HOOFDSTUK III. DE BAMBOESNIJDER EN HET MAANMEISJE.

De komst van de Edele Vrouwe Kaguya.

Lang geleden leefde er een oude bamboesnijder, die den naam droeg van

Sanugi no Miyakko. Toen hij op zekeren dag met zijn hakmes bezig was

in een bamboeboschje, zag hij plotseling een wonderbaarlijk licht,

en bij nadere beschouwing ontdekte hij binnen in een riet een klein

schepseltje van buitengewone schoonheid. Hij nam voorzichtig het

tengere meisje op, dat slechts tien centimeter groot was, en droeg

het naar huis naar zijn vrouw. Het kleine meisje was zóó fijn, dat

het in een mandje moest worden opgekweekt.

Het geschiedde nu, dat de bamboesnijder zijn gewone werkzaamheden

voortzette, maar dag en nacht vond hij, als hij het riet afsneed,

goud, en terwijl hij oorspronkelijk arm was geweest, verzamelde hij

nu een aanzienlijk vermogen.

Nadat het meisje nog slechts drie maanden bij dat eenvoudige landvolk

had doorgebracht, groeide zij plotseling in lengte op tot een volwassen

maagd; en opdat zij in haar optreden en uiterlijk met dit heugelijke

en verwonderlijke feit in harmonie zou zijn, werden haar nu de haren,

die tot nu toe in lange vlechten over haar schouders lagen, op het

hoofd opgestoken. De bamboesnijder noemde het meisje later de Edele

Kaguya, of "Kostbaar-Slank-Bamboe-van-het-Herfstveld". Toen zij haar

naam had gekregen, werd een groot feest aangericht, waaraan alle

buren deelnamen.

Het Vrijen naar de Edele Vrouwe Kaguya.

"Als een vrouw iets schooner is dan de groote menigte,

hoezeer verlangen dan mannen, haar schoonheid te

aanschouwen!"--_Taketori_.

De Edele Kaguya was nu de schoonste van alle vrouwen, en onmiddellijk

na het feest verspreidde zich de faam van haar schoonheid over het

geheele land. Zoogenaamde minnaars verzamelden zich om de heining

en bleven wachten in het voorportaal, in de hoop ten minste een

vluchtigen blik te kunnen slaan op die lieftallige maagd. Dag en

nacht wachtten die ongelukkige wezens, maar te vergeefs. Zij die van

nederige afkomst waren, begonnen langzamerhand in te zien, dat hun

vrijage nutteloos was.

Maar vijf vermogende vrijers bleven het volhouden, en wilden hun

pogingen niet opgeven. Het waren Prins Ishizukuri en Prins Kuramochi,

de Sadaijin Dainagon Abe no Miushi, de Chiunagon Otomo no Miyuki en

Morotada, de Heer van Iso. Die vurige minnaars verdroegen "het ijs

en de wintersneeuw en de met onweer bezwangerde hitte van het midden

van den zomer met even groote vastberadenheid." Toen die aanzienlijke

vrijers den bamboesnijder ten slotte vroegen, zijn dochter aan één

van hen te schenken, antwoordde de oude man beleefd, dat het meisje in

werkelijkheid zijn dochter niet was, en dat zij, nu dit het geval was,

niet kon gedwongen worden aan zijn wenschen in die zaak te gehoorzamen.

Eindelijk keerden de vrijers naar hun paleizen terug, maar bleven nog

met grootere volharding voortgaan met hun smeekingen. Zelfs de zoo

goedmoedige bamboesnijder begon bij de edele Kaguya aan te dringen,

en als zijn meening kenbaar te maken, dat het voor een zoo schoone

maagd passend was te huwen, terwijl zij toch uit de vijf edele vrijers

ongetwijfeld een goede keuze zou kunnen doen. Daarop antwoordde de

verstandige Kaguya: "Zóó schoon ben ik niet, dat ik zeker kan zijn

van de trouw van een man, en als ik zou moeten leven met een man,

wiens hart wispelturig bleek te zijn, wat een ellendig lot zou ik dan

hebben! Ik twijfel er niet aan, of de mannen van wie gij spreekt,

zijn aanzienlijke mannen, maar ik zou geen man willen huwen, wiens

hart niet op de proef was gesteld en niet door en door gekend was".

Eindelijk werd afgesproken, dat Kaguya zou huwen met den vrijer, die

het waardigst bleek te zijn. Deze tijding bracht voor het oogenblik

hoop aan de vijf aanzienlijke vrijers, en bij het aanbreken van

den nacht kwamen zij bijeen vóór het huis, waar het meisje woonde,

"met fluitspel en gezang, onder begeleiding der zangmuziek, met

stappen op de maat en het openen en dichtslaan van waaiers". Alleen

de bamboesnijder ging naar buiten, om de Edelen voor hun serenade te

danken. Toen hij zijn huis weer was binnengetreden, ontvouwde Kaguya

aldus haar plan, om de vrijers op de proef te stellen:

"In Tenjiku (het Noordelijk deel van Indië) is een steenen bedelnap,

die oudtijds door Buddha zelf gedragen werd; laat Prins Ishizukuri

dien gaan zoeken, en mij brengen. En op den berg Horai, die hoog

boven den Oostelijken Oceaan uitsteekt, groeit een boom met zilveren

wortels en een gouden stam en zuiver witte juweelen vruchten, en ik

verzoek Prins Kuramochi, daarheen te gaan, en een tak daarvan af te

breken en hierheen te brengen. Verder vervaardigen de menschen in

het land van Morokoshi kleederen van bont van het vel van de Rat die

tegen het Vuur bestand is, en ik verzoek den Dainagon, een dergelijk

kleed voor mij op te sporen. Dan eisch ik van den Chiunagon, dat hij

den juweel met de regenboogkleuren opspoort, die zijn glans diep in

den kop van den draak verbergt, en uit de handen van Heer Iso zou ik

gaarne de zeeschelp willen ontvangen, die de zwaluw hierheen brengt

over de breede vlakte der zee."

De Bedelnap van den Buddha.

Nadat Prins Ishizukuri er lang over had nagedacht, of hij wel naar het

ver afgelegen Tenjiku zou gaan, om Buddha's bedelnap te zoeken, kwam

hij tot het besluit, dat een dergelijke onderneming volstrekt geen nut

had. Hij besloot daarom, den bedoelden nap na te maken. Sluw beraamde

hij zijn plannen, en droeg er zorg voor, dat de Edele Kaguya bericht

kreeg, dat hij werkelijk den tocht had ondernomen. In werkelijkheid

bleef die sluwe vrijer drie jaar lang in Yamato verborgen, en vond

na dien tijd in een klooster op een heuvel in Tochi een beker van

hoogen ouderdom, die lag op een altaar van Binzuru (de Helper in

Ziekte). Hij nam dien beker met zich mede, en wikkelde hem in brokaat,

en bevestigde aan het geschenk een kunstig nagebootsten tak bloesems.

Toen Kaguya den beker beschouwde, vond zij er binnen in een rol,

waarop het volgende was geschreven:

"Over zeeën, over heuvels

Trok uw dienaar, en vermoeid

Gaat hij uitgeput te gronde:

Wat al tranen kost die steenen

Beker,

Wat een vloed van bittre tranen!"

Maar toen Kaguya ontdekte, dat de beker geen licht uitstraalde, wist

zij onmiddellijk, dat hij nooit aan Buddha had toebehoord. Zij zond

dan ook den beker terug met het volgende gedicht:

Van den hangenden droppel dauw

Is de voorbijgaande glans

Zelfs niet hierin:

Op den Heuvel van 't Duister, den Heuvel

Van Ogura,

Wat hooptet gij daar te vinden?

De Prins trachtte, na den beker te hebben weggeworpen, bovenstaand

verwijt om te zetten in een compliment aan de dame, die het had

neergeschreven, en antwoordde:

"Op schitt'rend lichten heuvel

Moet ied're glans

Verbleeken.

O, mocht verwijderd van het licht

Van uw schoonheid,

De glans van gindschen beker

Mijn trouw bewijzen!"

Dit was een keurig uitgedrukt compliment, afkomstig van een minnaar,

die niets dan een ijdele bluffer was. Die laatste poëtische

ontboezeming hielp hem echter niets, en de Prins vertrok, treurig

gestemd.

De Tak van den Berg Horai, die Juweelen droeg.

Prins Kuramochi was even sluw als zijn voorganger, en verspreidde

overal het gerucht, dat hij op reis ging naar het land van Tsukushi,

om den Tak te halen, die Juweelen droeg. Doch inderdaad deed hij niets

anders dan zes man van de familie Uchimaro, beroemde handwerkslieden,

in dienst te nemen, en voor hen een schuilplaats machtig te worden,

die afgezonderd was van de verblijfplaats der menschen. Daar hield

hij zich zelf eveneens verborgen, met het doel de handwerkslieden

te leeren, hoe zij een Tak, die Juweelen droeg, konden maken, die

volmaakt overeen kwam met den tak, door de Edele Kaguya beschreven.

Toen het werk voltooid was, ging hij op weg, om zijn opwachting bij

de schoone maagd te maken, die het volgende gedicht las, dat aan het

geschenk was vastgehecht:

"Al ware het met gevaar

Voor eigen leven,

Zonder den met Juweelen beladen Tak

In mijn handen, zou ik nooit

Hebben durven terugkeeren!"

De Edele Kaguya aanschouwde met smart den glinsterenden tak, en

luisterde zonder belangstelling naar het verzonnen verhaal van de

avonturen van den Prins. De Prins weidde uit over de verschrikkingen

der zee, over vreemde monsters, over geleden honger, over ziekten

en over beproevingen, door hem op den oceaan doorstaan. Daarna ging

de onverbeterlijke leugenaar voort te beschrijven, hoe zij aan een

hoogen berg gekomen waren, die uit de zee verrees, waar zij begroet

werden door een vrouw, die een zilveren schaal droeg, welke zij met

water vulde. Op den berg waren bewonderenswaardige bloemen en boomen,

en een rivier "met kleuren van den regenboog, geel als goud, wit

als zilver, blauw als kostbaar _ruri_ (lapis lazuli); en de rivier

was overspannen met bruggen, gebouwd van verschillende soorten van

edelsteenen, en daarnaast groeiden boomen, beladen met fonkelende

juweelen, en van één van die boomen brak ik den tak af, dien ik het

nu waag, aan de Edele Vrouwe Kaguya aan te bieden".

Ongetwijfeld zou Kaguya gedwongen zijn geweest, aan dit vernuftige

verhaal geloof te schenken, indien niet op ditzelfde oogenblik de

zes handwerkslieden ten tooneele waren verschenen, die, door luide

betaling te eischen voor den door hen vervaardigden Juweelen-Tak,

het verraad van den Prins aan het daglicht brachten. Deze trok

zich daarop ijlings terug. Kaguya betaalde zelf de handwerkslieden,

ongetwijfeld gelukkig, dat zij zoo gemakkelijk was ontkomen.

Het Kleed van Bont, dat tegen het Vuur bestand was.

De Sadaijin (Linker Groote Minister) Abeno Miushi droeg een koopman,

Wokei genaamd, op, voor hem een kleed van bont te ontbieden,

vervaardigd van de Rat, die tegen het vuur bestand was, en toen het

koopvaardijschip uit het land van Morokoshi was teruggekeerd, had het

een kleed van bont onder de koopwaren, waarvan de Sadaijin in zijn

vurige begeerte dacht, dat dit het voorwerp van zijn wenschen was. Het

Bont-kleed rustte in een doos, en de Sadaijin, die vertrouwde op de

eerlijkheid van den koopman, beschreef het als een kleed "zeegroen

van kleur, waarvan de haren eindigden in punten van schitterend goud,

een schat van onvergelijkelijke schoonheid, die zelfs nog meer te

bewonderen was om zijn voortreffelijke zuiverheid dan om de eigenschap,

dat hij de vuurvlammen kon weerstaan".

De Sadaijin, die er van verzekerd was als minnaar te zullen slagen,

ging verheugd op reis, om zijn geschenk aan de Edele Kaguya aan te

bieden, terwijl hij er het volgende gedicht aan toevoegde:

"Eind'loos is het minnevuur,

Dat mij zengt, doch onverzengd

Is het Bont-kleed:

Doch mijn mouwen zijn nu droog,

Heden toch zal ik haar zien!"

Eindelijk was de Sadaijin in de gelegenheid, zijn geschenk aan

Kaguya aan te bieden. Zij sprak toen den bamboesnijder, die steeds

op dergelijke oogenblikken ter juister tijd op het tooneel aanwezig

schijnt te zijn geweest, aldus toe: "Indien dit kleed midden in het

vuur wordt geworpen en niet verbrandt, dan zal ik weten, dat het

inderdaad het kleed is, dat tegen het vuur is bestand, en zal dan

niet langer het aanzoek van dezen minnaar afslaan". Een vuur werd

aangestoken, en het kleed werd in de vlammen geworpen, waarin het

onmiddellijk verging. "Toen de Sadaijin dit zag, werd zijn gelaat

zoo groen als gras, en hij stond daar verstomd toe te zien." Maar de

Edele Kaguya verheugde zich in stilte en zond de doos terug met het

volgende gedicht:

"Zonder dat een spoor zelfs restte,

Dat het Bontkleed zóó verbrandde,

Had ik nimmer durven droomen.

Jammer voor het schoone voorwerp!

'k Had het nimmer zoo behandeld."

De Juweel in den Drakenkop.

De Chiunagon Otomo no Miyuki riep zijn huisgenooten bijeen en deelde

zijn volgelingen mede, dat hij wenschte, dat zij hem den Juweel in

den Drakenkop zouden brengen.

Na eenige aarzeling deden zij het voorkomen, alsof zij uitgingen om

dien te zoeken. In dien tusschentijd was de Chiunagon er zóó zeker van,

dat zijn bedienden zouden slagen, dat hij zijn geheele huis overdadig

versierde met uitgelezen lakwerk in goud en zilver. Iedere kamer werd

met brokaat behangen, aan de paneelen werden schilderijen gehangen,

en over de zolder werden zijden kleeren gespannen.

Het wachten moede, reisde de Chiunagon na eenigen tijd naar Naniwa en

ondervroeg de bewoners, of eenigen van zijn dienaren scheep gegaan

waren om den Draak te zoeken. De Chiunagon vernam, dat geen enkele

van zijn manschappen in Naniwa was gekomen, en zeer ontstemd over

die tijding ging hij zelf scheep met een stuurman.

Toevallig was de Dondergod boos, en stond de zee hoog. Na enkele dagen

werd de storm zóó hevig en was de boot zóózeer het zinken nabij,

dat de stuurman het waagde de opmerking te maken: "Het huilen van

den wind en het bulderen der baren en het vreeselijk loeien van

den donder zijn teekenen van de woede van den God, die door mijn

Heer beleedigd wordt, daar hij den Draak uit de diepte wil dooden,

want door den Draak is de storm opgestoken; het zou dus goed zijn,

als mijn Heer een gebed opzond."

Daar de Chiunagon door "een vreeselijke ziekte" was overvallen, is

het niet te verwonderen, dat hij gretig den raad van den stuurman

opvolgde. Hij bad niet minder dan duizend keer, waarbij hij uitweidde

over zijn dwaasheid, pogingen te willen aanwenden, den Draak te dooden,

en deed de plechtige belofte, dat hij den Heerscher der diepte met

rust zou laten.

De donder hield op en de wolken verspreidden zich, maar de wind blies

nog even hevig als ooit. De stuurman deelde echter zijn meester mede,

dat het een gunstige wind was, die naar hun eigen land blies.

Ten slotte bereikten zij het strand van Akashi, in Harima. Maar de

Chiunagon, die nog steeds ziek was en ontzettend beangst, hield vol,

dat zij op een woeste kust gedreven waren, en lag lang uit in de boot,

hevig sidderend, terwijl hij weigerde op te staan, toen de gouverneur

van het district zich deed aankondigen.

Toen de Chiunagon eindelijk overtuigd was, dat zij niet op een

vreemde, woeste kust gedreven waren, stemde hij er in toe, aan land

te gaan. Geen wonder dat de gouverneur glimlachte, toen hij het

deerniswaardige uiterlijk zag van den uit het veld geslagen Heer,

geheel verkleumd, met gezwollen buik en oogen, zonder eenigen glans.

Eindelijk werd de Chiunagon in een draagstoel naar zijn eigen huis

gedragen. Toen hij was aangekomen, vertelden hem zijn listige dienaren

ootmoedig, dat zij in hun nasporingen niet waren geslaagd. Daarop

begroette hen de Chiunagon: "Gij hebt goed gehandeld om met leege

handen terug te keeren. Gindsche Draak is zeker verwant met den

Dondergod, en iedereen die de hand aan hem slaat, om den juweel te

nemen, die in zijn kop schittert, zal zich in gevaar bevinden. Ik

zelf ben vreeselijk afgemat van inspanning en ontberingen, en ik

heb geen belooning gekregen. Kaguya belaagt de zielen en verwoest

de lichamen der menschen, en nooit meer zal ik haar woning opzoeken,

en evenmin zal ik u gelasten, uw schreden daarheen te richten."

Men verhaalt, dat toen de vrouwen uit zijn gezin van het avontuur van

haar meester hoorden, "zij lachten totdat zij pijn in de zijde hadden,

terwijl de zijden kleederen, die hij voor de zoldering van zijn woning

had doen spannen, draad na draad door de kraaien werden weggevoerd,

om daar nesten mede te dekken."

Mythen & Legenden van Japan · 第 8 / 53 题