Sawara was een leerling in de woning van den kunstenaar Tenko, die
een vriendelijk en bekwaam onderwijzer was, terwijl Sawara, zelfs
reeds toen hij zijn kunstenaarsloopbaan aanving, veel voor de toekomst
beloofde. Kimi, de nicht van Tenko, wijdde haar geheelen tijd aan haar
oom en aan het bestuur van diens huishouding. Kimi was een schoone
maagd, en het duurde niet lang, of zij werd smoorlijk verliefd op
Sawara. De jonge leerling vond haar buitengewoon bekoorlijk, zelfs
zóó, dat hij, als het noodig was, voor haar wilde sterven, en in zijn
hart was hij heimelijk op haar verliefd. Hij deed in tegenstelling met
Kimi, van zijn liefde echter weinig naar buiten blijken, daar hij zijn
volle aandacht moest wijden aan zijn werk; wel was dit ook bij Kimi
het geval, maar terwijl bij Sawara zijn werk boven zijn liefde ging,
was voor Kimi alleen de liefde van beteekenis.
Terwijl Tenko op zekeren dag een bezoek bracht, kwam Kimi naar Sawara
toe, en daar zij niet langer haar liefde kon bedwingen, deelde zij hem
mede, hoezeer zij hem liefhad, en vroeg, of hij haar wilde huwen. Nadat
zij dit verzoek had gedaan, zette zij thee voor haar minnaar neer,
en wachtte zijn antwoord af.
Sawara deelde haar liefde, en zeide, dat het hem innig zou verheugen,
met haar te huwen, maar hij voegde er aan toe, dat het huwelijk
niet binnen de eerste twee of drie jaar kon plaats hebben, daar hij
zich eerst een zelfstandigen werkkring moest hebben verworven en een
beroemd kunstenaar moest geworden zijn.
Sawara, die zijn kunstkennis wilde vermeerderen, besloot te gaan
studeeren onder een beroemd schilder, Myokei genaamd, en nadat hij
alles had geregeld, nam hij afscheid van zijn meester en van Kimi,
terwijl hij beloofde, dat hij dadelijk zou terugkeeren, als hij zich
een naam had verworven en een groot kunstenaar was geworden.
Twee jaren gingen voorbij zonder dat Tenko of Kimi eenig nieuws van
Sawara vernamen. Een aantal aanbidders van Kimi kwamen telkens bij
haar oom met huwelijksaanzoeken, en Tenko overlegde bij zich zelf, wat
hij onder die omstandigheden zou doen, toen hij een brief ontving van
Myokei, waarin deze mededeelde, dat Sawara uitnemend werk leverde,
en dat hij wenschte, dat zijn voortreffelijke leerling met zijn
dochter zou huwen.
Tenko meende, misschien wel niet ten onrechte, dat Sawara Kimi geheel
had vergeten, en dat hij niets beter kon doen dan haar ten huwelijk
te geven aan Yorozuya, een vermogend koopman, en zoo ook den wensch
te vervullen van Myokei, dat Sawara zou huwen met de dochter van den
grooten schilder. Met dat doel voor oogen besloot Tenko een list te
gebruiken, en riep hij Kimi bij zich en sprak:
"Kimi, ik heb een brief ontvangen van Myokei, en ik vrees, dat
het treurige nieuws, dat die brief bevat, u zeer veel verdriet zal
doen. Myokei wenscht, dat Sawara met zijn dochter huwt, en ik heb hem
geantwoord, dat ik mijn volle toestemming geef voor die verbintenis. Ik
ben er zeker van, dat Sawara u heeft veronachtzaamd, en daarom ben
ik er op gesteld, dat gij met Yorozuya huwt, die, naar mijn innige
overtuiging, een voortreffelijk echtgenoot voor u zal zijn."
Toen Kimi die woorden hoorden, weende zij bitter, en ging zonder een
woord te spreken naar haar kamer.
Des morgens kwam Tenko in het vertrek van Kimi, maar zijn nicht was
verdwenen, en zelfs na een langdurig onderzoek, dat volgde, was hij
niet in staat te ontdekken, waar zij gebleven was.
Toen Myokei het antwoord op zijn brief had ontvangen, deelde hij den
veelbelovenden kunstenaar mede, dat hij wenschte, dat hij zijn dochter
zou huwen, opdat er aldus een schildersfamilie zou worden gesticht;
maar Sawara was verbaasd, toen hij dit buitengewone nieuws vernam,
en vertelde dat hij de eer, van zijn schoonzoon te worden, niet kon
aannemen, omdat hij reeds verloofd was met de nicht van Tenko.
Sawara zond nu, helaas te laat, brieven naar Kimi, en toen hij geen
antwoord kreeg, vertrok hij naar zijn oude woonplaats, kort na den
dood van Myokei.
Toen hij de kleine woning bereikte, waar hij zijn eerste lessen in
de schilderkunst had ontvangen, vernam hij tot zijn groote ergernis,
dat Kimi haar ouden oom had verlaten, en na eenigen tijd trouwde hij
met Kiku ("Chrysanthemum"), de dochter van een vermogend landbouwer.
Korten tijd na zijn huwelijk werd hem door den Heer van Aki opgedragen,
de zeven tooneelen der eilanden Kabakarijima te schilderen, die op
gouden schermen moesten worden aangebracht. Hij vertrok dadelijk naar
die eilanden en maakte een aantal ruwe schetsen. Terwijl hij daarmede
bezig was, ontmoette hij aan het strand een vrouw met een rood kleed
om de lendenen, en met loshangend haar, dat over haar schouders
viel. Zij droeg kreeften in haar mand, en zoodra zij Sawara zag,
herkenden zij hem.
"Gij zijt Sawara en ik ben Kimi", zoo sprak zij, "met wien gij verloofd
zijt". "Het gerucht omtrent uw huwelijk met de dochter van Myokei was
valsch, en mijn hart is innig verheugd, want niets staat ons huwelijk
nu meer in den weg".
"Helaas! arme, vreeselijk verongelijkte Kimi, dat kan niet geschieden",
antwoordde Sawara. "Ik dacht, dat gij Tenko hadt verlaten en mij
vergeten waart, en daar ik overtuigd was, dat dit werkelijk waar was,
heb ik Kiku, de dochter van een landbouwer, gehuwd".
Kimi sprong als een opgejaagd hert, zonder een woord te zeggen, langs
het strand en trad haar kleine hut binnen, terwijl Sawara achter haar
aan holde en haar voortdurend bij haar naam riep. Hij zag voor zijn
oogen, hoe Kimi een mes opnam, en dat in haar hals stak; een volgend
oogenblik lag zij dood op den grond. Sawara weende, toen hij haar in
den dood aanschouwde, en lette op de vredige schoonheid van den Dood
op haar wangen, terwijl hij voor het eerst een stralenkrans zag in
haar door den wind uitgespreide haren. Zij was nu zóó schoon en zóó
liefelijk, dat hij, zoodra hij zijn tranen had bedwongen, een schets
maakte van de vrouw, die hem zóózeer had liefgehad, maar door het lot
zóó diep was getroffen. Boven het peil van den vloed begroef hij haar,
en toen hij zijn eigen huis had bereikt, haalde hij de ruwe schets te
voorschijn, schilderde een beeld van Kimi, en hing die als _Kakemono_
aan den muur.
Kimi vindt vrede.
Dienzelfden nacht werd hij wakker en ontdekte, dat het beeld op de
Kakemono tot leven was gewekt, en dat Kimi met de wond in haar hals
en met hangende haren vóór hem stond. Elken nacht keerde zij terug,
een stil en betreurenswaardig beeld, totdat ten slotte Sawara, die
niet langer in staat was, die beproeving te dragen, de _Kakemono_
ten geschenke gaf aan den Tempel van Korinji, en zijn vrouw naar
haar ouders terugzond. De priesters van den tempel van Korinji baden
dagelijks voor de ziel van Kimi, en langzamerhand vond Kimi vrede en
rust, en kwelde zij ook Sawara niet meer.
HOOFDSTUK VIII: DE GELIEVEN, DIE ELKANDER ALLEEN BIJ HELDEREN HEMEL
BEZOEKEN, EN HET KLEED VAN VEEREN.
De Sterrenhemel.
Een van de meest romantische der oude Japansche feesten is het feest
van Tanabata, het Wevende Meisje. Het wordt gevierd op den zevenden dag
der zevende maand, en het was gebruikelijk, dat bij die gelegenheid
versch gesneden bamboe's werden geplaatst op de daken der huizen, of
dat zij in den grond werden gestoken, vlak bij de huizen. Gekleurde
strooken papier werden aan die bamboe's bevestigd, en op iedere
papierstrook was een gedicht geschreven ter eere van Tanabata en
haar echtgenoot Hikoboshi, zooals bij voorbeeld het volgende: "Daar
Tanabata sluimert tot aan het aanbreken van den dageraad, terwijl
haar lange mouwen opgerold zijn, wekt haar, o ooievaars, niet door uw
geklepper". Men zal zich van dit feest een betere voorstelling maken,
als wij de legende hebben beschreven, die daarmede samenhangt.
De God van het Uitspansel had een bekoorlijke dochter, Tanabata
genaamd, die het grootste gedeelte van haar tijd doorbracht met het
weven van gewaden voor haar doorluchtigen vader. Op zekeren dag, toen
zij aan haar weefstoel zat, zag zij toevallig een schoonen jongeling,
die een os voortleidde, en onmiddellijk werd zij op hem verliefd. De
vader van Tanabata, die haar meest heimelijke gedachten kon raden,
stemde onmiddellijk in hun huwelijk toe. Ongelukkig echter hadden
zij elkander wel zeer innig, maar onverstandig lief, met dit gevolg,
dat Tanabata haar weven veronachtzaamde, terwijl de os van Hikoboshi
vrij kon ronddolen over de Hooge Vlakte des Hemels. De God van het
Uitspansel werd uiterst vertoornd, en beval, dat die al te vurige
gelieven in het vervolg door de Hemelsche rivier zouden gescheiden
zijn. In den zevenden nacht der zevende maand vormde, als het weer
gunstig was, een groote menigte vogels een brug over de rivier, en op
die wijze waren de gelieven in staat elkander te bezoeken. Het was
zelfs niet eens zeker, dat dit kort bezoek mogelijk was, immers als
het regende, was de Hemelsche rivier te breed, dan dat zij zelfs door
een groote brug van eksters kon worden overspannen, en de gelieven
waren dan gedwongen, weer een lang treurig jaar te wachten, voordat
er weer eenige kans was, elkander te ontmoeten.
Het is dus niet te verwonderen, dat op het Feest van het Wevende Meisje
kleine kinderen zongen "_Tenki ni nari_" ("O, weer, wees helder!") In
ons land spot liefde met gesloten deuren, maar de Hemelsche Rivier
laat, als zij gezwollen is, niet met zich spotten. Als het helder
weer is en de Gelieven elkander dus bezoeken, na een jaar van droevig
wachten, schitteren de sterren, waarschijnlijk van de Lier en de Arend,
in vijf verschillende kleuren--blauw, groen, rood, geel en wit--en
dit is de reden, dat gedichten worden geschreven op papierstrooken
in die kleuren.