"Op zekeren dag redetwistten Kinto Fujiwara, Opperste Raadadviseur
en de minister van Uji over de vraag, welke bloem de schoonste
was onder de lente- en herfstbloemen. De minister beweerde, dat de
Kers de schoonste was van de lentebloemen, de Chrysanthemum van de
herfstbloemen. Daarop zeide Kinto, 'hoe kan nu de kersen-bloesem
het schoonst zijn? Gij hebt de pruim vergeten.' Hun twistgesprek
beperkte zich ten slotte tot de voortreffelijkheid van Kers
en Pruim, terwijl aan andere bloemen weinig aandacht werd
geschonken. Eindelijk werd Kinto, die den minister niet wilde
hinderen, minder heftig in zijn betoog dan te voren, maar zeide:
'Welnu, hetzij dan zoo: nemen wij dan aan, dat de Kers de schoonste
van de twee is; maar als gij eens den bloesem van de Roode Pruim
bij het aanbreken van een lentedag in de sneeuw hebt gezien, zult
gij niet langer haar schoonheid vergeten.' Dit was werkelijk een
kiesch en vriendelijk gezegde".
_"De Tuin van Japan"_, door _F.T. Piggott._
Kers en Pruim.
De schitterendste bloemenpracht wordt in Japan aangetroffen in de
maand April, zoodra de kersen in bloei komen, en zooals wij in de
bovenstaande aanhaling hebben gezien, zijn het de kers en de pruim,
die in de eerste plaats de gunst der Japanners genieten. De dichter
Motoöri schrijft: "Indien iemand u zou vragen naar het hart van
een echten Japanner, wijs dan naar den wilden kersenbloesem in de
zon", en Lafcadio Hearn heeft met een echt poëtisch inzicht den
kersenbloesem van Japan vergeleken met een zachten zonsondergang,
die als het ware uit de lucht is afgedaald en om de bladerlooze takken
is blijven hangen.
De werkelijk groote wonderen der natuur zijn in staat, bij hen, die
voldoende gevoel hebben voor het schoone, een niet te omschrijven
verlangen achter te laten, een verdriet, dat zooveel liefelijkheid
weer verloren moet gaan; en dat zachte gevoel van smart, vermengd
met de verrukking, wordt gemakkelijk in veel van de Japansche poëzie
ontdekt. Het is een feit, waar wel de nadruk op mag worden gelegd,
omdat het een gemoedsgesteldheid openbaart, die rijk voorzien is van
een buitengewone liefde voor het schoone, dat smachtend verlangen
naar een bloemblaadje, dat nooit verdort, een kleur, die nooit
verbleekt. Korunushi zong aldus:
De meest verstarde mensch slaakt toch nog wel een zucht,
Als op hem nederdaalt een dwarrelende vlucht,
Van kersenbloesems dor. Die bloesems teer en fijn.
Dat zullen zeker wel des hemels tranen zijn"!