Hoe Tokutaro door Vossen werd misleid.
Tokutaro was absoluut ongeloovig op het gebied van de toovermacht
van vossen. Zijn ongeloovigheid ergerde een aantal van zijn makkers,
die hem uitdaagden, naar het moeras Maki te gaan. Als hem niets
overkwam, zou Tokutaro vijf maten wijn en een waarde aan visch van
duizend koperen cash [17] krijgen. Indien daarentegen Tokutaro door de
macht der vossen schade zou lijden, moest hij een even groot geschenk
aan zijn makkers geven. Tokutaro nam spottend de weddingschap aan,
en toen de nacht was aangebroken, vertrok hij naar het moeras Maki.
Tokutaro had besloten, zeer slim en voorzichtig te zijn. Toen hij
zijn bestemming bereikt had, ontmoette hij een vos, die door een
bamboeboschje liep. Onmiddellijk daarna ontdekte hij de dochter van
den hoofdman van Boven-Horikané. Toen hij de vrouw vertelde, dat hij
voornemens was naar dat dorp te gaan, zeide zij, dat zij hetzelfde
voornemen had, en dat zij dus wel samen konden reizen.
Daardoor was de achterdocht van Tokutaro opgewekt. Hij liep achter
de vrouw, terwijl hij te vergeefs naar een vossestaart zocht. Toen
zij Boven-Horikané hadden bereikt, kwamen de ouders van het meisje
naar buiten, die uiterst verbaasd waren, toen zij haar dochter zagen,
die gehuwd was en in een ander dorp woonde.
Tokutaro zeide hun, met een hoogmoedig lachje van ingebeelde wijsheid,
dat het meisje vóór hem in werkelijkheid niet hun dochter was, maar
een vermomde vos. De ouders waren eerst verontwaardigd, en weigerden te
gelooven, wat Tokutaro hen had verhaald. Ten slotte overreedde hij hen,
het meisje in zijn handen te laten, terwijl zij in de voorraadkamer
zouden wachten op het resultaat.
Tokutaro greep toen het meisje aan, en wierp haar ruw op den grond,
terwijl hij haar voortdurend beschimpte. Hij trapte op haar en pijnigde
haar op alle mogelijke wijzen, terwijl hij ieder oogenblik verwachtte,
dat het meisje in een vos zou veranderen. Maar zij deed niets dan ween
en, en riep erbarmelijk om haar ouders, teneinde haar te verlossen.
Toen die onverbeterlijke ongeloovige zag, dat zijn pogingen tot nu
toe vruchteloos waren geweest, stapelde hij op den grond hout op,
en doodde hij haar op den brandstapel. Op dat oogenblik kwamen haar
ouders aanhollen en bonden hem aan een pilaar, terwijl zij hem woedend
van moord beschuldigden.
Juist kwam een priester dien weg langs, en toen hij dat leven hoorde,
drong hij op een verklaring aan. Toen de ouders van het meisje hem
alles hadden verhaald, en nadat hij de verdediging van Tokutaro had
aangehoord, verzocht hij het echtpaar, het leven van den man te sparen,
opdat hij mettertijd een goed en vroom priester zou worden. Na eenig
tegenstreven werd dit eigenaardige verzoek toegestaan, en Tokutaro
knielde neer, om zijn hoofd te doen kaalscheren, uiterst gelukkig,
dat hij zoo gemakkelijk uit zijn ellendigen toestand werd bevrijd.
Nauwelijks was het goddelooze hoofd van Tokutaro geschoren, of hij
hoorde een schaterend gelach, en werd hij wakker, terwijl hij aan een
uitgestrekt moeras gezeten was. Instinctmatig hief hij zijn hand op,
en ontdekte, dat vossen hem hadden kaalgeschoren, en hij dus zijn
weddenschap had verloren.
De dankbaarheid van een Vos.
Na de hier besproken ijzige legende, waarin de slechte eigenschappen
van den vos worden beschreven, is het een opluchting een vos te mogen
ontmoeten, die tot groote zelfopoffering in staat was.
Het geschiedde toch, dat op zekeren lentedag twee kleine jongens
betrapt werden op het vangen van een jonggeboren vosje. De man,
die getuige was van dit feit, had een vriendelijk gemoed, en toen
hij hoorde, dat de jongens het jonge dier gaarne wilden verkoopen,
gaf hij hun een halve _bu_ [18].
Toen de kinderen hoogst verheugd met het geld vertrokken waren,
ontdekte de man, dat het kleine diertje aan den voet gewond was. Hij
legde er onmiddellijk een zeker kruid op, waardoor de pijn spoedig
bedaarde. Toen hij op korten afstand een troep oude vossen zag,
die hem in het oog hielden liet hij edelmoedig het diertje loopen,
dat in snelle vaart naar zijn ouders sprong en hen voortdurend likte.
Die goedhartige man nu had een zoon, die aan een vreemde ziekte
leed. Eindelijk schreef een beroemd geneesheer de lever van een
levenden vos voor als middel, dat nog tot genezing zou kunnen
leiden. Toen de ouders van den knaap dit hoorden, waren zij zeer
bedroefd, en wilden zij alleen de lever van een vos aannemen,
geleverd door iemand, die er zijn beroep van maakte op vossen
te jagen. Eindelijk droegen zij een buurman op, hun de lever te
verschaffen, terwijl zij beloofden, daarvoor ruim te betalen.
Den volgenden avond werd de lever van een vos gebracht door een
vreemdeling, die geheel onbekend was bij de brave bewoners van het
huis. De bezoeker verklaarde, dat hij een bode was, gezonden door
den buurman, wien zij de boodschap hadden opgedragen. Toen echter
de buurman zelf kwam, bekende hij, dat hij, hoewel hij alle moeite
had gedaan om een vosselever te krijgen, daarin niet was geslaagd,
en daarom gekomen was, om zijn verontschuldigingen te maken. Hij was
stom verbaasd, toen hij het verhaal hoorde, dat hem door de ouders
van den lijdenden knaap werd gedaan.
Den volgenden dag werd de vosselever tot geneesmiddel toebereid door
den genoemden geneesheer, waarop de jeugdige knaap onmiddellijk zijn
vroegere gezondheid terugkreeg.
Des avonds verscheen een schoone jonge vrouw voor het bed der gelukkige
ouders. Zij vertelde, dat zij de moeder was van het vosje, dat door den
man was vrijgelaten, en dat zij uit dankbaarheid voor zijn goedheid
het vosje had gedood, terwijl haar echtgenoot, onder de vermomming
van den geheimzinnige bode, de verlangde lever had gebracht [19].
Inari verhoort het gebed van een Vrouw.
Zooals wij reeds vroeger hebben gezien, is Inari dikwijls bijzonder
goedgunstig. Er is een legende, dat een vrouw, die reeds een aantal
jaren gehuwd was en niet met een kind gezegend was, aan het altaar van
Inari haar gebeden opzond. Bij het eindigen van haar gebed schudden
de steenen vossen hun staarten, en begon er sneeuw te vallen. Zij
beschouwde die verschijnselen als gunstige voorteekenen.
Toen de vrouw haar huis bereikte, sprak haar _yeta_ (bedelaar) aan,
en vroeg haar iets te eten. De vrouw gaf met groote goedhartigheid
dien ongelukkigen reiziger wat meel van roode boonen, het eenige
voedsel dat zij in huis had, en bood hem dat in een schotel aan.
Den volgenden dag zag de echtgenoot dien schotel voor het altaar
liggen, waar zijn vrouw had gebeden. De bedelaar was niemand anders
dan Inari zelf, en de edelmoedigheid der vrouw werd ter rechter tijd
beloond door de geboorte van een kind.
De Gierigheid van Raiko.
Raiko was een vermogend man, die in een zeker dorp woonde. In weerwil
van zijn ontzaglijke rijkdommen, die hij in zijn _obi_ (gordel)
bij zich droeg, was hij ontzettend gierig. Naarmate hij ouder werd,
nam zijn gierigheid toe, totdat hij er ten slotte over dacht, zijn
trouwe bedienden te ontslaan, die hem steeds zoo goed hadden gediend.
Op zekeren dag werd Raiko zeer ziek, zelfs zóó, dat hij bijna wegteerde
ten gevolge van een vreeselijke koorts. Den tienden nacht van zijn
ziekte verscheen een arm gekleede _bozu_ (priester) aan zijn sponde,
die hem vroeg, hoe hij het maakte, en er aan toevoegde, dat hij reeds
lang gedacht had, dat de _oni_ hem zou wegvoeren.
Door dit laatste gezegde, dat bovendien niet al te kiesch was
uitgedrukt, werd Raiko woedend, en hij eischte verontwaardigd, dat de
priester zou vertrekken. Maar de _bozu_ zeide hem in plaats van te
vertrekken, dat er maar één geneesmiddel was tegen zijn ziekte. Het
geneesmiddel was, dat Raiko zijn _obi_ zou losmaken en zijn geld
onder de armen zou verdeelen. Raiko werd nog driftiger over wat hij
als een groote onbeschoftheid van den priester beschouwde. Hij trok
een dolk van onder zijn kleed te voorschijn en trachtte den goedigen
_bozu_ te dooden. De priester vertelde Raiko zonder de minste vrees,
dat hij gehoord had van zijn gemeen voornemen, zijn brave dienaren te
ontslaan, en dat hij des nachts was gekomen, om den ouden man zijn
hartebloed af te tappen. "Nu is", zoo sprak de priester, "mijn doel
bereikt!" en na het uitspreken van die woorden blies hij het licht uit.
De door en door verschrikte Raiko voelde nu, hoe een spookachtig
schepsel hem naderde. De oude man stak met zijn dolk in het wilde,
en veroorzaakte zulk een opschudding, dat zijn trouwe bedienden met
lantarens de kamer binnenstormden; toen zagen zij den vreeselijken
klauw van een monster naast de vloermat van den ouden man liggen.
Toen de dienaren van Raiko met groote nauwgezetheid de kleine
bloedvlekken volgden, kwamen zij aan een kleinen berg aan het uiteinde
van den tuin, en in dien berg was een wijde opening, waaruit het
boveneinde van een ontzaglijke spin stak. Dit wezen vroeg de dienaren,
pogingen aan te wenden, om hun meester te overreden, de goden niet
aan te vallen en zich in de toekomst van inhaligheid te onthouden.
Toen Raiko die woorden uit den mond zijner dienaren hoorde, berouwde
hem zijn vroeger leven en gaf hij groote geldsommen aan de armen. Inari
had de gedaante van een spin en van een priester aangenomen, om den
vroeger zoo gierigen man een goede les te geven.