De roem der schoonheid van de Edele Kaguya bereikte ook het Hof, en
de Mikado, verlangend haar te aanschouwen, zond één zijner hofdames,
Fusago, om de dochter van den Bamboesnijder te zien, en Zijne Majesteit
omtrent haar bekoorlijkheden rapport uit te brengen.
Toen echter Fusago het huis van den Bamboesnijder bereikte, weigerde
de Edele Kaguya haar te zien. Daarom keerde de hofdame naar het Hof
terug en deelde de zaak aan den Mikado mede. Zijne Majesteit ontbood,
zeer ontstemd den Bamboesnijder, en gelastte hem, Kaguya naar het
Hof te brengen, opdat hij in de gelegenheid zou zijn, haar te zien,
en voegde er aan toe: "Het is niet onmogelijk, dat dan haar vader
tot belooning in den adelstand wordt opgenomen."
De oude Bamboesnijder was een goede ziel, en op vriendelijke wijze
keurde hij het zonderlinge gedrag van zijn dochter af. Hoewel hij
op de hofgunst gesteld was, en waarschijnlijk er naar hunkerde, in
den adelstand te worden verheven, moet erkend worden, dat hij in de
eerste plaats trouw was aan zijn vaderlijke plichten.
Toen hij, na zijn terugkeer, de zaak met Kaguya besprak, deelde zij
den ouden man mede, dat het, als zij gedwongen werd naar het Hof te
gaan, zeer zeker haar dood zou veroorzaken, en voegde zij er aan toe:
"De prijs van de adelbrieven van mijn vader zal de dood van zijn
kind zijn."
De Bamboesnijder was diep onder den indruk van die woorden, en vertrok
ten tweede male naar het Hof, waar hij nederig de belissing van zijn
dochter bekend maakte.
De Mikado, die niet duldde, dat hem iets werd geweigerd, zelfs niet
door een bijzonder schoone vrouw, beraamde het vernuftige plan, een
Keizerlijke jachtpartij te houden, en wel zóó, dat hij onverwachts
aan de woning van den Bamboesnijder zou komen, en misschien de dame
kon aanschouwen, die de wenschen van een Keizer durfde trotseeren.
Op den dag, voor de Keizerlijke Jachtpartij bepaald, kwam dus de Mikado
de woning van den Bamboesnijder binnen. Nauwelijks was dit geschied,
of hij zag in het vertrek, waarin hij stond, een wonderlijk licht,
en in het licht niemand anders dan de Edele Kaguya.
Zijne Majesteit trad naar voren en raakte de mouw der maagd aan,
waarna zij haar gelaat verborg, maar niet voordat de Mikado een
vluchtigen blik op haar had geslagen. Verbaasd door haar buitengewone
bekoorlijkheid, en geen acht slaande op haar verzet, beval hij,
dat een keizerlijke draagstoel zou worden gebracht; maar toen de
draagstoel aankwam, verdween de Edele Kaguya plotseling. De Keizer die
nu ontdekte, dat hij met geen sterfelijke maagd te doen had, riep uit:
"Het zal zijn, zooals gij het verlangt, jonge maagd; maar ik smeek,
dat gij weer uw vorigen vorm herneemt, opdat uw schoonheid weer eens
moge worden aanschouwd."
Zoo hernam de Edele Kaguya weer haar schoone gestalte. Toen Zijne
Majesteit op het punt was, weggedragen te worden, maakte hij het
volgende gedicht:
"Droevig is de thuiskomst
Der Vorstlijke Jacht,
Vol van droefheid is het
Peinzende hart;
Want zij biedt weerstand en blijft terug,
De Edele Kaguya!"
De Edele Kaguya antwoordde daarop het volgende:
"Onder het dak begroeid met
Hoprank
Toefde zij vreedzame
Jaren.
Hoe kan zij wagen te staren
Op 't Paleis met zijn kostbaar gesteente?"
Het Hemelsche Kleed van Vederen.
In het derde jaar na de Keizerlijke Jachtpartij, en in den lentetijd,
staarde Kaguya voortdurend naar de maan. In de zevende maand, toen de
maan vol was, nam de smart van Kaguya zóózeer toe, dat haar weenen de
meisjes, die in haar dienst waren, in droefheid dompelde. Eindelijk
kwamen zij bij den Bamboesnijder, en zeiden: "Langen tijd heeft
de Edele Kaguya de maan gadegeslagen, in zwaarmoedigheid toenemend
naarmate de maan toeneemt, en haar smart gaat nu alle maat te boven,
en bitter weent en jammert zij; daarom raden wij u aan, met haar
te spreken."
Toen de Bamboesnijder met zijn dochter over haar droefenis sprak,
verzocht hij haar, hem de reden van haar smart mede te deelen, en
vernam hij, dat het gezicht der maan haar er toe bracht, na te denken
over de goddeloosheid der wereld.
In de achtste maand vertelde Kaguya aan haar dienaressen, dat zij geen
gewone stervelinge was, maar dat haar geboorteplaats de hoofdstad
van het Maanland was, en dat de tijd nu nabij was, waarop het was
vastgesteld, dat zij de wereld moest verlaten en naar haar oude woning
moest terugkeeren.
Niet alleen werd de Bamboesnijder door smart verteerd, toen hij
dit treurige nieuws vernam, maar ook de Mikado was diep bewogen,
toen hij van het voorgenomen vertrek der Edele Kaguya bericht
kreeg. Zijne Majesteit kreeg bericht, dat bij de volgende volle
maan een troepenafdeeling van dien helderschijnenden bol zou worden
neergezonden, om de Schoone Vrouwe weg te voeren, waarop hij besloot,
zich tegen dien hemelschen inval te verzetten. Hij beval, dat een wacht
van soldaten zou geplaatst worden bij het huis van den Bamboesnijder,
gewapend en gereed om, zoo noodig, hun pijlen op dat Maanvolk af te
schieten, die gaarne de Schoone Kaguya zouden weghalen.
De oude Bamboesnijder dacht, dat de inval van de maan af, met een
dergelijke wacht, om zijn dochter te beschermen, volkomen vruchteloos
zou zijn. Kaguya echter trachtte de oude man hieromtrent helderder
denkbeelden te geven, en zeide: "Gij kunt nooit de overwinning behalen
over het volk van gindsch land, noch zal uw artillerie hun kwaad doen,
noch kunnen uw verdedigingswerken iets tegen hen baten, want iedere
deur zal bij hun nadering open vliegen, noch zal uw dapperheid u
helpen, want al zijt gij ook nog zoo stoutmoedig, als het Maanvolk
komt, zal uw strijd tegen hen vruchteloos zijn." Die opmerkingen
maakten den Bamboesnijder vreeselijk woedend. Hij hield staande,
dat zijn nagels in klauwen zouden veranderen--in één woord, dat hij
zulke onbeschaamde bezoekers uit de maan volkomen zou vernietigen.
Terwijl nu de keizerlijke wacht rondom het huis van den Bamboesnijder,
op het dak en in iedere richting was opgesteld, ging de nacht
langzaam voorbij. Tegen het uur van de Rat [8] scheen er een
groote stralenkrans, die den glans van zon en maan overtrof, aan
den hemel. Terwijl het licht nog steeds scheen, naderde een groote
wolk, die een troepenafdeeling van het Maanvolk droeg. De wolk daalde
langzaam neer, totdat zij den grond naderde, en het Maanvolk stelde
zich in slagorde op. Toen de keizerlijke wacht hen zag, werd iedere
soldaat bevreesd bij dat vreemde schouwspel; maar eindelijk vatten
enkelen van hen zóóveel moed, dat zij hun bogen spanden en hun pijlen
deden wegvliegen; doch al die pijlen weken van hun richting af.
Op de wolk rustte een wagen met een troonhemel, die schitterde van
gordijnen, van de fijnste wol vervaardigd, en uit dien wagen weerklonk
een krachtige stem, die sprak: "Kom hier, Miyakko Maro!"
De Bamboesnijder kwam waggelend nader, om aan het bevel te gehoorzamen,
en kreeg voor zijn moeite niets anders te hooren van den aanvoerder
van het Maanvolk, dan een toespraak, die begon met: "Gij dwaas," en
die eindigde met een bevel, dat de Edele Vrouwe Kaguya zonder eenig
vertoef zou worden uitgeleverd.
De wagen dreef omhoog op de wolk, totdat hij over het dak zweefde. Toen
riep dezelfde krachtige stem: "Heidaar, Kaguya! Hoe lang zijt gij
nog van plan, in deze treurige plaats te talmen?"
Onmiddellijk werd de buitendeur van de provisiekamer en het inwendige
latwerk door de macht van het Maanvolk geopend en werd de Edele Kaguya
zichtbaar, met haar vrouwen om haar heen geschaard.
De Edele Kaguya nam, voordat zij vertrok, afscheid van den
terneergebogen Bamboesnijder, en gaf hem een perkamentrol in handen,
waarop de volgende woorden waren geschreven: "Als ik in dit land
geboren was, zou ik het nooit hebben verlaten, voordat de tijd voor
mijn vader gekomen was, dat hij geen smart meer had te lijden ter
wille van zijn kind; maar nu moet ik de grenzen van deze wereld
verlaten, hoewel zeer tegen mijn wil. Mijn zijden mantel laat ik
hier achter als een herinnering, en als de maan den nacht verlicht,
laat dan mijn vader daarop staren. Nu moeten mijn oogen een laatsten
blik op u slaan, en moet ik tot gindsch firmament opstijgen, van waar
ik gaarne als een meteoor zou willen naar beneden vallen."
Het Maanvolk had in een koffer een Hemelsch Kleed van Vederen
medegebracht en een paar druppels van het Levenselixer. Een der
Maanbewoners sprak tot de Edele Kaguya: "Proef, wat ik u bidden mag,
van dit Elixir, immers uw geest is besmet geworden met de grofheid
van deze bezoedelde wereld."
De Edele Kaguya, was, nadat zij het Elixir had geproefd, juist
op het punt een weinig er van te wikkelen in den mantel, dien zij
achterliet, ten behoeve van den ouden Bamboesnijder, die haar zoozeer
had liefgehad, toen één van het Maanvolk haar dit belette en over haar
schouders het Hemelsche Kleed trachtte te werpen; waarop de Edele
Kaguya uitriep: "Heb nog een oogenblik geduld; hij, die dit kleed
aantrekt, verandert zijn hart, en ik heb nog iets te zeggen voordat
ik vertrek." Daarna schreef zij de volgende woorden aan den Mikado:
"Uwe Majesteit verwaardigde zich, troepen te zenden om uw dienares
te beschermen, maar het mocht niet zoo zijn, en nu is het ellendige
oogenblik aangebroken, waarop zij gaat vertrekken met hen, die
gekomen zijn, om haar met zich mede te voeren. Het was haar niet
veroorloofd, uwe Majesteit te dienen, en het was buiten haar schuld,
dat zij niet gehoorzaamde aan het Keizerlijke bevel, en haar hart is
daarover met droefheid vervuld; misschien heeft Uwe Majesteit gedacht,
dat het Keizerlijke bevel niet begrepen was, en dat zich er tegen
verzette, en daarom zal het Uwe Majesteit toeschijnen, alsof het
haar aan goede vormen ontbrak, hetgeen zij niet zou willen, dat Uwe
Majesteit van haar dacht, en daarom legt zij nederig deze woorden aan
Uwe Keizerlijke voeten. En nu moet zij het Vederen Kleed aantrekken,
en in diepe smart haren Meester vaarwel zeggen."
Nadat zij deze perkamenten rol den kapitein der troepen had
overhandigd, te gelijk met een schacht van bamboe, die het
Elixir bevatte, werd het Vederkleed over haar heen geworpen,
en oogenblikkelijk was elke herinnering aan haar aardsch bestaan
verdwenen.
Daarna besteeg Kaguya den wagen, omringd door de troepen van het
Maanvolk, en de wolk steeg snel omhoog, totdat zij uit het gezicht
verdwenen was.
De droefheid van den Bamboesnijder en den Mikado is niet te beschrijven
en kende geen grenzen. De laatste hield een ministerraad, en wenschte
te weten, wat de hoogste berg in het land was. Een der raadslieden
antwoordde: "In Suruga staat een berg, niet ver van de hoofdstad
verwijderd, die onder alle bergen van het land het hoogst naar den
hemel uitsteekt." Daarop vervaardigde Zijne Majesteit het volgende
gedicht:
"Haar nooit meer terug te zien!
Tranen van smart overstelpen mij,
En wat mij betreft,
Wat moet ik doen
Met het Levenselixir?"
Daarna werd de rol, door de Edele Kaguya beschreven, te zamen met het
Elixir aan Tsuki no Iwakasa gegeven. Hem werd bevolen, die te brengen
naar den top van den hoogsten berg in Suruga, en daar, staande op de
hoogste spits, de rol en het Levenselixir te verbranden.
Tsuki no Iwakasa hoorde nederig het keizerlijke bevel aan, en nam een
afdeeling krijgslieden met zich mede, waarna hij den berg beklom en
deed zooals hem was bevolen. En van dien tijd af werd aan gindschen
berg de naam gegeven van de Fuji (_Fuji-yama_, Nooit Stervend),
en men verhaalt, dat de rook van dat verbranden nog steeds van zijn
hoogste spits opstijgt, om zich te vermengen met de wolken des hemels.