HOOFDSTUK X. KLOKKEN.

De Klok van Enkakuji.

Japansche klokken behooren tot de schoonste der wereld, immers zoowel

wat haar grootte, als wat haar bouw en versiering betreft, heeft de

vervaardiger van klokken te Nippon een hoogen trap van vaardigheid

verkregen. De grootste klok in Japan behoort aan den Jodo-tempel van

Chion, te Kyoto. Zij weegt vier en zeventig ton, en er zijn vijf

en zeventig man noodig, haar zóó te doen klinken, dat men uit die

kolossale metaalmassa den sterksten klank verkrijgt. De klok van

Enkakuji is de grootste klok van Kamakura. Zij dagteekent reeds

van het begin der dertiende eeuw en is anderhalve decimeter dik,

heeft een middellijn van bijna veertien decimeters, en is bijna

twee en halve meter hoog. Die klok is, in tegenstelling met onze

klokken, van boven tot beneden overal even wijd, een vorm, die aan

alle Japansche klokken gemeen is. Zij wordt geluid door middel van

een balk, die van de zoldering afhangt, en aan dien balk hangt een

touw. Als de balk met voldoende snelheid aan het slingeren gebracht

wordt, slaat hij tegen een stuk metaal ter zijde van de klok, dat de

gedaante heeft van een lotusbloem, en een krachtig geluid weerklinkt,

"diep als de donder, en vol als de lage tonen van een krachtig orgel".

De Terugkeer van Ono-no-Kimi.

Toen Ono-no-Kimi stierf, kwam hij voor den Rechterstoel van Emma-O,

den Rechter over de Zielen, welke strenge godheid hem mededeelde, dat

hij te vroeg het aardsche leven had verlaten, en dat hij onmiddellijk

moest terugkeeren. Ono-no-Kimi beweerde, dat hij niet op zijn schreden

kon terugkeeren, daar hij den weg niet kende. Daarop zeide Emma-O:

"Als gij luistert naar de klok van Enkakuji, zult gij in staat zijn,

weder den weg naar de aarde terug te vinden." En Ono-no-Kimi ging

weg van den Rechterstoel, en op het geluid van de klok vond hij den

weg terug naar zijn vroegere woonplaats.

De Reuzenpriester.

Bij zekere gelegenheid werd, naar het verhaal luidt, een priester

van reusachtige gestalte in het land gezien, en niemand kende zijn

naam of wist, waar vandaan hij gekomen was. Met onuitputtelijken

ijver doorkruiste hij het land in alle richtingen, van dorp tot

dorp, van stad tot stad, met de vermaning voor de klok van Enkakuji

te bidden. Toevallig werd ontdekt, dat die reuzenpriester niemand

anders was dan een verpersoonlijking van de heilige klok zelf. Dit

buitengewone nieuws had tot gevolg, dat een groote menigte zich nu

begaf naar de klok van Enkakuji en daar bad, en dat velen terugkeerden

nadat hun wenschen waren vervuld. Bij een andere gelegenheid heeft

die heilige klok van zelf een diep geluid voortgebracht. Hen die

ongeloovig waren en om het wonder lachten, troffen rampen, en zij

die in de wondermacht der heilige klok geloofden, werden met grooten

voorspoed beloond.

Een Vrouw en de Klok van Miidera.

In het oude klooster van Miidera bevond zich een groote bronzen

klok. Deze liet iederen morgen en avond een helderen, krachtigen

toon hooren, en de oppervlakte schitterde als de fonkelende dauw. De

priesters stonden niet toe, dat een vrouw de klok deed klinken, omdat

zij van meening waren, dat daardoor het metaal zou worden bezoedeld

en dof werd, en hun zelf onheil zou overkomen.

Toen een schoone vrouw, die in Kyoto woonde, dit hoorde, werd zij

bijzonder nieuwsgierig, en ten slotte, toen zij niet meer in staat was,

haar nieuwsgierigheid te bedwingen, zeide zij: "Ik ga die wonderlijke

klok van Miidera eens bekijken. Ik zal haar een zachten toon doen

voortbrengen, en in haar glinsterende oppervlakte, die grooter en

helderder is dan duizend spiegels, zal ik mijn gelaat verven en

poederen, en mijn haar opmaken."

Eindelijk bereikte die ijdele en oneerbiedige vrouw het klokkenhuis,

waarin de groote klok was opgehangen, op een tijdstip, waarop

iedereen verdiept was in zijn heilige plichten. Zij keek in de

glinsterende klok en zag haar schoone oogen, blozende wangen en

lachende kuiltjes. Eindelijk strekte zij haar kleine vingers uit,

raakte zacht het glinsterende metaal aan, en bad, dat zij een even

grooten en schitterenden spiegel in eigendom mocht verkrijgen. Toen

de klok de vingers van die vrouw voelde, kromp het brons, dat zij

had aangeraakt, ineen, en liet het een kleine holte achter, terwijl

die plek al haar heerlijken glans verloor.

Benkei en de Klok.

Benkei [33], de trouwe volgeling van Yoshitsune, kan met grond

beschreven worden als de sterke man van het Oude Japan. Zijn kracht

was wonderdadig, zooals uit de volgende legende blijkt.

Toen Benkei nog een monnik was, verlangde hij vurig de klok van Miidera

te stelen en naar zijn eigen klooster te brengen. Daartoe bezocht hij

Miidera, en haakte op een geschikt oogenblik de groote klok los. De

eerste gedachte van Benkei was, haar den heuvel af te rollen, en

zich zoo de moeite te besparen, zulk een zwaar stuk metaal te dragen;

maar daar hij vreesde, dat de monniken het geluid zouden hooren, was

hij gedwongen zich gereed te maken, haar zelf de steile helling af te

dragen. Daarom maakte hij den dwarsbalk uit het klokkenhuis los, hing

de klok aan het ééne uiteinde, en--vermakelijke trek--zijn papieren

lantaarn aan het andere [34], en op die manier droeg hij zijn zwaren

last over een afstand van ongeveer zeven mijlen.

Toen Benkei zijn tempel bereikte, vroeg hij onmiddellijk om

voedsel. Hij wist het klaar te spelen, een hoeveelheid voedsel te

verorberen, die een ijzeren soeppot vulde, van vijf voet in middellijn,

en toen hij daarmede klaar was, gaf hij een paar priesters verlof,

de gestolen klok van Miidera te slaan. Dit geschiedde, maar bij het

wegsterven der laatste tonen scheen het of zij riep: "Ik wil terug

naar Miidera! Ik wil terug naar Miidera!"

Toen de priesters dit hoorden, waren zij verbaasd. De abt meende

echter, dat, indien de klok werd besprenkeld met wijwater, zij met

haar nieuwe verblijfplaats verzoend zou zijn; maar in weerwil van

dat wijwater, weeklaagde de klok voortdurend door met haar klagend

en hinderlijk geluid. Niemand werd meer door het geluid geërgerd dan

Benkei zelf. Het leek wel, alsof de klok hem en zijn lastige reis

bespotte. Ten slotte vloog hij, ondragelijk gekweld, naar het touw,

trok er aan, totdat de balk ver van de metalen klok verwijderd was,

en liet hem toen vallen, in de hoop, dat de kracht van den balk,

als hij in volle vaart op de klok neerkwam, een zoo eigenzinnige en

slecht opgevoede klok zou doen barsten. De snel bewogen balk viel

met een vreeselijken slag op de klok neer; maar deze brak niet. Weer

klonk door de lucht: "Ik wil terug naar Miidera!" en of de klok al

hard of zacht geslagen werd, altijd sprak zij dezelfde woorden.

Ten slotte nam Benkei, nu razend van woede, de klok en den balk

op den schouder, en toen hij op den top van een berg was gekomen,

zette hij zijn last neer, en met een krachtigen schop liet hij die

in de vallei vallen, welke beneden hem lag. Eenige oogenblikken later

vonden de priesters van Miidera hun kostbare klok, en hingen die weer

verheugd op de gewone plaats op, en van dat oogenblik af hield zij

op te spreken, en klonk zij niet anders dan andere klokken.

Het Karma.

De macht van het Karma is één van de Buddhistische leerstellingen,

en groot is het aantal verhalen, zoowel waar als mythisch, die in

verband met dit onderwerp worden verhaald. Van de eerste verhaalt

Lafcadio Hearn in "Kokoro" de treurige geschiedenis van een priester,

die het ongeluk had, dat hij de liefde opwekte van een groot aantal

vrouwen. Liever dan voor haar smeekingen te bezwijken, pleegde hij

zelfmoord door tusschen de spoorwegrails neder te knielen, en een

sneltrein een eind te doen maken aan zijn beproevingen.

Het verhaal van "De Bamboesnijder en het Maanmeisje" geeft ons een

andere voorstelling van de beteekenis van het Karma. De Edele Kaguya

was uit haar woning in de maan verbannen, omdat zij aan een zinnelijken

hartstocht had toegegeven. Men zal zich nog wel herinneren, dat in haar

ballingschap haar zwakheid was verdwenen, en dat zij standvastig aan

die bijzondere misdaad weerstand bood zoolang zij op aarde vertoefde.

Het Karma stelt volstrekt niet uitsluitend de macht voor van kwade

gedachten, hoewel het gewoonlijk wordt toegepast op menschelijke

hartstochten. In zijn diepere beteekenis beteekent het oorzaak en

gevolg--alle gedachten en alle daden, die niet geestelijk zijn, immers

door de macht van het Karma wordt de wereld en alles wat die bevat,

volgens de Buddhistische leer, bestuurd. De begeerte te leven is het

Karma. De begeerte, niet te bestaan, is het verbreken van het groote

rad van geboorte en wedergeboorte, en het bereiken van het Nirwana.

Er zijn Japansche gelieven, die, tengevolge van bijzondere

omstandigheden, niet in staat zijn te huwen; maar zij maken er de

omstandigheden geen verwijt van. Zij beschouwen hun ongeluk als

het gevolg van een dwaling in een vroeger bestaan, zooals het

verbreken hunner huwelijksbelofte, of omdat zij elkander wreed

behandelden. Dergelijke gelieven meenen, dat zij, als zij zich aan

elkander vastbinden met een lijfgordel, en in een rivier of een meer

springen, bij hun wedergeboorte vereenigd zullen worden.

Die zelfmoord van Japansche minnaars wordt _joshi_ genoemd, wat

beteekent "liefdesdood" of "hartstochtdood". Het Buddhisme verzet

zich krachtig tegen zelfmoord, en even sterk tegen een zoodanige

liefde, immers _joshi_ is er geen verlangen, de macht van het Karma

te vernietigen, maar die veeleer aan te kweeken. Zulke minnaars mogen

al vereenigd worden, maar volgens de leerstellingen van Buddha is een

verbintenis van dien aard een begoocheling, terwijl alleen Nirwana de

moeite waard is, er naar te streven. Wij lezen in de _Ratrana Sutra_:

"Hun oud Karma is uitgeput, geen nieuw Karma wordt voortgebracht;

hun harten zijn vrij van verlangen naar een toekomstig leven; daar de

reden van hun bestaan verwoest is, en er in hen geen nieuw verlangen

ontspringt, worden zij, de wijzen, als deze lamp uitgebluscht."

Een klok en de Macht van het Karma.

"Er zijn een aantal wegen, die leiden tot het verwerven van

volmaakt geluk. Als wij ontdekken, dat wij op den slechten

weg zijn, is het onze plicht, dien te verlaten".

_Bakin._

Naast de oevers van de Hidaka vond men eertijds een wijd beroemd

theehuis, dat stond te midden van een liefelijk landschap naast een

heuvel, die de Drakenklauw heette. Het bekoorlijkste meisje in dat

theehuis was Kiyo, want zij was als "de geur van de witte lelies,

wanneer de wind, die neerwaait langs de hoogten der bergen, met

welriekende geuren beladen naar den reiziger afdaalt."

Aan de overzijde der rivier stond een Buddhistische tempel, waar

de abt en een groot aantal priesters een eenvoudig en vroom leven

leidden. In het klokkenhuis van dien tempel hing een groote klok,

anderhalven decimeter dik, die een gewicht had van enkele tonnen. Het

was één van de regels van het klooster, dat geen van de priesters

visch of vleesch mocht eten of _saké_ mocht drinken, en het was

hen uitdrukkelijk verboden, zich in theehuizen op te houden, daar

zij anders hun geestelijken aard zouden verliezen en in de zondige

gewoonten van het vleesch zouden vallen.

Één van de priesters echter zag toevallig, toen hij van een zekeren

tempel terugkeerde, de schoone Kiyo in den theetuin heen en weer dolen,

evenals een groote vlinder met helder gekleurde vleugels. Hij bleef

haar een oogenblik onbewegelijk gadeslaan, onder de sterke verleiding

den theetuin binnen te gaan en met dit bekoorlijke wezen te spreken,

maar daar hij zich zijn priesterlijke waardigheid herinnerde, stak

hij de rivier over en trad zijn tempel binnen. Hij kon echter dien

nacht niet slapen. De hartstocht van een vurige liefde was over hem

gekomen. Hij bad zijn rozenkrans en zeide stukken op uit de Heilige

Boeken van Buddha, maar dit alles bracht hem geen gemoedsrust. Tusschen

al zijn vrome gedachten kwam steeds het vriendelijke en luchthartige

gelaat van Kiyo voor den dag, en het leek hem, dat zij hem toeriep van

dien schoonen tuin uit, die aan de overzijde der rivier was gelegen.

Zijn vurige liefde werd zóó krachtig, dat het niet lang duurde, of

hij onderdrukte zijn godsdienstige gevoelens, brak één van de regels

van den tempel en trad het verboden theehuis binnen. Hier vergat hij

volkomen zijn godsdienst, of wel vond hij een nieuwen eeredienst bij de

aanschouwing der schoone Kiyo, die hem ververschingen aanbood. Avond

aan avond sloop hij de rivier over en kwam hij onder de bekoring

van die vrouw. Zij beantwoordde zijn liefde met evenveel hartstocht,

zoodat het den dwalenden priester een oogenblik toescheen, alsof hij

in de bekoorlijkheden eener vrouw iets veel zoeters gevonden had dan

de mogelijkheid, het Nirwana te bereiken.

Nadat de priester het meisje een aantal nachten had gezien, begon

zijn geweten aan hem te knagen, en tegen zijn onheilige liefde te

strijden. De macht van het Karma en de leerstelling van Buddha

streden met elkander in zijn borst. Het was een heftige strijd,

maar ten slotte week de liefde, hoewel, zooals wij zullen zien, de

ellendige gevolgen van den hartstocht niet waren opgeheven. Nadat de

priester zijn vleeschelijke liefde had uitgestooten, achtte hij het

verstandig, tegenover Kiyo zoo voorzichtig mogelijk op te treden,

uit vrees, dat zijn plotselinge ommekeer haar boos zou maken.

Toen Kiyo den priester weerzag, nadat hij het vleesch had overwonnen,

merkte zij op, dat de blik in zijn oogen in de verte gericht was,

en dat de kalmte der zelfverloochening op zijn gelaat rustte. Zij

verdubbelde haar vrouwelijke listen en verlokkingen, vastbesloten

den priester weer naar zich toe te trekken, of, als dit niet gelukte,

hem door toovenarij een wreeden dood te doen sterven.

Al de vleierijen en verlokkingen van Kiyo waren niet in staat, de

liefde weer in hart van den priester op te wekken, en daarom ging zij,

uitsluitend op wraak bedacht, naar buiten, in een wit gewaad gekleed,

en vertrok naar een zekeren berg, waar een tempel van Fudo [35]

stond. Fudo zat daar neer, door vuur omgeven, met een zwaard in de ééne

hand en een kluwen touw in de andere. Hier bad Kiyo met vreeselijken

hartstocht, dat die zoo monsterachtig uitziende God haar zou laten

zien, hoe zij den priester kon dooden, die haar vroeger had liefgehad.

Van Fudo ging zij naar den tempel van Kompira [36], die alle magische

kunsten kent en in staat is de tooverkunst te onderwijzen. Hier bad

zij, dat haar de macht mocht worden geschonken, zich naar willekeur

in een drakenslang te veranderen. Na een aantal bezoeken onderwees

een spook met een langen neus (waarschijnlijk een _Tengu_), die

bij Kompira in dienst was, Kiyo in al de geheimen der magische en

tooverkunsten. Hij leerde dat meisje, dat eertijds zoo bekoorlijk was,

hoe zij zich kon veranderen in het vreeselijke wezen, waarin zij zich

wilde veranderen, ten einde een vurige wraak te kunnen uitoefenen.

Nog steeds bezocht de priester Kiyo, maar nu niet langer als

minnaar. Door een aantal vermaningen trachtte hij den hartstocht van

dat meisje, dat hij eertijds had liefgehad, tot staan te brengen; maar

al die priesterlijke gesprekken maakten Kiyo nog des te meer besloten,

eindelijk de overwinning te behalen. Zij weende, smeekte, sloeg haar

schoon gevormde armen om hem heen; maar geen van haar verlokkingen

had eenige uitwerking, behalve dat zij den priester voor goed wegjoeg.

Toen de priester juist op het punt stond afscheid te nemen, werd hij

doodelijk verschrikt, toen hij zag, dat de oogen van Kiyo plotseling

veranderden in die van een slang. Met een kreet van angst vloog hij

uit den theetuin weg, zwom de rivier over en verborg zich binnen in

de groote klok van den tempel.

Kiyo hief haar tooverstaf op, mompelde een tooverformulier, en in een

oogenblik veranderden het liefelijke gelaat en de schoone gestalte van

het meisje in die van een drakenslang, die siste en vuur spuwde. Met

oogen, zoo groot en lichtend als de maan, kroop zij over den tuin,

zwom de rivier over en kwam in het klokkenhuis binnen. Haar gewicht

brak de kolommen, die het steunden, en de klok, met den priester er

binnen in, viel met een oorverdoovenden slag op den grond.

Kiyo omhelsde de klok met een vreeselijke begeerte naar wraak. Zij

hield het metaal vast als in een schroef; zij omklemde de klok al

vaster en vaster, totdat het metaal gloeiend heet werd. De smeekingen

van den gevangen priester waren alle vergeefsch; en even vergeefsch

waren de ernstige smeekbeden van de andere priesters van den tempel,

die smeekten, dat Buddha den boozen geest zou verdelgen. Al heeter en

heeter werd de klok, en zij weerklonk van de deerniswaardige kreten

van den priester, die er in zat. Eindelijk werd zijn stem gesmoord, en

de klok smolt en liep samen tot een grooten plas gesmolten metaal. De

groote macht van het Karma had de klok vernield, en tevens den priester

en de drakenslang, die oorspronkelijk de bekoorlijke Kiyo geweest was.

Mythen & Legenden van Japan · 第 21 / 53 题