De Klok van Enkakuji.
Japansche klokken behooren tot de schoonste der wereld, immers zoowel
wat haar grootte, als wat haar bouw en versiering betreft, heeft de
vervaardiger van klokken te Nippon een hoogen trap van vaardigheid
verkregen. De grootste klok in Japan behoort aan den Jodo-tempel van
Chion, te Kyoto. Zij weegt vier en zeventig ton, en er zijn vijf
en zeventig man noodig, haar zóó te doen klinken, dat men uit die
kolossale metaalmassa den sterksten klank verkrijgt. De klok van
Enkakuji is de grootste klok van Kamakura. Zij dagteekent reeds
van het begin der dertiende eeuw en is anderhalve decimeter dik,
heeft een middellijn van bijna veertien decimeters, en is bijna
twee en halve meter hoog. Die klok is, in tegenstelling met onze
klokken, van boven tot beneden overal even wijd, een vorm, die aan
alle Japansche klokken gemeen is. Zij wordt geluid door middel van
een balk, die van de zoldering afhangt, en aan dien balk hangt een
touw. Als de balk met voldoende snelheid aan het slingeren gebracht
wordt, slaat hij tegen een stuk metaal ter zijde van de klok, dat de
gedaante heeft van een lotusbloem, en een krachtig geluid weerklinkt,
"diep als de donder, en vol als de lage tonen van een krachtig orgel".
De Terugkeer van Ono-no-Kimi.
Toen Ono-no-Kimi stierf, kwam hij voor den Rechterstoel van Emma-O,
den Rechter over de Zielen, welke strenge godheid hem mededeelde, dat
hij te vroeg het aardsche leven had verlaten, en dat hij onmiddellijk
moest terugkeeren. Ono-no-Kimi beweerde, dat hij niet op zijn schreden
kon terugkeeren, daar hij den weg niet kende. Daarop zeide Emma-O:
"Als gij luistert naar de klok van Enkakuji, zult gij in staat zijn,
weder den weg naar de aarde terug te vinden." En Ono-no-Kimi ging
weg van den Rechterstoel, en op het geluid van de klok vond hij den
weg terug naar zijn vroegere woonplaats.
De Reuzenpriester.
Bij zekere gelegenheid werd, naar het verhaal luidt, een priester
van reusachtige gestalte in het land gezien, en niemand kende zijn
naam of wist, waar vandaan hij gekomen was. Met onuitputtelijken
ijver doorkruiste hij het land in alle richtingen, van dorp tot
dorp, van stad tot stad, met de vermaning voor de klok van Enkakuji
te bidden. Toevallig werd ontdekt, dat die reuzenpriester niemand
anders was dan een verpersoonlijking van de heilige klok zelf. Dit
buitengewone nieuws had tot gevolg, dat een groote menigte zich nu
begaf naar de klok van Enkakuji en daar bad, en dat velen terugkeerden
nadat hun wenschen waren vervuld. Bij een andere gelegenheid heeft
die heilige klok van zelf een diep geluid voortgebracht. Hen die
ongeloovig waren en om het wonder lachten, troffen rampen, en zij
die in de wondermacht der heilige klok geloofden, werden met grooten
voorspoed beloond.
Een Vrouw en de Klok van Miidera.
In het oude klooster van Miidera bevond zich een groote bronzen
klok. Deze liet iederen morgen en avond een helderen, krachtigen
toon hooren, en de oppervlakte schitterde als de fonkelende dauw. De
priesters stonden niet toe, dat een vrouw de klok deed klinken, omdat
zij van meening waren, dat daardoor het metaal zou worden bezoedeld
en dof werd, en hun zelf onheil zou overkomen.
Toen een schoone vrouw, die in Kyoto woonde, dit hoorde, werd zij
bijzonder nieuwsgierig, en ten slotte, toen zij niet meer in staat was,
haar nieuwsgierigheid te bedwingen, zeide zij: "Ik ga die wonderlijke
klok van Miidera eens bekijken. Ik zal haar een zachten toon doen
voortbrengen, en in haar glinsterende oppervlakte, die grooter en
helderder is dan duizend spiegels, zal ik mijn gelaat verven en
poederen, en mijn haar opmaken."
Eindelijk bereikte die ijdele en oneerbiedige vrouw het klokkenhuis,
waarin de groote klok was opgehangen, op een tijdstip, waarop
iedereen verdiept was in zijn heilige plichten. Zij keek in de
glinsterende klok en zag haar schoone oogen, blozende wangen en
lachende kuiltjes. Eindelijk strekte zij haar kleine vingers uit,
raakte zacht het glinsterende metaal aan, en bad, dat zij een even
grooten en schitterenden spiegel in eigendom mocht verkrijgen. Toen
de klok de vingers van die vrouw voelde, kromp het brons, dat zij
had aangeraakt, ineen, en liet het een kleine holte achter, terwijl
die plek al haar heerlijken glans verloor.
Benkei en de Klok.
Benkei [33], de trouwe volgeling van Yoshitsune, kan met grond
beschreven worden als de sterke man van het Oude Japan. Zijn kracht
was wonderdadig, zooals uit de volgende legende blijkt.
Toen Benkei nog een monnik was, verlangde hij vurig de klok van Miidera
te stelen en naar zijn eigen klooster te brengen. Daartoe bezocht hij
Miidera, en haakte op een geschikt oogenblik de groote klok los. De
eerste gedachte van Benkei was, haar den heuvel af te rollen, en
zich zoo de moeite te besparen, zulk een zwaar stuk metaal te dragen;
maar daar hij vreesde, dat de monniken het geluid zouden hooren, was
hij gedwongen zich gereed te maken, haar zelf de steile helling af te
dragen. Daarom maakte hij den dwarsbalk uit het klokkenhuis los, hing
de klok aan het ééne uiteinde, en--vermakelijke trek--zijn papieren
lantaarn aan het andere [34], en op die manier droeg hij zijn zwaren
last over een afstand van ongeveer zeven mijlen.
Toen Benkei zijn tempel bereikte, vroeg hij onmiddellijk om
voedsel. Hij wist het klaar te spelen, een hoeveelheid voedsel te
verorberen, die een ijzeren soeppot vulde, van vijf voet in middellijn,
en toen hij daarmede klaar was, gaf hij een paar priesters verlof,
de gestolen klok van Miidera te slaan. Dit geschiedde, maar bij het
wegsterven der laatste tonen scheen het of zij riep: "Ik wil terug
naar Miidera! Ik wil terug naar Miidera!"
Toen de priesters dit hoorden, waren zij verbaasd. De abt meende
echter, dat, indien de klok werd besprenkeld met wijwater, zij met
haar nieuwe verblijfplaats verzoend zou zijn; maar in weerwil van
dat wijwater, weeklaagde de klok voortdurend door met haar klagend
en hinderlijk geluid. Niemand werd meer door het geluid geërgerd dan
Benkei zelf. Het leek wel, alsof de klok hem en zijn lastige reis
bespotte. Ten slotte vloog hij, ondragelijk gekweld, naar het touw,
trok er aan, totdat de balk ver van de metalen klok verwijderd was,
en liet hem toen vallen, in de hoop, dat de kracht van den balk,
als hij in volle vaart op de klok neerkwam, een zoo eigenzinnige en
slecht opgevoede klok zou doen barsten. De snel bewogen balk viel
met een vreeselijken slag op de klok neer; maar deze brak niet. Weer
klonk door de lucht: "Ik wil terug naar Miidera!" en of de klok al
hard of zacht geslagen werd, altijd sprak zij dezelfde woorden.
Ten slotte nam Benkei, nu razend van woede, de klok en den balk
op den schouder, en toen hij op den top van een berg was gekomen,
zette hij zijn last neer, en met een krachtigen schop liet hij die
in de vallei vallen, welke beneden hem lag. Eenige oogenblikken later
vonden de priesters van Miidera hun kostbare klok, en hingen die weer
verheugd op de gewone plaats op, en van dat oogenblik af hield zij
op te spreken, en klonk zij niet anders dan andere klokken.
Het Karma.
De macht van het Karma is één van de Buddhistische leerstellingen,
en groot is het aantal verhalen, zoowel waar als mythisch, die in
verband met dit onderwerp worden verhaald. Van de eerste verhaalt
Lafcadio Hearn in "Kokoro" de treurige geschiedenis van een priester,
die het ongeluk had, dat hij de liefde opwekte van een groot aantal
vrouwen. Liever dan voor haar smeekingen te bezwijken, pleegde hij
zelfmoord door tusschen de spoorwegrails neder te knielen, en een
sneltrein een eind te doen maken aan zijn beproevingen.
Het verhaal van "De Bamboesnijder en het Maanmeisje" geeft ons een
andere voorstelling van de beteekenis van het Karma. De Edele Kaguya
was uit haar woning in de maan verbannen, omdat zij aan een zinnelijken
hartstocht had toegegeven. Men zal zich nog wel herinneren, dat in haar
ballingschap haar zwakheid was verdwenen, en dat zij standvastig aan
die bijzondere misdaad weerstand bood zoolang zij op aarde vertoefde.
Het Karma stelt volstrekt niet uitsluitend de macht voor van kwade
gedachten, hoewel het gewoonlijk wordt toegepast op menschelijke
hartstochten. In zijn diepere beteekenis beteekent het oorzaak en
gevolg--alle gedachten en alle daden, die niet geestelijk zijn, immers
door de macht van het Karma wordt de wereld en alles wat die bevat,
volgens de Buddhistische leer, bestuurd. De begeerte te leven is het
Karma. De begeerte, niet te bestaan, is het verbreken van het groote
rad van geboorte en wedergeboorte, en het bereiken van het Nirwana.
Er zijn Japansche gelieven, die, tengevolge van bijzondere
omstandigheden, niet in staat zijn te huwen; maar zij maken er de
omstandigheden geen verwijt van. Zij beschouwen hun ongeluk als
het gevolg van een dwaling in een vroeger bestaan, zooals het
verbreken hunner huwelijksbelofte, of omdat zij elkander wreed
behandelden. Dergelijke gelieven meenen, dat zij, als zij zich aan
elkander vastbinden met een lijfgordel, en in een rivier of een meer
springen, bij hun wedergeboorte vereenigd zullen worden.
Die zelfmoord van Japansche minnaars wordt _joshi_ genoemd, wat
beteekent "liefdesdood" of "hartstochtdood". Het Buddhisme verzet
zich krachtig tegen zelfmoord, en even sterk tegen een zoodanige
liefde, immers _joshi_ is er geen verlangen, de macht van het Karma
te vernietigen, maar die veeleer aan te kweeken. Zulke minnaars mogen
al vereenigd worden, maar volgens de leerstellingen van Buddha is een
verbintenis van dien aard een begoocheling, terwijl alleen Nirwana de
moeite waard is, er naar te streven. Wij lezen in de _Ratrana Sutra_:
"Hun oud Karma is uitgeput, geen nieuw Karma wordt voortgebracht;
hun harten zijn vrij van verlangen naar een toekomstig leven; daar de
reden van hun bestaan verwoest is, en er in hen geen nieuw verlangen
ontspringt, worden zij, de wijzen, als deze lamp uitgebluscht."
Een klok en de Macht van het Karma.
"Er zijn een aantal wegen, die leiden tot het verwerven van
volmaakt geluk. Als wij ontdekken, dat wij op den slechten
weg zijn, is het onze plicht, dien te verlaten".
_Bakin._
Naast de oevers van de Hidaka vond men eertijds een wijd beroemd
theehuis, dat stond te midden van een liefelijk landschap naast een
heuvel, die de Drakenklauw heette. Het bekoorlijkste meisje in dat
theehuis was Kiyo, want zij was als "de geur van de witte lelies,
wanneer de wind, die neerwaait langs de hoogten der bergen, met
welriekende geuren beladen naar den reiziger afdaalt."
Aan de overzijde der rivier stond een Buddhistische tempel, waar
de abt en een groot aantal priesters een eenvoudig en vroom leven
leidden. In het klokkenhuis van dien tempel hing een groote klok,
anderhalven decimeter dik, die een gewicht had van enkele tonnen. Het
was één van de regels van het klooster, dat geen van de priesters
visch of vleesch mocht eten of _saké_ mocht drinken, en het was
hen uitdrukkelijk verboden, zich in theehuizen op te houden, daar
zij anders hun geestelijken aard zouden verliezen en in de zondige
gewoonten van het vleesch zouden vallen.
Één van de priesters echter zag toevallig, toen hij van een zekeren
tempel terugkeerde, de schoone Kiyo in den theetuin heen en weer dolen,
evenals een groote vlinder met helder gekleurde vleugels. Hij bleef
haar een oogenblik onbewegelijk gadeslaan, onder de sterke verleiding
den theetuin binnen te gaan en met dit bekoorlijke wezen te spreken,
maar daar hij zich zijn priesterlijke waardigheid herinnerde, stak
hij de rivier over en trad zijn tempel binnen. Hij kon echter dien
nacht niet slapen. De hartstocht van een vurige liefde was over hem
gekomen. Hij bad zijn rozenkrans en zeide stukken op uit de Heilige
Boeken van Buddha, maar dit alles bracht hem geen gemoedsrust. Tusschen
al zijn vrome gedachten kwam steeds het vriendelijke en luchthartige
gelaat van Kiyo voor den dag, en het leek hem, dat zij hem toeriep van
dien schoonen tuin uit, die aan de overzijde der rivier was gelegen.
Zijn vurige liefde werd zóó krachtig, dat het niet lang duurde, of
hij onderdrukte zijn godsdienstige gevoelens, brak één van de regels
van den tempel en trad het verboden theehuis binnen. Hier vergat hij
volkomen zijn godsdienst, of wel vond hij een nieuwen eeredienst bij de
aanschouwing der schoone Kiyo, die hem ververschingen aanbood. Avond
aan avond sloop hij de rivier over en kwam hij onder de bekoring
van die vrouw. Zij beantwoordde zijn liefde met evenveel hartstocht,
zoodat het den dwalenden priester een oogenblik toescheen, alsof hij
in de bekoorlijkheden eener vrouw iets veel zoeters gevonden had dan
de mogelijkheid, het Nirwana te bereiken.
Nadat de priester het meisje een aantal nachten had gezien, begon
zijn geweten aan hem te knagen, en tegen zijn onheilige liefde te
strijden. De macht van het Karma en de leerstelling van Buddha
streden met elkander in zijn borst. Het was een heftige strijd,
maar ten slotte week de liefde, hoewel, zooals wij zullen zien, de
ellendige gevolgen van den hartstocht niet waren opgeheven. Nadat de
priester zijn vleeschelijke liefde had uitgestooten, achtte hij het
verstandig, tegenover Kiyo zoo voorzichtig mogelijk op te treden,
uit vrees, dat zijn plotselinge ommekeer haar boos zou maken.
Toen Kiyo den priester weerzag, nadat hij het vleesch had overwonnen,
merkte zij op, dat de blik in zijn oogen in de verte gericht was,
en dat de kalmte der zelfverloochening op zijn gelaat rustte. Zij
verdubbelde haar vrouwelijke listen en verlokkingen, vastbesloten
den priester weer naar zich toe te trekken, of, als dit niet gelukte,
hem door toovenarij een wreeden dood te doen sterven.
Al de vleierijen en verlokkingen van Kiyo waren niet in staat, de
liefde weer in hart van den priester op te wekken, en daarom ging zij,
uitsluitend op wraak bedacht, naar buiten, in een wit gewaad gekleed,
en vertrok naar een zekeren berg, waar een tempel van Fudo [35]
stond. Fudo zat daar neer, door vuur omgeven, met een zwaard in de ééne
hand en een kluwen touw in de andere. Hier bad Kiyo met vreeselijken
hartstocht, dat die zoo monsterachtig uitziende God haar zou laten
zien, hoe zij den priester kon dooden, die haar vroeger had liefgehad.
Van Fudo ging zij naar den tempel van Kompira [36], die alle magische
kunsten kent en in staat is de tooverkunst te onderwijzen. Hier bad
zij, dat haar de macht mocht worden geschonken, zich naar willekeur
in een drakenslang te veranderen. Na een aantal bezoeken onderwees
een spook met een langen neus (waarschijnlijk een _Tengu_), die
bij Kompira in dienst was, Kiyo in al de geheimen der magische en
tooverkunsten. Hij leerde dat meisje, dat eertijds zoo bekoorlijk was,
hoe zij zich kon veranderen in het vreeselijke wezen, waarin zij zich
wilde veranderen, ten einde een vurige wraak te kunnen uitoefenen.
Nog steeds bezocht de priester Kiyo, maar nu niet langer als
minnaar. Door een aantal vermaningen trachtte hij den hartstocht van
dat meisje, dat hij eertijds had liefgehad, tot staan te brengen; maar
al die priesterlijke gesprekken maakten Kiyo nog des te meer besloten,
eindelijk de overwinning te behalen. Zij weende, smeekte, sloeg haar
schoon gevormde armen om hem heen; maar geen van haar verlokkingen
had eenige uitwerking, behalve dat zij den priester voor goed wegjoeg.
Toen de priester juist op het punt stond afscheid te nemen, werd hij
doodelijk verschrikt, toen hij zag, dat de oogen van Kiyo plotseling
veranderden in die van een slang. Met een kreet van angst vloog hij
uit den theetuin weg, zwom de rivier over en verborg zich binnen in
de groote klok van den tempel.
Kiyo hief haar tooverstaf op, mompelde een tooverformulier, en in een
oogenblik veranderden het liefelijke gelaat en de schoone gestalte van
het meisje in die van een drakenslang, die siste en vuur spuwde. Met
oogen, zoo groot en lichtend als de maan, kroop zij over den tuin,
zwom de rivier over en kwam in het klokkenhuis binnen. Haar gewicht
brak de kolommen, die het steunden, en de klok, met den priester er
binnen in, viel met een oorverdoovenden slag op den grond.
Kiyo omhelsde de klok met een vreeselijke begeerte naar wraak. Zij
hield het metaal vast als in een schroef; zij omklemde de klok al
vaster en vaster, totdat het metaal gloeiend heet werd. De smeekingen
van den gevangen priester waren alle vergeefsch; en even vergeefsch
waren de ernstige smeekbeden van de andere priesters van den tempel,
die smeekten, dat Buddha den boozen geest zou verdelgen. Al heeter en
heeter werd de klok, en zij weerklonk van de deerniswaardige kreten
van den priester, die er in zat. Eindelijk werd zijn stem gesmoord, en
de klok smolt en liep samen tot een grooten plas gesmolten metaal. De
groote macht van het Karma had de klok vernield, en tevens den priester
en de drakenslang, die oorspronkelijk de bekoorlijke Kiyo geweest was.