De beteekenis van Jizo.
Jizo, de God van kleine kinderen en de God, die de bewogen zee tot rust
brengt, is ongetwijfeld de meest beminnelijke der Buddhistische goden,
hoewel Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, in eigenschappen veel met
hem overeenkomt. De meest populaire Goden, zoowel in het Oosten als
in het Westen, zijn die, welke de meest menschelijke eigenschappen
bezitten. Hoewel Jizo van Buddhistischen oorsprong is, is hij toch
in zijn wezen Japansch, en wij kunnen hem het best beschrijven als
de schepping van tallooze Japansche vrouwen, die er naar verlangd
hebben, in de Oneindigheid, in het omsluierde leven na den dood,
een wezen te plaatsen, dat een goddelijke Vader en Moeder zou zijn
voor de zielen hunner kleinen. En dit is het wat Jizo inderdaad is,
een God uitsluitend van het vrouwelijke hart, en niet een wezen,
dat heen en weer geslingerd wordt in de haarkloverijen van in
het debat vergrijsde theologen. Een bestudeering van den aard en
de karakteristieke eigenschappen van Jizo zal ons het beste doen
kennen, wat in de Japansche vrouwen wordt gevonden; immers hij
openbaart ons haar liefde, haar zin voor het schoone en haar oneindig
medelijden. Jizo heeft al de wijsheid van Buddha zelf, met dit verschil
dat Jizo Nirvana heeft op zijde geschoven, en niet op den Gouden Lotus
zit, maar door een heerlijk schoone zelfopoffering de goddelijke
speelmakker en beschermer van Japansche kinderen is geworden. Hij
is de God van glimlachjes en lange mouwen, de vijand van booze
geesten, en het éénige wezen, dat de wonde eener moeder kan genezen,
die haar kind door den dood heeft verloren. Er is een spreekwoord,
dat alle rivieren haar weg naar zee vinden. Voor de Japansche vrouw,
die haar kleine grafwaarts heeft gedragen, kronkelen alle rivieren
haar zilveren loop naar de plaats, waar de eeuwig wachtende en eeuwig
vriendelijke Jizo is. Dit is de reden, dat moeders, die haar kinderen
door den dood hebben verloren, gebeden schrijven op kleine strooken
papier, en die volgen, terwijl zij de rivieren afdrijven op weg naar
den grooten geestelijken Vader en de Moeder, die met een liefhebbende
glimlach al hun smeekingen zullen beantwoorden.
Aan het altaar van Jizo.
"Tegenover Jizo's altaar
Bloeien nu de kerseboomen,
Aan de wiegelende takken
Rijke bloesems zijn gekomen.
"Tegen 't mos de rose scheemring,
Takjes door den wind bewogen,
Toonen 't beeld in al zijn kalmte,
Als de zon verlicht de oogen.
"'k Pluk een tak in de ochtendscheemring,
En een stroom van rose blaâdren
In welriekend frissche luchten
Zich op 't wieglend gras vergaadren".
"En in warme middaguren
Doe ik traag mijn vingers spelen,
Tusschen geurig zoete bloesems,
Die zich onder 't spel verdeelen."
"Daalt de zon ter westerkimme,
Dan laat ik de hand weer zinken,
Jizo, bloesems, zijn verdwenen,
Aan de lucht geen sterren blinken".
Naar _Clara A. Walsh_.
Jizo en Lafcadio Hearn.
Lafcadio Hearn schrijft in één van zijn brieven [20]: "Er is een
vreemd gebruik in Izumo, dat u misschien wel belang inboezemt. Als er
een bruiloft gevierd wordt in de woning van een impopulair man op het
platte land, dragen de jonge mannen van het dorp een beeld van Jizo,
dat op den weg staat, naar de Zashiki, en kondigen de komst van den
God aan. (Dit geschiedt voornamelijk met een hebzuchtigen boer, of
een gierig gezin). Door den God wordt voedsel en wijn geëischt. De
leden van het gezin moeten binnenkomen, de godheid begroeten en al
de _saké_ en al het voedsel geven, dat geëischt wordt, zoolang er
nog wat in huis overblijft. Het is gevaarlijk, dit te weigeren; de
jonge boeren zouden waarschijnlijk het huis plunderen. Daarna wordt
het standbeeld weer op zijn plaats gezet. Het bezoek van Jizo wordt
zeer geducht. Het wordt nooit gebracht aan personen, die bemind zijn".
Bij zekere gelegenheid wenschte Lafcadio Hearn, die een warme
bewondering had voor dien God, den kop en de armen van een gebroken
beeld van Jizo te herstellen. Zijn vrouw opperde bezwaren tegen hem,
en wij halen zijn eigenaardig antwoord aan, omdat het ons niet weinig
herinnert aan de laatste legende, die in dit hoofdstuk wordt vermeld:
"_Gomen, gomen!_ (Vergeef mij!) Ik meende alleen eenige vreugde te
schenken, naar ik hoopte. De Jizo, over wien ik u schreef, is niet die,
welken gij op de kerkhoven vindt; maar het is Jizo, die de zeeën wil
bewaken en tot rust brengen. Het is geen droevige soort, maar gij voelt
niet voor mijn denkbeeld, daarom heb ik mijn voornemen opgegeven. Het
was alleen een dwaas denkbeeld van papa. Maar toch weende de arme
Jizosama bitter, toen hij uw antwoord aan mij hoorde. Ik zeide hem:
'Ik kan het niet helpen, daar moeder San uw waren aard in twijfel trok,
en meent, dat gij de bewaker zijt van een kerkhof. Ik weet, dat gij
de redder zijt van zeeën en zeelieden. De Jizo weent zelfs nu nog.'"
"De Droge Bedding van de Rivier der Zielen".
Onder de aarde is de Sai-no-Kawara, of "de Droge Bedding van de Rivier
der Zielen". Dit is de plaats, waar alle kinderen na hun dood heengaan,
en, behalve de kinderen, zij die ongehuwd zijn gebleven. Hier spelen
de kleinen met den kleinen Jizo, en hier bouwen zij kleine torens van
steenen, want in de bedding dier rivier zijn zeer veel steenen. De
moeders van die kinderen, in de wereld boven hen, stapelen eveneens
steenen op rondom de beelden van Jizo, immers die kleine torens
stellen gebeden voor; zij zijn toovermiddelen tegen de _oni_, of
slechte geesten. Somtijds behalen de _oni_ in de Droge Bedding van
de Rivier der Zielen voor een oogenblik een tijdelijke overwinning,
en werpen de kleine torens omver, die de geesten der kinderen onder
zooveel gelach hebben opgebouwd. Als een dergelijk ongeluk geschiedt,
houdt het gelach op, en vliegen de kleinen naar Jizo om bescherming
te vinden. Hij verstopt hen in zijn lange mouwen, en jaagt met zijn
heiligen staf de _oni_ met roode oogen weg.
De plaats, waar de zielen der kinderen vertoeven, is een schaduwrijke
en grijs getinte wereld van donkere heuvelen en valleien, waartusschen
de Sai-no-Kawari zich een weg kronkelt. Al de kinderen zijn gekleed
in korte, witte kleeren, en als somtijds de booze geesten hen
verschrikken, dan is Jizo er steeds, die hun tranen droogt, en is er
altijd iemand, die hen weer naar hun spookachtige spelen terugzendt.
Het volgende loflied op Jizo, bekend als "De Legende van het Gonzen
der Sai-no-Kawari", geeft ons een prachtige en levendige voorstelling
van Jizo en van dat spookachtige land, waar kinderen spelen:
De Legende van het Gonzen der Sai-no-Kawara.
"Niet van deez' aarde is 't verhaal van de smarte,
't Verhaal van de Sai-no-Kawara
Aan den voet van de sombere heuvels;--
Niet van deez' aarde is 't verhaal; toch is het zoo droevig
te hooren.
Want in de Sai-no-Kawara verzameld
Zijn kind'ren, nog jeugdig van jaren, zoo velen,--
Kind'ren slechts twee of drie jaar,
Kind'ren van vier of vijf, kinderen nog jonger dan tien.
In de Sai-no-Kawara zijn zij vereenigd.
En de stem van verlangen om beide hun ouders,
De stem, die weent om hun moeders en vaders--
Is niet zooals die van 't geween van de kind'ren op aarde,
Maar een weenen zóó droevig te hooren,
Dat, als het gehoord werd, 't zou dringen door vleesch en door
beend're
En treurig is dan ook de taak, door hen te verrichten,--
De steenen van 't bed der rivier te verzaam'len.
Om daarmeê de torens van hunne gebeden te bouwen.
De eerste dier torens, dat zijn de gebeden voor 't heil van
hun vaders;
De tweede dier torens, dat zijn de gebeden voor 't heil van
hun moeders;
De derde dier torens, dat zijn de gebeden voor broeders en zusters
en allen te huis, die zij minden.
Dit is overdag droeve ontspanning.
Maar telkens als de zon ter kimme zal gaan neigen,
Dan komen tot hen de demonen van de hel, de _Oni_,
En zeggen hun: "Wat is die arbeid hier door u verricht?
Helaas! uw ouders, die nog leven in de Shaba-wereld,
Zij doen niet anders dan uw lot beklagen van 's morgens vroeg
tot laat des avonds,
Ach, hoe treurig en hoe onbarmhartig!
Waarlijk, de oorzaak der smarten, door u geleden,
Is niets dan het klagen, 't gezucht uwer ouders."
En tevens zeggen zij ach, "laak ons niet!"
De geesten werpen neer de opgehoopte torens,
En met hun ijzeren staven verspreiden zij de steenen.
Maar zie! daar komt de leeraar Jizo,
Zoo vriend'lijk nadert hij de kind'ren in hun droefheid:
Mijn lieven, vreest toch niet! wees nimmer angstig!
Gij arme, jonge zielen, wier aardsch bestaan zoo kort was!
Te snel moest gij den tocht doen, den droeven, naar de Meido,
Den langen tocht, die voert naar het gebied der dooden!
Vertrouwt mij! 'k Ben uw Vader en Moeder in de Meido,
De vader aller kinderen, in het gebied der dooden!"
En om hen slaat hij teeder den schoot van 't schittrend kleed:
Zoo vriendlijk voelt hij mede met 't droevig lot der jeugd.
En hen, die nog niet loopen, biedt hij den steun van zijn _shakujo_
[21],
Hij streelt, omhelst de kleinen, hij drukt hen aan zijn boezem,
Zoover gaat 't medelijden en mint hij de arme kleinen.
_Namu Amida Butsu!_ [22]
Naar _Lafcadio Hearn_.
Die verblijfplaats van de zielen van kinderen is zeker geen ideaal
land. Het is Jizo, en niet zijn land, die zijn oorsprong heeft
in de harten der Japansche vrouwen. De strenge Buddhistische leer
van oorzaak en gevolg, van geboorte en wedergeboorte, is zelfs op
kleine kinderen van toepassing. Maar indien het Groote Wiel van het
Bestaan met onfeilbare kracht rondwentelt, en alleen gaat stilstaan,
als het verlangen naar niet-bestaan eindelijk in Nirvana vervuld is,
dan staat Jizo liefhebbend aan de voeten van het Noodlot, en maakt
het pad gemakkelijker, waarop de voeten van kleine kinderen zich zoo
zacht bewegen.
Het Hol van de Geesten der Kinderen.
Er was in Japan een hol, bekend onder den naam van Kyu-Kukedo-San,
of Oud Hol, en diep daarin kan men een beeld van Jizo vinden, met
zijn mystieken juweel en zijn heiligen staf. Vóór Jizo staat een
kleine _torii_ [23] en een paar _gohei_ [24], beide symbolen van het
Shinto-geloof; maar, zooals Lafcadio Hearn opmerkt, "die vriendelijke
godheid heeft geen vijanden; aan den voet van den vriend van de
geesten der kinderen vereenigen zich beide geloofsopvattingen in
teedere eerbewijzen". Hier ontmoeten elkander de geesten van kleine
kinderen, die zachtkens samen fluisteren, terwijl zij zich telkens
buigen, om hun torens van steenen te bouwen. Des nachts kruipen zij
over de zee uit hun Droog Bed van de Rivier der Zielen, en bedekken
het zand in het hol met hun spookachtige voetstappen, terwijl zij
voortdurend die gebeden van steen opbouwen, onder het vriendelijk
lachen van Jizo over hun liefderijk werk. Zij vertrekken vóór de
opkomst van de zon, immers men zegt, dat de dooden er te beangst
voor zijn, te staren op de Godin der Zon, en voornamelijk zijn die
kinderen bevreesd voor haar heldere gouden oogen.
De Fontein van Jizo.
Een ander schoon hol in zee bevat de Fontein van Jizo. Het is een
fontein van vloeiende melk, waar de zielen der kinderen haar dorst
lesschen. Moeders, die lijden aan gebrek aan melk, komen aan die
fontein en bidden tot Jizo, en moeders, die meer melk hebben dan
hun kinderen noodig hebben, bidden denzelfden God, dat hij wat van
haar melk wegneme en het geve aan de zielen van kinderen in zijn
uitgestrekt, schaduwrijk koninkrijk. En men zegt, dat Jizo hun
gebeden verhoort.
Hoe Jizo zich een goede daad herinnerde.
Een vrouw, Soga Sadayoshi genaamd, voedde voor haar levensonderhoud
zijdewormen, en verzamelde hun zijde. Op zekeren dag, toen zij den
tempel van Ken-cho-ji bezocht, meende zij, dat een beeld van Jizo er
koud uitzag, en ging zij naar huis, vervaardigde een muts, keerde
daarmede terug, en plaatste die op het hoofd van Jizo, terwijl zij
zeide: "Was ik maar rijk genoeg, om u een kostbare bedekking te geven
voor uw geheele verheven lichaam; maar helaas! ik ben arm, en zelfs
deze muts, die ik u aanbied, is niet waardig, door uw goddelijken
geest te worden aangenomen."
Op haar vijftigste jaar stierf de vrouw, en daar haar lichaam gedurende
drie dagen warm bleef, wilden haar bloedverwanten geen verlof geven,
haar te begraven. Op den avond van den derden dag echter keerde zij,
tot groote verbazing en vreugde van hen, die in haar nabijheid waren,
weer in het leven terug.
Korten tijd nadat de vrouw weer haar gewone werkzaamheden had hervat,
verhaalde zij, hoe haar ziel verschenen was voor den grooten en
verschrikkelijken Emma-O, den Heer en Rechter der dooden, en hoe
dat gevreesde wezen op haar vertoornd geweest was, omdat zij in
strijd met de leerstellingen van Buddha tallooze zijdewormen had
gedood. Emma-O was zóó vertoornd geweest, dat hij bevolen had, haar in
een pot te werpen, die met gesmolten metaal was gevuld. Terwijl zij in
ontzettenden zielsangst het uitschreeuwde, kwam Jizo naast haar staan,
en toen hield het metaal onmiddellijk op, haar te branden. Nadat Jizo
vriendelijk met de vrouw had gesproken, voerde hij haar naar Emma-O,
en verzocht hem, dat aan haar, die eens één van zijn beelden had warm
gehouden, vergiffenis zou worden geschonken. En Emma-O vervulde den
wensch van den steeds liefhebbenden en medelijdenden God, en de vrouw
kon weder terugkeeren naar de zonnige wereld van Japan.