HOOFDSTUK XI. YUKI-ONNA, DE SNEEUWVROUW.

"De sombre winter houdt de aarde omkneld,

Maar toch daalt uit den hemel

Een bloesemregen.

En fladdrend komen witte blaadjes

Op aarde neder.

Komt uit de wolken

De lente dan zoo vroeg reeds aangesneld?

_Kujohara No Fukayabu_. (Naar _Clara A. Walsh)_.

Yuki-Onna.

De sneeuwtijd heeft in Japan zijn karakteristieke schoonheid en is een

geliefkoosd onderwerp bij Japansche dichters en kunstenaars. Beiden

behandelen dit onderwerp bijzonder artistiek, wat niet te verwonderen

is, daar in Nippon de witte vlokken vallen op de sierlijke daken

der Buddhistentempels op de feeërieke bruggen, die gelijken op de

bruggen, die men wel ziet op borden, waarop wilgen zijn afgebeeld, en

op de zoo prachtig gevormde steenen lantarens, die zoovele Japansche

tuinen versieren. Er is geen schooner sneeuwlandschap te vinden

dan in Japan, en daar het zoo bijzonder prachtig is, wekt het onze

verbazing op, dat Yuki-Onna, de Sneeuwvrouw, er verre van af is, een

welwillende en aantrekkelijke geest te zijn. Al de poëzie en al het

artistieke verdwijnt in haar kwaadaardige tegenwoordigheid, immers

zij vertegenwoordigt den dood met karakteristieke eigenschappen,

die niet ongelijk zijn aan dien van een vampier. Maar, zooals wij

reeds meermalen opmerkten, Japan is vol van scherpe en verrassende

contrasten, en het sierlijke en schoone komt in botsing met het

leelijke en afzichtelijke. Er is geen belofte van lente in de lange

witte gedaante van Yuki-Onna; haar mond toch is de mond des doods,

en haar ijskoude lippen zuigen het hartebloed uit haar ongelukkige

slachtoffers.

De Sneeuwbruid.

Mosaku en zijn leerling Minokichi reisden naar een bosch, dat niet

ver van hun dorp verwijderd was. Het was een bitterkoude nacht, waarin

zij hun bestemming bereikten en tegenover zich een kouden waterstroom

zagen. Zij wilden gaarne die rivier overtrekken, maar de veerman was

weggegaan, terwijl hij zijn boot aan de overzijde van het water had

achtergelaten, en daar het weer veel te ongunstig was om de rivier

over te zwemmen, waren zij blijde, dat zij een schuilplaats konden

vinden in de kleine hut van den veerman.

Mosaku viel bijna onmiddellijk in slaap, nadat hij die nederige,

maar zoo vurig begeerde hut was binnengetreden. Minokichi lag echter

een geruimen tijd wakker, terwijl hij luisterde naar het geloei van

den wind en het snerpen van de sneeuw, die tegen de deur blies.

Eindelijk viel Minokichi in slaap, maar spoedig werd hij weer opgewekt

door een sneeuwjacht, die op zijn gelaat neerviel. Het bleek hem, dat

de deur was opengewaaid en dat in de kamer eene schoone vrouw stond

in een schitterend wit gewaad. Een oogenblik bleef zij zoo staan;

daarna boog zij over Mosaku heen, terwijl haar adem te voorschijn

kwam als witte rook. Nadat zij aldus eenige minuten over den ouden

man gebogen had gestaan, draaide zij zich om naar Minokichi en hing

over hem heen. Hij trachtte het uit te schreeuwen, want de adem van

die vrouw was een ijskoude rukwind. Zij zeide hem, dat zij voornemens

was geweest hem te behandelen, zooals zij den ouden man naast hem had

behandeld, maar dat zij dit had nagelaten met het oog op zijn jeugd

en zijn schoonheid. Nadat zij Minokichi met een onmiddellijken dood

had bedreigd, als hij het waagde, eenig sterveling mede te deelen

wat hij had gezien, verdween zij plotseling.

Daarop riep Minokichi zijn geliefden meester toe: "Mosaku, Mosuka,

word wakker! Er is iets verschrikkelijks gebeurd!" Maar hij kreeg

geen antwoord. Hij raakte in het duister de hand van zijn meester aan,

en ontdekte, dat die als een blok ijs was. Mosaku was dood!

Den volgenden winter, toen Minokichi naar huis terugkeerde, ontmoette

hij toevallig een mooi meisje, Yuki genaamd. Zij vertelde hem,

dat zij op weg was naar Yedo, waar zij een plaats als dienstbode

zocht. Minokichi was bekoord van dat meisje, en hij ging zelfs zóóver,

dat hij haar vroeg, of zij reeds verloofd was, en toen hij hoorde,

dat dit niet het geval was, nam hij haar mede naar zijn eigen huis,

en huwde haar na verloop van tijd.

Yuki schonk haar echtgenoot tien keurige en schoone kinderen, die

lichter van huidskleur waren dan de meeste kinderen. Toen de moeder van

Minokichi stierf, waren haar laatste woorden nog een lofrede op Yuki,

en die lofrede werd herhaald door een groot aantal der landlieden in

den omtrek.

Op zekeren avond, terwijl Yuki bezig was te naaien, en het licht

van een papieren lantaarn op haar gelaat viel, bracht Minokichi de

merkwaardige ervaring ter sprake, die hij had opgedaan in de hut van

den veerman. "Yuki", zoo sprak hij, "gij doet mij bijzonder denken

aan een schoone witte vrouw, die ik zag, toen ik achttien jaar oud

was. Zij doodde mijn meester met haar ijskouden adem. Ik ben er zeker

van, dat zij de één of andere vreemde geest was, en toch vind ik van

avond, dat gij op haar gelijkt!"

Yuki wierp haar naaiwerk neer. Er was een afgrijselijke lach op haar

gelaat, toen zij zich dicht naar haar echtgenoot boog en schreeuwde:

"Ik was het, Yuki-Onna, die toen bij u kwam, en stil uw meester

doodde! O trouwelooze snoodaard, gij hebt uw belofte geschonden, dat

gij de zaak zoudt geheim houden, en als het niet was om onze slapende

kinderen, zou ik u nu dooden! Denk er om, als ze zich ooit hebben

te beklagen over uw gedrag jegens hen, zal ik het hooren en weten,

en zal ik in een nacht, dat de sneeuw valt, u onverbiddelijk dooden!"

Daarna veranderde Yuki-Onna, de Sneeuwvrouw, in een witten nevel

en ging schreeuwend en huiverend door het rookkanaal, om nooit weer

terug te keeren.

De Spookachtige Bezoeker van Kyuzaemon.

Volgens Gordon Smith, den schrijver van "Oude Sproken en Folklore

van Japan", "worden allen, die van sneeuw en koude omkomen,

sneeuwgeesten." Dat wil zeggen, allen die op die wijze omkomen, worden

vereenzelvigd met Yuki-Onna, de Sneeuwvrouw. De volgende legende is

ontleend aan het genoemde werk van Gordon Smith.

Kyuzaemon, een arme landbouwer, had de blinden van zijn nederige

woning gesloten en was ter ruste gegaan.

Kort vóór middernacht werd hij gewekt door een luid kloppen. Terwijl

hij naar de deur liep, riep hij uit: "Wie zijt gij? Wat wilt gij?"

De vreemde bezoeker deed geen poging om op die vragen te antwoorden,

maar vroeg met den meesten aandrang voortdurend om voedsel en een

schuilplaats. De voorzichtige Kyuzaemon weigerde den bezoeker verlof,

binnen te treden, en nadat hij gezien had, dat zijn woning veilig was,

zou hij juist weer naar bed gaan, toen hij een vrouw naast zich zag

staan, gehuld in witte loshangende kleederen, terwijl haar haren over

de schouders vielen.

"Waar hebt gij uw _geta_ gelaten?" vroeg de verschrikte landbouwer.

De witte vrouw deelde hem mede, dat zij het was, die op zijn deur

had geklopt. "Ik heb geen _geta_ noodig", zoo sprak zij, "want ik heb

geen voeten! Ik vlieg over de met sneeuw bedekte boomen en zou naar

het volgende dorp zijn doorgegaan, maar de wind waaide vreeselijk

tegen mij aan, en ik wenschte een korten tijd te rusten."

De landbouwer vertelde haar, hoe bang hij voor geesten was, waarop

de vrouw hem vroeg, of haar gastheer een _butsudan_ (familie-altaar)

bezat. Toen het bleek, dat hij dit bezat, beval zij hem den _butsudan_

open te zetten en een lamp op te steken. Nadat dit geschied was, bad

de vrouw voor de opgehangen tafels der voorouders, en vergat daarbij

niet, er een gebed aan toe te voegen voor Kyuzaemon, die nog steeds

zeer geschokt was.

Nadat zij haar gebeden voor den _butsudan_ had volbracht, vertelde

zij den landbouwer, dat zij Oyasu heette, en dat zij bij haar ouders

en echtgenoot Isaburo had gewoond. Toen zij stierf, verliet haar man

haar ouders, en het was haar bedoeling, hem te overreden, weer terug

te gaan en zijn schoonouders te ondersteunen.

Kyuzaemon begon de zaak te begrijpen, terwijl hij bij zich zelf

mompelde: "Oyasu is in de sneeuw omgekomen, en dit is haar geest, dien

ik vóór mij zie." In weerwil van die herinnering was hij toch nog zeer

beangst. Hij ging naar het familie-altaar met sidderende schreden, en

herhaalde voortdurend: "Namu Amida Butsu!" ("Heil Almachtige Buddha!").

Eindelijk ging de landbouwer naar bed en viel in slaap. Hij werd

nog even wakker, toen hij den witten geest vaarwel hoorde mompelen;

maar voordat hij kon antwoorden was zij verdwenen.

Den volgenden dag ging Kyuzaemon naar het naastbijgelegen dorp,

en bezocht Isaburo, dien hij nu weer aantrof in de woning van

zijn schoonvader. Isaburo deelde hem mede, dat hij herhaaldelijk

bezoeken had ontvangen van den geest van zijn vrouw in de gedaante

van Yuki-Onna. Na de zaak nog eens nauwkeurig te hebben nagegaan,

kwam Kyuzaemon tot de overtuiging, dat de Sneeuwvrouw voor Isaburo

was verschenen bijna onmiddellijk nadat zij hem een zoo geheimzinnig

bezoek had gebracht. Bij die gelegenheid had Isaburo haar beloofd,

haar wensch te vervullen, en noch hij, noch Kyuzaemon werden ooit

weer lastig gevallen door haar, die door de lucht trekt, als de sneeuw

hard neervalt.

Mythen & Legenden van Japan · 第 22 / 53 题