"Boven de oude zangen, vergaan tot asch en smart,
Waaronder Dood de godenbeelden en 't geboomte hult in nevelen
van zuchten,
(Waar is de tijd van Kamakura's vroeg'ren bloei gebleven?)
Zit de Daibutsu tot in eeuwigheid, het hart tot zwijgen opgevoerd."
_Yone Noguchi_.
De groote bronzen Buddha van Kamakura, of de Daibutsu, is ongetwijfeld
één der meest merkwaardige beelden van Japan. In vroegere tijden
was Kamakura de hoofdstad van Nippon. Het was een groote stad met
ongeveer een millioen inwoners, en was de zetel der Shoguns en de
Regenten uit het geslacht der Hojo's gedurende den veelbewogen tijd der
Middeleeuwen. Maar in weerwil van al de trouwe vereerders van Buddha,
die in Kamakura leefden, werd de stad bij twee gelegenheden verwoest,
totdat zij ten slotte haar belangrijkheid verloor. In onze dagen vindt
men in de plaats van de oude glorie rijstvelden en bosschen. Doch
storm en vuur hebben den tempel van Hachiman (den Oorlogsgod) en het
bronzen beeld van Buddha onaangetast gelaten. Een tijd lang rustte
dit reusachtige beeld in een tempel, maar nu staat het hoog boven de
boomen, met een ondoorgrondelijken glimlach op zijn groot gelaat,
met oogen vol vrede, die niet kon worden geschokt door de nietige
stormen der wereld.
Legenden zijn bijna altijd eenvoudig en natuurlijk. Godheden worden,
zonder te letten op hun strengheid, tot een zeer menschelijk peil
teruggebracht. Er is een groote afstand tusschen de ingewikkelde
leeringen van Buddha en de geschiedenis van Amida Butsu en den
walvisch. In de volgende legende kan men een bijna pathetisch
verlangen lezen, om de grootheid van Buddha te bemantelen. De
reusachtige afmetingen van den Daibutzu zijn volstrekt niet in
overeenstemming met die merkwaardige voorliefde voor kleine dingen,
die een zoo karakteristiek kenmerk is van het Japansche volk. Er is
een speelsche ironie in dit verhaal, een verlangen om den grooten
Leeraar naar beneden te halen--al is het slechts, om hem een paar
armzalige centimeters kleiner voor te stellen.
Zóóvele dingen schijnen ons in Japan ten onderste boven gezet te
worden, dat het ons niets verbaast, als wij ontdekken, dat de voeten op
den duimstok voor het meten van metalen en voor het meten van zachte,
buigzame stoffen niet gelijk zijn. Voor buigzame goederen wordt een
baleinen maat gebruikt, voor hard materiaal een metalen plaat. Er
is bij die maten een verschil van vijf centimeters, en de volgende
legende kan ons misschien wel verklaren, wat de oorzaak is van dit
oppervlakkig zoo vreemde verschil.
De Bronzen Buddha is in zijn zittende houding vijftig voet hoog en
zeven en negentig voet in omtrek, terwijl de lengte van het gelaat
acht voet, de omtrek der duimen drie voet is. Het is waarschijnlijk
wel het grootste stuk brons in de wereld. Een zóó ontzaglijk groot
beeld maakte natuurlijk een bijzonderen indruk in de dagen, toen
Kamakura een bloeiende stad was, door den grooten veldheer Yoritomo
gebouwd. De wegen in en om de stad waren steeds dicht bezet met
pelgrims, die verlangden een blik te slaan op het jongste wonder,
en allen waren het er over eens, dat dit bronzen beeld het grootste
voorwerp op de geheele wereld was.
Het is nu niet onmogelijk, dat enkele zeelieden, die dit wonder hadden
gezien, daarover keuvelden, terwijl zijn hun netten uitspreiden. Dit
moge inderdaad het geval geweest zijn of niet, zeker is het, dat een
groote walvisch, die in de Noordelijke Zee thuis behoorde, toevallig
over den Bronzen Buddha van Kamakura hoorde spreken, en daar hij van
oordeel was, dat hij veel grooter was dan eenig voorwerp aan land, kon
hem het denkbeeld, dat er misschien een mededinger was, volstrekt niet
bekoren. Hij achtte het onmogelijk, dat kleine menschen iets konden
vervaardigen, dat kon wedijveren met zijn ontzaglijk lichaam, en lachte
dus hartelijk over de groote dwaasheid van een dergelijke opvatting.
Zijn lachen duurde echter niet lang. Hij was buitensporig jaloersch,
en toen hij hoorde van de talrijke pelgrimstochten naar Kamakura en van
de voortdurende bewondering, die opgewekt werd bij hen, die het beeld
hadden gezien, werd hij ontzettend boos, zweepte de zee tot schuim,
en snoot zijn neus met zulk een kracht, dat de andere schepselen der
zee hem een heel eind ontliepen. Zijn verlatenheid droeg er echter toe
bij, zijn droefheid te vermeerderen, en hij was buiten staat te eten
of te slapen, en werd ten gevolge daarvan mager. Ten slotte besloot
hij de zaak te bespreken met een bevrienden haai.
De haai beantwoordde de opgewonden vragen van den walvisch met kalme
belangstelling, en stemde er in toe, naar de Zuidelijke Zee te gaan,
om de maat te nemen van het beeld, en het resultaat van zijn arbeid
aan zijn geschokten vriend mede te deelen.
De haai ging op reis, totdat hij aan het strand kwam, waar hij
ongeveer een halve mijl ver in het binnenland het beeld boven zich
zag uitsteken. Daar hij niet op het droge kon loopen, was hij op het
punt het doel van zijn tocht op te geven, toen hij het geluk had, een
rat te ontdekken, die een uitstapje deed langs een jonk. Hij legde
de rat het doel van zijn zending uit, en verzocht dat schepseltje,
na het zeer te hebben gevleid, de maat te nemen van den Bronzen Buddha.
De rat daalde dus van de jonk af, zwom aan land, en trad den donkeren
tempel binnen, waar de Groote Buddha stond. Eerst was zij zoozeer
onder den indruk van de pracht, die zij om zich heen zag, dat zij
niet zeker was, hoe zij moest handelen, om aan het verzoek van den
haai te voldoen. Eindelijk besloot zij, om het beeld heen te loopen en
daarbij haar voetstappen te tellen. Nadat zij die taak had volbracht,
bleek het, dat zij precies vijfduizend stappen gedaan had, en bij
haar terugkeer naar de jonk deelde zij den haai de maat mede van het
voetstuk van den Bronzen Buddha.
De haai keerde, na de rat uitbundig te hebben bedankt, naar
de Noordelijke Zee terug, en deelde den walvisch mede, dat de
berichten over de afmetingen van dit ergernis wekkende beeld maar
al te waar waren. "Een gebrekkige kennis is een gevaarlijke zaak",
is klaarblijkelijk evenzeer toepasselijk op walvisschen, immers de
walvisch uit deze legende werd, nadat hij dit bericht had ontvangen,
nog woedender dan te voren. Zooals in een sprookje, dat al onze
westersche kinderen bekend is, deed hij tooverlaarzen aan, teneinde
te land even goed te kunnen reizen als hij altijd ter zee had gedaan.
De walvisch bereikte tegen den nacht den tempel te Kamakura. Hij
ontdekte, dat de priesters naar bed waren gegaan en blijkbaar vast in
slaap waren. Hij klopte aan de deur. In plaats van het nare gemompel
van een slechts half ontwaakten priester, hoorde hij Buddha zelf
met een stem, die klonk als het geluid van een groote klok, zeggen:
"Kom binnen!"
"Dat is onmogelijk", antwoordde de walvisch, "omdat ik te groot
ben. Wilt gij zoo goed zijn naar buiten te komen, en met mij te
spreken?"
Toen Buddha ontdekte, wie zijn bezoeker was, en wat hij op zulk
een spookachtig uur verlangde, stapte hij goedgunstig van zijn
voetstuk af en kwam hij buiten den tempel. Van beide kanten was
er stomme verbazing. Als de walvisch knieën gehad had, zouden zij
ongetwijfeld in botsing zijn gekomen. Nu sloeg de walvisch zijn kop
tegen den grond. Wat Buddha betreft, ook deze was verbaasd, toen hij
een schepsel zag van zoo reusachtige afmetingen.
Wij kunnen ons de ontsteltenis voorstellen van den opperpriester,
toen hij ontdekte, dat het voetstuk het beeld van zijn meester niet
meer droeg. Daar hij een vreemd gesprek hoorde buiten den tempel,
ging hij naar buiten, om te zien wat er gebeurde. De zeer ontstelde
priester werd uitgenoodigd, aan het twistgesprek deel te nemen, en
kreeg het verzoek de maat te nemen van het beeld en van den walvisch;
hij begon daarom de maat te nemen met zijn rozenkrans. Terwijl hij
daarmede bezig was, wachtten het beeld en de walvisch den uitslag
met ingehouden adem af. Toen de maat genomen was, bleek het, dat de
walvisch vijf centimeter langer was dan het beeld, en dat hij eveneens
grooter van omtrek was.
De walvisch keerde veel ijdeler dan ooit naar de Noordelijke Zee terug,
terwijl het beeld naar zijn tempel terug keerde en weer ging zitten,
en daar is het tot op den huidigen dag gebleven, er waarschijnlijk niet
slechter van geworden, nu het ontdekt had, dat het niet volkomen zoo
groot was als het zich had voorgesteld. Handelaars in stukgoederen
en handelaars in hout en in ijzer spraken van dat oogenblik af,
dat er verschil zou zijn in wat beiden een voet zouden noemen--en
het verschil bedroeg vijf centimeters.