De Bronzen Buddha van Kamakura en de Walvisch. [9]

"Boven de oude zangen, vergaan tot asch en smart,

Waaronder Dood de godenbeelden en 't geboomte hult in nevelen

van zuchten,

(Waar is de tijd van Kamakura's vroeg'ren bloei gebleven?)

Zit de Daibutsu tot in eeuwigheid, het hart tot zwijgen opgevoerd."

_Yone Noguchi_.

De groote bronzen Buddha van Kamakura, of de Daibutsu, is ongetwijfeld

één der meest merkwaardige beelden van Japan. In vroegere tijden

was Kamakura de hoofdstad van Nippon. Het was een groote stad met

ongeveer een millioen inwoners, en was de zetel der Shoguns en de

Regenten uit het geslacht der Hojo's gedurende den veelbewogen tijd der

Middeleeuwen. Maar in weerwil van al de trouwe vereerders van Buddha,

die in Kamakura leefden, werd de stad bij twee gelegenheden verwoest,

totdat zij ten slotte haar belangrijkheid verloor. In onze dagen vindt

men in de plaats van de oude glorie rijstvelden en bosschen. Doch

storm en vuur hebben den tempel van Hachiman (den Oorlogsgod) en het

bronzen beeld van Buddha onaangetast gelaten. Een tijd lang rustte

dit reusachtige beeld in een tempel, maar nu staat het hoog boven de

boomen, met een ondoorgrondelijken glimlach op zijn groot gelaat,

met oogen vol vrede, die niet kon worden geschokt door de nietige

stormen der wereld.

Legenden zijn bijna altijd eenvoudig en natuurlijk. Godheden worden,

zonder te letten op hun strengheid, tot een zeer menschelijk peil

teruggebracht. Er is een groote afstand tusschen de ingewikkelde

leeringen van Buddha en de geschiedenis van Amida Butsu en den

walvisch. In de volgende legende kan men een bijna pathetisch

verlangen lezen, om de grootheid van Buddha te bemantelen. De

reusachtige afmetingen van den Daibutzu zijn volstrekt niet in

overeenstemming met die merkwaardige voorliefde voor kleine dingen,

die een zoo karakteristiek kenmerk is van het Japansche volk. Er is

een speelsche ironie in dit verhaal, een verlangen om den grooten

Leeraar naar beneden te halen--al is het slechts, om hem een paar

armzalige centimeters kleiner voor te stellen.

Zóóvele dingen schijnen ons in Japan ten onderste boven gezet te

worden, dat het ons niets verbaast, als wij ontdekken, dat de voeten op

den duimstok voor het meten van metalen en voor het meten van zachte,

buigzame stoffen niet gelijk zijn. Voor buigzame goederen wordt een

baleinen maat gebruikt, voor hard materiaal een metalen plaat. Er

is bij die maten een verschil van vijf centimeters, en de volgende

legende kan ons misschien wel verklaren, wat de oorzaak is van dit

oppervlakkig zoo vreemde verschil.

De Bronzen Buddha is in zijn zittende houding vijftig voet hoog en

zeven en negentig voet in omtrek, terwijl de lengte van het gelaat

acht voet, de omtrek der duimen drie voet is. Het is waarschijnlijk

wel het grootste stuk brons in de wereld. Een zóó ontzaglijk groot

beeld maakte natuurlijk een bijzonderen indruk in de dagen, toen

Kamakura een bloeiende stad was, door den grooten veldheer Yoritomo

gebouwd. De wegen in en om de stad waren steeds dicht bezet met

pelgrims, die verlangden een blik te slaan op het jongste wonder,

en allen waren het er over eens, dat dit bronzen beeld het grootste

voorwerp op de geheele wereld was.

Het is nu niet onmogelijk, dat enkele zeelieden, die dit wonder hadden

gezien, daarover keuvelden, terwijl zijn hun netten uitspreiden. Dit

moge inderdaad het geval geweest zijn of niet, zeker is het, dat een

groote walvisch, die in de Noordelijke Zee thuis behoorde, toevallig

over den Bronzen Buddha van Kamakura hoorde spreken, en daar hij van

oordeel was, dat hij veel grooter was dan eenig voorwerp aan land, kon

hem het denkbeeld, dat er misschien een mededinger was, volstrekt niet

bekoren. Hij achtte het onmogelijk, dat kleine menschen iets konden

vervaardigen, dat kon wedijveren met zijn ontzaglijk lichaam, en lachte

dus hartelijk over de groote dwaasheid van een dergelijke opvatting.

Zijn lachen duurde echter niet lang. Hij was buitensporig jaloersch,

en toen hij hoorde van de talrijke pelgrimstochten naar Kamakura en van

de voortdurende bewondering, die opgewekt werd bij hen, die het beeld

hadden gezien, werd hij ontzettend boos, zweepte de zee tot schuim,

en snoot zijn neus met zulk een kracht, dat de andere schepselen der

zee hem een heel eind ontliepen. Zijn verlatenheid droeg er echter toe

bij, zijn droefheid te vermeerderen, en hij was buiten staat te eten

of te slapen, en werd ten gevolge daarvan mager. Ten slotte besloot

hij de zaak te bespreken met een bevrienden haai.

De haai beantwoordde de opgewonden vragen van den walvisch met kalme

belangstelling, en stemde er in toe, naar de Zuidelijke Zee te gaan,

om de maat te nemen van het beeld, en het resultaat van zijn arbeid

aan zijn geschokten vriend mede te deelen.

De haai ging op reis, totdat hij aan het strand kwam, waar hij

ongeveer een halve mijl ver in het binnenland het beeld boven zich

zag uitsteken. Daar hij niet op het droge kon loopen, was hij op het

punt het doel van zijn tocht op te geven, toen hij het geluk had, een

rat te ontdekken, die een uitstapje deed langs een jonk. Hij legde

de rat het doel van zijn zending uit, en verzocht dat schepseltje,

na het zeer te hebben gevleid, de maat te nemen van den Bronzen Buddha.

De rat daalde dus van de jonk af, zwom aan land, en trad den donkeren

tempel binnen, waar de Groote Buddha stond. Eerst was zij zoozeer

onder den indruk van de pracht, die zij om zich heen zag, dat zij

niet zeker was, hoe zij moest handelen, om aan het verzoek van den

haai te voldoen. Eindelijk besloot zij, om het beeld heen te loopen en

daarbij haar voetstappen te tellen. Nadat zij die taak had volbracht,

bleek het, dat zij precies vijfduizend stappen gedaan had, en bij

haar terugkeer naar de jonk deelde zij den haai de maat mede van het

voetstuk van den Bronzen Buddha.

De haai keerde, na de rat uitbundig te hebben bedankt, naar

de Noordelijke Zee terug, en deelde den walvisch mede, dat de

berichten over de afmetingen van dit ergernis wekkende beeld maar

al te waar waren. "Een gebrekkige kennis is een gevaarlijke zaak",

is klaarblijkelijk evenzeer toepasselijk op walvisschen, immers de

walvisch uit deze legende werd, nadat hij dit bericht had ontvangen,

nog woedender dan te voren. Zooals in een sprookje, dat al onze

westersche kinderen bekend is, deed hij tooverlaarzen aan, teneinde

te land even goed te kunnen reizen als hij altijd ter zee had gedaan.

De walvisch bereikte tegen den nacht den tempel te Kamakura. Hij

ontdekte, dat de priesters naar bed waren gegaan en blijkbaar vast in

slaap waren. Hij klopte aan de deur. In plaats van het nare gemompel

van een slechts half ontwaakten priester, hoorde hij Buddha zelf

met een stem, die klonk als het geluid van een groote klok, zeggen:

"Kom binnen!"

"Dat is onmogelijk", antwoordde de walvisch, "omdat ik te groot

ben. Wilt gij zoo goed zijn naar buiten te komen, en met mij te

spreken?"

Toen Buddha ontdekte, wie zijn bezoeker was, en wat hij op zulk

een spookachtig uur verlangde, stapte hij goedgunstig van zijn

voetstuk af en kwam hij buiten den tempel. Van beide kanten was

er stomme verbazing. Als de walvisch knieën gehad had, zouden zij

ongetwijfeld in botsing zijn gekomen. Nu sloeg de walvisch zijn kop

tegen den grond. Wat Buddha betreft, ook deze was verbaasd, toen hij

een schepsel zag van zoo reusachtige afmetingen.

Wij kunnen ons de ontsteltenis voorstellen van den opperpriester,

toen hij ontdekte, dat het voetstuk het beeld van zijn meester niet

meer droeg. Daar hij een vreemd gesprek hoorde buiten den tempel,

ging hij naar buiten, om te zien wat er gebeurde. De zeer ontstelde

priester werd uitgenoodigd, aan het twistgesprek deel te nemen, en

kreeg het verzoek de maat te nemen van het beeld en van den walvisch;

hij begon daarom de maat te nemen met zijn rozenkrans. Terwijl hij

daarmede bezig was, wachtten het beeld en de walvisch den uitslag

met ingehouden adem af. Toen de maat genomen was, bleek het, dat de

walvisch vijf centimeter langer was dan het beeld, en dat hij eveneens

grooter van omtrek was.

De walvisch keerde veel ijdeler dan ooit naar de Noordelijke Zee terug,

terwijl het beeld naar zijn tempel terug keerde en weer ging zitten,

en daar is het tot op den huidigen dag gebleven, er waarschijnlijk niet

slechter van geworden, nu het ontdekt had, dat het niet volkomen zoo

groot was als het zich had voorgesteld. Handelaars in stukgoederen

en handelaars in hout en in ijzer spraken van dat oogenblik af,

dat er verschil zou zijn in wat beiden een voet zouden noemen--en

het verschil bedroeg vijf centimeters.

Mythen & Legenden van Japan · 第 11 / 53 题