De Steen des doods. [16]

"De Steen des Doods staat in 't moeras

Bij wintersneeuw en zomergloed;

Het mos, dat hem bedekt, wordt grijs,

Toch zwerft de demon daar nog rond."

"Kil waait de wind, en boven het moeras

Klinkt in het woud der uilen heesch gekras.

En onder de chrysanthemums, beneden,

Daar loert de vos, weergalmt van jakhals het geklaag,

Als over het moeras het herfstlicht gaat omlaag."

Naar _B.H. Chamberlain_.

De Buddha-priester Genno kwam na een langdurige, moeilijke reis naar

het moeras van Nasu, en was juist van plan, te gaan rusten onder de

schaduw van een grooten steen, toen een geest plotseling te voorschijn

kwam, en sprak: "Rust niet onder dezen steen. Dit is de Steen des

Doods. Mannen, vogels en dieren zijn omgekomen, alleen maar door hem

aan te raken!"

Die geheimzinnige woorden ter waarschuwing wekten natuurlijk de

nieuwsgierigheid van Genno op, en hij verzocht, dat de geest hem het

genoegen zou doen, de geschiedenis van den Steen des Doods te verhalen.

De geest begon toen aldus: "Lang geleden was er een schoone maagd,

die aan het Japansche Hof leefde. Zij was zóó bekoorlijk, dat zij het

Juweeltje werd genoemd. Haar wijsheid evenaarde haar schoonheid, zij

verstond toch de Buddhistische wetenschappen en de leer van Confucius,

de wetenschap en de poëzie van China."

"Zoo, door natuur en kunst met schoonheid rijk belaân,

Biedt haar de Keizer zelf zijn trouwe liefde aan."

Naar _B.H. Chamberlain_.

"Op zekeren nacht," zoo vervolgde de geest, "gaf de Mikado een

groot feest in het Zomerpaleis, en daar verzamelde hij het vernuft,

de wijsheid en de schoonheid van het geheele land. Het was een

schitterend gezelschap, maar terwijl de gasten aten en dronken,

onder het hooren van de tonen van liefelijke muziek, verspreidde zich

duisternis over de groote zaal. Zwarte wolken ijlden door de lucht

en er was geen enkele ster te bekennen. Terwijl de gasten verstijfd

van vrees ter neder zaten, verhief zich een geheimzinnige wind. Hij

gierde door het Zomerpaleis en waaide al de lantarens uit. De volkomen

duisternis deed een paniek ontstaan, en gedurende de verwarring riep

één der aanwezigen: 'Een licht, een licht!'"

Er straalt van 's meisjes schoon gezicht

Een tooverachtig, schitt'rend licht!

't Groeit aan en vult de keizerlijke zalen;

Verlicht paneelen en de schermen met zijn stralen.--

Het vroeger somber duister van den nacht

Straalt als de volle maan in al haar pracht.

Naar _B.H. Chamberlain_.

"Van dat oogenblik af werd de Mikado sukkelend", zoo vervolgde

de geest. "Hij werd zóó ziek, dat de Hoftoovenaar ontboden werd,

en die verdienstelijke man ontdekte spoedig, wat de oorzaak was

van de ziekte van Zijne Majesteit. Met de kracht eener gevestigde

overtuiging verklaarde hij, dat het Juweeltje een ontuchtige vrouw en

een duivelin was, die met listige kunsten 's Keizers hart gevangen nam,

om den staat te gronde te richten.

"De woorden van den Toovenaar veranderden de liefde van den Mikado

voor het Juweeltje in vurigen haat. Toen die toovenares met verachting

bejegend werd, nam zij haar oorspronkelijke gedaante aan, en wel

die van een vos, terwijl zij wegliep naar dezen steen in het moeras

van Nasu."

De priester aanschouwde den geest met critischen blik. "Wie zijt

gij?" sprak hij eindelijk.

"Ik ben de kwade geest, die eertijds huisde in de borst van het

Juweeltje! Ik woon nu voor eeuwig in den Steen des Doods".

De goede Genno was vreeselijk verschrikt door die ontzettende

bekentenis, maar daar hij zich zijn plicht als priester herinnerde,

zeide hij: "Hoewel gij in goddeloosheid laag gezonken zijt, zult gij

weer tot deugd opstijgen. Neem dit priestergewaad en dezen bedelnap,

en laat mij u in den vorm van een vos zien."

Daarop riep de booze geest op smartelijken toon:

"In het schitt'rend zonnelicht

Houd ik schuil mijn aangezicht,

Als Asama's bleeke gloed:

Met den nacht zal 'k hier weer zijn,

Schuld bekennend, 't hart vol pijn,

Reine wenschen in 't gemoed."

Naar _B.H. Chamberlain_.

Na dit gezegd te hebben, verdween de geest plotseling.

Genno liet zijn goede voornemens niet varen. Nog vuriger dan ooit te

voren streefde hij naar de redding van die dwalende ziel. Opdat zij

Nirvana mocht bereiken, offerde hij bloemen, brandde hij wierook,

en zegde hij de heilige Geschriften op, vóór den steen staande.

Toen Genno die godsdienstige plichten had vervuld, zeide hij:

"Geest van den Steen des Doods, ik bezweer u! wat is er geschied in

een vroegere wereld, dat gij in deze wereld een zoo valsche gedaante

hebt aangenomen?"

Plotseling spleet de Steen des Doods uiteen en verscheen de geest

weder onder den uitroep:

"In steenen zijn geesten,

Een stem klinkt in 't water;

De winden, zij loeien door 't hemelgewelf!"

Naar _B.H. Chamberlain_.

Genno zag een bleeken lichtglans in zijn nabijheid, en in dat licht

ontdekte hij een vos, die plotseling in een schoone maagd veranderde.

De geest van den Steen des Doods sprak nu aldus: "Ik ben het,

die eertijds, in Ind, de booze geest was, wien Prins Hazoku

eer bewees... In Groot Cathay nam ik den vorm aan van Hoji, de

echtgenoote van Keizer Iuwao; en in het Hof der Rijzende Zon werd ik

het vlekkelooze Juweeltje, de bijzit van Keizer Toba."

De geest bekende Genno, dat zij in den vorm van het Juweeltje verderf

had willen brengen aan de Keizerlijke dynastie. "Reeds", zoo sprak de

geest, "maakte ik mijn plannen, overlegde ik, hoe ik den Mikado kon

doen sterven, en ik zou in mijn plannen zijn geslaagd, als niet de

Hoftoovenaar met zijn bovennatuurlijke macht had ingegrepen. Zooals

ik u verhaalde, werd ik van het Hof verdreven. Ik werd vervolgd

door honden en pijlen, en zonk eindelijk uitgeput in den Steen des

Doods. Van tijd tot tijd zwierf ik over het moeras. Nu heeft Buddha

medelijden met mij gehad, en hij heeft zijne priesters gezonden, om

den weg naar den waren godsdienst aan te wijzen en vrede te brengen".

De legende besluit met de volgende vrome woorden, geuit door den nu

berouwvollen geest:

"Hoor, man van God, den eed, den duren eed, dien 'k zweer,

Aan u, wiens zegening mij naar den hemel voert,

Den eed, dien 'k houden zal, wat ook mijn hart beroert,

Vast, als de Steen des Doods, hier in het drassig meer.

Ik zweer, dat 'k voortaan leef als kind der deugd alleen!

Zoo sprak de geest, nu maagd, toen ze in 't moeras verdween."

Mythen & Legenden van Japan · 第 14 / 53 题