In oude dagen leefde in Japan een beroemd Minister van Staat, Kamatari
genaamd. Kamatari nu had een eenige dochter, Kohaku Jo, die bijzonder
schoon was, en daarbij even goed als schoon. Zij was de vreugde van
het hart haars vaders, en hij besloot, dat, als zij huwde, niemand
minder in rang dan een Koning haar echtgenoot zou worden. Met dit
denkbeeld voortdurend voor den geest, weigerde hij standvastig de
aanzoeken om haar hand.
Op zekeren dag was er een groote oploop op het binnenplein van
het paleis. Door de open poorten stroomden een groot aantal mannen
binnen, die een vaandel droegen, waarop een zijden draak op een gelen
achtergrond was gewerkt. Kamatari vernam, dat die mannen van het hof te
China gekomen waren, met een boodschap van Keizer Koso. De Keizer had
gehoord van de buitengewone schoonheid en de bijzondere lieftalligheid
van Kohaku Jo, en verlangde haar te huwen. Zooals dit in het Oosten
bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk is, was het aanzoek van den
Keizer vergezeld van de belofte, dat indien Kohaku Jo zijn bruid zou
worden, hij haar zou toestaan datgene te kiezen uit zijn schatkamer,
wat zij naar haar eigen land zou willen zenden.
Nadat Kamatari de afgevaardigden met behoorlijken luister en met de
vereischte plechtigheid had ontvangen en een geheele vleugel van zijn
paleis ter hunner beschikking had gesteld, keerde hij naar zijn eigen
vertrek terug en beval zijn dienaar, zijn dochter vóór hem te geleiden.
Toen Kohaku het vertrek van haar vader was binnengetreden, boog zij
voor hem en bleef geduldig op de witte matten zitten, in afwachting van
het oogenblik, dat haar verheven vader het woord tot haar zou richten.
Kamatari deelde haar mede, dat hij den Keizer van China als haar
echtgenoot had uitgekozen en het meisje weende, toen zij die tijding
hoorde. Zij was zoo gelukkig geweest in haar eigen huis, en China
scheen zoo ver verwijderd te zijn. Toen haar vader haar echter
voorspelde, dat zij in de toekomst nog meer geluk zou hebben dan zij
ooit in het verledene had gehad, droogde zij haar tranen en luisterde
naar de woorden van haar vader, misschien wel verbaasd over de
mededeeling, dat alle schatten van China aan haar eigen kleine voetjes
zouden worden gelegd. Zij was verheugd, toen haar vader haar zeide,
dat zij in staat zou gesteld worden, drie van die schatten naar den
tempel van Kofukuji te zenden, waar zij als klein kind gezegend was.
Zoo dan gehoorzaamde Kohaku haar vader, met niet weinig bezorgdheid,
en niet weinig hartzeer. Haar gezellinnen weenden, toen zij het
nieuws hoorden, maar zij werden getroost, toen de moeder van Kohaku
haar vertelde, dat enkelen van haar zouden worden uitgekozen om haar
meesteres te vergezellen.
Voordat Kohaku naar China wegzeilde, richtte zij haar schreden naar
den tempel van Kofukuji, en toen zij het heilige altaar genaderd was,
bad zij om bescherming op haar reis, en beloofde zij, dat zij, als
haar gebeden werden verhoord, China zou doen doorzoeken, om de drie
kostbaarste schatten van dat rijk te verkrijgen, en dat zij die als
een dankoffer naar den tempel zou zenden.
Kohaku bereikte veilig China en werd door Keizer Koso met groote pracht
ontvangen. Haar kinderlijke vrees werd spoedig verdreven door de groote
vriendelijkheid van den Keizer. Immers hij betoonde haar heel wat meer
dan vriendelijkheid. Hij sprak haar toe in de taal van een minnaar:
"Na lange, lange dagen van treurig wachten heb ik de azalea van het
verwijderde gebergte verworven, en nu plant ik die in mijn tuin,
en groot is de vreugde van mijn hart!" [11]
Keizer Koso leidde haar van het ééne paleis naar het andere, en
zij wist niet, welk paleis het schoonst was, maar haar Keizerlijke
echtgenoot wist, dat zij veel schooner was dan één van deze. Omhaar
bijzondere lieftalligheid wenschte hij, dat de herinnering daaraan ten
eeuwige dagen over de geheele lengte en breedte van China zou blijven
voortduren, ja zelfs tot buiten de grenzen van zijn rijk. "Daarom
riep hij zijn goudsmeden en tuiniers te zamen", zooals Madame Ozaki
verhaalt bij de beschrijving van dit sprookje, "en beval hen, voor
de Keizerin een weg te maken, zooals nog nooit in de geheele wijde
wereld bestaan had. De treden van dien weg moesten lotus-bloemen
zijn, gesneden uit goud en zilver, opdat zij daarover kon loopen, zoo
dikwijls zij rondzwierf onder de boomen of langs het meer, zoodat men
zou kunnen zeggen, dat haar schoone voetjes nooit werden bezoedeld,
door de aarde aan te raken; en sedert dien tijd hebben dichterlijke
minnaars en liefdedichters in China en Japan in gezangen en sonnetten
en in zoete gesprekken de voeten der vrouwen, die zij liefhebben,
'lotusvoeten' genoemd."
Maar in weerwil van al de pracht, die Kohaku omringde, vergat zij
haar geboorteland niet en evenmin de gelofte, die zij in den tempel
van Kofukuji had afgelegd. Op zekeren dag deelde zij beschroomd den
Keizer haar gelofte mede, en daar hij maar al te zeer verheugd was,
een nieuwe gelegenheid te hebben, haar genoegen te doen, plaatste hij
zulk een schat van schoone en kostbare zaken vóór haar, dat het wel
scheen, alsof een uitgelezen sprookjeswereld van vroolijke kleuren
en volmaakte vormen plotseling voor haar voeten was ontstaan. Er
was daar zulk een rijkdom aan schitterende dingen, dat zij het zeer
moeilijk vond, een keuze te doen. Eindelijk vestigde zij haar keuze
op de volgende tooverschatten, een muziekinstrument, dat, als men er
op sloeg, eeuwig bleef doorspelen, een doos met inktsteen, die, als
het deksel werd opgetild, een onuitputtelijken voorraad Oost-Indischen
inkt bleek te bevatten, en ten slotte "een prachtig kristal, in welks
heldere diepte men, van welken kant men ook er in staarde, een beeld
zag van Buddha, rijdend op een witten olifant. Het kristal was van
bovennatuurlijken glans en schitterend als een ster, en ieder, die in
zijn heldere diepten staarde en de gezegende verschijning van Buddha
zag, had voor altijd gemoedsrust." [12]
Nadat Kohaku eenigen tijd die schatten had bekeken, ontbood zij
Admiraal Banko en verzocht hem, ze veilig naar den tempel van Kofukuji
over te brengen.
Alles ging voorspoedig met Admiraal Banko en zijn schip, totdat zij
in de Japansche wateren waren, op weg naar de baai van Shido-no-ura,
toen een heftige storm het schip heen en weer slingerde. De golven
rolden omhoog met de woestheid van wilde dieren, en voortdurend
flikkerde de bliksem aan den hemel, om een oogenblik het rollende
schip te verlichten, dat nu eens hoog opgeheven werd op een waterberg,
dan weer neergedompeld werd in een groene vallei, waaruit het nooit
meer scheen te kunnen verrijzen.
Plotseling ging de storm liggen, even onverwachts als hij
was opgestoken. De ééne of andere fee had met haar hand al de
wolken weggevaagd, en een blauw en fonkelend tapijt over de zee
uitgespreid. De eerste gedachte van den admiraal was, hoe het stond
met de veiligheid der schatten, die hem waren toevertrouwd, en toen
hij naar beneden ging, vond hij het muziekinstrument en den inktsteen
volmaakt in den toestand, waarin hij die had achtergelaten, maar bleek
het, dat de kostbaarste der schatten, het Kristal van Buddha, niet te
vinden was. Hij dacht er over, zich het leven te benemen, zoozeer was
hij onder den indruk van het verlies; maar bij nader inzien zag hij,
dat het verstandiger zou zijn, in het leven te blijven, zoolang hij
nog iets kon doen, om het kristal te vinden. Daarom haastte hij zich
te landen, en deelde Kamatari zijn ijselijk ongeluk mede.
Nauwelijks had Kamatari het bericht omtrent het Kristal van Buddha
vernomen, of die verstandige minister begreep, dat de Koning der Draken
van de Zee het gestolen had, en met dit doel de storm had veroorzaakt,
die hem in staat had gesteld, ongemerkt den schat te stelen.
Kamatari bood aan een aantal visschers, die hij op het strand van
Shido-no-ura zag, een ruime belooning aan, als eenigen van hen zich
in zee zouden willen wagen, om het kristal terug te brengen. Alle
visschers boden daarop zich vrijwillig aan, maar na een aantal
vruchtelooze pogingen bleef het kostbare kleinood voortdurend onder
de hoede van den Zeekoning.
Kamatari zag in zijn groote droefheid plotseling een arme vrouw,
die een kind in de armen droeg. Zij vroeg den grooten minister, of
zij in zee mocht afdalen om naar het kristal te zoeken, en in weerwil
van haar zwakheid sprak zij met overtuiging. Haar moederhart scheen
haar moed in te boezemen. Zij deed haar verzoek, omdat zij wenschte,
dat Kamatari, als het haar gelukte het kristal terug te brengen, ter
belooning haar zoontje zou opvoeden als _samurai_ [13], opdat hij in
zijn verder leven iets anders kon worden dan een eenvoudige visscher.
Men zal zich herinneren, dat Kamatari in vroeger dagen eerzuchtig
was geweest ter wille van zijn dochter. Hij begreep dan ook volkomen
het verzoek der arme vrouw, en beloofde plechtig, dat hij, als zij
getrouw haar taak ten uitvoer bracht, gaarne haar wensch zou vervullen.
De vrouw ging heen, en na haar bovenkleeren te hebben uitgetrokken,
en een touw om haar middel te hebben gebonden, waarin zij een mes
stak, was zij voor haar gevaarlijke reis gereed. Na het uiteinde van
het touw aan een aantal visschers te hebben gegeven, ging zij te water.
Het eerste oogenblik zag de vrouw de vage omtrekken van rotsen, en
een wegvliegenden verschrikten visch, en het matte goud van het zand
onder haar voeten. Daarna zag zij plotseling de daken van het paleis
van den Zeekoning, een groot en schitterend gebouw van koraal, hier en
daar ondersteund door bossen veelkleurig zeegras. Het paleis geleek
op een kolossale pagode, met een aantal verdiepingen. De vrouw zwom
nader, om het meer van nabij te aanschouwen en zij bemerkte toen een
helder licht, schitterender dan het licht van verschillende manen en
zóó helder, dat het haar oogen verblindde. Het was het licht van het
kristal van Buddha, dat geplaatst was op de tinne van dat uitgestrekte
gebouw, en aan iederen kant van het schitterende kleinood waren
drakenwachters, diep in slaap, die zelfs in hun slaap schenen te waken!
De vrouw zwom er heen, terwijl zij in haar dapper hart bad, dat de
draken zouden doorslapen, totdat zij buiten gevaar zou zijn en den
schat in haar bezit had. Nauwelijks had zij het kristal van zijn
rustplaats gerukt, of de wachters ontwaakten; zij strekten hun groote
klauwen uit en hun staarten zweepten woedend het water, en in een
oogenblik vervolgden zij haar met woede. De vrouw, die alles liever
wilde dan het kristal te verliezen, dat zij ten koste van zooveel
gevaren had gewonnen, sneed een wond in haar linker borst, en duwde
het kristal in de bloedende holte, terwijl zij haar hand tegen het
arme gewonde vleesch drukte, zonder dat zij een kreet van smart deed
hooren. Toen de draken bemerkten, dat het water donker gekleurd was
door het bloed der vrouw, keerden zij om, immers zeedraken zijn bang
voor het gezicht van bloed.
De vrouw trok nu heftig aan het touw, en de visschers, die hoog
daarboven op de rotsen zaten, trokken haar met den grootsten spoed aan
land. Zij legden haar zacht neder op het strand, en zagen, dat haar
oogen gesloten waren, en dat haar borst vreeselijk bloedde. Kamatari
dacht eerst, dat de vrouw haar leven te vergeefs had gewaagd; maar
toen hij zich over haar heen boog, ontdekte hij de wond in haar
borst. Op dat oogenblik opende zij de oogen, en na het kleinood uit
de plaats genomen te hebben, waar zij het had verborgen, fluisterde
zij nog een paar woorden over de belofte van Kamatari, en viel toen
dood neder met een vredigen glimlach op het gelaat.
Kamatari nam het kind dier vrouw mede naar huis en lette op zijn
opvoeding met al de liefdevolle zorg van een vader. Na verloop van tijd
werd hij, op volwassen leeftijd, een dappere _samurai_, en werd bij den
dood van Kamatari ook zelfs Rijksminister. Toen hij in latere jaren
de geschiedenis vernam van de zelfopofferende daad van zijn moeder,
liet hij een tempel bouwen in de baai van Shido-no-ura, ter herinnering
aan haar, die zoo dapper en trouw was geweest. Die tempel heet Shidoj,
hij wordt bezocht door vele bedevaartgangers, die zich nog tot op onzen
tijd den zieleadel van een arme schelpenverzamelaarster herinneren.