HOOFDSTUK IX. LEGENDEN VAN DEN BERG FUJI.

De Berg van den Lotus en den Waaier.

De Berg Fuji, of Fuji-yama ("De Nooit Stervende Berg"), schijnt wel

typisch Japansch te zijn. Zijn groote met een sneeuw kap gedekte kegel

gelijkt op een grooten omgekeerden waaier, terwijl de fijne strepen

langs zijn helling gelijken op het geraamte van een waaier. Een

inboorling uit dit land heeft den berg zeer juist aldus beschreven:

"De Fuji beheerscht het leven door zijn rustige schoonheid. Smart

wordt gestild, verlangen tot rust gebracht, vrede schijnt te stroomen

van die onveranderlijke verblijfplaats van den vrede, den bergtop van

den witten lotus". De vergelijking met een witten lotus is even juist

als die met den uitgespreiden waaier, want zij heeft betrekking op de

heilige bloem van Buddha, en haar acht spitsen zijn voor den geloovigen

Buddhist het symbool van de Acht Gaven: Gewaarwording, Bedoeling,

Spraak, Gedrag, Leven, Inspanning, Oplettendheid, Overdenking. De

algemeene indruk van den Fuji doet dus eendeels aan godsdienst denken,

en anderdeels aan een grooten waaier, groot en schoon genoeg, om

met sterren en snel voortvliegende wolken te coquetteeren. Dichters

en kunstenaars hebben beide in gelijke mate hun schatting aan lof

betaald aan dien onvergelijkelijken berg, en wij geven den volgenden

keurigen zang over dit blijkbaar onuitputtelijke onderwerp:

"Fuji Yama,

Geraakt door een goddlijken adem,

Keeren wij weer tot de gedaante van God.

Uw zwijgen is zingen.

Uw zingen 't gezang van den Hemel:

Ons land van koorts en van zorg

Wordt tot een woning van heerlijke rust.

De woning, ver van het land,

Waar menschen komen ter wereld

Alleen om te sterven.

Wij allen, Japansche dochters en zonen,

Die zingen uw pracht en uw majesteit,

Den trots van de Godheid,

Wij sluiten onze schaduw in uw boezem,

De zachtste plaats der eeuwigheid,

O, wonder met wit gelaat,

Onovertroffen gezicht,

O, verhevenheid en schoonheid!

De duizend stroomen dragen uw heilig beeld

Op hun gelaat;

Alle bergen heffen hun hoofden tot u op

Gelijk het stroomend getijde,

Als wachtten zij op uw beslissend bevel....

Zie! hoe de zeeën, omgevend Japan,

Haar zang van hongrigen tand, wolfachtig begeeren, verliezen,

Gekust door de wiegelied zingende rust,

Bij 't zien van uw schaduw,

Als ware het in een droom van een lied.

Wij, u omgevend, vergeten te sterven:

Wel is lieflijk de Dood.

Maar zachter dan Dood is het leven.

Wij zijn wel sterf'lijk, maar zijn toch ook goden,

Onschuldige makkers van u,

O eeuwige Fuji".

_Yone Noguchi._

De Fuji is honderden jaren een bedevaartsoord geweest, en Lafcadio

Hearn heeft zijn top genoemd "het Hoogste Altaar der Zon". Nog steeds

houden een aantal pelgrims vast aan het oude Shinto gebruik om dien

heiligen berg te beklimmen, gekleed in witte gewaden en zeer breede

strooien hoeden, terwijl zij herhaaldelijk een bel luiden en zingen:

"Mogen onze zes zintuigen rein zijn, en het weer op den eerwaardigen

berg goed zijn".

De Fuji was eertijds een bijzonder werkzame vulkaan. De laatste

uitbarsting had plaats in de jaren 1707--1708, en bedekte Tokyo, dat

op honderd kilometers verwijderd was, met een aschlaag van vijftien

centimeters. De naam Fuji zelf is waarschijnlijk afgeleid van Huchi

of Fuchi, de Godin van het Vuur bij de Ainu's; "immers", zoo schrijft

Chamberlain, "tot in bijna historische tijden vormde de streek rondom

den Fuji een deel van het land der Ainu's, en het geheele oostelijke

deel van Japan is bezaaid met namen die aan de Ainu's ontleend zijn".

De Godheden van den Fuji.

Sengen, de Godin van den Fuji, is eveneens bekend

onder den naam van Ko-no-hana-saku-ya-hime [29]

("Schitterend-bloeiend-als-de-bloemen-der-boomen"), en haar tempel is

op den top gelegen. Men verhaalt, dat de Godin in oude tijden verwijlde

in een lichtende wolk boven den krater, waar zij werd bediend door

onzichtbare bedienden, die gereed stonden om alle bedevaartgangers

naar beneden te werpen, die niet rein van harte waren. Een andere

godheid van dien berg is O-ana-mochi ("Bezitter van de Groote Opening,

of Krater"). Bovendien hebben wij nog de Lichtende Maagd, die zekeren

keizer in zijn verderf lokte. Op de plaats, waar hij verdween werd een

kleine tempel opgericht, waar hij nog steeds wordt aangebeden. Men

verhaalt, dat bij zekere gelegenheid een stortvloed van kostbare

juweelen van dien berg afrolde, en dat het zand, dat over dag wordt

opgejaagd door de voeten van tallooze pelgrims, in de diepte neervalt

en des nachts weder zijn vorige plaats herneemt.

De Fuji, de verblijfplaats van het Levenselixir.

Het is niet te verwonderen, dat een aantal legenden ten opzichte van

dien eerwaardigen en aangebeden berg zijn ontstaan. Zooals zoovele

bergen in Japan en ook in andere Oostersche landen, stond hij in

verband met het Levenselixir. De woorden van den Japanschen dichter,

"Wij, die in uw nabijheid zijn, vergeten te sterven", schijnen, hoewel

niet lang geleden geschreven, de oude gedachte weer te geven. Wij

hebben reeds gezien in de legende van "De Bamboesnijder en het

Maanmeisje", dat de Edele Vrouwe Kaguya had bevolen, den Fuji te

bestijgen en daar het Levenselixir te verbranden, te gelijk met een

rol papier.

De faam van den Fuji, zoo luidt een oude legende, bereikte de ooren

van een Keizer van China. Toen men hem had medegedeeld, dat die berg

was ontstaan in één enkelen nacht, vermoedde hij, dat de Fuji het

Levenselixir moest leveren. Daarvoor verzamelde hij een aantal schoone

jongelingen en meisjes om zich heen, en zette koers naar het Land

van de Rijzende Zon. De jonken vlogen voor den razenden wind als een

overvloed van gouden bloemblaadjes; maar na eenigen tijd ging de storm

liggen, en de Keizer en zijn volgelingen zagen den witten glans van

den Fuji vóór zich oprijzen. Toen de jonken op het strand gezet waren,

vormde de Keizer zijn volgelingen tot een stoet, en ging hij hun voor

naar den top van den berg, langzaam voortgaande. Uren achtereen klom

de stoet naar boven, terwijl de Keizer in zijn gouden gewaad steeds

vooraan liep, totdat het geluid van de zee niet langer werd gehoord,

en de duizend voeten zacht op de sneeuw trapten, waar vrede en het

eeuwige leven heerschten. Toen hij het einde van den tocht naderde,

ijlde de oude Keizer vroolijk vooruit, daar hij de eerste wilde zijn,

die van het Levenselixir dronk. En hij was dan ook de eerste, die

proefde van dat Leven, dat nooit oud wordt; doch toen zijn volgelingen

hem bereikten, zagen zij, dat hij op zijn rug lag met een glimlach

op het gelaat. Hij had inderdaad het Eeuwige Leven gevonden, maar

het was langs den weg van den Dood.

Bezoek van Sentaro aan het Land der Eeuwige Jeugd.

Het verlangen om den Fuji het geheim van het Eeuwige leven

te ontworstelen, schijnt nooit met een goeden uitslag te zijn

bekroond. Een Chinees, Jofuku genaamd, bereikte den heiligen berg met

dit doel voor oogen. Hij slaagde evenmin, en keerde nooit naar zijn

eigen land terug; maar hij wordt beschouwd als een heilige, en zij,

die hetzelfde doel najagen, bidden ernstig aan zijn altaar.

Sentaro bad eens bij zekere gelegenheid aan dat altaar, en ontving

daar een kleinen papieren kraanvogel, die, zoodra hij hem in handen

had gekregen, ontzaglijke afmetingen aannam. Op den rug van dien

grooten kraanvogel vloog Sentaro naar het Land der Eeuwige Jeugd,

waar de menschen, tot zijn verbazing, verschillende vergiften innamen,

en er naar verlangden te sterven! Sentaro werd dat land spoedig moede,

keerde naar zijn eigen land terug en besloot tevreden te zijn met de

gewone spanne tijds, die den mensch is toegekend--wat hij wel mocht

zijn, als men nagaat, dat hij reeds drie honderd jaar had doorgebracht

in het land, waar niemand stierf en ook niemand werd geboren.

De Godin van den Fuji.

De moeder van Yosoji werd, evenals een groot aantal menschen in het

dorp waar zij woonde, door de pokken aangetast. Yosoji raadpleegde

den toovenaar Kamo Yamakiko hierover, want zijn moeder werd zóó ziek,

dat hij ieder oogenblik meende, dat zij hem door den dood zou worden

ontrukt. Kamo Yamakiko beval Yosoji naar een kleinen stroom te gaan,

die afstroomde vari de zuidwestelijke helling van den Fuji. "Dicht

bij den oorsprong van die rivier", sprak de toovenaar, "is een altaar,

gewijd aan den God van Langen Adem. Ga daar water halen, en geef het

uw moeder, want dat alleen zal haar genezen".

Yosoji spoedde zich vol nieuwen moed op reis, doch toen hij op een

plaats gekomen was, waar drie wegen elkander kruisten, was hij in

moeilijkheid, welk pad hij zou kiezen. Juist terwijl hij daarover

nadacht, trad een bekoorlijk meisje, in het wit gekleed, uit het

bosch te voorschijn, en verzocht hem haar te volgen naar de plaats,

waar de kostbare stroom vloeide in de nabijheid van het altaar van

den God van Langen Adem.

Toen zij den stroom bereikten, kreeg Yosoji het bevel, zelf te drinken,

en daarna de flesch met het parelende water voor zijn moeder te

vullen. Toen hij dit had gedaan, vergezelde hem het schoone meisje

naar de plaats, waar hij haar oorspronkelijk had gezien, en zeide:

"Kom weer over drie dagen bij mij op dezelfde plaats, want gij zult

een nieuwen voorraad van dit water noodig hebben".

Na vijf bezoeken aan dat gewijde altaar verheugde zich Yosoji er over,

dat zijn moeder weer geheel hersteld was, en niet alleen zijn moeder,

maar ook een aantal van de dorpelingen, die eveneens het voorrecht

gehad hadden van dat water te drinken. De dapperheid van Yosoji

werd luide geprezen, en den toovenaar werden geschenken gezonden

als belooning voor zijn op het juiste oogenblik gegeven raad; maar

Yosoji, die een fatsoenlijke jongen was, wist zeer goed, dat die

lof uitsluitend toekwam aan het schoone meisje, dat hem tot gids had

gestrekt. Hij wilde haar nog hartelijker danken dan hij tot nu toe had

gedaan, en begaf zich met dat doel nog eens op reis naar den stroom.

Toen Yosoji het altaar van den God van Langen Adem bereikte, bleek

het hem, dat de stroom was opgedroogd. Ten hoogste verbaasd en tevens

erg bedroefd knielde hij neer en bad hij, dat zij, die zoo goed voor

zijn moeder geweest was, vóór hem zou verschijnen, opdat hij haar

zoo hartelijk kon bedanken als zij verdiend had. Toen hij opstond,

zag hij het meisje vóór zich staan.

Yosoji betuigde zijn dankbaarheid in warme en sierlijke bewoordingen,

en verzocht, den naam te mogen vernemen van haar, die zijn geleidster

was geweest en die zijn moeder haar oude gezondheid en kracht had

teruggegeven. Maar het meisje weigerde, terwijl zij hem vriendelijk

toelachte, haar naam te noemen. Nog steeds lachend, wierp zij een

cameliatak in de lucht, zoodat het scheen, dat de schoone bloesems

wenkten naar een onzichtbaren geest op grooten afstand. In antwoord op

dien wenk der bloemen kwam een wolk neder van den Fuji; deze omsloot

het bekoorlijke meisje en droeg haar naar den heiligen berg, van waar

zij gekomen was. Nu wist Yosoji, dat zijn geleidster niemand anders

was dan de Godin van den Fuji. Met verrukking boog hij zich ter aarde,

toen hij de vertrekkende gestalte nazag. Toen hij haar nastaarde,

wist hij in zijn hart, dat niet alleen dankbaarheid maar ook liefde

in hem was opgewekt. Terwijl hij nog geknield lag, wierp de Godin

van den Fuji den cameliatak neer, als een herinnering, maar misschien

ook als een teeken van haar liefde voor hem.

De Rip van Winkle van het Oude Japan.

Wij hebben reeds verhaald, hoe de Fuji in één nacht is ontstaan, en de

volgende legende deelt ons mede, hoe dit merkwaardige feit zich heeft

voorgedragen. Wij hebben bij die legende nog een tweede gevoegd, die

van Chineeschen oorsprong is, omdat die twee goed bij elkander passen

en ons merkwaardig materiaal schenken met betrekking tot dien berg.

Vele jaren geleden leefde in de toenmaals onvruchtbare vlakte van

Suruga een houthakker, Visu genaamd. Hij was een reus van lichaamsbouw,

en woonde in een hut met vrouw en kinderen. In zekeren nacht, toen

Visu juist op het punt was in slaap te vallen, hoorde hij een zeer

eigenaardig geluid, van onder den grond afkomstig, een geluid, dat

krachtiger en verschrikkelijker klonk dan donder. Visu, die meende,

dat hij met zijn gezin door een aardbeving zou worden gedood, nam met

spoed de jongere kinderen op en ijlde naar de deur van de hut, waar

hij een merkwaardig gezicht voor oogen kreeg. In plaats van de vroeger

woeste vlakte zag hij een grooten berg, uit welks top vlammentongen

opstegen en dichte rookwolken! Het gezicht van dien berg, die onder

de aarde was voortgetrokken over een weg van honderden mijlen en zoo

plotseling verrees in de vlakte van Suruga, was zóó schitterend,

dat Visu, met vrouw en kinderen, op den grond bleef zitten onder

de betoovering. Toen de zon den volgenden morgen verrees, zag Visu,

dat de berg opalen kleederen had aangetrokken. Dit alles maakte op

hem een zóó diepen indruk, dat hij den berg Fuji-yama noemde ("De

Nooit-stervende Berg"), en zoo heet hij nog ten huidigen dage. Een

zoo volmaakte schoonheid wekte bij den houthakker het denkbeeld op

van de eeuwigheid, waardoor ook de gedachte aan het Levenselixir is

opgewekt, die zoo dikwijls met dien berg is verbonden.

Dagen aaneen zat Visu daar op den Fuji te staren en juist dacht hij er

over na, hoe prachtig het voor een zoo indrukwekkenden berg zou zijn,

als hij zijn eigen schoonheid kon aanschouwen, toen zich plotseling

een groot meer voor hem uitstrekte, dat de vorm had van een lint,

en dat daarom Biwa genoemd werd. [30]

De Avonturen van Visu.

Op zekeren dag kreeg Visu een bezoek van een ouden priester,

die aldus tot hem sprak: "Brave houthakker, ik ben bang, dat gij

nooit bidt." Visu antwoordde: "Als gij een vrouw en een groot gezin

had te onderhouden, zoudt gij ook geen tijd hebben te bidden." Die

opmerking maakte den priester boos, en de oude man gaf den houthakker

een levendige beschrijving van het afgrijselijke lot, te worden

wedergeboren als een pad, of een muis, of een insect, en dat wel

gedurende millioenen jaren. Dergelijke sombere bijzonderheden waren

Visu niet zeer aangenaam, en daarom beloofde hij den priester, dat

hij in het vervolg zou bidden. "Werk en bid", zeide de priester,

toen hij afscheid nam.

Ongelukkig echter was het, dat Visu niets anders deed dan bidden. Hij

bad gedurende den geheelen dag en weigerde iets te werken, zoodat zijn

rijst op het veld verrotte en zijn vrouw en kinderen gebrek leden. De

vrouw van Visu, die tot nu toe nooit een hard of bitter woord tot

haar echtgenoot had gesproken, werd nu vreeselijk boos, en riep,

terwijl zij op de uitgemergelde lichamen van haar kinderen wees:

"Sta op, Visu, neem uw bijl ter hand, en doe iets, dat voor ons

nuttiger is dan voortdurend gebeden te prevelen!"

Visu was zóó vreeselijk verbaasd over hetgeen zijn vrouw had gezegd,

dat het eenigen tijd duurde, eer hij een geschikt antwoord kon

vinden. Toen hij eindelijk een antwoord gereed had, kwamen zijn

woorden krachtig en driftig tot de ooren der arme, verongelijkte

vrouw. "Vrouw", zoo sprak hij, "de Goden gaan voor. Gij zijt een

onbeschaamd schepsel, dat gij zoo tot mij durft te spreken, en ik wil

niets meer met u te doen hebben!" Visu nam zijn bijl op, en verliet,

zonder om te zien of afscheid te nemen, de hut, trok het bosch uit, en

besteeg den Fuji-Yama, waar een nevel hem voor aller blikken verborg.

Toen Visu op den berg was gaan zitten, hoorde hij een zacht ritselend

geluid, en zag onmiddellijk daarna een vos in het kreupelhout

vliegen. Visu vond het nu bijzonder gelukkig, dat hij een vos zag, en

sprong op, terwijl hij zijn gebeden vergat, en holde heen en weder in

de hoop, dat hij dat kleine schepsel met zijn scherpen neus weer terug

zou vinden. Hij was juist van plan de jacht op te geven, toen hij,

zoodra hij een open ruimte in een bosch had bereikt, twee dames bij

een beek zag zitten, die zich vermaakten met _go_ [31] te spelen. De

houthakker geraakte zóó onder de betoovering, dat hij niets anders kon

doen dan zich neerzetten en haar gadeslaan. Er werd geen geluid gehoord

dan het zachte bewegen der stukken op het bord en het gezang van den

stroomenden beek. De dames letten in het geheel niet op Visu, want zij

schenen een vreemd spel te spelen, dat geen einde nam, en haar geheele

aandacht in beslag nam. Visu kon zijn oogen niet van die bekoorlijke

vrouwen afslaan. Hij beschouwde haar lange zwarte haren, en de vlugge

handjes, die telkens uit de groote zijden mouwen te voorschijn kwamen,

om de stukken te verzetten. Nadat hij daar driehonderd jaar had

gezeten, hoewel het hem niet langer was voorgekomen dan een enkelen

zomeravond, zag hij, dat één der beide dames een verkeerden zet had

gedaan. "Dat is mis, lieftallige dame!" riep hij opgewonden uit. In

een oogenblik veranderden die vrouwen in vossen [32] en holden weg.

Toen Visu haar trachtte te achtervolgen, ontdekte hij tot zijn schrik,

dat zijn beenderen vreeselijk stijf, en zijn haren ontzettend gegroeid

waren, terwijl zijn baard den grond raakte. Tevens ontdekte hij, dat de

steel van zijn bijl, hoewel die van het taaiste hout was vervaardigd,

tot een hoopje stof was vergaan.

De Terugkomst van Visu.

Na een aantal pijnlijke pogingen was Visu weer in staat op zijn

voeten te staan en uiterst langzaam naar zijn kleine woning terug

te keeren. Toen hij de plek bereikte, was hij verbaasd, dat hij geen

hut meer zag, en toen hij een oude vrouw zag staan, zeide hij: "Beste

vrouw, ik ben verbaasd, dat mijne kleine hut verdwenen is. Ik ben in

den namiddag eerst vertrokken en nu, met den avond, is zij verdwenen!"

De oude vrouw, die meende, dat een krankzinnige haar toesprak,

vroeg naar zijn naam. Toen zij dien hoorde, riep zij uit: "Wel, gij

zijt zeker gek! Visu leefde driehonderd jaar geleden! Hij vertrok op

zekeren dag en is nooit meer teruggekomen".

"_Driehonderd jaar!_" mompelde Visu. "Dat kan niet mogelijk zijn. Waar

zijn mijn goede vrouw en kinderen?"

"Begraven!" kreet de oude vrouw uit, "en als waar is, wat gij zegt,

ook uw kleinkinderen. De Goden hebben uw ellendig leven verlengd,

als straf, omdat gij uw vrouw en jonge kinderen hebt verwaarloosd".

Dikke tranen rolden langs de verweerde wangen van Visu, toen hij

met heesche stem zeide: "Ik heb mijn mannelijken leeftijd laten

verloren gaan. Ik heb gebeden, toen mijn lieve vrouw en kinderen

gebrek leden en recht hadden op den arbeid van mijn eertijds krachtige

handen. Oude vrouw, herinner u mijn laatste woorden: _als gij bidt,

werk dan tevens!_"

Wij weten niet, hoe lang de arme, berouwvolle Visu nog leefde, nadat

hij van zijn vreemde avonturen was teruggekeerd. Men verhaalt, dat

zijn witte geest nog steeds op den Fuji-yama gezien wordt, als de

maan helder schijnt.

Mythen & Legenden van Japan · 第 20 / 53 题