"O goddelijk geluid, dat klinkt in onze ooren,
De feeën zingen. Door het luchtruim doet zich hooren
Welluidend klokkenspel. Der englen luiten,
Cimbaal en tamboerijn en liefelijke fluiten
Weerklinken door de lucht, gekleurd door purperrood,
Alsof Someiro's westerglooiïng noodt
Van de ondergaande zon den glans en gloed te voelen,
Als golven hemelsblauw 't begroeide strand bespoelen.
Van Yukishima's wal jaagt de opgezweepte storm
De bloemen door het zwerk: maar nog verkwikt de vorm
Dier boomen sneeuwbelaân, die schittren in het licht,
Door 't prachtig kleurenspel des menschen aangezicht."
_Ha-Goromo_. (Naar _B.H. Chamberlain_.)
Het was lente, en langs het met pijnboomen bedekte strand van Mio
werd het geluid van vogels gehoord. De blauwe zee danste en fonkelde
in den zonneschijn, en Hairukoo, een visscher, zat daar neer om
van het schitterende tooneel te genieten. Terwijl hij dit deed,
zag hij bij toeval een prachtig kleed van zuiver witte veeren aan
een pijnboom hangen.
Toen Hairukoo op het punt stond het kleed van den boom af te nemen,
zag hij, dat een buitengewoon bekoorlijk meisje uit de zee naar hem
toekwam, en hem vroeg, of hij haar het kleed wilde teruggeven.
Hairukoo keek met bijzondere bewondering naar het meisje en zeide: "Ik
vond het kleed en ben van plan het te houden, want het is een wonder,
waardig om geplaatst te worden onder de schatten van Japan. Neen,
ik kan het u bij mogelijkheid niet teruggeven."
"Ach", riep het meisje diep ongelukkig. "Ik kan niet door de lucht
vliegen zonder mijn kleed van veeren; als gij er dus bij blijft, dat
gij het wilt houden, kan ik nooit meer naar mijn hemelsch verblijf
terugkeeren. Ach, brave visscher, ik smeek u, geef mij mijn kleed
terug!"
De visscher, die wel een zeer hardvochtig man moet geweest zijn,
wilde zich niet laten vermurwen. "Hoe meer gij smeekt", zeide hij,
"des te meer ben ik besloten, te houden wat ik heb gevonden".
Daarop antwoordde het meisje:
"O, beste visscher, spreek niet uit dat woord;
Hebt gij dan nooit van 't vogeltje gehoord,
Welks wieken zijn geknakt; kan 'k niet met veeren prijken,
Dan tracht ik te vergeefs den Hemel te bereiken",
Na eenige verdere besprekingen over dit onderwerp werd het hart van
den visscher eenigszins verteederd. "Ik zal u uw kleed van veeren
teruggeven," zoo sprak hij, "als gij oogenblikkelijk voor mij wilt
dansen."
Daarop antwoordde het meisje: "Ik zal hier voor u den dans dansen,
die het Paleis van de Maan doet ronddraaien, zoodat zelfs een arme
sterveling zijn geheimen leert kennen. Maar ik kan niet dansen zonder
mijn veeren".
"Neen", zeide de visscher wantrouwend. "Als ik u dat kleed geef,
zult gij wegvliegen, zonder voor mij te hebben gedanst".
Het meisje werd ontzettend boos over die opmerking. "Stervelingen
mogen al hun beloften breken", zoo sprak zij, "maar bij de Hemelsche
Wezens zijn bedrog en onoprechtheid niet bekend".
Na het hooren van die woorden schaamde zich de visscher vreeselijk,
en zonder een woord te antwoorden, gaf hij het meisje het kleed van
veeren terug.
"Neen", zeide de visscher wantrouwend. "Als ik u dat kleed geef,
zult gij wegvliegen, zonder voor mij te hebben gedanst".
Het meisje werd ontzettend boos over die opmerking.
"Stervelingen mogen al hun beloften breken", zoo sprak zij, "maar
bij de Hemelsche Wezens zijn bedrog en onoprechtheid niet bekend".
Na het hooren van die woorden schaamde zich de visscher vreeselijk,
en zonder een woord te antwoorden, gaf hij het meisje het kleed van
veeren terug.
Het Gezang van het Maanmeisje.
Toen het meisje haar helder wit kleed had aangetrokken, tokkelde zij
de snaren van een luit en begon te dansen, en terwijl zij danste en
speelde, zong zij van vele vreemde en schoone dingen in verband met
haar verwijderde woning in de Maan. Zij zong van het reusachtige
Paleis van de Maan, waarin dertig vorsten heerschten, vijftien in
witte gewaden, als de maanschijf vol was, en vijftien in het zwart,
als de Maan afnam. Terwijl zij zong en speelde en danste, zegende
zij Japan en drukte den wensch uit, "dat het voortdurend meer moge
bloeien en groeien".
De visscher mocht zich niet lang verheugen in die vriendelijke
vertooning van de bekwaamheid van het Maanmeisje, immers zeer spoedig
klopten haar lieflijke voetjes niet langer het zand. Zij steeg op
in de lucht, terwijl de witte veeren van haar kleed flikkerden tegen
de pijnboomen of tegen de blauwe lucht zelf. Zij steeg al hooger en
hooger, nog steeds spelend en zingend, tot boven de toppen der bergen,
al hooger en hooger, totdat haar gezang niet meer werd gehoord,
en zij het schitterende paleis van de Maan bereikte.