"Al de vreugde van mijn bestaan is bijeengebracht rondom mijn
peluw, die mij mijn nachtrust schenkt; al de hoop van mijn
leven vind ik in de schoonheden der Natuur, die steeds mijn
oogen verkwikken."
Japansche en Europeesche Tuinen.
Er is in de meeste Europeesche tuinen niets bijzonder aesthetisch. Als
de tijd van het planten is aangebroken, brengt een trage oude
tuinman zijn planten in den grond. Wij zien dan later een grove
kleurenschittering--roode geraniums, gele calceolaria's, blauwe
lobelia's, het groene gras en de okerkleurige paden. En dit is het
kleureneffect van de meeste Europeesche tuinen, een kleureneffect,
dat de oogen vermoeit, en de bloemen zelf, die zóó onverstandig
geplant zijn, tot schande maakt. De waarheid is, dat wij de gave
van rangschikking der bloemen missen. Wij koopen bloemen, om den
tuin er fraai te doen uitzien, onder den indruk, dat fraaiheid een
abstracte eigenschap is, waaronder wij onze zomersche dagen zouden
willen doorbrengen. Een Engelschman trachtte eens den tuin van zijn
buitenverblijf op Japansche manier aan te leggen. Hij was bijzonder
trotsch op het resultaat en leidde op zekeren dag een Japanschen vriend
rond, om dien te zien. De Japansche vriend riep met bijzonder groote
beleefdheid uit: "Het is prachtig; wij hebben in Japan niets, dat
daarop gelijkt!" De Engelschman was niet geslaagd in zijn poging tot
nabootsing, omdat hij het tuinieren als een liefhebberij beschouwde,
terwijl in Japan een tuin iets is, dat onuitroeibaar met het leven
in Japan verbonden is. In Japan is het een oude eeredienst, waaraan
dichters en kunstenaars jaren in hun gedachten hebben gewijd, en
waarin ontroering, herinnering en godsdienst een rol spelen.
De Liefde voor Bloemen, haar Groei en Symbolische Beteekenis.
Eén van de meest treffende, en zeker één van de aangenaamste
karaktertrekken der Japanners is hun innige liefde voor bloemen
en boomen. Vroolijke groepen gaan samen uit om de azalea's te zien
bloeien, of om de schitterende schoonheid van den kersenbloesem te
bewonderen, of de scharlakenroode glorie der ahornboomen. Dat "bloemen
bewonderen" maakt een integreerend deel uit van hun bestaan. Tot
zelfs de _Kimono_ der lachende kinderen ziet er uit als een kleine
bloementuin. Als gij hun landschap wegneemt, dan neemt gij tevens
hun zin voor poëzie weg, en, wat wij er bijna aan kunnen toevoegen,
ook het met de bloemen samenhangende deel van hun godsdienst, immers
de Japanner vereert bloemen en boomen op een wijze, die absoluut
ondenkbaar is bij den meer prozaïschen westerling.
In de vorige lente boden de bloeiende magnolia's in den beroemden
plantentuin, Kew Gardens, een schitterend schouwspel aan. Maar er
waren slechts weinigen gekomen om die bladerlooze boomen te zien met
hun overvloed van op lotus gelijke bloesems. De toeschouwer, die van
het schouwspel het meest van allen genoot, was een kind dat onder
de welriekende takken zat, de gevallen bruine bloemblaadjes in haar
kleine bruine handjes verzamelde en een vreemd verhaaltje daaraan
vastknoopte. Maar in Japan, waar evenzeer de Magnolia's bloeien,
zouden een aantal kleine gedichten aan de takken worden vastgeknoopt,
en zouden er kleine gebakjes in den vorm dier bloemblaadjes worden
gemaakt. Misschien zou ook een tak van een magnolia in een vaas
gezet worden, als voorwerp van bewondering voor de leden van een
theegezelschap. En later zou het takje met bloesems zacht op een
rivier worden geplaatst of begraven worden met vreugde en met eerbied,
om de schoonheid, die het in zijn kort leven had ten toon gespreid.
De liefde voor bloemen is slechts een klein onderdeel van de
liefde der Japanners voor de natuur. In die vereering heeft een
evolutieproces plaats gegrepen, zooals in iedere andere vereering, en
wij hellen over tot de meening, dat de Japanners zeer ver in die zaak
teruggaan en het allereerst begonnen zijn, rotsen en steenen lief te
hebben. Bij ons zijn rotsen en steenen alleen van belang voor geologen
en mineralogen, uitsluitend dus uit een wetenschappelijk oogpunt,
en het lijkt ons bijna ongeloofelijk toe, dat rotsen en steenen een
poëtische beteekenis kunnen hebben. Maar bij de Japanners is de zaak
geheel anders gesteld. De Japansche tuin is in zijn wezen een tuin,
die een beeld geeft van het landschap. De eigenaar van een tuin wordt
verrukt door een bepaald landschap. Dat vervolgt hem voortdurend en
wekt in hem eenige primitieve indrukken van genot op, die niet kunnen
ontleed worden. Hij brengt het voortdurend in zijn tuin vóór zich,
wel is waar in het klein, maar toch wonderlijk nauwkeurig. Zoo
wordt zijn tuin een plaats van heerlijke herinnering, maar niet
een plekje, met opzichtige bloemen overdekt, en met terrassen, die
geen beteekenis voor hem hebben, en hem geen poëzie voor zijn geest
schenken. Ongetwijfeld zijn Japansche tuinen met hun reusachtige
bloemen, opgewekten zonneschijn en het zoete geklingel van popperige
tooverklokjes, die opgehangen zijn aan de takken der boomen, het
schoonste, wat men zich in de wereld kan denken.
Japansche Tuinen.
Er is één zaak, die ons bij Japansche tuinen treft, en die wij in onze
streken niet terugvinden, en wel de bewonderenswaardige zuinigheid,
die wij bij hun aanleg waarnemen. Bij ons wordt door de bewoners der
buitenwijken als verontschuldiging aangevoerd, dat hun miniatuurtuintje
veel te klein is, om dat mooi te maken. Te klein, om hem mooi te
maken? En de Japanner kan een allerliefst tuintje aanleggen in een
ruimte, die niet grooter is dan een soepbord? De noodzakelijkheid is de
moeder der uitvinding, en als wij de Natuur maar wat meer liefhadden,
zouden wij spoedig genoeg het middel vinden, om zelfs de kleinste
tuintjes aanlokkelijk te maken. De groote Japansche tuinarchitect,
Kobori-Enshiu, zeide eens, dat een ideale tuin moest zijn als "de
zoete eenzaamheid van een landschap, dat omwolkt is door het maanlicht,
met een waas van schemering tusschen de boomen."
Er is heel wat geschreven over Japansche rotsen en steenen [37]. Wat
een poëzie wordt uitgedrukt door de namen van enkele van die
tuinsteenen--bij voorbeeld, "De Steen der Gemakkelijke Rust". Onder
de steenen aan de meren vindt men één, die heet "Steen der woeste
Golf," die ons dadelijk de Matsushima voor den geest roept, wier
golven tegen ontelbare rotsen gebroken worden.
De steenen of houten lantarens zijn zeer belangrijke versierselen in
een Japanschen tuin. Het oorspronkelijke denkbeeld is ontleend aan
Korea, en zij zijn ook thans nog wel eens bekend als "Koreaansche
torens." Zij worden slechts zelden aangestoken, behalve in de tuinen
der tempels, maar zij hebben geen schitterend licht noodig om een
prachtig gezicht op te leveren. Zij zijn rijk aan barnsteen en groen
mos, en in den winter zijn zij met sneeuw bedekt, en maken den indruk
van spooklantarens van buitengewone schoonheid. Een andere vorm van
een Japansche tuin is de _Torii_, een eenvoudige boog van hout, in
den vorm van een Chineesche letter. Zij hebben een Shinto-oorsprong,
maar niemand heeft tot nu toe ontdekt, wat zij oorspronkelijk moesten
voorstellen, hoewel over dit onderwerp verschillende meeningen
zijn geuit. Die poorten, die nergens heenleiden, zijn in hooge mate
betooverend, en als men er naar ziet met de zee aan de voeten, is
het alsof men droomt van een oud sprookje uit de kinderdagen.
De meren, watervallen, kleine bruggetjes, de treden over de
slingerpaden met zilverzand bedekt, zijn inderdaad een plaats
van afzondering. En daarbij dan nog de kleur van dien Japanschen
tuin! Iedere maand levert een ander kleurentafereel op, als de
pruimenboomen, de kersen- en de perzikenboomen in bloei staan. Terwijl
men door den tuin slentert tusschen dennenaalden, of terwijl men in
het heldere blauwe meer staart, kan men de azalea's aanschouwen. Als
er ooit een bloem is, die een verpersoonlijking is van kleur, dan is
het zeker de azalea. Zij is de regenboog onder de bloemen, en er is
nauwelijks één nuance van kleur, die niet in haar bloesem gevonden
wordt. Als men een azalea beschouwt, dan ziet men in de verfdoos der
Natuur zelf. En in een ander jaargetijde zien wij de iris met haar
purperen, gele en witte kleuren, of de schoone rooskleurige lotusbloem,
die zich met een kleine ontploffing op de kalme wateren opent, alsof
zij openlijk wil verkondigen, dat haar volmaaktheid nadert. Het laatste
kleurenfestijn van het jaar is te genieten, als de ahornboomen in
bloei staan. Ook wij hebben een prachtig karmozijnrood te bewonderen,
in de bladeren van onze braambessen, wanneer die liggen verborgen
in de vochtige hagen van den herfsttijd. In Japan zijn de ahornen
niet verborgen. Overal schijnen zij in een schitterende omlijsting
te leven. In den herfst schijnt het, alsof de ahornboomen wedijveren
met de ondergaande zon, immers in dat jaargetijde is Japan niet het
land van de rijzende zon, maar het land van de zon, die ondergaat
in een schitterend praalvertoon van roode bladeren. En is dit dan
het einde van den arbeid der Natuur in dat jaar? Neen, waarlijk
niet. Het laatst van alles komt de sneeuw, en haar schoonheid is
niet zoozeer in de zachte vlokken gelegen, als in de wijze, waarop
zij worden opgevangen en vastgehouden op de prachtige huisjes en
tempels en lantarens. Als men dan een Japanschen tuin ziet, dan ziet
men hoe de Natuur daarop den stempel van haar goedkeuring drukt. Het
sneeuwtafereel is misschien wel de schoonste penseelstreek der Natuur
in Japan; en het is een tafereel, dat dierbaar is aan de harten der
Japanners. In het midden van den zomer liet eens een Japansche Keizer
de miniatuurbergen van zijn tuinen bedekken met witte zijde, om de
gedachte te wekken aan een sneeuwlandschap, en ongetwijfeld ook,
om aan het landschap denkbeeldige koelte te schenken. Een slechts
oppervlakkige kennis der Japansche kunst zal reeds het feit openbaren,
dat de sneeuw een geliefd onderwerp is voor den Japanschen schilder.
De Natuur in Miniatuur.
De Japanners zijn in het algemeen klein van gestalte, en hebben een
voorliefde voor kleine dingen. Lafcadio Hearn doet een allerliefst
verhaaltje omtrent een Japansche non, die met kinderen placht te
spelen en hun dan rijstkoekjes gaf niet grooter dan erwten, en thee
schonk in miniatuurkopjes. Haar liefde voor heel kleine dingen was
het gevolg van een groot verdriet, dat zij had geleden, maar wij zien
in die liefde der Japanners voor kleine voorwerpen iets pathetisch in
de natie als zoodanig. Hun liefde voor dwergboompjes, die honderden
jaren oud zijn, schijnt te zeggen: "Wees er trotsch op en blijde
mede, dat gij nooit groot wordt. Wij zijn een klein ras, en daarom
houden wij van kleine voorwerpen." De oude pijnboom, die dikwijls
niet hooger is dan een paar decimeters, drukt ons door zijn ouderdom
volstrekt niet, en wekt ook geen vrees op, juist omdat hij zoo klein
is. Wij westerlingen hebben wel eens de neiging gehad, de Japansche
dwergboomen als iets onnatuurlijks te beschouwen; maar zij zijn niets
onnatuurlijker dan de lach op het gelaat van het Japansche meisje,
en bewijst ons, dat de natie, evenals in oude tijden de Grieken,
nog steeds in harmonie is met de Natuur.
De Pijnboom.
De pijnboom is het zinnebeeld van voorspoed en een lang leven. Daarom
zien wij dien boom bijna aan iedere tuindeur; en wij moeten toegeven,
dat een pijnboom een sierlijker talisman is dan een roestig oud
hoefijzer. In een Japansch tooneelspel vinden wij het volgende gezegde:
"Het zinnebeeld van onveranderlijkheid--geprezen zij hun roem tot het
einde der dagen--de roem van de twee pijnboomen, die samen oud zijn
geworden". Dit slaat op de beroemde pijnboomen van Takasago. Conder
[38] verhaalt ons, dat bij huwelijksfeesten "een tak van den
_mannelijken_ pijnboom geplaatst wordt in één vaas, en een tak van
den _vrouwelijken_ pijnboom in de andere. De algemeene vorm van beide
moet overeenkomen, maar de tak van den _vrouwelijken_ pijnboom, die
tegenover de andere vaas staat, moet iets beneden den overeenkomstigen
tak van den _mannelijken_ pijnboom zijn. Met andere woorden, hieruit
blijkt, dat het vraagstuk van het Vrouwenkiesrecht nog niet in Japan
bestaat, maar dat de Japansche vrouw nog onderworpen is aan haar heer
en meester, wat in Engeland een hoogst gevaarlijke uitdrukking zou
zijn. Het bovengenoemde symbool stelt 'een eeuwigdurende verbintenis'
voor, en is het zinnebeeld van den trouwen liefdeband, die tusschen
oude echtelieden bestaat."
Een Groot Liefhebber der Natuur.
Kamo No Chomei was een Buddhistische kluizenaar der twaalfde eeuw, die
een boekje heeft geschreven, dat getiteld is Ho-jo-ki ("Opmerkingen
uit een Hut van Tien Voet"). In dat boekje beschrijft hij, hoe hij
het wereldsche leven vaarwel zeide en zijn verblijfplaats opsloeg
in een hut aan de helling van een berg. Chomei was gewoon te zingen,
te spelen en zijn geliefde boeken te lezen te midden der natuur. Hij
schrijft: "Toen het zestigste jaar van mijn leven, dat nu als een
dauwdroppel verdwijnt, naderde, maakte ik een nieuwe woonplaats gereed,
een soort van laatsten sprong, zooals een reiziger zich voor één
enkelen nacht een schuilplaats zoekt, of zooals een oude zijdeworm
zijn laatsten cocondraad spint." Wij zien, hoe hij, als gelukkige
oude man, langzaam over de heuvels strompelt, terwijl hij bloesems
op zijn tocht verzamelt en voortdurend met verheugde blikken den loop
en de geheimen der Natuur nagaat. Met een drogen humor schrijft hij:
"Ik behoef het mij niet moeilijk te maken, hoe ik de geboden streng
kan opvolgen, immers hoe zou ik, nu ik in volmaakte afzondering leef,
in verzoeking komen, die te breken?" Een geheel andere ervaring dan
die van sommigen onder de Indische kluizenaars, die in de eenzaamheid
een onuitputtelijken bron van verleiding zien! Maar Chomei was een
gelukkige ziel, en wij maken hier van hem melding om aan te toonen,
dat het hoofddoel van zijn leven niet was de dingen der wereld, maar
het werk der Natuur te bestudeeren op de heuvelen en in de dalen,
in de bloemen en de boomen, in het stroomende water en de wassende
maan. Om zijn eigen woorden aan te halen: "Gij zijt de wereld
ontvlucht, om het leven van een kluizenaar te leiden te midden van
de woeste bosschen en de heuvelen, om aldus uw ziel vrede te brengen,
en om te wandelen in de voetsporen van Buddha."
Het Doodenfeest.
In het Doodenfeest zien wij het krachtigste argument voor de liefde
van den Japanner voor de Natuur. Dat Doodenfeest is voortgekomen uit
de gedachte van een vrouw, en er is iets zóó teeders, zóó klagends in,
dat het alleen van een vrouw kan afkomstig zijn. In Juli keeren de
geesten van de dooden uit hun donkere woning terug. Kleine maaltijden
worden voor dat groote aantal geesten gereed gemaakt, en de lantarens
hangen op de kerkhoven en op de pijnboomen, die als het zinnebeeld
van voorspoed aan de tuindeuren staan. De Japanners waren gewoon
_hara-kiri_ [39] toe te passen, maar wij moeten niet vergeten, dat
hun zielen weer terugkomen om te wandelen in een land, dat één groote
tuin schijnt te zijn. En waarom komen zij terug? Zij komen met hun
zachte voetstappen terug over de heuvelen en ver weg van over de zee,
om nog eens naar de bloemen te zien en te wandelen in de tuinen,
waar zij zoovele gelukkige uren hadden doorgebracht. Zij komen, die
onzichtbare troep, als de zon helder straalt, als het schijnt, alsof de
bloesems, die op den wind drijven, plotseling in vlinders veranderen,
als het leven op zijn hoogtepunt is, als zij den dood en de duistere
plaats, waar Emma-O heerscht, niet langer kunnen verdragen. Wat een
tijd, om weer terug te keeren! Wat een stille hulde aan de Natuur,
dat die groote menigte zielen weer in haar armen terugkeert tijdens
het schitterendste gedeelte van den zomer.
De Japansche Vlag en de Chrysanthemum.
De meesten onzer zijn bekend met de Japansche vlag, waarop een
roode zon op een witten achtergrond is geschilderd, en onze
eerste gedachte is natuurlijk, dat dit zinnebeeld oorspronkelijk
samenhing met de Zonnegodin. Doch wij zouden ons in dat geval
zeer vergissen. Astrologische voorstellingen werden in oude dagen
gevonden op de Chineesche vlaggen, en Chamberlain beschrijft ze
als volgt: "De Zon met de Kraai met Drie Pooten, die daarop woont,
de Maan met haar Haas [40] en haar Cassiaboom, de Roode Vogel,
die de Zeven sterrenbeelden voorstelt van het zuidelijke deel van
den Dierenriem, de Donkere Strijder (een Schildpad), die de zeven
noordelijke sterrenbeelden omhelst, de Azuren Draak, die de zeven
oostelijke, de Witte Tijger, die de zeven westelijke sterrenbeelden
omhelst, en een zevende vlag, die den 'Noordelijken Schepel'
(Groote Beer) voorstelt." De Chineesche vlaggen, waarop de zon
en de maan geteekend waren, waren in het bijzonder van belang,
omdat de zon een voorstelling is van den oudsten broeder van den
Keizer en de maan van zijn zuster. In de zevende eeuw namen de
Japanners die vlaggen over; maar na verloop van tijd schaften zij
een aantal van de vreemde astrologische teekeningen af, die zoo
dierbaar waren aan het hart der Chineezen. Toen in het jaar 1859
een nationale vlag noodzakelijk was, werd de zonnevlag zonder eenige
toevoeging aangenomen; maar een enkele bol zonder stralen was niet
voldoende, en een meer uitgewerkte teekening werd uitgevoerd,--de
chrysanthemum met zestien bloemblaadjes. Wij kunnen niet anders dan
een vermoeden uitspreken omtrent het verband tusschen de zon en de
chrysanthemum. Beide werden in het oude China vereerd, en wij mogen
aannemen, dat de Japansche kunstenaar, toen hij de stralen van de
zon wilde uitbeelden, uitstekend materiaal vond, door de bloem van
een wilden chrysanthemum na te teekenen.
De chrysanthemum is de nationale bloem van Japan, en aan Nippon danken
wij het kweeken van die bloem in onze streken. Mythologische tooneelen,
vooral dat van het schip met wonderschatten met de Goden van het
Geluk aan boord, zijn een geliefkoosde teekening, geheel gemaakt uit
tallooze chrysanthemums. Booten, kasteelen, bruggen en verscheidene
andere voorwerpen zijn met de grootste handigheid uit diezelfde bloem
gevormd. Japan is altijd gelukkig geweest in zijn keuze van namen,
en dit is nergens meer het geval geweest dan bij de namen, die het aan
zijn verschillende chrysanthemums heeft gegeven. Er is poëzie in namen
als "Slaperig Hoofd", "Gouden Dauw", "Witte Draak" en "Sterrennacht".
De chrysanthemum is ongetwijfeld een passend symbool voor de
Keizerlijke vlag. Eens heeft hij, evenals de Engelsche roos als een
herkenningsteeken dienst gedaan in den Oorlog der Chrysanthemums, een
langdurigen burgeroorlog, die de natie verdeeld hield in twee vijandige
partijen. Thans is de chrysanthemum het symbool van een vereenigd Rijk.
Vrouw Wit en Vrouw Geel.
Lang geleden groeiden in een weide een witte en een gele chrysanthemum
vlak naast elkander. Op zekeren dag kwam een oude tuinman er langs, die
een bijzondere voorliefde kreeg voor Vrouw Geel. Hij zeide haar, dat,
als zij met hem mede wilde gaan, hij haar nog veel bekoorlijker zou
maken, dat hij haar lekker voedsel zou geven en prachtige kleederen.
Vrouw Geel was zóó verrukt over wat de oude man zeide, dat zij haar
witte zuster geheel vergat en er in toestemde, opgetild te worden,
te worden gedragen in de armen van den ouden tuinman, en in zijn tuin
te worden geplaatst.
Toen Vrouw Geel en haar meester vertrokken waren, weende Vrouw Wit
bitter. Haar eigen eenvoudige schoonheid was geminacht; maar, wat
nog veel erger was, zij was verplicht alleen in de weide achter te
blijven, zonder met haar zuster, aan wie zij zoozeer was gehecht,
te kunnen spreken.
Dag aan dag werd Vrouw Geel in den tuin van haar meester al schooner
en schooner. Niemand zou nu de gewone veldbloem meer hebben herkend;
maar hoewel haar bloemblaadjes lang en gekruld waren en haar bladeren
zoo helder en goed verzorgd, dacht zij toch somtijds aan Vrouw Wit,
die eenzaam op het veld stond, en verbaasde zij er zich over, hoe
zij het uithield gedurende al die lange en eenzame uren.
Op zekeren dag kwam een dorpshoofd in den tuin van den ouden man,
om een volmaakten chrysanthemum te zoeken, om dien naar zijn Heer te
brengen als een schets voor zijn wapen [41]. Hij deelde den ouden
man mede, dat hij geen mooien chrysanthemum noodig had met een
aantal lange bloemblaadjes. Wat hij noodig had, was een eenvoudige
witte chrysanthemum met zestien bloemblaadjes. De oude man nam het
dorpshoofd mede, om Vrouw Geel te zien; maar die bloem beviel hem niet,
en hij nam afscheid, na den tuinman voor zijn moeite te hebben bedankt.
Op den terugweg kwam hij bij toeval op een veld, waar hij Vrouw
Wit zag weenen. Zij vertelde hem de droevige geschiedenis van haar
verlatenheid, en toen zij haar treurig verhaal had geëindigd, zeide
haar het dorpshoofd, dat hij Vrouw Geel had gezien, maar dat hij die
niet half zoo mooi vond als haar. Na die bemoedigende woorden droogde
Vrouw Wit haar oogen, en zij sprong zóó hoog op, dat zij bijna van
haar voetjes afbrak, toen de vriendelijke man haar meedeelde, dat
hij haar wilde hebben voor het wapen van zijn heer!
Een oogenblik later werd de gelukkige Vrouw Wit in een draagstoel
weggevoerd. Toen zij het paleis van den _daimio_ bereikte, prezen allen
om het zeerst de merkwaardige volmaaktheid van haar vormen. Groote
kunstenaars kwamen van verre en nabij, zaten naast haar en schetsten de
bloem met de grootste bekwaamheid. Zij had spoedig geen spiegel meer
noodig, want na niet langen tijd zag zij haar schoon, wit gelaat op
de meest kostbare eigendommen van den _Daimio_. Zij zag het op zijn
wapenrusting en op zijn doozen, met goudlak bedekt, op zijn dekens,
kussens en kleeren. Als zij naar boven keek, kon zij haar gelaat
zien in groote gebeeldhouwde paneelen. Zij werd geschilderd, als
dreef zij een stroom af, en op alle mogelijke eigenaardige en schoone
manieren. Iedereen was het er over eens, dat de witte chrysanthemum,
met haar zestien bloemblaadjes, het mooiste wapen vormde van geheel
Japan.
Terwijl het gelukkige gelaat van Vrouw Wit voor altijd vereeuwigd was
op de bezittingen van den _Daimio_, was het lot, dat Vrouw Geel trof,
diep beklagenswaardig. Zij had alleen voor zich zelf gebloeid en had
den lof harer bezoekers even begeerig ingezogen als den dauw op haar
fijn gekrulde bloemblaadjes. Op zekeren dag voelde zij echter een
stijfheid in haar beenderen, en een vermindering van haar overmaat van
levenskracht. Haar vroeger zoo trotsch hoofd viel voorover, en toen de
oude man haar vond, tilde hij haar op en wierp haar op een hoop afval.
"Chrysanthemum-Oude-Man". [42]
Kikuo ("Chrysanthemum-Oude-Man") was de trouwe onderhoorige
van Tsugaru. Op zekeren dag werd de strijdmacht van zijn meester
vernietigd, en werden zijn kasteel en schoone landgoederen door den
vijand in bezit genomen; maar gelukkig waren Tsugaru en Kikuo in staat,
naar de bergen te ontsnappen.
Kikuo, die de liefde van zijn meester voor bloemen kende, en vooral
voor den chrysanthemum, besloot die bloemen naar zijn beste vermogen
te kweeken, en door zoo te handelen het verdriet en de vernedering
van zijn meester in diens ballingschap iets te verminderen.
Die pogingen verheugden Tsugaru zeer, maar ongelukkig werd deze
spoedig daarna ziek en stierf hij; de trouwe Kikuo weende over het
graf van zijn meester. Daarna keerde hij weer naar zijn werk terug,
en plantte chrysanthemums rondom het graf van zijn meester, totdat hij
een rand van bijna dertig meter breedte gemaakt had, zoodat de roode,
witte, rose, gele en bronskleurige bloesems hun welriekende geuren
in de lucht verspreidden tot verwondering van allen, die toevallig
dien weg uitkwamen.
Toen Kikuo omstreeks twee en tachtig jaar oud was, vatte hij koude
en moest hij zijn nederige woning houden, waar hij ontzettende
pijnen leed.
Op zekeren herfstnacht, toen hij wist, dat die geliefde bloemen, die
aan zijn meester gewijd waren, op haar schoonst waren, zag hij in de
veranda een aantal jonge kinderen. Toen hij ze aandachtig gadesloeg,
zag hij, dat het geen kinderen van deze wereld waren.
Twee van die kleinen kwamen in de nabijheid van Kikuo en zeiden:
"Wij zijn de geesten van uw chrysanthemums, en zijn hier gekomen om
u te vertellen, hoezeer het ons spijt, dat gij ziek zijt. Gij hebt
ons met zoo groote zorg bewaakt en liefgehad. Er was eens een man
in China, Hozo genaamd, die achthonderd jaar oud werd door den dauw
te drinken van de bloemen der chrysanthemums. Gaarne zouden wij uw
dagen verlengen, maar helaas! de Goden hebben anders beschikt. Binnen
dertig dagen zult gij sterven."
De oude man uitte den wensch, dat hij in vrede mocht sterven en drukte
zijn leedwezen uit, dat hij gedwongen was, al zijn chrysanthemums
achter te laten.
"Luister" zeiden de jonge geesten: "wij hebben u allen liefgehad,
Kikuo, om alles wat gij voor ons gedaan hebt. Als gij sterft, zullen
ook wij sterven." Nauwelijks hadden zij die woorden gesproken, of
een windvlaag blies tegen de woning, en de geesten vertrokken.
Kikuo werd erger in plaats van beter, en op den dertigsten dag stierf
hij. Toen bezoekers kwamen om de chrysanthemums te zien, die hij had
geplant, was alles verdwenen. De dorpelingen begroeven den ouden man
naast zijn meester, en in de meening, dat zij Kikuo genoegen deden,
plantten zij chrysanthemums naast zijn graf; maar deze gingen allen
dood, zoodra zij in den grond waren geplant. Over het graf groeit nu
alleen gras. De kinderzielen der chrysanthemums praten en zingen en
spelen met den geest van Kikuo.
De Violen-Bron.
Shingé en haar kameniers maakten een uitstapje naar de Vallei
van Shimizutani, die tusschen de bergen Yoshino en Tsubosaka
gelegen was. Shingé, vol van vreugde over de lente, liep naar de
Violen-Bron, waar zij purperen, welriekende viooltjes in groote menigte
ontdekte. Zij was juist op het punt de welriekende bloemen te plukken,
toen een groote slang naderde, waarna zij onmiddellijk flauw viel.
Toen haar kameniers haar vonden, zagen zij, dat haar lippen purper
gekleurd waren en dezelfde kleur hadden als de viooltjes, die haar
omgaven, en toen zij de slang zagen, die zich nog in de nabijheid
schuilhield, vreesden zij, dat haar meesteres zou sterven. Matsu had
de tegenwoordigheid van geest, om haar mand bloemen naar de slang te
werpen, die oogenblikkelijk wegkroop.
Op datzelfde oogenblik verscheen een schoone jongeling, en terwijl
hij de meisjes zeide, dat hij geneesheer was, gaf hij Matsu een
geneesmiddel, dat zij haar meesteres moest toedienen.
Terwijl Matsu Shingé de poeder in den mond bracht, nam de dokter een
stok op, verdween enkele oogenblikken en kwam daarna terug met de
doode slang in zijn handen. In dien tijd was Shingé weer bij kennis
gekomen, en vroeg zij naar den naam van den geneesheer, die haar het
leven had gered. Maar hij boog beleefd, ontweek haar vraag en nam
toen afscheid. Alleen Matsu wist, dat de naam van den redder harer
meesteres Yoshisawa was.
Toen Shingé naar huis was gebracht, werd zij erger in plaats van
beter. De knapste geneesheeren kwamen aan haar bed, maar zij konden
niets doen om haar weder gezond te maken.
Matsu wist, dat haar meesteres langzaam wegkwijnde van liefde voor
den schoonen man, die haar leven had gered, en daarom besprak zei de
zaak met haar meester Zembei. Matsu verhaalde hem, wat geschied was,
en zeide, dat, hoewel Yoshisawa van nederige afkomst was, daar hij tot
de Eta, de laagste kasten in Japan behoorde, die hun kost verdienen
met dieren te dooden en te villen, hij toch bijzonder hoffelijk en
welopgevoed was, en, wat vormen en optreden betreft, op een _samurai_
geleek. "Niets", zoo sprak Matsu, "zal uw dochter haar gezondheid
teruggeven, als zij niet met dien schoonen geneesheer trouwt."
Zoowel Zembei als zijn vrouw waren door die woorden terneergeslagen,
want Zembei was een aanzienlijke _daimio_, en kon zelfs geen oogenblik
het denkbeeld verdragen, dat zijn dochter iemand van de Eta-kaste zou
huwen. Toch stemde hij er in toe, inlichtingen omtrent Yoshisawa in te
winnen, en Matsu keerde naar haar meesteres terug met het bericht, dat
de zaak niet geheel hopeloos stond. Toen Matsu Shingé had verhaald, wat
haar vader voornemens was ten hare behoeve te doen, nam zij merkbaar
in beterschap toe, en was zij in staat weer voedsel tot zich te nemen.
Toen Shingé bijna hersteld was, ontbood Zembei haar en zeide, dat hij
een nauwkeurig onderzoek omtrent Yoshisawa had ingesteld, en dat hij
onder geen omstandigheden zijn toestemming kon geven tot een huwelijk
met dezen.
Shingé weende bitter, en langen tijd peinsde zij met een treurig
gemoed over haar verdriet. Den volgenden morgen was zij noch in huis,
noch in den tuin te vinden. In alle richtingen werd naar haar gezocht;
zelfs Yoshisawa zocht overal naar haar; maar zij die haar zochten,
vonden haar nergens. Geheimzinnig was zij verdwenen, beladen met een
verdriet zóó ontzettend groot, dat haar vader zich nu eerst rekenschap
gaf van zijn wreede beslissing.
Na drie dagen werd zij gevonden op den bodem der Violen-Bron, en
korten tijd daarna maakte Yoshisawa, door droefheid overstelpt,
op dezelfde wijze een einde aan zijn leven. Men verhaalt, dat men
gedurende stormachtige nachten den geest van Shingé op de bron ziet
drijven, terwijl men in de nabijheid het geluid hoort van het kermen
van Yoshisawa.
De Geest van de Lotus Lelie.
"Hernieuwing, o hernieuwing van Natuur en Leven!
O Bron verrijs! De Lotusknoppen splijten, 't hart geopend,
En zingen 't luide uit: "Namu Amida!"
_Yone Noguchi_.
De lotus is de heilige bloem van het Buddhisme. Daar hij groeit uit
de modder, en zijn steel door het water opkweekt, en er uit zulk een
duister en slijkachtig begin een liefelijke bloem wordt voortgebracht,
is de lotus vergeleken met een deugdzaam man, die in deze zondige
wereld leeft. Dat de bloem voortdurend als zinnebeeld wordt gebruikt,
schijnt, zoo zegt Sir Monier Williams, het gevolg te zijn van het
feit, dat de bloem de vorm heeft van een wiel, waar de bloemblaadjes
de plaats van spaken innemen, zoodat hierin is uitgedrukt de leer
der eeuwigdurende kringen van het bestaan. Buddha wordt dikwijls
uitgebeeld zittende of staande op een gouden lotus, en de bloem
herinnert ons aan de Buddhistische _sutra_, die bekend staat als de
"Lotus der Goede Wet".
Lafcadio Hearn beschrijft de lotus van het Paradijs aldus: "Zij
tuinieren, die bekoorlijke wezens!--Zij liefkoozen de lotusknoppen,
terwijl zij hun bloemblaadjes met iets hemelsch besprenkelen, dat haar
bloei bevordert. En wat voor lotusknoppen, met kleuren niet van deze
wereld. Sommige zijn opengesprongen; en in hun lichtende harten, in een
glans als dien van den dauw, zijn kleine, naakte kindertjes gezeten,
ieder met een kleinen lichtkrans. Dit zijn Zielen, nieuwe Buddha's,
_hotoke_ geboren tot gelukzaligheid. Sommigen zijn zeer, zeer klein;
andere zijn iets grooter; alle schijnen zichtbaar te groeien, want
hun bekoorlijke voedsters voeden hen met iets ambrozijns. Ik zie er
één die zijn lotuswieg heeft en door een hemelschen Jizo geleid wordt
naar de hoogere verwijderde heerlijkheid".
Tot zoover de hemelsche lotus en zijn nauwe betrekking tot het
Buddhisme. In de volgende legende zien wij, hoe de bloem de
tooverkracht bezit, om kwade geesten weg te houden.
In Kyoto brak een epidemische ziekte uit, waaraan duizenden menschen
bezweken. De ziekte verspreidde zich tot Idzumi, waar de Edele
Koriyama woonde, en Koriyama, zijn vrouw en kind, werden door de
ziekte aangetast.
Op zekeren dag ontving Tada Samon, een hooggeplaatst ambtenaar in het
kasteel van Koriyama, een bezoek van een _yamabushi_ of kluizenaar
op een berg. Die man was zeer onder den indruk van de ziekte van
Koriyama, en zich tot Samon wendend zeide hij: "Al die ellende is het
gevolg van het binnenkomen van booze geesten in het kasteel. Ze zijn
gekomen, omdat de grachten rondom het kasteel droog zijn en geen lotus
bevatten. Als die grachten dadelijk met die heilige bloem beplant
waren, zouden de booze geesten vertrekken, en zouden uw meester,
zijn vrouw en kind weer herstellen."
Samon was zeer getroffen door die verstandige woorden, en dien
kluizenaar werd verlof gegeven, lotus om het kasteel te planten. Toen
hij zijn taak had volbracht, vertrok hij op geheimzinnige wijze.
Binnen een week was zoowel de Edele Koriyama, als zijn vrouw en kind
in staat op te staan en hun gewone bezigheden te hervatten; immers
toen waren de wallen hersteld, de grachten gevuld met zuiver water,
dat de knikkende knoppen van tallooze lotusbloemen weerkaatste.
Vele jaren later, nadat ook de Edele Koriyama gestorven was, kwam
toevallig een jeugdige _samurai_ langs de grachten van het kasteel. Met
bewondering zag hij naar die bloemen, toen hij plotseling twee
bijzonder schoone knapen zag spelen aan den oever van het water. Hij
was juist op het punt, hen naar een veiliger plaats te brengen,
toen zij in de lucht sprongen en bij hun val onder het water verdwenen.
De verbaasde _samurai_, die in de meening verkeerde, dat hij een paar
_kappa's_, [43] of booze watergeesten had gezien, trok zich haastig
naar het kasteel terug en vertelde daar zijn vreemd avontuur. Toen hij
zijn verhaal had gedaan, werden de grachten afgedregd en schoongemaakt,
maar niets van de verwachte kappa's kon worden ontdekt.
Een tijd later zag een andere _samurai_, Murata Ippai, bij denzelfden
lotus een aantal schoone knaapjes. Hij trok zijn zwaard en sloeg
op hen in, terwijl hij den krachtigen geur van die heilige bloem
inademde bij iederen slag van zijn zwaard. Toen Ippai om zich heen
zag, om te zien, hoeveel van die vreemde wezentjes hij had gedood,
steeg een wolk van de meest verschillende kleuren voor hem op, een
wolk, die met een fijnen straal op zijn gelaat viel.
Daar het te duister was om zich met zekerheid te vergewissen van den
aard en den omvang van zijn slachting, bleef Ippai den geheelen nacht
op die plek. Toen hij den volgenden morgen ontwaakte, zag hij met
groote afschuw dat hij alleen de koppen van een aantal lotusbloemen
had afgehakt. Daar hij wist, dat die weldadige bloem het leven van
den Edelen Koriyama had gered, en nu dat van zijn zoon beschermde,
werd Ippai met schaamte en berouw vervuld. Na een gebed gezegd te
hebben aan den oever van het water, pleegde hij _hara-kiri_.
De Geest van de Pioenroos.
Het was vastgesteld, dat Prinses Aya zou huwen met den tweeden zoon van
den Edelen Ako. Alle schikkingen waren overeenkomstig de gebruiken in
Japan geheel genomen zonder de goedkeuring of toestemming der beide
betrokken partijen.
Op zekeren avond wandelde Prinses Aya in den grooten tuin bij haar
woning, vergezeld van haar kameniers. De maan scheen helder op
haar geliefkoosd perk met pioenrozen naast een vijver, en hulde de
welriekende bloesems in een zilveren glans. Hier bleef zij toeven en
bukte zij om den geur van die bloemen in te ademen, toen haar voet
uitgleed, en zij zou gevallen zijn, als niet een schoone jonge man,
gekleed in een gewaad met geborduurde pioenrozen, haar bijtijds had
opgevangen. Hij verdween even snel en geheimzinnig als hij gekomen was,
voordat zij tijd had hem te danken.
Het gebeurde nu, dat Prinses Aya kort na die gebeurtenis ernstig ziek
werd, zoodat de dag van haar huwelijk moest worden uitgesteld. De
geneeskundige hulp, die werd ingeroepen, was niet in staat, het
koortsachtige meisje weer haar gezondheid te doen herwinnen.
De vader van Prinses Aya vroeg de meest geliefde kamenier van zijn
dochter, Sadayo, of zij op die droevige geschiedenis eenig licht
kon werpen.
Sadayo, hoewel zij tot nu toe tot geheimhouding verplicht was, voelde
nu, dat de tijd was gekomen, dat het niet alleen verstandig, maar
dringend noodzakelijk was, om alles te vertellen, wat zij omtrent die
zaak wist. Zij deelde haar meesteres mede, dat Prinses Aya in vurige
liefde was ontstoken voor den jongen _samurai_, die het gewaad droeg,
waarop pioenrozen geborduurd waren; en zij voegde er aan toe, dat zij
vreesde, dat, als hij niet kon worden gevonden, haar jonge meesteres
zou sterven.
Toen dien avond een beroemd muziekspeler de _biwa_ bespeelde in de
hoop, de zieke Prinses aangenaam bezig te houden, verscheen weer
achter de pioenrozen dezelfde jonge man in hetzelfde zijden gewaad.
Ook den volgenden avond, terwijl Yae en Yakumo op de fluit en op de
_koto_ speelden, verscheen de jonge man weer.
De vader van Prinses Aya besloot nu de zaak met groote zorg na te
gaan, en beval daartoe Maki Hiogo, zich in het zwart te kleeden en
zich den volgenden avond te verbergen in het perk met pioenrozen.
Toen de volgende avond aanbrak, verborg zich Maki Hiogo tusschen de
pioenrozen, terwijl Yae en Yakumo liefelijke muziek maakten. Niet
lang nadat de muziek weerklonk, verscheen de geheimzinnige _samurai_
weer. Maki Hiogo kwam uit zijn schuilplaats te voorschijn, met zijn
armen stevig om zijn vreemden bezoeker geslagen. Het scheen, alsof uit
zijn gevangene een wolk stroomde. Dit maakte hem duizelig, zoodat hij
op den grond viel; maar nog altijd hield hij den schoonen _samurai_
stevig vast.
Juist toen een troep soldaten zich haastig naar die plek begaven,
kreeg Maki Hiogo het bewustzijn terug. Hij zag naar beneden, in de
verwachting zijn gevangene te zien. Maar alles wat hij in zijn armen
hield, was een groote pioenroos!
Op dat oogenblik voegden zich Prinses Aya en haar vader bij de
verbaasde groep en Vorst Naizen-no-jo begreep oogenblikkelijk den
toestand. "Ik zie nu", zoo sprak hij, "dat de geest van de pioenroos
een oogenblik geleden en ook bij vroegere gelegenheden de gedaante
van een jongen en schoonen _samurai_ heeft aangenomen. Mijn dochter,
gij moet die bloem nemen en haar met groote goedheid behandelen."
Prinses Aya behoefde geen nadere verklaring te krijgen. Zij keerde
naar huis terug, plaatste de pioenroos in een vaas, en plaatste
die naast haar bed. Met den dag werd zij beter, terwijl haar bloem
prachtig bloeide. Toen Prinses Aya volkomen hersteld was, kwam de
Edele Ako naar het kasteel, met zijn tweeden zoon bij zich, die met
de Prinses zou huwen. Na korten tijd werd het huwelijk gesloten,
maar op datzelfde oogenblik was de prachtige pioen roos dood.