"De sombre winter houdt de aarde omkneld,
Maar toch daalt uit den hemel
Een bloesemregen.
En fladdrend komen witte blaadjes
Op aarde neder.
Komt uit de wolken
De lente dan zoo vroeg reeds aangesneld?
_Kujohara No Fukayabu_. (Naar _Clara A. Walsh)_.
Yuki-Onna.
De sneeuwtijd heeft in Japan zijn karakteristieke schoonheid en is een
geliefkoosd onderwerp bij Japansche dichters en kunstenaars. Beiden
behandelen dit onderwerp bijzonder artistiek, wat niet te verwonderen
is, daar in Nippon de witte vlokken vallen op de sierlijke daken
der Buddhistentempels op de feeërieke bruggen, die gelijken op de
bruggen, die men wel ziet op borden, waarop wilgen zijn afgebeeld, en
op de zoo prachtig gevormde steenen lantarens, die zoovele Japansche
tuinen versieren. Er is geen schooner sneeuwlandschap te vinden
dan in Japan, en daar het zoo bijzonder prachtig is, wekt het onze
verbazing op, dat Yuki-Onna, de Sneeuwvrouw, er verre van af is, een
welwillende en aantrekkelijke geest te zijn. Al de poëzie en al het
artistieke verdwijnt in haar kwaadaardige tegenwoordigheid, immers
zij vertegenwoordigt den dood met karakteristieke eigenschappen,
die niet ongelijk zijn aan dien van een vampier. Maar, zooals wij
reeds meermalen opmerkten, Japan is vol van scherpe en verrassende
contrasten, en het sierlijke en schoone komt in botsing met het
leelijke en afzichtelijke. Er is geen belofte van lente in de lange
witte gedaante van Yuki-Onna; haar mond toch is de mond des doods,
en haar ijskoude lippen zuigen het hartebloed uit haar ongelukkige
slachtoffers.
De Sneeuwbruid.
Mosaku en zijn leerling Minokichi reisden naar een bosch, dat niet
ver van hun dorp verwijderd was. Het was een bitterkoude nacht, waarin
zij hun bestemming bereikten en tegenover zich een kouden waterstroom
zagen. Zij wilden gaarne die rivier overtrekken, maar de veerman was
weggegaan, terwijl hij zijn boot aan de overzijde van het water had
achtergelaten, en daar het weer veel te ongunstig was om de rivier
over te zwemmen, waren zij blijde, dat zij een schuilplaats konden
vinden in de kleine hut van den veerman.
Mosaku viel bijna onmiddellijk in slaap, nadat hij die nederige,
maar zoo vurig begeerde hut was binnengetreden. Minokichi lag echter
een geruimen tijd wakker, terwijl hij luisterde naar het geloei van
den wind en het snerpen van de sneeuw, die tegen de deur blies.
Eindelijk viel Minokichi in slaap, maar spoedig werd hij weer opgewekt
door een sneeuwjacht, die op zijn gelaat neerviel. Het bleek hem, dat
de deur was opengewaaid en dat in de kamer eene schoone vrouw stond
in een schitterend wit gewaad. Een oogenblik bleef zij zoo staan;
daarna boog zij over Mosaku heen, terwijl haar adem te voorschijn
kwam als witte rook. Nadat zij aldus eenige minuten over den ouden
man gebogen had gestaan, draaide zij zich om naar Minokichi en hing
over hem heen. Hij trachtte het uit te schreeuwen, want de adem van
die vrouw was een ijskoude rukwind. Zij zeide hem, dat zij voornemens
was geweest hem te behandelen, zooals zij den ouden man naast hem had
behandeld, maar dat zij dit had nagelaten met het oog op zijn jeugd
en zijn schoonheid. Nadat zij Minokichi met een onmiddellijken dood
had bedreigd, als hij het waagde, eenig sterveling mede te deelen
wat hij had gezien, verdween zij plotseling.
Daarop riep Minokichi zijn geliefden meester toe: "Mosaku, Mosuka,
word wakker! Er is iets verschrikkelijks gebeurd!" Maar hij kreeg
geen antwoord. Hij raakte in het duister de hand van zijn meester aan,
en ontdekte, dat die als een blok ijs was. Mosaku was dood!
Den volgenden winter, toen Minokichi naar huis terugkeerde, ontmoette
hij toevallig een mooi meisje, Yuki genaamd. Zij vertelde hem,
dat zij op weg was naar Yedo, waar zij een plaats als dienstbode
zocht. Minokichi was bekoord van dat meisje, en hij ging zelfs zóóver,
dat hij haar vroeg, of zij reeds verloofd was, en toen hij hoorde,
dat dit niet het geval was, nam hij haar mede naar zijn eigen huis,
en huwde haar na verloop van tijd.
Yuki schonk haar echtgenoot tien keurige en schoone kinderen, die
lichter van huidskleur waren dan de meeste kinderen. Toen de moeder van
Minokichi stierf, waren haar laatste woorden nog een lofrede op Yuki,
en die lofrede werd herhaald door een groot aantal der landlieden in
den omtrek.
Op zekeren avond, terwijl Yuki bezig was te naaien, en het licht
van een papieren lantaarn op haar gelaat viel, bracht Minokichi de
merkwaardige ervaring ter sprake, die hij had opgedaan in de hut van
den veerman. "Yuki", zoo sprak hij, "gij doet mij bijzonder denken
aan een schoone witte vrouw, die ik zag, toen ik achttien jaar oud
was. Zij doodde mijn meester met haar ijskouden adem. Ik ben er zeker
van, dat zij de één of andere vreemde geest was, en toch vind ik van
avond, dat gij op haar gelijkt!"
Yuki wierp haar naaiwerk neer. Er was een afgrijselijke lach op haar
gelaat, toen zij zich dicht naar haar echtgenoot boog en schreeuwde:
"Ik was het, Yuki-Onna, die toen bij u kwam, en stil uw meester
doodde! O trouwelooze snoodaard, gij hebt uw belofte geschonden, dat
gij de zaak zoudt geheim houden, en als het niet was om onze slapende
kinderen, zou ik u nu dooden! Denk er om, als ze zich ooit hebben
te beklagen over uw gedrag jegens hen, zal ik het hooren en weten,
en zal ik in een nacht, dat de sneeuw valt, u onverbiddelijk dooden!"
Daarna veranderde Yuki-Onna, de Sneeuwvrouw, in een witten nevel
en ging schreeuwend en huiverend door het rookkanaal, om nooit weer
terug te keeren.
De Spookachtige Bezoeker van Kyuzaemon.
Volgens Gordon Smith, den schrijver van "Oude Sproken en Folklore
van Japan", "worden allen, die van sneeuw en koude omkomen,
sneeuwgeesten." Dat wil zeggen, allen die op die wijze omkomen, worden
vereenzelvigd met Yuki-Onna, de Sneeuwvrouw. De volgende legende is
ontleend aan het genoemde werk van Gordon Smith.
Kyuzaemon, een arme landbouwer, had de blinden van zijn nederige
woning gesloten en was ter ruste gegaan.
Kort vóór middernacht werd hij gewekt door een luid kloppen. Terwijl
hij naar de deur liep, riep hij uit: "Wie zijt gij? Wat wilt gij?"
De vreemde bezoeker deed geen poging om op die vragen te antwoorden,
maar vroeg met den meesten aandrang voortdurend om voedsel en een
schuilplaats. De voorzichtige Kyuzaemon weigerde den bezoeker verlof,
binnen te treden, en nadat hij gezien had, dat zijn woning veilig was,
zou hij juist weer naar bed gaan, toen hij een vrouw naast zich zag
staan, gehuld in witte loshangende kleederen, terwijl haar haren over
de schouders vielen.
"Waar hebt gij uw _geta_ gelaten?" vroeg de verschrikte landbouwer.
De witte vrouw deelde hem mede, dat zij het was, die op zijn deur
had geklopt. "Ik heb geen _geta_ noodig", zoo sprak zij, "want ik heb
geen voeten! Ik vlieg over de met sneeuw bedekte boomen en zou naar
het volgende dorp zijn doorgegaan, maar de wind waaide vreeselijk
tegen mij aan, en ik wenschte een korten tijd te rusten."
De landbouwer vertelde haar, hoe bang hij voor geesten was, waarop
de vrouw hem vroeg, of haar gastheer een _butsudan_ (familie-altaar)
bezat. Toen het bleek, dat hij dit bezat, beval zij hem den _butsudan_
open te zetten en een lamp op te steken. Nadat dit geschied was, bad
de vrouw voor de opgehangen tafels der voorouders, en vergat daarbij
niet, er een gebed aan toe te voegen voor Kyuzaemon, die nog steeds
zeer geschokt was.
Nadat zij haar gebeden voor den _butsudan_ had volbracht, vertelde
zij den landbouwer, dat zij Oyasu heette, en dat zij bij haar ouders
en echtgenoot Isaburo had gewoond. Toen zij stierf, verliet haar man
haar ouders, en het was haar bedoeling, hem te overreden, weer terug
te gaan en zijn schoonouders te ondersteunen.
Kyuzaemon begon de zaak te begrijpen, terwijl hij bij zich zelf
mompelde: "Oyasu is in de sneeuw omgekomen, en dit is haar geest, dien
ik vóór mij zie." In weerwil van die herinnering was hij toch nog zeer
beangst. Hij ging naar het familie-altaar met sidderende schreden, en
herhaalde voortdurend: "Namu Amida Butsu!" ("Heil Almachtige Buddha!").
Eindelijk ging de landbouwer naar bed en viel in slaap. Hij werd
nog even wakker, toen hij den witten geest vaarwel hoorde mompelen;
maar voordat hij kon antwoorden was zij verdwenen.
Den volgenden dag ging Kyuzaemon naar het naastbijgelegen dorp,
en bezocht Isaburo, dien hij nu weer aantrof in de woning van
zijn schoonvader. Isaburo deelde hem mede, dat hij herhaaldelijk
bezoeken had ontvangen van den geest van zijn vrouw in de gedaante
van Yuki-Onna. Na de zaak nog eens nauwkeurig te hebben nagegaan,
kwam Kyuzaemon tot de overtuiging, dat de Sneeuwvrouw voor Isaburo
was verschenen bijna onmiddellijk nadat zij hem een zoo geheimzinnig
bezoek had gebracht. Bij die gelegenheid had Isaburo haar beloofd,
haar wensch te vervullen, en noch hij, noch Kyuzaemon werden ooit
weer lastig gevallen door haar, die door de lucht trekt, als de sneeuw
hard neervalt.