De Legende van den Gouden Lotus.
De volgende legende is klaarblijkelijk niet van Japanschen
oorsprong. De Buddhistische priesters in Japan wisten, dat de
groote kracht van hun godsdienst niet lag in het uitroeien der
oude Shintogoden, maar in het met ontzaglijke scherpzinnigheid
aanpassen der goden aan de behoeften van hun eigen onderwijs. In
het hier gegeven geval heeft Japan van Indië en in minderen graad
van China geleend, indien wij ten minste den draak mogen beschouwen
als oorspronkelijk te behooren tot het Hemelsche Rijk. Wij hebben de
bewerking van Edward Greey op den voet gevolgd, en geven die hier,
omdat zij dikwijls voorkomt in de preeken van priesters uit Nippon,
en een bepaald Japansche kleur draagt. Wij zouden legenden van dien
aard gemakkelijk in twee lezingen kunnen geven, maar voor ons doel
is ééne voldoende. De twee overige legenden in dit hoofdstuk zijn
uitdrukkelijk Japansch.
Toen Buddha zijn heilige overpeinzingen op den berg Dan-doku had
voleindigd, wandelde hij op weg naar de stad langzaam voort langs
een rotsachtig voetpad. De donkere schaduwen van den nacht kropen
over het land voort en er was overal diepe stilte.
Toen de Buddha zijn bestemming naderde, hoorde hij dat iemand riep:
"_Shio-giyo mu-jiyo_" ("De uitwendige wijze van doen is niet altijd
een aanwijzing voor de natuurlijke geaardheid.")
Buddha was over die woorden uiterst verheugd, en begeerde te vernemen,
wie zoo verstandig had gesproken. Telkens weer hoorde hij diezelfde
woorden, en na voortgegaan te zijn naar den rand van een afgrond,
keek hij neer in de vallei beneden hem, waar hij een vreeselijk
leelijken draak zag, die hem met woedende oogen aanstaarde.
De Heilige Man ging toen op een rots zitten, en vroeg den draak, hoe
hij één van de diepste mysteriën van het Buddhisme had geleerd. Een zoo
diepzinnige wijsheid deed vermoeden, dat nog een groote overvloed van
geestelijke waarheden kon worden geopenbaard, en Buddha vroeg daarom,
dat de draak nog uiting zou geven aan andere wijze gezegden.
Daarna riep de draak, na zich om de rots te hebben gekronkeld,
met luider stem: "_Ze-shio metsu-po!_" ("Alle levende dingen zijn
tegenstrijdig aan de wet van Buddha!").
Na die woorden te hebben geuit, was de draak eenigen tijd stil. Daarna
verzocht Buddha, nog een andere spreuk te mogen hooren.
"_Shio-metsu metsu-i!_" ("Alle levende dingen moeten sterven!"),
schreeuwde de draak.
Bij die woorden zag de draak op naar Buddha, en op zijn ijselijk
gelaat was een uitdrukking van ontzettenden honger.
De draak zeide daarop tot Buddha, dat de volgende waarheid de laatste
was, en van zóó groote waarde, dat hij die niet kon openbaren,
zoolang zijn honger nog niet was gestild.
Daarop merkte de Heilige Man op, dat hij den draak niets zou weigeren,
als hem slechts de vierde waarheid werd geopenbaard, en vroeg den
draak, wat hij verlangde. Toen Buddha hoorde, dat menschenvleesch
door den draak verlangd werd in ruil voor zijn laatste kostbare,
wijze spreuk, deelde de Meester den draak mede, dat zijn godsdienst
verbood, dat levende wezens gedood werden, maar dat hij ten behoeve
van het welzijn van zijn volk zijn eigen lichaam zou opofferen.
De draak opende zijn grooten bek en zeide: "_Jaku-metsu I-raku!_"
("Het grootste geluk wordt ondervonden, nadat de ziel het lichaam
heeft verlaten!").
Buddha boog, en sprong toen in den gapenden bek van den draak.
Nauwelijks had de Heilige Man de kaken van het monster aangeraakt,
of deze scheidden zich in acht deelen, en in één oogenblik veranderden
zij in de acht bloemblaadjes van den Gouden Lotus.