HOOFDSTUK VII. DE LEGENDE IN DE JAPANSCHE KUNST.

De Beteekenis der Japansche Kunst.

Sir Alfred East beschreef in zijn voordrachten over Japansche kunst

die kunst als "groot in kleine zaken, maar klein in groote zaken", en

dit is, in het algemeen gesproken, zeer juist. De Japansche kunstenaar

munt uit in het schilderen van bloemen, insecten en vogels. Hij slaagt

er voortreffelijk in, de kronkeling van een golf te schilderen, of een

tak met kersebloesems in het licht der volle maan, de vlucht van een

reiger, een groep pijnboomen, of een karper, die in een rivier zwemt;

maar die uitnemende gave van nauwkeurige en haarfijne detailleering

schijnt hem te hebben verhinderd, datgene te teekenen, wat wij een

groot genrestuk noemen, een historische tafereel met een groot aantal

figuren. Dat ernstige verlangen, om verschillende fragmenten naar de

Natuur te schilderen, was geen kleingeestig of academisch begrip. De

kunst was niet uitsluitend bestemd voor den _kakemono_, of hangende

rol, om in een nis van een Japansch huis te worden opgehangen, ten

einde een korten tijd te worden bewonderd, om dan weer door een ander

te worden vervangen. De kunst in Japan was universeel, zooals dit

in geen ander land ter wereld het geval is geweest; een goedkoope

handdoek had een behagelijk patroon, en zelfs speelkaarten waren,

in afwijking van de onze, kunstwerken.

Men heeft dikwijls beweerd, dat de vrouw in de Japansche kunst

houterig is. Dit is inderdaad niet het geval, indien wij door houterig

verstaan: geheel zonder uitdrukking; maar het is noodzakelijk, dat

wij eerst iets weten omtrent de Japansche vrouw in het leven zelf,

voordat wij ons een denkbeeld kunnen vormen van de wijze, waarop zij

in de kunst wordt voorgesteld. Er is een schat van traditie achter

dat schijnbaar onbewegelijke gelaat. Het is een merkwaardig feit,

dat elk gelaat, zoolang wij nog niet gewend zijn aan de verschillende

Japansche typen, zóózeer op de andere gelijkt, dat er geen sprake is,

ze van elkander te kunnen onderscheiden, en wij zouden er toe kunnen

komen, te meenen, dat de natuur in Japan er mede tevreden is geweest,

dezelfde gelaatstrekken telkens te herhalen, doch zouden dan vergeten,

dat ook wij aan de Japanners op het eerste gezicht geen verschil

in type vertoonen. Het Japansche gelaat is in de kunst niet zonder

uitdrukking, maar het is een uitdrukking, die tamelijk afwijkt van die,

waarmede wij vertrouwd zijn, en dit is in het bijzonder het geval bij

het schilderen van Japansche vrouwen. De meesten van ons hebben een

aantal gekleurde prenten gezien, aan dit onderwerp gewijd, en die

niet de minste schaduw op het gelaat vertoonen. Wij zouden geneigd

zijn te beweren, dat dit weglaten van schaduw een bijzonder vlakke

uitdrukking aan het gelaat geeft, en daarom de opmerking te maken,

dat het ons voorgelegde werk van weinig kunst getuigt. Maar het is

inderdaad geen gebrek aan kunst, want het Japansche gelaat _is_ vlak,

en de kunstenaars uit dat land vergeten nooit dit karakteristieke

weer te geven. Gekleurde prenten, die Japansche vrouwen voorstellen,

drukken geen gemoedsbeweging uit--een glimlach, een gebaar van

smachtend verlangen ontbreekt; maar het zou verkeerd zijn, uit het

feit, dat wij zooveel negatieve eigenschappen vinden, te besluiten,

dat een gekleurde prent van dien aard geen gevoel uitdrukt, en dat

de algemeene indruk popperig en weinig belangrijk is. Wij moeten

er om denken, hoe lang de periode geduurd heeft, dat de Japansche

vrouw is onderdrukt geworden. Een slechts oppervlakkige studie van

die belangrijke verhandeling van Kaibaira, die bekend staat onder

den naam van _Onna Daigaku_, of "Meerdere Kennis voor Vrouwen",

zal ons leeren inzien, dat het de plicht van iedere Japansche vrouw

is, lieftallig, vriendelijk en deugdzaam te zijn; zonder morren te

gehoorzamen aan hen, die gezag over haar hebben, en bovenal haar

gevoelens te onderdrukken. Als wij dit alles in aanmerking nemen,

zullen wij geleidelijk tot de ontdekking komen, dat er kracht en geen

zwakheid is in een portret van een Japansche vrouw; een rustige en

waardige schoonheid, waarin elke opwelling in bedwang wordt gehouden,

als het ware gehuld in een wolk van strenge overlevering. Toch heeft

de Japansche vrouw, hoewel voortdurend omringd door de strengste tucht,

ons een type van vrouwelijkheid gegeven, dat voortreffelijk is in haar

ware innemendheid van karakter, en de Japansche kunstenaar heeft de

toovermacht van hare bekoring weten te vatten. In de buiging harer

lijnen geeft hij ons een beeld van de sierlijkheid van een door den

wind bewogen wilg, in de patronen op haar kleed de belofte van de

lente, en achter den kleinen, rooden mond een rijkdom van onbegrensde

mogelijkheden.

Japan had haar kunst te danken aan het Buddhisme, en deze werd

ontwikkeld en onderhouden onder Chineeschen invloed. Het Buddhisme gaf

Nippon haar schilderkunst, haar wandversieringen en haar uitnemend

beeldhouwwerk. De Shinto-tempels waren streng en eenvoudig, die der

Buddhisten gevuld met alles, wat de kunst hun kon geven; en ten slotte,

en dit was niet de minst belangrijke factor, door het Buddhisme werd

in Japan de tuinbouwkunst ingevoerd, met al haar uitgewerkt en schoon

symbolisme.

Een Japansch kunstcriticus heeft eens geschreven: "Indien te midden van

een penseelstreek een houw van een zwaard het penseel had doorgehakt,

zou deze gebloed hebben". Hieruit mogen wij afleiden, dat de Japansche

kunstenaar zijn geheele hart en zijn geheele ziel in zijn werk legde;

het was een deel van hem zelf, iets wat zijn leven beheerschte,

iets wat innig aan godsdienst verwant was. Het is dan ook niet te

verwonderen, dat hij, met die groote kracht achter zijn penseel,

in staat was die buitengewone levendigheid en beweeglijkheid aan

zijn werk te geven, die zoo treffend is weergegeven in portretten

van tooneelspelers.

Hoewel wij tot nu toe den Japanschen kunstenaar alleen hebben

doorzien als een meester in kleine zaken, toch heeft hij met groote

trouw en met uitnemend gevolg de Goden en Godinnen van zijn land

voorgesteld, en een aantal van de mythen en legenden, die met dezen

samenhangen. Terwijl hij uitmuntte in het weergeven van het schoone,

niet minder muntte hij uit in de beschrijving van het afgrijselijke,

immers geen kunstenaar ter wereld, met uitzondering van die uit China,

is er in geslaagd, het bovennatuurlijke met beteren uitslag weer te

geven. Wat een verschil is er tusschen een uitnemende afbeelding

van Jizo of Buddha of Kwannon en de afbeelding van een Japanschen

boozen geest! Buitengewone schoonheid en leelijkheid kan men in de

Japansche kunst te vinden, en zij, die genot vinden in de talrijke

afbeeldingen van den berg Fuji en de kleuren der afbeeldingen van de

vrouwen van Utamaru, zal zich vol afschuw afwenden van de spookachtige

voorstellingen van bovennatuurlijke wezens.

De Goden van Geluk.

Een aantal van de legendarische verhalen, die in dit boek worden

medegedeeld, zijn in beeld gebracht door Japansche kunstenaars, en

in dit hoofdstuk stellen wij ons voor, de legenden in de Japansche

kunst te behandelen, die tot nu toe nog niet zijn vermeld. Een

geliefkoosd onderwerp van den Japanschen kunstenaar is ongetwijfeld

dat van de Zeven Goden van het Geluk, welk onderwerp bijna altijd

wordt behandeld met dartele goede luim. Men vond daar Fukurokuju,

met een bijzonder groot hoofd, en vergezeld van een kraanvogel, een

hert of een schildpad; Daikoku, die op rijstbalen stond en door een

rat werd vergezeld; Ebisu, die een visch droeg; Hotei, den vroolijken

God van het Lachen, de personificatie van de uitdrukking: "Lach en

je zult dik worden". Dan was er Bishamon, die schitterde in zijn

wapenrusting, en die een speer en een afgodstempeltje droeg; Benten,

de Godin van Schoonheid, Rijkdom, Vruchtbaarheid en Nakomelingschap;

terwijl Jurojin zeer veel overeenkomst had met Fukurokuju. Die Zeven

Goden van het Geluk, of nauwkeuriger uitgedrukt, Zes Goden en één

Godin, schijnen hun oorsprong ontleend te hebben aan het Shintoisme,

Taoïsme, Buddhisme en het Brahmanisme, en zijn blijkbaar afkomstig

uit de zeventiende eeuw.

Het Schip met Wonderschatten.

De Japansche kunstenaar houdt er van, om in verband met dit

onderwerp de Goden van het Geluk te schilderen als vroolijke en

gezellige passagiers aan boord van de _Takarabuna_, of het schip

met wonderschatten, waarvan wordt verhaald, dat het ieder jaar op

oudejaarsavond de haven binnenzeilt met geen mindere lading dan

den Hoed der Onzichtbaarheid, de Voorspoedbrengende Regenjas, den

Heiligen Sleutel, de Onuitputtelijke beurs, en andere merkwaardige

wonderschatten. Tegen dien tijd van het jaar worden afbeeldingen van

het Schip met Wonderschatten onder de houten peluwen der kinderen

geplaatst, en men zegt, dat dit gebruik de kinderen gelukkige droomen

brengt.

"Slaap, lieveling, totdat de bel der duisternis

De sterren brengt, beladen met een droom.

Want met dien droom zult gij ontwaken,

Tusschen lachen en gezang".

_Yone Noguchi_.

Het Wonderdadige in de Japansche Kunst.

Onder andere legenden is ook bekend die van Hidari Jingoro, den

beroemden beeldhouwer, wiens meesterstuk, toen het voltooid was,

levend werd, welke legende ons sterk herinnert aan de geschiedenis

van Pygmalion. Er zijn andere legenden verbonden aan het tot leven

wekken van Japansche kunstwerken. Het gebeurde eens, dat een aantal

boeren veel last ondervonden van de verwoesting in hunne tuinen, welke

verwoesting het gevolg was van een wild dier. Toevallig ontdekten

zij, dat de indringer een groot zwart paard was, en toen zij er

jacht op maakten, verdween het plotseling in een tempel. Toen zij

het gebouw binnentraden, zagen zij, dat de schilderij van Kanasoka,

die een zwarten hengst voorstelde, door de groote inspanning van even

te voren, dampte! De groote kunstenaar teekende er onmiddellijk een

touw op, dat het paard aan een paal vastbond, en van dat oogenblik

af bleven de tuinen der boeren ongedeerd.

Het verhaal loopt, dat de groote kunstenaar Sesshiu, toen hij nog

een kleine jongen was, voor straf stevig werd vastgebonden in een

Buddhistischen tempel. Hij gebruikte toen zijn overvloedige tranen

als inkt, en zijn teen als penseel, en schetste op die wijze enkele

ratten op den vloer. Onmiddellijk werden die ratten levend en knaagden

het touw door, dat hun jeugdigen ontwerper had vastgebonden.

Hokusai.

Er is iets meer dan enkel legende in die verhalen, als wij geloof

mogen hechten aan de woorden van den beroemden kunstenaar Hokusai,

wiens "Honderd Gezichten op Fuji" beschouwd worden als de schoonste

landschapschilderingen der Japansche kunstenaars. Hij schreef in de

inleiding van zijn werk: "Als ik negentig jaar oud ben, zal ik het

mysterie der dingen doorgronden; als ik honderd jaar ben, zal ik een

wonderbaarlijke hoogte hebben bereikt; en als ik honderd tien jaar

oud ben, zal alles, wat ik schilder, tot zelfs stipjes en lijnen,

levend zijn". Wij behoeven hier niet bij te voegen, dat Hokusai den

leeftijd van honderd tien jaar niet heeft bereikt. In de laatste

uren van zijn leven schreef hij de volgende regels, die later op zijn

graftombe geschreven zijn:

"Mijn ziel, veranderd in een Dwaallicht,

Kan rustig komen en verdwijnen over zomervelden".

Met dat krachtige dichterlijke gevoel, dat voor de Japanners zoo

kenschetsend is, beteekende de Eeuwigheid voor Hokusai een onbeperkten

tijd, waarin hij zijn geliefkoosd werk kon voortzetten--en hij al de

bewonderingswaardige streken van zijn penseel kon volmaken en daaraan

leven kon schenken. Evenals in het oude Egypte, zoo kan ook in het Oude

Japan, het leven hier namaals niet anders beteekenen dan waar geluk,

met periodiek herhaalde bezoeken op aarde, en in die opvatting ligt een

fijne en bijna pathetische paradox, die het als het ware voorstelt,

alsof de Eeuwigheid voortdurend beladen wordt met versche, aardsche

herinneringen. In beide landen zien wij, hoe de geest terug verlangt

naar zijn oude menschelijke verblijfplaatsen. In Egypte keerde de

ziel terug door middel van het lichaam, waarin zij vroeger gehuisd

had, en in Japan schonk het doodenfeest, elders door ons beschreven,

de gelegenheid, opgewekt van geest de wereld in Emma-O te verlaten en

gedurende drie dagen in het midden van Juli Japan te bezoeken, een

land, dat schooner en de zielen blijkbaar dierbaarder is dan eenige

voorstelling, die zich een Japanner van een leven na den dood kan

maken. Maar het blijkt, dat Hokusai het doet voorkomen, alsof zijn

bezoeken niet altijd in den zomer zullen plaats hebben, maar dat hij

veeleer herhaaldelijk in alle jaargetijden zal komen en verdwijnen.

Een Japansch dichter heeft geschreven:

"'t Is vreeslijk, als men, sluipend, zacht

Een geest ziet zwerven onverwacht,

In 't holle van den nacht,

Den killen duistren nacht;

Een groenig-grijzen geest,

Een schim, eens mensch geweest,

Nu zonder kracht

Dwalende eenzaam in

Duisteren nacht.

Naar _Clara A. Walsh_.

Geesten en Spoken.

Het is nauwelijks minder schrikwekkend, geesten, spoken en andere

bovennatuurlijke wezens op een Japansche schilderij te ontmoeten. Wij

vinden geesten met lange halzen, die vreeselijk glurende gezichten

te dragen hebben. Hun hals is zóó lang, dat het schijnt, alsof het

spookachtige hoofd over alles heen en in alles kan zien met een

duivelsch en ontzettend genot. De _ghoul_, die in de Japansche kunst

wordt voorgesteld als een kind van drie jaar, heeft rossig bruin haar,

en zeer lange ooren, en wordt dikwijls geschilderd als bezig met het

eten van de nieren van lijken. Het afgrijselijke wordt in dit gedeelte

der Japansche kunst tot bijna in het ondragelijke op den voorgrond

gebracht, en de voorstelling, die een nog levend Japansch kunstenaar

ons geeft van een optocht van geesten, is zóó akelig en weerzinwekkend,

dat wij dien optocht zeker niet gaarne zouden tegenkomen op het midden

van den dag, en dus nog veel minder in het holle van den duisteren

nacht. [25]

Een Tuin met Doodshoofden.

De voorstelling, die de Japansche kunstenaar van een tuin geeft, met

zijn pijnboomen en steenen lantarens, en meren, waarvan de oevers met

azalea's zijn beplant, is meestal bijzonder schoon. Hiroshige heeft,

zooals zooveel Japansche kunstenaars, een tuin geschilderd, waarop

sneeuw is gevallen; maar in één van zijn schilderijen schildert hij

de sneeuw, terwijl zij in een aantal doodshoofden verandert; hij

heeft die fantastische voorstelling ontleend aan de _Heike Monogatari_.

Men moet zich niet voorstellen, dat de Japansche kunstenaar, als hij

het ééne of andere bovennatuurlijke wezen schildert of een tafereel

uit de ééne of andere mythe weergeeft, uitsluitend het afzichtelijke

en afgrijselijke aanpakt. Het afzichtelijke en afgrijselijke wordt

zeker met groote levendigheid en dramatische kracht geschilderd,

maar een aantal Japansche kunstenaars schilderen ook de Goden en

Godinnen van het Oude Japan met veel aanminnigheid en bekoorlijkheid.

De Droom van Rosei [26].

De Japansche versierselen verduidelijken dikwijls een oude legende. Wij

zien somtijds op een _tsuba_ (gevest van een degen) een pijnboom met

menschen, die in de takken zitten. Één man draagt een banier, terwijl

twee andere op muziekinstrumenten spelen. Er is een aardige legende

aan die vreemde teekening verbonden, en hoewel die van Chineeschen

oorsprong is, verdient zij een plaats te vinden in dit werk, omdat

zij één van die fantastische Chineesche legenden is, die in de

Japansche litteratuur en kunst is ingeweven, in het kort één van

de geliefkoosde onderwerpen is geworden van Chineesche kunstenaars,

en van hen, die de _No_, of het lyrische drama van Nippon, bijwonen.

Rosei bereikte in oude tijden de oude herberg van Kantan, zóó vermoeid

van zijn reis, dat hij onmiddellijk toen zijn hoofd zijn hoofdkussens

aanraakte, in slaap viel. Het was geen gewoon hoofdkussen, maar

kon zeer goed beschreven worden als het Tooverkussen der Droomen,

immers zoodra Rosei in slaap was gevallen, naderde hem een afgezant,

die zeide: "Ik ben door den Keizer van Ibara afgezonden, om u mede te

deelen, dat Zijne Majesteit wenscht afstand te doen van den troon en

u in zijn plaats te stellen. Wees zoo goed in den palankijn plaats te

nemen, die u wacht, en de dragers zullen u spoedig naar de hoofdstad

dragen."

Rosei, ten hoogste verbaasd door wat hij had gezien en gehoord,

nam plaats in den palankijn, die bezaaid was met edelgesteenten van

schitterenden glans, en werd naar een prachtig land gevoerd, dat het

best in het volgende gedicht is beschreven:

Want nog nooit in die oude Keizerlijke zalen,

Zich badend in den glans, dien 't maanlicht uit deed stralen,

Of waar de draak zich heft op wolken in den Hooge,

Was er zoo groote wellust voor de oogen!

Met zilver en met goud was overdekt de grond.

Vier poorten in de hoeken van de zalen

Vertoonden, als men d' oogen rond liet dwalen,

Juweelen schoon als men nooit ergens vond,

En drommen in kleedij, die fonkelde van licht,

Vertoonden overal een schitterend gezicht.

Zóó schoon was 't al te zien,

Dat 't sterflijk oog misschien

Zich waande vóór de poort van 't schittrend hemelrijk.

Hier gaf het gansche volk van liefde en mildheid blijk,

Door 't bieden van de schoonste en edelste geschenken,

Zoo kostbaar als men zich 't gemunte goud kan denken.

En ginds de minderen, die deelden in het wonder,

Vazallen, naderend, vermetel, vol van moed,

Van wie een ieder fier zijn vaandel wapp'ren doet,

Dat 't gansche luchtruim vult met heldren kleurengloed,

Terwijl de lucht weerklinkt, als rolde luid de donder.

Naar _B.H. Chamberlain_.

Rosei bevond zich in een tooverland, waar de Natuur òf haar natuurlijke

wetten vergat, òf door de bevolking van dat land tot nieuwe wonderen

gebracht werd. In het oosten was een zilveren hemel, waarover de gouden

zon scheen, en in het westen was er een gouden heuvel, waarover de

maan haar zilveren licht uitgoot.

De tijd wordt niet door herfst of lente aangeduid,

En zon zoowel als maan vergeet te spoeden langs haar weg,

Als zij het druk gewoel der rijke poorten zien.

Naar _B.H. Chamberlain_.

Het geheele gronddenkbeeld van dit bekoorlijke verhaal schijnt uit

te drukken, dat dit land niet alleen een land was van eeuwige jeugd,

maar ook een land, waar de Natuur de jaargetijden samenvoegde, waar

altijd kleur en bloesem gevonden werd, en waar geen bloem verwelkte.

Toen Rosei vijftig jaar in dit heerlijke land had geleefd en geregeerd,

kwam op zekeren dag een minister bij hem, en verzocht hem te drinken

van het Levenselixir, opdat hij, evenals zijn onderdanen, eeuwig

zou leven.

De vorst dronk het Elixir, "te midden van de schitterendste pracht en

het grootste vreugdebetoon, ooit over een sterveling uitgegoten". Rosei

meende, dat hij den Dood had beroofd van hetgeen hem toekwam, en

bracht een leven van poëtische, ja zelfs zinnestreelende verrukking

door. Hij gaf weelderige feesten aan zijne hovelingen, feesten,

die zonder onderbreking de zon en de maan zagen, waar bekoorlijke

meisjes dansten, en waar eindeloos muziek en gezang werd gehoord.

Het bleek echter, dat die vroolijke feesten, dat kleurig praalvertoon,

toch niet eeuwigdurend waren, want eindelijk werd Rosei wakker en

ontdekte hij, dat hij op "Kantans" peluw rustte. De zedenmeester komt

op dit oogenblik ten tooneele met het volgende gedicht:

"Maar wie dit goed bedenkt,

Ziet dat het leven steeds aan elk hetzelfde schenkt;

Komt eenmaal toch de dood--een eeuw van zaligheid

Zinkt als een schoone droom terug in d' eeuwigheid.

Naar _B.H. Chamberlain_.

Rosei kwam na die fantastische ondervinding tot het besluit, dat

"het leven een droom" is, dat ook de eerzucht een droom is; en na

die Buddhistische leerstelling te hebben in zich opgenomen, keerde

hij naar zijn eigen huis terug.

Mythen & Legenden van Japan · 第 17 / 53 题