De Keizerlijke Jachtpartij. [7]

De roem der schoonheid van de Edele Kaguya bereikte ook het Hof, en

de Mikado, verlangend haar te aanschouwen, zond één zijner hofdames,

Fusago, om de dochter van den Bamboesnijder te zien, en Zijne Majesteit

omtrent haar bekoorlijkheden rapport uit te brengen.

Toen echter Fusago het huis van den Bamboesnijder bereikte, weigerde

de Edele Kaguya haar te zien. Daarom keerde de hofdame naar het Hof

terug en deelde de zaak aan den Mikado mede. Zijne Majesteit ontbood,

zeer ontstemd den Bamboesnijder, en gelastte hem, Kaguya naar het

Hof te brengen, opdat hij in de gelegenheid zou zijn, haar te zien,

en voegde er aan toe: "Het is niet onmogelijk, dat dan haar vader

tot belooning in den adelstand wordt opgenomen."

De oude Bamboesnijder was een goede ziel, en op vriendelijke wijze

keurde hij het zonderlinge gedrag van zijn dochter af. Hoewel hij

op de hofgunst gesteld was, en waarschijnlijk er naar hunkerde, in

den adelstand te worden verheven, moet erkend worden, dat hij in de

eerste plaats trouw was aan zijn vaderlijke plichten.

Toen hij, na zijn terugkeer, de zaak met Kaguya besprak, deelde zij

den ouden man mede, dat het, als zij gedwongen werd naar het Hof te

gaan, zeer zeker haar dood zou veroorzaken, en voegde zij er aan toe:

"De prijs van de adelbrieven van mijn vader zal de dood van zijn

kind zijn."

De Bamboesnijder was diep onder den indruk van die woorden, en vertrok

ten tweede male naar het Hof, waar hij nederig de belissing van zijn

dochter bekend maakte.

De Mikado, die niet duldde, dat hem iets werd geweigerd, zelfs niet

door een bijzonder schoone vrouw, beraamde het vernuftige plan, een

Keizerlijke jachtpartij te houden, en wel zóó, dat hij onverwachts

aan de woning van den Bamboesnijder zou komen, en misschien de dame

kon aanschouwen, die de wenschen van een Keizer durfde trotseeren.

Op den dag, voor de Keizerlijke Jachtpartij bepaald, kwam dus de Mikado

de woning van den Bamboesnijder binnen. Nauwelijks was dit geschied,

of hij zag in het vertrek, waarin hij stond, een wonderlijk licht,

en in het licht niemand anders dan de Edele Kaguya.

Zijne Majesteit trad naar voren en raakte de mouw der maagd aan,

waarna zij haar gelaat verborg, maar niet voordat de Mikado een

vluchtigen blik op haar had geslagen. Verbaasd door haar buitengewone

bekoorlijkheid, en geen acht slaande op haar verzet, beval hij,

dat een keizerlijke draagstoel zou worden gebracht; maar toen de

draagstoel aankwam, verdween de Edele Kaguya plotseling. De Keizer die

nu ontdekte, dat hij met geen sterfelijke maagd te doen had, riep uit:

"Het zal zijn, zooals gij het verlangt, jonge maagd; maar ik smeek,

dat gij weer uw vorigen vorm herneemt, opdat uw schoonheid weer eens

moge worden aanschouwd."

Zoo hernam de Edele Kaguya weer haar schoone gestalte. Toen Zijne

Majesteit op het punt was, weggedragen te worden, maakte hij het

volgende gedicht:

"Droevig is de thuiskomst

Der Vorstlijke Jacht,

Vol van droefheid is het

Peinzende hart;

Want zij biedt weerstand en blijft terug,

De Edele Kaguya!"

De Edele Kaguya antwoordde daarop het volgende:

"Onder het dak begroeid met

Hoprank

Toefde zij vreedzame

Jaren.

Hoe kan zij wagen te staren

Op 't Paleis met zijn kostbaar gesteente?"

Het Hemelsche Kleed van Vederen.

In het derde jaar na de Keizerlijke Jachtpartij, en in den lentetijd,

staarde Kaguya voortdurend naar de maan. In de zevende maand, toen de

maan vol was, nam de smart van Kaguya zóózeer toe, dat haar weenen de

meisjes, die in haar dienst waren, in droefheid dompelde. Eindelijk

kwamen zij bij den Bamboesnijder, en zeiden: "Langen tijd heeft

de Edele Kaguya de maan gadegeslagen, in zwaarmoedigheid toenemend

naarmate de maan toeneemt, en haar smart gaat nu alle maat te boven,

en bitter weent en jammert zij; daarom raden wij u aan, met haar

te spreken."

Toen de Bamboesnijder met zijn dochter over haar droefenis sprak,

verzocht hij haar, hem de reden van haar smart mede te deelen, en

vernam hij, dat het gezicht der maan haar er toe bracht, na te denken

over de goddeloosheid der wereld.

In de achtste maand vertelde Kaguya aan haar dienaressen, dat zij geen

gewone stervelinge was, maar dat haar geboorteplaats de hoofdstad

van het Maanland was, en dat de tijd nu nabij was, waarop het was

vastgesteld, dat zij de wereld moest verlaten en naar haar oude woning

moest terugkeeren.

Niet alleen werd de Bamboesnijder door smart verteerd, toen hij

dit treurige nieuws vernam, maar ook de Mikado was diep bewogen,

toen hij van het voorgenomen vertrek der Edele Kaguya bericht

kreeg. Zijne Majesteit kreeg bericht, dat bij de volgende volle

maan een troepenafdeeling van dien helderschijnenden bol zou worden

neergezonden, om de Schoone Vrouwe weg te voeren, waarop hij besloot,

zich tegen dien hemelschen inval te verzetten. Hij beval, dat een wacht

van soldaten zou geplaatst worden bij het huis van den Bamboesnijder,

gewapend en gereed om, zoo noodig, hun pijlen op dat Maanvolk af te

schieten, die gaarne de Schoone Kaguya zouden weghalen.

De oude Bamboesnijder dacht, dat de inval van de maan af, met een

dergelijke wacht, om zijn dochter te beschermen, volkomen vruchteloos

zou zijn. Kaguya echter trachtte de oude man hieromtrent helderder

denkbeelden te geven, en zeide: "Gij kunt nooit de overwinning behalen

over het volk van gindsch land, noch zal uw artillerie hun kwaad doen,

noch kunnen uw verdedigingswerken iets tegen hen baten, want iedere

deur zal bij hun nadering open vliegen, noch zal uw dapperheid u

helpen, want al zijt gij ook nog zoo stoutmoedig, als het Maanvolk

komt, zal uw strijd tegen hen vruchteloos zijn." Die opmerkingen

maakten den Bamboesnijder vreeselijk woedend. Hij hield staande,

dat zijn nagels in klauwen zouden veranderen--in één woord, dat hij

zulke onbeschaamde bezoekers uit de maan volkomen zou vernietigen.

Terwijl nu de keizerlijke wacht rondom het huis van den Bamboesnijder,

op het dak en in iedere richting was opgesteld, ging de nacht

langzaam voorbij. Tegen het uur van de Rat [8] scheen er een

groote stralenkrans, die den glans van zon en maan overtrof, aan

den hemel. Terwijl het licht nog steeds scheen, naderde een groote

wolk, die een troepenafdeeling van het Maanvolk droeg. De wolk daalde

langzaam neer, totdat zij den grond naderde, en het Maanvolk stelde

zich in slagorde op. Toen de keizerlijke wacht hen zag, werd iedere

soldaat bevreesd bij dat vreemde schouwspel; maar eindelijk vatten

enkelen van hen zóóveel moed, dat zij hun bogen spanden en hun pijlen

deden wegvliegen; doch al die pijlen weken van hun richting af.

Op de wolk rustte een wagen met een troonhemel, die schitterde van

gordijnen, van de fijnste wol vervaardigd, en uit dien wagen weerklonk

een krachtige stem, die sprak: "Kom hier, Miyakko Maro!"

De Bamboesnijder kwam waggelend nader, om aan het bevel te gehoorzamen,

en kreeg voor zijn moeite niets anders te hooren van den aanvoerder

van het Maanvolk, dan een toespraak, die begon met: "Gij dwaas," en

die eindigde met een bevel, dat de Edele Vrouwe Kaguya zonder eenig

vertoef zou worden uitgeleverd.

De wagen dreef omhoog op de wolk, totdat hij over het dak zweefde. Toen

riep dezelfde krachtige stem: "Heidaar, Kaguya! Hoe lang zijt gij

nog van plan, in deze treurige plaats te talmen?"

Onmiddellijk werd de buitendeur van de provisiekamer en het inwendige

latwerk door de macht van het Maanvolk geopend en werd de Edele Kaguya

zichtbaar, met haar vrouwen om haar heen geschaard.

De Edele Kaguya nam, voordat zij vertrok, afscheid van den

terneergebogen Bamboesnijder, en gaf hem een perkamentrol in handen,

waarop de volgende woorden waren geschreven: "Als ik in dit land

geboren was, zou ik het nooit hebben verlaten, voordat de tijd voor

mijn vader gekomen was, dat hij geen smart meer had te lijden ter

wille van zijn kind; maar nu moet ik de grenzen van deze wereld

verlaten, hoewel zeer tegen mijn wil. Mijn zijden mantel laat ik

hier achter als een herinnering, en als de maan den nacht verlicht,

laat dan mijn vader daarop staren. Nu moeten mijn oogen een laatsten

blik op u slaan, en moet ik tot gindsch firmament opstijgen, van waar

ik gaarne als een meteoor zou willen naar beneden vallen."

Het Maanvolk had in een koffer een Hemelsch Kleed van Vederen

medegebracht en een paar druppels van het Levenselixer. Een der

Maanbewoners sprak tot de Edele Kaguya: "Proef, wat ik u bidden mag,

van dit Elixir, immers uw geest is besmet geworden met de grofheid

van deze bezoedelde wereld."

De Edele Kaguya, was, nadat zij het Elixir had geproefd, juist

op het punt een weinig er van te wikkelen in den mantel, dien zij

achterliet, ten behoeve van den ouden Bamboesnijder, die haar zoozeer

had liefgehad, toen één van het Maanvolk haar dit belette en over haar

schouders het Hemelsche Kleed trachtte te werpen; waarop de Edele

Kaguya uitriep: "Heb nog een oogenblik geduld; hij, die dit kleed

aantrekt, verandert zijn hart, en ik heb nog iets te zeggen voordat

ik vertrek." Daarna schreef zij de volgende woorden aan den Mikado:

"Uwe Majesteit verwaardigde zich, troepen te zenden om uw dienares

te beschermen, maar het mocht niet zoo zijn, en nu is het ellendige

oogenblik aangebroken, waarop zij gaat vertrekken met hen, die

gekomen zijn, om haar met zich mede te voeren. Het was haar niet

veroorloofd, uwe Majesteit te dienen, en het was buiten haar schuld,

dat zij niet gehoorzaamde aan het Keizerlijke bevel, en haar hart is

daarover met droefheid vervuld; misschien heeft Uwe Majesteit gedacht,

dat het Keizerlijke bevel niet begrepen was, en dat zich er tegen

verzette, en daarom zal het Uwe Majesteit toeschijnen, alsof het

haar aan goede vormen ontbrak, hetgeen zij niet zou willen, dat Uwe

Majesteit van haar dacht, en daarom legt zij nederig deze woorden aan

Uwe Keizerlijke voeten. En nu moet zij het Vederen Kleed aantrekken,

en in diepe smart haren Meester vaarwel zeggen."

Nadat zij deze perkamenten rol den kapitein der troepen had

overhandigd, te gelijk met een schacht van bamboe, die het

Elixir bevatte, werd het Vederkleed over haar heen geworpen,

en oogenblikkelijk was elke herinnering aan haar aardsch bestaan

verdwenen.

Daarna besteeg Kaguya den wagen, omringd door de troepen van het

Maanvolk, en de wolk steeg snel omhoog, totdat zij uit het gezicht

verdwenen was.

De droefheid van den Bamboesnijder en den Mikado is niet te beschrijven

en kende geen grenzen. De laatste hield een ministerraad, en wenschte

te weten, wat de hoogste berg in het land was. Een der raadslieden

antwoordde: "In Suruga staat een berg, niet ver van de hoofdstad

verwijderd, die onder alle bergen van het land het hoogst naar den

hemel uitsteekt." Daarop vervaardigde Zijne Majesteit het volgende

gedicht:

"Haar nooit meer terug te zien!

Tranen van smart overstelpen mij,

En wat mij betreft,

Wat moet ik doen

Met het Levenselixir?"

Daarna werd de rol, door de Edele Kaguya beschreven, te zamen met het

Elixir aan Tsuki no Iwakasa gegeven. Hem werd bevolen, die te brengen

naar den top van den hoogsten berg in Suruga, en daar, staande op de

hoogste spits, de rol en het Levenselixir te verbranden.

Tsuki no Iwakasa hoorde nederig het keizerlijke bevel aan, en nam een

afdeeling krijgslieden met zich mede, waarna hij den berg beklom en

deed zooals hem was bevolen. En van dien tijd af werd aan gindschen

berg de naam gegeven van de Fuji (_Fuji-yama_, Nooit Stervend),

en men verhaalt, dat de rook van dat verbranden nog steeds van zijn

hoogste spits opstijgt, om zich te vermengen met de wolken des hemels.

Mythen & Legenden van Japan · 第 9 / 53 题