen, met
het doel een strenge vermaning toe te dienen. De Heer van Kishiwada
ontbood dus Sonobé bij zich, en beval hem te reizen naar den grooten
cryptomeria-boom op Oki-Yama.
Toen Sonobé zijn bestemming had bereikt, sprak hij den ouden boom aldus
toe: "O, verblijfplaats van den geest van Yenoki, ik beschuldig u er
van, dat gij onze dochters hebt weggevoerd. Als dit zoo voortgaat,
zal ik den boom omhakken, zoodat gij genoodzaakt zult zijn, een andere
verblijfplaats voor u te zoeken."
Nauwelijks had Sonobé gesproken, of de regen begon te vallen, en
hij hoorde het gerommel van een hevige aardbeving. Daarna verscheen
plotseling uit den boom de geest van Yenoki. Hij vertelde, dat een
aantal van de jongelieden uit het dorp van Sonobé door hun wangedrag
hadden gezondigd tegen de Goden, en dat hij, zooals ondersteld was,
den vorm had aangenomen van een schoonen jongeling, ten einde de
voornaamste der slechte meisjes te verwijderen. "Gij zult ze aan
boomen gebonden vinden op den tweeden top van dezen berg", zoo voegde
de geest van Yenoki er aan toe. "Ga, bevrijd ze, en geef haar verlof,
naar het dorp terug te keeren. Zij hebben niet alleen berouw over
haar dwaasheden, maar zullen ook haar invloed op anderen uitoefenen,
om een edeler en reiner leven te leiden." En na die woorden te hebben
gesproken, verdween weer Yenoki in zijn boom.
Sonobé begaf zich naar den tweeden top van den berg en bevrijdde
de meisjes. Zij keerden naar haar woningen terug als deugdzame en
plichtgetrouwe dochters, en van dien dag af tot heden toe zijn de
Goden zeer tevreden geweest over het gedrag der inwoners van het dorp,
dat gelegen is aan den voet van den Oki-Yama.
Het Verbranden van Drie Dwergboompjes.
Tijdens de regeering van Keizer Go-Fukakusa leefde er een beroemd
Rijksbestuurder, Saimyoji Tokiyori. Toen hij dertig jaar oud was,
trok hij zich terug naar een klooster, waar hij verscheidene jaren
vertoefde. Daar werd dikwijls zijn gemoedsvrede verstoord door verhalen
van boeren, die leden onder de behandeling, die zij van tyrannieke
ambtenaren ondervonden. Tokiyori echter voelde bijzonder veel voor
de welvaart van zijn volk, en nadat hij de zaak met groote zorg had
onderzocht, besloot hij, zich te vermommen, van de ééne plaats naar
de andere te reizen, en op de meest nauwgezette wijze te trachten, het
hart der armen te leeren kennen, en later alles in het werk te stellen,
om de slechte practijken der verschillende ambtenaren te onderdrukken.
Dien ten gevolge vertrok Tokiyori uit op zijn uitnemende zending,
en kwam ten slotte te Sano, in de provincie Kozuki. Het was toen in
den wintertijd, en een vreeselijke sneeuwstorm was oorzaak, dat de
aanzienlijke wandelaar het spoor bijster werd. Na dood vermoeid uren
lang te hebben rondgezworven in de hoop een schuilplaats te vinden,
was hij juist van plan zich in het onvermijdelijke te schikken en
onder een boom te gaan slapen, toen hij tot zijn groote vreugde een
met stroo bedekt huisje zag, dat niet op grooten afstand aan den voet
van een heuvel stond. Hij ging naar dat huisje toe, en vertelde de
vrouw, die hem begroette, dat hij verdwaald was, en dat hij haar zeer
dankbaar zou zijn, als zij hem gedurende dien nacht een schuilplaats
zou willen verleenen. De brave vrouw zeide hem, dat het, daar haar
echtgenoot van huis was, niet gepast voor haar, als zijn echtgenoote,
zou zijn, een schuilplaats in haar woning aan een vreemdeling te
verleenen. Niet alleen dat Tokiyori dit antwoord niet kwalijk nam, maar
hij was bijzonder verheugd, niettegenstaande hij den ganschen nacht
in de sneeuw zou moeten doorbrengen, dat hij een zoo deugdzame vrouw
aantrof. Maar hij had zich nog niet ver van het huisje verwijderd, toen
hij een man hem hoorde roepen. Kokiyori bleef stilstaan, en dadelijk
zag hij, dat iemand hem wenkte. De man zeide, dat hij de echtgenoot
was van de vrouw, dien de vroegere Rijksbestuurder juist had verlaten,
en noodigde hem, dien hij voor een rondreizend priester aanzag, uit,
met hem terug te keeren, en gebruik te maken van de slechts eenvoudige
gastvrijheid, die hij hem kon aanbieden.
Toen Tokiyori in de kleine woning gezeten was, werd hem een eenvoudig
maal voorgezet, en daar hij sedert den vorigen morgen niets had
gebruikt, deed hij het maal alle eer aan. Maar het feit, dat hem wel
gierst, maar geen rijst werd voorgezet, bewees den opmerkzamen Tokiyori
voldoende, dat in dat gezin wel armoede heerschte, maar dat daarmede
een milddadigheid gepaard ging, die hem in het hart greep. En dit was
nog niet alles, immers toen de maaltijd was afgeloopen, gingen zij
samen om het vuur zitten, dat op het punt was uit te gaan bij gebrek
aan brandstof. De brave huisheer keek in den bak, die de brandstof
moest bevatten. Maar helaas! de bak was leeg! Zonder een oogenblik te
aarzelen ging hij naar den tuin, die diep onder de sneeuw bedolven
was, en bracht drie potten met dwergboompjes mede naar binnen, een
pijnboom, een pruimeboom en een kerseboom. Nu moet men weten, dat
dwergboompjes in Japan op hooge waarde worden geschat; groote zorg
en veel tijd wordt daaraan besteed, en hun ouderdom en bijzondere
schoonheid hebben hen dierbaar gemaakt aan de bevolking van Nippon. In
weerwil van het verzet van Tokiyori, hakte zijn gastheer die boompjes
klein en maakte zoo een vroolijk vuurtje.
Dit tooneel, dat nauwelijks door een westerling op zijn juiste
waarde kan worden geschat, bracht er Tokiyori toe, zijn gastheer
te ondervragen, vooral daar het bezit van die kostbare boompjes
bij hem een krachtig vermoeden wekte, dat die edelmoedige man
geen landbouwer van geboorte was, maar dat beroep had gekozen ten
gevolge van bijzondere omstandigheden. De Oud-Rijksbestuurder bleek
volkomen juist te hebben vermoed, en zijn gastheer vertelde met eenigen
tegenzin, dat hij een _samurai_ was, en dat hij Sano Genzalmon Tsuneyo
heette. Hij was verplicht geweest, zich aan den landbouw te wijden
ten gevolge van de oneerlijkheid van één van zijn bloedverwanten.
Tokiyori herinnerde zich inderdaad den naam van dien _samurai_, en
sprak de meening uit, dat hij zich tot de regeering moest wenden, om
herstel van het geleden onrecht te vragen. Sano zeide, dat, aangezien
de goede en rechtvaardige bestuurder gestorven was (dit dacht hij
namelijk) en aangezien zijn opvolger nog zeer jong was, hij het als
een hopeloos pogen beschouwde, een verzoekschrift in te dienen. "Maar
in weerwil hiervan", zoo zeide hij tot zijn belangstellenden gast,
die met de grootste oplettendheid toeluisterde, "zal ik, als er ooit
een te wapen roepen zal plaats hebben, de eerste zijn om in Kamakura
te verschijnen. Juist die gedachte, dat misschien nog eens de dag
zal aanbreken, dat ik mijn vaderland van nut kan zijn, heeft de dagen
van mijn armoede verlicht."
Het gesprek, dat hier door ons slechts in korte woorden is geschetst,
nam in werkelijkheid geruimen tijd in beslag en toen het geëindigd
was, was reeds een nieuwe dag aangebroken. En toen de tochtdeuren
waren opengezet, bleek, dat het zonlicht zich over een sneeuwvlakte
uitspreidde. Voordat hij afscheid nam, bedankte Tokiyori zijn gastheer
en gastvrouw hartelijk voor hun gastvrijheid. Toen de vriendelijke
bezoeker vertrokken was, herinnerde hij zich plotseling, dat hij
vergeten had, navraag te doen naar den naam van zijn gast.
Toevallig had er de volgende lente een te wapen roepen plaats door
het gouvernement te Kamakura. Zoodra Sano het verblijdende nieuws
had gehoord, begaf hij zich op weg, om aan dien oproep gehoor te
geven. Zijn wapenrusting was uiterst haveloos, zijn hellebaard was met
roest bedekt, en zijn paard verkeerde in een treurigen toestand. Hij
maakte een treurig figuur onder de schitterende ridders, die hij in
Kamakura aantrof. Een aantal van die ridders maakten onvriendelijke
opmerkingen over hem, maar Sano verdroeg die onbeschaamdheden zonder
een woord te antwoorden. Terwijl hij daar stond, een rampzalig figuur,
onder de schitterende gelederen der _samurai_, die bij hem stonden,
naderde een heraut, die op een prachtig paard gezeten was, en die
een banier droeg, waarop het familiewapen van den Rijksbestuurder
was aangebracht. Met luider stem en zoo duidelijk mogelijk beval hij
den ridder, die de meest havelooze wapenrusting droeg, om voor zijn
meester te verschijnen. Sano gehoorzaamde met een bezwaard gemoed
aan dat bevel. Hij dacht, dat de Rijksbestuurder hem zou berispen,
dat hij onder een zoo sierlijk uitgedost gezelschap verscheen, in
zulk een armoedige uitrusting.
De nederige ridder was verbaasd over het hartelijk welkom, dat hij
ontving, en hij was nog meer verbaasd, toen een dienaar de schermen,
die voor een aangrenzende kamer waren geplaatst, op zijde duwde, en
hij den Rijksbestuurder Saimyoji Tokiyori vóór zich zag, die niemand
anders was dan de priester, die een schuilplaats had gevonden in zijn
nederige woning. Tokiyori was het verbranden der drie dwergboompjes,
den pijnboom, den pruimeboom en den kerseboom, nog niet vergeten. Als
dank voor het offer, dat zonder eenige hoop op winstbejag zonder
aarzelen was gebracht, werden Sano de dertig dorpen teruggegeven,
waarvan hij beroofd was. Doch dit was niet meer dan Sano van rechtswege
toekwam; maar bovendien voelde de dankbare Tokiyori zich gedrongen,
dien trouwen ridder de dorpen Matsu-idu, Umeda en Sakurai aan te
bieden, een gelukkig denkbeeld, daar _matsu_, _ume_ en _sakura_
de Japansche namen zijn voor pijnboom, pruimeboom en kerseboom.
De Gelieven onder den Pijnboom.
"De dageraad nadert,
En de rijp valt neer
Op de dennetakken;
Maar der blaad'ren groen
Verandert niet.
Ochtend en avond
Worden de blaadren verwijderd
Onder hun schaduw.
Toch ontbreken zij nooit.
Het is een feit,
Dat die denneboomen
Niet al hun blaadren doen vallen;
Frisch blijft hun groen,
Lange eeuwen,
Als de slepende Masaka wijnstok;
Zelfs onder altijd groene boomen--
Het beeld van 't onveranderlijke--
Is hun roem verspreid.
Als tot het laatst der dagen een symbool--
De faam der dennen, die te zamen
Zijn oud geworden."
_Takasago_ (Naar _W.G. Aston_).
De _Takasago_ wordt gewoonlijk beschouwd als één der schoonste onder
de _No_, of classieke drama's. De _No_ werd opgevoerd door schoon
gevormde spelers, die in een oud dialect speelden. Het behoorde tot die
periode van Japansche vormelijkheid, zoo juist beschreven als: "Een
Hemel om van te hooren, maar een Hel om te zien." Het onderwerp van
de _Takasago_ schijnt een overblijfsel te zijn van een phallusdienst,
die veelvuldig voorkomt in de geschiedenis van primitieve volken. De
pijnboom van Takasago is het symbool van een lang leven, en in het
volgende koor uit dit drama kunnen wij de groote macht van dien altijd
groenen boom leeren kennen:
"En nu, eindelooze wereld,
Zullen der dansende meisjes uitgespreide armen
In priesterlijk gewaad
Schadelijke invloeden wegjagen;
Haar handen, gevouwen, om in haar boezem te rusten,
Zullen allen het geluk omvatten;
Het loflied van duizenden herfsten
Het zal het volk geluk en zegen brengen,
En de zang van tienduizend jaren
Het leven des vorsten verlengen.
En al dien tijd
Zal de stem van het windje,
Dat waait door de dennen,
Die samen oud worden,
Vreugde ons schenken.
Nog in onzen tijd gelooft men aan de krachtdadige werking der
pijnboomen. Men ziet dit duidelijk bij het feest van San-ga-nichi, als
dennetakken gedurende de Nieuwjaarsfeesten de poorten versieren. Zoowel
dit gebruik der pijnboomen als dat van dit bijzondere No drama
ontleenen hun oorsprong aan den grooten pijnboom van Takasago,
waarover wij in de volgende legende zullen verhalen.
In oude tijden woonde in Takasago een visscher met zijn vrouw en zijn
dochtertje Matsue. Nergens hield Matsue meer van, dan te zitten onder
den grooten pijnboom. Zij hield in het bijzonder van de dennenaalden,
die nooit schenen op te houden op den grond te vallen. Daarvan maakte
zij een prachtig gewaad en ceintuur, terwijl zij zeide: "Ik zal die
dennekleeren niet dragen vóór mijn trouwdag."
Toen Matsue op zekeren dag onder den pijnboom zat, zong zij het
volgende lied:
"De meest verharde mensch slaakt toch nog wel een zucht,
Als op hem nederdaalt een dwarrelende vlucht
Van kersebloesems dor. Die bloesems teer en fijn.
Dat zullen zeker wel des hemels tranen zijn."
Terwijl zij zoo zong, stond, op de steile kust van Sumiyoshi, Teoyo,
die de vlucht van een reiger gadesloeg. Al hooger en hooger steeg
hij in de blauwe lucht, en Teoyo zag hem over het dorp vluchten,
waar het visschersgezin met hun dochter woonde.
Teoyo was een jongman, die belust was op avonturen; daarom dacht hij,
dat het zeer aangenaam zou zijn, de zee over te zwemmen en het land
te onderzoeken, waarover de reiger gevlogen was. Dus dook hij op
zekeren morgen in zee, en zwom hij zóó hard en zóó lang, dat de arme
jongen de golven zag dwarrelen en dansen, en het breede hemelgewelf
zich zag nederbuigen, om hem te trachten aan te raken, daarop lag hij
bewusteloos op het water; maar toch waren de golven vriendelijk voor
hem, daar zij hem vooruitdrongen, totdat hij juist aanspoelde op de
plaats, waar Matsue onder den pijnboom zat.
Matsue trok Teoyo voorzichtig voort tot onder de beschuttende takken en
legde hem neder op een bed van dennenaalden, waar hij spoedig weer bij
kennis kwam, en Matsue hartelijk voor haar vriendelijkheid bedankte.
Teoyo keerde niet naar zijn eigen land terug, immers nadat een paar
gelukkige maanden waren voorbijgegaan, trouwde hij met Matsue; zooals
hij gezegd had, droeg zij op haar trouwdag haar gewaad en ceintuur
van dennenaalden.
Toen de ouders van Matsue gestorven waren, deed dit verlies haar liefde
voor Teoyo nog toenemen. Hoe ouder zij werden, des te meer hadden zij
elkander lief. Iederen avond laat gingen zij bij maneschijn hand aan
hand naar den pijnboom en maakten zij met hun kleine harken een bed
voor den volgenden dag.
Op zekeren nacht keek het groote zilveren gelaat van de maan door de
takken van den boom heen en zocht te vergeefs naar de oude gelieven,
die plachten te zitten op een bed van dennenaalden. Hun kleine harken
lagen naast elkander, en nog altijd wachtte de maan op de langzame
en strompelende stappen van de Gelieven onder den Pijnboom. Maar zij
kwamen dien nacht niet. Zij waren naar huis gegaan in de eeuwigdurende
rustplaats aan de Rivier der Zielen. Zij hadden zóóveel en zóó heerlijk
liefgehad, zoowel in hun ouderdom als in hun jeugd, dat de Goden
hun zielen toestond, weer terug te keeren en rondom den pijnboom te
wandelen, die gedurende zóóveel jaren hun liefde had gadegeslagen. Als
het volle maan is, fluisteren en lachen zij, en zingen zij, terwijl zij
de dennenaalden bijeenbrengen, en de zee zachtkens op het strand zingt.