HOOFDSTUK XIII. BOOMEN.

"Op zekeren dag redetwistten Kinto Fujiwara, Opperste Raadadviseur

en de minister van Uji over de vraag, welke bloem de schoonste

was onder de lente- en herfstbloemen. De minister beweerde, dat de

Kers de schoonste was van de lentebloemen, de Chrysanthemum van de

herfstbloemen. Daarop zeide Kinto, 'hoe kan nu de kersen-bloesem

het schoonst zijn? Gij hebt de pruim vergeten.' Hun twistgesprek

beperkte zich ten slotte tot de voortreffelijkheid van Kers

en Pruim, terwijl aan andere bloemen weinig aandacht werd

geschonken. Eindelijk werd Kinto, die den minister niet wilde

hinderen, minder heftig in zijn betoog dan te voren, maar zeide:

'Welnu, hetzij dan zoo: nemen wij dan aan, dat de Kers de schoonste

van de twee is; maar als gij eens den bloesem van de Roode Pruim

bij het aanbreken van een lentedag in de sneeuw hebt gezien, zult

gij niet langer haar schoonheid vergeten.' Dit was werkelijk een

kiesch en vriendelijk gezegde".

_"De Tuin van Japan"_, door _F.T. Piggott._

Kers en Pruim.

De schitterendste bloemenpracht wordt in Japan aangetroffen in de

maand April, zoodra de kersen in bloei komen, en zooals wij in de

bovenstaande aanhaling hebben gezien, zijn het de kers en de pruim,

die in de eerste plaats de gunst der Japanners genieten. De dichter

Motoöri schrijft: "Indien iemand u zou vragen naar het hart van

een echten Japanner, wijs dan naar den wilden kersenbloesem in de

zon", en Lafcadio Hearn heeft met een echt poëtisch inzicht den

kersenbloesem van Japan vergeleken met een zachten zonsondergang,

die als het ware uit de lucht is afgedaald en om de bladerlooze takken

is blijven hangen.

De werkelijk groote wonderen der natuur zijn in staat, bij hen, die

voldoende gevoel hebben voor het schoone, een niet te omschrijven

verlangen achter te laten, een verdriet, dat zooveel liefelijkheid

weer verloren moet gaan; en dat zachte gevoel van smart, vermengd

met de verrukking, wordt gemakkelijk in veel van de Japansche poëzie

ontdekt. Het is een feit, waar wel de nadruk op mag worden gelegd,

omdat het een gemoedsgesteldheid openbaart, die rijk voorzien is van

een buitengewone liefde voor het schoone, dat smachtend verlangen

naar een bloemblaadje, dat nooit verdort, een kleur, die nooit

verbleekt. Korunushi zong aldus:

De meest verstarde mensch slaakt toch nog wel een zucht,

Als op hem nederdaalt een dwarrelende vlucht,

Van kersenbloesems dor. Die bloesems teer en fijn.

Dat zullen zeker wel des hemels tranen zijn"!

Mythen & Legenden van Japan · 第 24 / 53 题