HOOFDSTUK II. HELDEN EN KRIJGSLIEDEN.

Yorimasa.

Langen tijd geleden werd een zekere keizer ernstig ziek. Hij kon des

nachts niet slapen, het gevolg van een afschuwelijk en onverklaarbaar

geluid, dat hij hoorde, en dat afkomstig was van het dak van het

paleis, dat de Purperen Zaal van de Noordster heette. Een groot

aantal van zijn hovelingen besloten op de loer te gaan liggen,

teneinde dien vreemden nachtelijken bezoeker op te wachten. Zoodra

de zon onderging, ontdekten zij, dat een donkere wolk opsteeg aan den

oostelijken horizon, en neerkwam op het dak van het paleis. Zij, die

de wacht hielden in het keizerlijk slaapvertrek, hoorden bijzondere

krabbelende geluiden, alsof dat wat oorspronkelijk een wolk scheen

te zijn, plotseling veranderd was in een beest met reusachtige en

krachtige klauwen. Nacht op nacht kwam de vreeselijke bezoeker,

en nacht op nacht werd de keizer hoe langer hoe zieker. Eindelijk

nam zijn ziekte zóózeer toe, dat allen, die in zijn dienst waren,

duidelijk zagen, dat de keizer zeker zou sterven, als niet iets kon

gedaan worden, om dat monster te verdelgen.

Eindelijk werd uitgemaakt, dat Yorimasa de eenige ridder in het rijk

was, die dapper genoeg was, om Zijne Majesteit te verlossen van die

ontzettende beproeving. Yorimasa maakte dan ook met zorg gekozen

voorbereidselen voor den strijd. Hij nam zijn besten boog en zijn

beste pijlen met stalen punten, trok zijn wapenrusting aan, waarover

hij een jachtkleed droeg, en zette een deftige muts op in plaats van

zijn gewonen helm.

Tegen zonsondergang legde hij zich buiten in een hinderlaag. Terwijl

hij daar afwachtte, wat zou geschieden, ratelde de donder boven zijn

hoofd, flikkerde de bliksem in de lucht en loeide de wind als een

bende woeste demonen. Maar Yorimasa was een dapper man, en de woede der

elementen ontmoetigde hem niet in het minst. Toen het middernacht werd,

zag hij hoe een zwarte wolk door de lucht heenvloog, en zich nederzette

op het dak van het paleis. Zij bleef liggen op den noordoostelijken

hoek. Nog eens flikkerde de bliksem in de lucht, en nu zag hij de

flikkerende oogen van een ontzaglijk dier. Na de juiste plaats van dit

vreemde monster met zorg te hebben vastgesteld, spande hij zijn boog,

totdat deze even rond was als de volle maan. In een volgend oogenblik

trof zijn pijl met stalen punt het doel. Er werd een vreeselijk

gebrul van woede gehoord, en daarna een vreeselijke smak, toen het

ontzaglijke monster van het dak van het paleis op den grond viel.

Yorimasa en zijn makker holden vooruit en doodden het monster, dat

zij vóór zich zagen. Dat groote monster van den nacht was zoo groot

als een paard. Het had den kop van een aap, en zijn lichaam en zijn

klauwen waren als die van een tijger, terwijl het den staart had van

een slang en de vleugels van een vogel en de schubben van een draak.

Het is niet te verwonderen, dat de keizer bevel gaf, dat de huid van

dat monster ten eeuwigen dage als een merkwaardigheid in de keizerlijke

schatkamer moest worden bewaard. Van het oogenblik af, dat het monster

dood was, verbeterde de gezondheid van den keizer snel, en Yorimasa

werd voor zijn diensten beloond door de aanbieding van een zwaard,

Shishiwo genaamd, wat beteekent "de Koning der Leeuwen". Hij kreeg

bovendien een hoogeren rang aan het Hof, en huwde ten slotte de Edele

Ayame, de schoonste der hofdames aan het Keizerlijke Hof.

Yoshitsune en Benkei.

Wij kunnen Yoshitsune vergelijken met den Zwarten Prins of Hendrik

V, en Benkei met Little John, Will Scarlet en Friar Tuck [4] in één

vereenigd. Yoshitsune zou een zeer bijzondere held genoemd kunnen

worden, als niet zijn getrouwe wapendrager, Benkei, eveneens in de

Japansche geschiedenis en legende een rol had gespeeld. Maar thans

zijn wij gedwongen toe te geven, dat Benkei verreweg de grootste

held was. Hij stak niet alleen in lichaamsbouw boven zijn makkers

uit, maar hij overtrof zijn broederen ook in dapperheid, slimheid,

redzaamheid, en bovendien in bewonderenswaardige teederheid van

gemoed. Hier had men een man, die met het grootste gemak honderd

man kon verslaan, en met dezelfde rustige zekerheid de Buddhistische

geschriften kon verklaren. Hij kon over Yoshitsune weenen, toen hij

het om strategische overwegingen noodig achtte, hem hard te slaan

en kon met oneindige teederheid hulp verleenen, toen de vrouw van

zijn meester het leven schonk aan een zoon. Er was nog een andere

trek in het wisselende karakter van Benkei--zijn lust, om er iemand

in te laten loopen. De geschiedenis met den bel van Miidera [5] kan

tot bewijs hiervoor gelden, en evenzoo het rijke feest op kosten van

een aantal priesters; maar als hij iemand er in had laten loopen,

aarzelde hij nooit ten volle het gelag te betalen. Benkei merkte

bij zekere gelegenheid op: "Als er geloot moet worden, zorgt mijn

meester er wel voor, dat ik het kind van de rekening ben." Dit was

ongetwijfeld waar. Benkei stelde er altijd een eer in, het vuile werk

te doen, en als zijn meester hem vroeg, iets voor hem te verrichten,

was Benkei's eenige klacht, dat de taak niet zwaar genoeg was, hoewel

die taak in den regel werkelijk zóó gevaarlijk was, dat zij een dozijn

minder begaafde helden zou hebben vrees aangejaagd.

Het verhaal zegt, dat Benkei reeds bij zijn geboorte lang haar had

en een volledig stel tanden, en dat hij bovendien zoo snel kon loopen

als de wind. Benkei was te forsch voor een gewoon Japansch huis. Als

hij het aanbeeld van Jinsaku sloeg, zonk dat nuttige voorwerp diep in

de aarde, en als brandhout droeg hij een grooten pijnboom aan. Toen

Benkei zeventien jaar oud was, werd hij priester in een Buddhistischen

tempel; maar dit belette hem niet, een schoone jonge maagd, Tamamushi

genaamd, op opzienbarende wijze te schaken. Wij zien onzen held zich

spoedig losbreken uit het priesterschap en uit de liefde, en zijn

volle aandacht wijden aan de opwekkende avonturen van een krijgsman,

die buiten de wet stond. Wij moeten hem hiervoor een korten tijd in

den steek laten, en eerst de geschiedenis verhalen van Yoshitsune,

ten einde duidelijk te maken, hoe hij het groote geluk had, Benkei

te ontmoeten en zich van diens hulp en vriendschap te verzekeren tot

aan zijn dood.

Yoshitsune en de Taira.

De vader van Yoshitsune, Yoshitomo, was gesneuveld in een grooten

slag tegen de Taira. In dien tijd was de Taira-stam oppermachtig,

en zijn wreede aanvoerder, Kiyomori, deed alles wat hij kon, om de

kinderen van Yoshitomo uit den weg te ruimen. Maar de moeder van

die kinderen, Tokiwa, vluchtte naar een schuilplaats, waarheen zij

ook haar kleinen medevoerde. Met karakteristieken Japanschen moed

stemde zij er eindelijk in toe, de vrouw te worden van den gehaten

Kiyomori. Zij deed dit, omdat dit de eenige was, om het leven van haar

kinderen te sparen. Het werd haar geoorloofd, Yoshitsune bij zich

te houden, en dagelijks fluisterde zij hem toe: "Gedenk uw vader,

Minamoto Yoshitomo! Word krachtig en wreek zijn dood, want hij is

gestorven door de hand der Taira."

Toen Yoshitsune zeven jaar oud was, werd hij naar een klooster

gezonden, om als monnik te worden opgeleid. Hoewel hij ijverig was in

zijn studies, bewaarde de jonge knaap voortdurend de onverschrokken

woorden van zijn dappere, zelfopofferende moeder in zijn hart. Zij

wekten hem op en bezielden hem tot daden. Hij placht naar een bepaalde

vallei te gaan, waar hij zijn klein houten zwaard zwaaide, en onder het

zingen van gedeelten uit krijgszangen, uitviel tegen rotsen en steenen,

in de hoop, dat hij in de toekomst een groot krijgsman mocht worden,

en al de rampen en ongerechtigheden die door den Taira-stam op zijn

familie waren opgehoopt, kon wreken en goedmaken.

In zekeren nacht werd hij, terwijl hij daarmede bezig was, door

een hevige onweersbui overvallen, en zag hij een ontzaglijken reus

vóór zich met een langen rooden neus en groote fonkelende oogen,

met klauwen als van een vogel, en gevederde vleugels. Terwijl hij

dapper stand hield, deed Yoshitsune navraag, wie die reus was, en werd

hem medegedeeld, dat het de Koning der Tengu was--dat wil zeggen,

de Koning der kaboutermannetjes uit de bergen, levendige wezentjes,

die zich herhaaldelijk bezig hielden met allerlei fantastische streken.

De Koning der Tengu was Yoshitsune zeer vriendelijk gezind. Hij zeide,

dat hij zijn volharding bewonderde, en deelde hem mede, dat hij voor

hem was verschenen met de vriendelijke bedoeling, hem alles te leeren,

wat op het gebied der krijgskunde kon worden geleerd. Het onderwijs

vorderde op de meest bevredigende wijze, en het duurde niet lang,

of Yoshitsune kon minstens twintig kleine _tengu_ overwinnen, en die

groote vlugheid kwam Yoshitsune goed te pas, zooals wij verder in

dit verhaal zullen zien.

Toen nu Yoshitsune vijftien jaar oud was, hoorde hij dat op den

berg Hiei een bijzonder woeste _bonze_ (priester) leefde, Benkei

genaamd. Benkei had een tijd lang ridders belaagd, die de Gojo Brug van

Kyoto overtrokken. Zijn wensch was, duizend zwaarden te bemachtigen,

en hij was zóó dapper, en tevens zulk een schurk, dat hij op ridders

niet minder dan negenhonderd negen en negentig zwaarden op onwettige

wijze had veroverd. Toen het bericht hiervan de ooren van Yoshitsune

had bereikt, besloot hij van het onderwijs van den Koning der Tengu een

goed gebruik te maken, om dien Benkei te dooden, ten einde op die wijze

hem, die de schrik van het land was geworden, onschadelijk te maken.

Op zekeren avond trok Yoshitsune op weg, en ten einde den schijn

aan te nemen van volkomen onverschilligheid, speelde hij op de

fluit, totdat hij de Gojo Brug had bereikt. Onmiddellijk zag hij

een reusachtigen man op hem afkomen, in een zwarte wapenrusting,

die niemand anders was dan Benkei. Toen Benkei den jongeling zag,

beschouwde hij het als beneden zijn waardigheid, iemand aan te vallen,

die hem een zwakkeling voorkwam, een droomer, die voortreffelijk kon

fluitspelen, en ongetwijfeld ook een mooi gedicht kon vervaardigen op

de maan, die toen juist aan den hemel scheen, maar die volstrekt geen

krijgsman was. Die beleediging maakte Yoshitsune vreeselijk woedend,

en plotseling stootte hij de hellebaard van Benkei uit zijn hand.

Yoshitsune en Benkei vechten.

Benkei slaakte een kreet van woede, en sloeg er met zijn wapen in het

wilde op los. Maar de vlugheid, die hij van den Koning der _tengu_

had geleerd, kwam Yoshitsune zeer te stade. Hij sprong van den éénen

naar den anderen kant, van voren naar achteren, en weer terug van

achteren naar voren, terwijl hij den reus met menige grap voor den

gek hield en telkens in een vroolijk gelach uitbarstte. Het wapen

van Benkei zwaaide voortdurend rond en trof nu eens de lucht, dan

weer de grond, maar raakte nooit zijn tegenstander.

Eindelijk werd Benkei moede, en weder sloeg Yoshitsune de hellebaard

uit de hand van den reus. Toen Benkei trachtte zijn wapen weder op te

nemen, wist Yoshitsune hem een beentje te lichten, zoodat hij op handen

en voeten kwam te staan; de held besteeg nu met een triomfkreet den

tijdelijk viervoetigen Benkei. De reus was stom verbaasd over zijn

nederlaag, en toen hij hoorde, dat de overwinnaar niemand anders

was dan de zoon van den Edelen Yoshitomo, nam hij niet alleen zijn

nederlaag op waardige wijze op, maar verzocht hij, of hij van nu af

aan in den dienst mocht treden van den jeugdigen overwinnaar.

Van dien tijd af vinden wij de namen van Yoshitsune en Benkei

steeds samen verbonden, en in al de verhalen van krijgslieden,

hetzij in Japan, hetzij elders, was er nooit een dapperder en meer

eensgezinde verbinding van kracht en vriendschap. Wij lezen, hoe

talrijke overwinningen zij op de Taira behaalden, en hoe zij hen naar

zee dreven, waar deze dan bij Dan-no-ura ontkwamen.

Wij kennen nog een tweede legende in verband met Dan-no-ura. Yoshitsune

en zijn trouwe makker maakten zich gereed, in een schip van de

provincie Settsu over te steken naar Saikoku. Toen zij Dan-no-ura

bereikten, stak een vreeselijke storm op. Geheimzinnige stemmen

kwamen uit de zich opstapelende golven, een verwijderde echo van

wapengekletter, van voortsnellende schepen en het suizen van pijlen,

van het neervallen van duizend manschappen. Het geraas werd al luider

en luider, en uit de opgezweepte, schuimende koppen van de golven

verrees een spookachtige troep van den Taira-stam. Hun wapenrusting was

gescheurd en met bloed bevlekt, en zij staken hun wasemige armen uit,

terwijl zij trachtten de boot tegen te houden, waarin Yoshitsune en

Benkei voeren. Het was een spookachtige herinnering aan den slag bij

Dan-no-ura, toen de Taira een vreeselijke en onherstelbare nederlaag

hadden geleden. Toen Yoshitsune dien grooten spookachtigen troep

zag, riep hij om wraak, zelfs op de schimmen der gedoode Taira; maar

Benkei, die steeds listig en voorzichtig was, verzocht zijn meester,

zijn zwaard neer te leggen, en nam een rozenkrans ter hand en zeide

een aantal Buddhistische gebeden op. Over den troep geesten daalde

vrede neer, het gejammer hield op, en geleidelijk verdwenen zij weder

in de zee, die daarna kalm werd.

De legende verhaalt ons, dat visschers nog altijd van tijd tot tijd

schimmenlegers uit zee zien oprijzen, die jammerklachten uiten en

met hun armen zwaaien. Men zegt, dat de kreeften met gevlekten rug de

schimmen zijn der Tairastrijders. Wij zullen later een andere legende

behandelen, die in verband staat met die ongelukkige geesten, die het

nooit moede worden, het tooneel van hun nederlaag weer op te zoeken.

De Booze Geest van Oyeyama.

Tijdens de regeering van Keizer Ichijo waren er in Kyoto een aantal

verhalen in omloop met betrekking tot een boozen geest, die op

den Berg Oye woonde. Die booze geest kon verschillende gedaanten

aannemen. Somtijds verscheen hij als een menschelijk wezen, en drong

heimelijk in Kyoto binnen, waar hij uit menig huis teer geliefde zonen

en dochters wegrukte. Hij nam die jongelingen en meisjes mede naar zijn

vesting op den berg, en--het is droevig te verhalen--na met hen den

spot te hebben gedreven, richtte hij met zijn makkers een groot feest

aan en verslond daar die arme jongelieden. Zelfs het onschendbare

Hof was niet beveiligd tegen die vreeselijke gebeurtenissen en op

zekeren dag verloor Kimitaka zijn schoone dochter. Zij was door den

Koning der Booze Geesten, Shutendoji, weggeroofd.

Toen dit treurige nieuws de ooren van den Keizer bereikte, riep hij

zijn Raad te zamen, en overlegde hij, hoe zij dit vreeselijke monster

zouden kunnen dooden. Zijne Majesteit hoorde van zijn ministers, dat

Raiko een onverschrokken ridder was, en daarom raadden zij hem aan,

dat deze met enkele makkers op dit gevaarlijke maar eervolle avontuur

zoude worden uitgezonden.

Raiko koos dus vijf metgezellen, en vertelde hen wat bevolen was,

en wel, dat zij een avontuurlijke reis moesten ondernemen, en

den Koning der Booze Geesten moesten dooden. Hij legde hun uit,

dat geslepenheid bij de uitvoering van hun plan zeer noodig was,

indien zij hoopten hun taak naar behooren te volbrengen, en dat het

verstandig zou zijn, zich te vermommen als priesters van het gebergte,

en hun wapenrusting en wapenen op hun rug te dragen, voorzichtig

verborgen in ransels, die geen achterdocht zouden wekken. Voordat

zij op weg gingen, trokken twee der ridders, om te bidden, naar den

tempel van Hachiman, den Oorlogsgod, twee naar het altaar van Kwannon,

de Godin der Barmhartigheid, en twee naar den tempel van Gongen.

Toen de ridders gebeden hadden, dat hun onderneming mocht gezegend

worden, aanvaardden zij hun reis en bereikten na verloop van tijd

de provincie Tamba, terwijl zij onmiddellijk den berg Oye tegenover

zich zagen. De Booze Geest had zeker den vreeselijksten der bergen

gekozen. Machtige rotsen en groote donkere bosschen belemmerden hun

den weg in iedere richting, terwijl bijna bodemlooze afgronden zich

aan hen voordeden, waar die het minst verwacht werden.

Toen de dappere ridders juist eenigszins moedeloos begonnen te

worden, verschenen plotseling drie oude mannen vóór hen. Het eerste

oogenblik werden deze nieuwe bezoekers met achterdocht aangezien,

maar later met de grootste vriendelijkheid en dankbaarheid. Die oude

mannen waren niemand minder dan de drie godheden, tot wie de ridders

gebeden hadden, voordat zij hun tocht aanvaardden. De oude mannen

boden Raiko een kruik met tooversaké aan, Shimben-Kidoku-Shu genaamd

("een hartsterking voor menschen, maar vergif voor booze geesten"),

en raadde hen aan, Shutendoji door een krijgslist er toe te bewegen

er van te drinken, waarna hij onmiddellijk verlamd zou worden en een

gemakkelijker prooi zou zijn voor zijn vijanden. Nauwelijks hadden

de oude mannen tooversaké gegeven en hun kostbaren raad daaraan

toegevoegd, of een wonderbaarlijk licht schitterde om hen heen,

terwijl zij in de wolken verdwenen.

Raiko en zijn paladijnen beklommen, zeer verblijd met hetgeen geschied

was, verder den berg. Toen zij aan een stroom gekomen waren, zagen zij

daar een schoone vrouw, die bezig was een met bloed bevlekt gewaad

in het stroomende water te wasschen. Zij weende bitter, en wischte

haar tranen af met de lange mouw van haar _kimono_. Toen Raiko vroeg,

wie zij was, vertelde zij hem, dat zij een prinses was, en één der

ongelukkige gevangenen van den Koning der Booze Geesten. Toen men

haar had medegedeeld, dat het niemand anders was dan de groote Raiko,

die vóór haar stond, en dat hij en de andere ridders gekomen waren

om het afschuwelijke bergmonster te dooden, was zij onuitsprekelijk

verheugd, en voerde ten slotte den kleinen troep naar een groot paleis

van zwart ijzer, terwijl zij de schildwachten om den tuin leidde door

hen te zeggen, dat haar volgelingen arme priesters van den berg waren,

die een tijdelijke schuilplaats zochten.

Nadat zij door lange gangen waren geloopen, kwamen Raiko en zijn

volgelingen in een reusachtige zaal. Aan het ééne uiteinde zat de

schrikwekkende Koning der Booze Geesten. Hij had een reusachtige

gestalte, met een helderroode huid en een massa wit haar. Toen Raiko

hem onderdanig mededeelde, wie zij waren, noodigde de Koning, terwijl

hij zijn vreugde verborg, hen uit plaats te nemen, en deel te nemen

aan den feestmaaltijd, die juist zou worden voortgezet. Daarop klapte

hij in zijn roode handen, en onmiddellijk kwamen een aantal schoone

meisjes binnenrennen met een overvloed van spijs en drank, en toen

Raiko haar aandachtig gadesloeg, begreep hij, dat zij eertijds in

gelukkige woningen in Kyoto hadden gewoond.

Toen het feest in vollen gang was, haalde Raiko de kruik met de

tooversaké voor den dag, en verzocht den Koning der Booze Geesten

beleefd er van te proeven. Het monster dronk zonder aarzelen en zonder

eenig kwaad vermoeden een weinig van de saké, en vond die zóó lekker,

dat hij nog om een tweeden beker vroeg. Alle booze geesten dronken

van den tooverwijn, en terwijl zij dronken, dansten Raiko en zijn

metgezellen.

De tooverdrank begon zijn werking te doen gevoelen. De Koning zelf

werd slaperig, totdat eindelijk hij en de andere booze geesten in

een diepen slaap vielen. Toen sprong Raiko overeind, en hij en zijn

makkers trokken snel hun wapenrusting aan en maakten zich gereed

voor den strijd. Ten tweeden male verschenen hem de drie godheden,

en zeiden tot Raiko: "Wij hebben de handen en voeten van den Boozen

Geest stevig gebonden, zoodat gij niets te vreezen hebt. Terwijl

de overige ridders zijn ledematen afhakken, moet gij hem het hoofd

afsnijden; dood daarna de overige _eni_, (booze geesten) en uw taak

zal volbracht zijn." Daarna verdwenen die goddelijke wezens plotseling.

Raiko doodt den Boozen Geest.

Raiko en de overige ridders naderden voorzichtig den slapenden Koning

der Booze Geesten met getrokken zwaarden. Met een reusachtigen zwaai

kwam het wapen van Raiko krakend neer op den nek van den Boozen

Geest. Nauwelijks was het hoofd van den romp gescheiden, of het vloog

in de lucht, terwijl rook en vuur uit zijn neusgaten spoten en den

dapperen Raiko brandden. Ten tweeden male viel hij met zijn zwaard

uit, en nu viel het afschuwelijke hoofd op den grond en bewoog zich

niet meer. Het duurde niet lang, of de dappere ridders hadden ook de

volgelingen van den Boozen Geest gedood.

In een blijde stoet trokken zij uit het groote ijzeren paleis. De vijf

makkers van Raiko droegen het monsterachtige hoofd van den Koning,

en die afzichtige stoet werd gevolgd door een lange rij van gelukkige

meisjes, die eindelijk verlost waren uit haar vreeselijke gevangenis,

en er zich in verheugden weer te wandelen in de straten van Kyoto.

De Tooverspin.

Korten tijd nadat de gebeurtenis, hierboven geschetst, had plaats

gegrepen, werd de dappere Raiko ernstig ziek, en hij was genoodzaakt

zijn kamer te houden. Omstreeks middernacht bracht hem steeds een

kleine jongen een geneesmiddel. De jongen was aan Raiko niet bekend,

maar daar hij zulk een grooten stoet bedienden had, wekte dit in het

begin geen argwaan op. Raiko werd echter erger, in plaats beter, en

wel het ergst, onmiddellijk nadat hij het geneesmiddel had ingenomen;

daarom begon hij te vermoeden, dat de ééne of andere bovennatuurlijke

kracht de oorzaak was van zijn ziekte.

Ten slotte vroeg Raiko zijn voornaamsten dienaar, of hij iets wist van

den knaap, die tegen middernacht bij hem kwam. Noch deze, noch iemand

anders bleek iets omtrent hem te weten. Van dat oogenblik af was de

achterdocht van Raiko in hooge mate opgewekt, zoodat hij besloot,

de zaak met zorg na te gaan.

Toen het knaapje tegen middernacht terugkwam, wierp Raiko, in

plaats van het geneesmiddel te nemen, den beker naar diens hoofd, en

trachtte hem, na zijn zwaard te hebben getrokken, te dooden. Een luide

kreet van pijn weerklonk door het vertrek, maar op het oogenblik,

dat de knaap uit het vertrek wegvloog, wierp hij iets naar Raiko

toe. Het spreidde zich uit tot een reusachtig, wit kleverig web,

dat zich zóó stevig aan Raiko vasthechtte, dat hij zich nauwelijks

kon bewegen. Zoodra hij het web met zijn zwaard had doorgesneden,

omringde hem weer een ander. Raiko riep toen om hulp, en zijn eerste

bediende ontmoette den boosdoener in één der gangen en hield hem

met getrokken zwaard tegen. Ook over hem wierp de Booze Geest een

web. Toen het hem eindelijk gelukt was, zich los te maken, en hij

in staat was het vertrek zijns meesters binnen te hollen, zag hij,

dat Raiko eveneens het slachtoffer van de Tooverspin was geworden.

De Tooverspin werd eindelijk ontdekt in een kelder, waar hij kermde

van de pijn, terwijl bloed uit een wond aan zijn kop stroomde, welke

wond door een zwaard was toegebracht. Onmiddellijk werd hij gedood,

en met zijn dood verdween ook de kwade invloed, die de oorzaak geweest

was van de ernstige ziekte van Raiko. Van dat oogenblik af kreeg de

held zijn gezondheid en kracht weer terug, terwijl er een weelderige

feestmaaltijd ter eere van de heugelijke gebeurtenis werd aangericht.

Een andere Lezing.

Er is nog een andere lezing van deze legende, welke afkomstig is van

Kenko Hoshi; deze verschilt in een aantal bijzonderheden zóózeer van

de legende, die wij hebben medegedeeld, dat zij als een geheel nieuw

verhaal kan worden beschouwd. Als wij die lezing niet mededeelden,

zouden wij de legende berooven van haar sombersten vorm, die tot nu

toe voor den gewonen lezer niet toegankelijk is geweest [6].

Op zekeren dag vertrok Raiko uit Kyoto met Tsuna, den meest waardigen

van zijn volgelingen. Toen zij de vlakte van Rendai doortrokken, zagen

zij een doodshoofd in de lucht opstijgen, en voor hen wegvluchten,

alsof het door den wind werd voortgedreven, totdat het eindelijk

verdween op een plaats, Kagura ga Oka genaamd.

Raiko en zijn metgezel bemerkten, zoodra zij het doodshoofd hadden

zien verdwijnen, een huis in puinhoopen vóór zich. Raiko trad dit

verwoeste huis binnen, en zag een oude vrouw zitten met een vreemd

uiterlijk. Zij was in het wit gekleed en had wit haar; zij opende haar

oogen met een klein stokje, en haar bovenste oogleden vielen als een

hoed over haar hoofd; daarna gebruikte zij het stokje om haar mond

te openen, en liet dan haar borst over haar knieën vallen. Daarna

sprak zij den verbaasden Raiko aldus aan:

"Ik ben tweehonderd negentig jaar oud. Ik dien negen meesters, en in

het huis, waarin gij staat, dwalen booze geesten rond."

Nadat hij die woorden had gehoord, wandelde Raiko de keuken binnen,

en toen hij een haastigen blik op de lucht had geslagen, zag hij,

dat een vreeselijke storm in aantocht was. Toen hij er op lette,

hoe de donkere wolken zich opeenpakten, hoorde hij een geluid van

spookachtige voetstappen, en traden een groot aantal spoken het vertrek

binnen, En dit waren niet de eenige bovennatuurlijke wezens, die Raiko

ontmoette, want onmiddellijk daarna zag hij een wezen, als een non

gekleed. Haar ontzettend klein lichaam was naakt tot aan haar middel,

haar gelaat was twee voet lang en "haar armen waren wit als sneeuw en

dun als draden." Een kort oogenblik lachte dit afschuwelijke wezen,

waarna het in den nevel verdween.

Raiko hoorde met welgevallen naar het kraaien van een haan, en meende,

dat de spookachtige bezoekers hem niet meer zouden hinderen; maar

weder hoorde hij voetstappen, en nu zag hij geen afschuwelijke heks,

maar een bekoorlijke vrouw, "sierlijker dan de wilgentakken, als zij

door een zacht windje gewiegeld worden". Toen hij dit liefelijke

meisje aanstaarde, werden zijn oogen een oogenblik verblind door

haar schitterende schoonheid. Voordat hij het gezicht terugkreeg,

zag hij, dat hij gehuld was in ontelbare spinnewebben. Hij sloeg met

zijn zwaard naar haar, en toen verdween zij, terwijl het bleek, dat

hij de planken van den vloer had doorgehakt en den hoeksteen onder

den vloer had gebroken.

Op dit oogenblik kwam Tsuna bij zijn meester, en zij bemerkten, dat het

zwaard bedekt was met bloed, en dat de punt in den strijd gebroken was.

Na lang zoeken ontdekten Raiko en zijn onderhoorige een hol, waarin zij

een monster zagen met verschillende pooten en een kop van ontzaglijke

grootte, met donzig haar bedekt. Zijn groote oogen schenen als de

zon en de maan, terwijl hij luide kreunde: "Ik ben ziek en heb pijn."

Toen Raiko en Tsuna naderbij kwamen, herkenden zij de afgebroken punt

van het zwaard, die uit het monster uitstak. De helden trokken het

schepsel toen uit zijn hol en hakten zijn hoofd af. Uit de diepe

wond in zijn buik kwamen negentienhonderd negentig doodshoofden

voor den dag en bovendien nog een aantal spinnen, zoo groot als

kinderen. Raiko en zijn geleider kwamen tot de ontdekking, dat het

monster vóór hen niets anders was dan de Spin op den Berg. Toen zij

het groote geraamte opensneden, vonden zij binnen de ingewanden de

spookachtige overblijfselen van een aantal menschenlijken.

De Avonturen van Prins Yamato Take.

Koning Keiko beval zijn jongsten zoon, Prins Yamato, weg te trekken

en een aantal roovers te dooden. Vóór zijn vertrek bad de Prins aan

de altaren van Isé, en smeekte, dat Ama-terasu, de Godin der Zon, zijn

onderneming zou zegenen. De tante van Prins Yamato was hoogepriesteres

in één der tempels te Isé, en hij deelde haar mede, welke taak zijn

vader hem had toevertrouwd. De brave dame was zeer verheugd, toen zij

dat nieuws hoorde, en schonk haar neef een kostbaar zilveren kleed,

met de mededeeling, dat het hem geluk zou brengen en hem misschien

later van dienst zou zijn.

Toen Prins Yamato naar het paleis was teruggekeerd en afscheid van

zijn vader had genomen, verliet hij het hof, vergezeld van zijn

vrouw, Prinses Ototachibana, en een aantal beproefde volgelingen,

en begaf zich naar het Zuidelijk Eiland Kiushiu, dat door roovers

werd verpest. De streek was zóó ruw en ondoordringbaar, dat Prins

Yamato onmiddellijk zag, dat hij het ééne of andere listige plan

moest beramen, ten einde den vijand onverhoeds aan te vallen.

Toen hij tot dit besluit was gekomen, vroeg hij Prinses Ototochibana,

hem het kostbare zijden kleed te brengen, dat zijn tante hem had

geschonken. Hij trok dit aan, daarbij naar alle waarschijnlijkheid

geholpen door zijn vrouw. Hij liet zijn haar vallen, stak daar een

kam in, en tooide zich op met juweelen. Toen hij in een spiegel zag,

was hij overtuigd, dat de vermomming volmaakt was, en dat hij er als

een bijzonder mooie vrouw uitzag.

Zoo kostbaar aangekleed, ging hij de tent van zijn vijand binnen,

waar Kumaso en Takeru gezeten waren. Toevallig spraken zij juist

over den zoon des Konings en over zijn pogingen, hun rooverbende

uit te roeien. Toen zij opkeken, zagen zij, dat een schoone vrouw op

hen afkwam.

Kumaso was zóó verheugd, dat hij den vermomden Prins toewenkte

en hem verzocht, zoo spoedig mogelijk wijn te schenken. Yamato was

bijzonder in zijn schik, dat hij dit kon doen. Hij wendde vrouwelijke

verlegenheid voor. Hij liep met zeer kleine stapjes, en keek schuin

uit zijn ooghoeken met al de verlegenheid van een bloode maagd.

Kumaso dronk veel meer wijn dan goed voor hem was. Hij bleef voortgaan

met drinken, ten einde het genot te hebben, te zien, hoe aanminnig

dat liefelijke wezen den wijn voor hem inschonk.

Toen Kumaso dronken was, wierp Prins Yamato de kruik met wijn neer,

trok zijn dolk uit de scheede, en stak hem dood.

Toen Takeru zag, wat zijn broeder overkomen was, trachtte hij te

ontsnappen, maar Prins Yamato sprong op hem toe. Ten tweeden male

flikkerde zijn dolk in de lucht, en ook Takeru viel ter aarde.

"Houd uw hand een oogenblik in", hijgde de stervende roover. "Ik

zou zoo gaarne willen weten, wie gij zijt en van waar gij gekomen

zijt. Tot nu toe dacht ik, dat mijn broeder en ik de sterkste mannen

van het rijk waren. Ik blijk mij echter vergist te hebben."

"Ik ben Yamato" zeide de Prins, "de zoon van den Koning, die mij beval,

zulke roovers als gij te dooden!" "Sta mij toe, u een nieuwen naam

te geven", zeide de roover beleefd. "Van nu af aan zult gij Yamato

Take genoemd worden, daar gij de dapperste man in het land zijt."

Na zoo gesproken te hebben, viel Takeru dood achterover.

Het Houten Zwaard.

Toen de Prins op den terugweg was naar de hoofdstad, ontmoette hij

weer een bandiet, Idzumo Takeru genaamd. Weer maakte hij gebruik van

een krijgslist, en deed zich voor, alsof hij dien kerel bijzonder

goed gezind was. Hij sneed een houten zwaard en sloeg dit met geweld

vast in de scheede van zijn eigen stalen wapen. Hij droeg dit telkens,

als hij dacht Takeru te ontmoeten.

Bij zekere gelegenheid noodigde Prins Yamato Takeru uit, met hem in de

rivier Hinokawa te gaan zwemmen. Terwijl de roover stroomafwaarts zwom,

landde de Prins heimelijk, en na zich begeven te hebben naar de plaats

aan den oever, waar de kleeren van Takeru lagen, gelukte het hem,

diens zwaard tegen het zijne te verruilen, door zijn houten zwaard

te plaatsen, waar het scherpe stalen zwaard van Takeru gelegen was.

Toen Takeru uit het water was gekomen en zijn kleeren had aangetrokken,

vroeg hem de Prins, zijn bekwaamheid in het hanteeren van het zwaard

te toonen, "Wij zullen," zoo sprak hij, "onderzoeken, wie van ons

beiden de beste krijgsman is."

Daartoe volstrekt niet ongenegen, trachtte Takeru zijn zwaard uit

de scheede te trekken. Het bleef vastzitten, en daar het van hout

was, zou het hem natuurlijk toch niet van nut geweest zijn. Terwijl

de roover aldus druk bezig was, sloeg Yamato hem het hoofd af. Ten

tweede male was zijn slimheid hem te stade gekomen, en toen hij naar

het paleis terugkeerde, werd hij feestelijk onthaald, en ontving hij

een aantal kostbare geschenken van zijn koninklijken vader.

Het "Gras-Klievende-Zwaard".

Prins Yamato bleef niet lang in ledigheid in het paleis, want

zijn vader beval hem, weg te gaan, om een opstand der Ainu's in de

oostelijke provincies te onderdrukken.

Toen de Prins gereed was te vertrekken, gaf hem de Koning een speer,

van een hulstboom vervaardigd, welke de "Achttien-Arm-Lange-Speer" werd

genoemd. Met dit kostbare geschenk bezocht Prins Yamato de tempels

van Isé. Zijn tante, de hooge-priesteres, begroette hem weer. Zij

luisterde met belangstelling naar alles, wat haar neef haar verhaalde,

en was bovenal verheugd, toen zij vernam hoe uitnemend het kleed,

dat zij hem had gegeven, hem te pas was gekomen.

Toen zij naar zijn verhaal had geluisterd, ging zij den tempel binnen,

en bracht zij een zwaard mede en een zak, die vuursteenen bevatte. Zij

gaf deze als een afscheidsgeschenk aan Yamato.

Het zwaard was het zwaard van Murakumo, dat behoorde tot de insigniën

van het Keizerlijk Huis van Japan. De Prins kon wel geen passender

geschenk hebben ontvangen. Dit zwaard behoorde eertijds, zooals men

zich zal herinneren, aan de Goden, en werd door Susa-no-o ontdekt.

Na een langen tocht kwamen Prins Yamato en zijn volgelingen in de

provincie Suruga. De gouverneur ontving hen gastvrij, en bij wijze

van feestelijk onthaal organiseerden zij een hertenjacht. Onze held

was op zijn beurt nu ook eens het slachtoffer van de sluwheid zijner

tegenstanders, en voegde zich bij de jacht zonder eenige achterdocht.

De Prins werd gebracht naar een groote en woeste vlakte, met hoog

gras bedekt. Terwijl hij bezig was het wild op te jagen, ontdekte

hij plotseling vuur in zijn nabijheid. In een oogenblik tijds zag

hij vlammen en rookwolken in iedere richting opstijgen. Hij was

omringd door vuur, waaruit hij blijkbaar niet kon ontsnappen. Te

laat ontdekte de argelooze krijgsman, dat hij in een hinderlaag was

gevallen en dat het vuur hem wel dicht aan de schenen werd gelegd!

Onze held opende de tasch, die zijn tante hem had gegeven, stak het

gras in zijn nabijheid in brand, en met het zwaard van Murakumo sneed

hij de groote groene halmen zoo snel mogelijk af. Nauwelijks had hij

dit gedaan, of de wind draaide plotseling om, en joeg de vlammen van

hem weg, zoodat de Prins ten slotte kon ontsnappen zonder zich ook

maar eenigszins te hebben gebrand. En zoo geschiedde het, dat het

zwaard van Murakumo bekend werd als het "Gras-Klievende-Zwaard".

Het Offer van Ototachibana.

In al die avonturen was de Prins gevolgd door zijn getrouwe gade,

Prinses Ototachibana. Het is wel treurig te vertellen, maar onze

held, hoe voortreffelijk ook in den strijd, was lang niet zoo te

prijzen en te achten als echtgenoot. Hij zag op zijn vrouw neer en

behandelde haar met groote onverschilligheid. Zij had, arme ziel,

haar schoonheid verloren in den dienst van haar heer. Haar huid was

door de zon verbrand en haar kleederen waren bevlekt en gescheurd. Toch

klaagde zij nooit, en hoewel haar gelaat droevig werd, deed zij dapper

haar best, haar gewone zachtheid van karakter te behouden.

Prins Yamato kwam nu toevallig in aanraking met de betooverende

Prinses Miyadzu. Haar kleederen waren bekoorlijk, haar huid zoo fijn en

zacht als kersenbloesem. Het duurde niet lang, of hij werd smoorlijk

op haar verliefd. Toen de tijd van vertrek voor hem naderde, zwoer

hij, dat hij spoedig zou terugkeeren en de schoone Prinses Miyadzu

tot zijn vrouw zou maken. Nauwelijks had hij die belofte afgelegd,

of hij keek op en zag Ototachibana, en op haar gelaat lag een blik

van diepe treurigheid. Maar Prins Yamato verhardde zijn gemoed en

reed weg, heimelijk besloten zijn belofte te houden.

Toen Prins Yamato met vrouw en volgelingen de zeekust van Idzu

bereikte, wenschten zijn manschappen een aantal booten machtig te

worden, ten einde de zeeëngte van Kadzusa over te trekken.

De Prins riep hooghartig: "Maar dit is niets dan een beekje! waartoe

zooveel booten? Ik zou er wel overheen kunnen springen!"

Toen zij allen aan boord gestegen waren en de reis hadden aangevangen,

stak er een groote storm op. De golven stegen hemelhoog, de wind

loeide, de bliksem flikkerde in de donkere wolken, en de donder

bulderde. Het scheen wel, alsof de boot, die den Prins en zijn vrouw

droeg, noodzakelijk moest zinken, immers de storm was het werk van

Rin-Jin, den Koning der Zee, die vertoornd was over de trotsche en

dwaze woorden van Prins Yamato.

Toen de bemanning de zeilen gereefd had, in de hoop het schip

weer vast te leggen, werd de storm heftiger in plaats van te gaan

liggen. Eindelijk stond Ototachibana op, en na haar heer vergiffenis

te hebben geschonken voor al het leed, dat deze haar had aangedaan,

besloot zij haar leven op te offeren, ten einde haar teer geliefden

echtgenoot te redden.

Zoo sprak dan de trouwe Ototachibana: "O, Rin-Jin, de Prins, mijn

echtgenoot, heeft u met zijn pochen boos gemaakt. Ik, Ototachibana,

geef u mijn arm leven in de plaats van dat van Yamato Take. Ik werp

mij nu in uw groot golvend rijk, maar wilt gij dan ook van uw kant

mijn echtgenoot veilig naar de kust brengen."

Na die woorden te hebben gesproken, sprong Ototachibana in de kokende

golven, die in een oogenblik tijds de dappere vrouw uit het gezicht

sleepten. Nauwelijks had zij dit offer gebracht, of de storm ging

liggen en de zon scheen aan een wolkeloozen hemel.

Yamato Take bereikte zijn bestemming, en slaagde er in, den opstand

der Ainu's te onderdrukken.

Onze held had ongetwijfeld misdreven in de wijze, waarop hij zijn

trouwe vrouw had behandeld. Eerst te laat leerde hij haar goedheid

op prijs stellen; maar tot zijn eer zij gezegd, dat hij haar tot aan

zijn dood in liefde bleef gedenken, terwijl Prinses Miyadzu geheel

vergeten werd.

Het Dooden van de Slang.

Nadat aldus Yamato Take de opdracht van zijn vader had volbracht,

trok hij door de provincie Owari, totdat hij kwam in de provincie Omi.

De provincie Omi leed onder een groote ramp. Velen waren in rouw, en

velen weenden en schreeuwden luid in hun smart. Toen de Prins navraag

deed naar de reden dier droefheid, hoorde hij, dat een groote slang

dagelijks van de bergen afdaalde en de dorpen binnenkwam, om zich te

voeden met een aantal ongelukkige inwoners.

Prins Yamato ging onmiddellijk op weg om den berg Ibaki te beklimmen,

waar volgens de hem verstrekte mededeelingen de slang verblijf

hield. Omstreeks halfweg ontmoette hij het vreeselijke monster. De

Prins was zóó sterk, dat hij de slang doodde, door zijn bloote armen om

haar heen te slaan. Nauwelijks had hij dit gedaan, of plotseling viel

duisternis over het land en viel de regen in stroomen neder. Later

echter klaarde het weder op, en was onze held in staat, den berg af

te dalen.

Toen hij zijn huis bereikte, bleek het, dat zijn voeten van een vreemde

pijn brandden, en bovendien, dat hij zich zeer ziek voelde. Hij

kwam tot de ontdekking, dat de slang hem had gestoken, en daar hij

te ziek was om zich te bewegen, werd hij naar een geneeskrachtige

bron gebracht. Hier kreeg hij volkomen zijn vroegere gezondheid en

kracht terug, en voor die zegeningen bracht hij dank aan Ama-terasu,

de Godin der Zon.

De Avonturen van Momotaro.

Op zekeren dag zag een oude vrouw, die aan den oever der rivier bezig

was haar kleeren te wasschen, toevallig een reusachtige perzik,

die op het water dreef. Het was verreweg de grootste perzik, die

zij ooit had gezien, en daar die oude vrouw en haar man bijzonder

arm waren, dacht zij er onmiddellijk aan, wat een uitnemend maal die

buitengewonen perzik zou opleveren. Toen zij geen stok kon vinden,

om daarmede de vrucht naar den oever te trekken, herinnerde zij zich

plotseling het volgende versje:

"Het verwijderde water is bitter,

Het nabijgelegen water is zoet;

Ga voorbij het verwijderde water,

En kom in het water zoo zoet."

Dit kleine liedje had het gewenschte gevolg. De perzik kwam hoe langer

hoe naderbij, totdat zij stil bleef liggen aan de voeten der oude

vrouw. Zij bukte en raapte haar op. Zij was zóó verheugd over haar

ontdekking, dat zij het niet kon uithouden, daar langer te blijven

wasschen, maar zich zoo spoedig mogelijk naar huis begaf.

Toen haar echtgenoot 's avonds terugkeerde, met een bundel gras op

zijn rug, haalde de oude vrouw opgewonden de perzik uit de kast en

liet hem die zien.

De oude man, die vermoeid en hongerig was, was evenals zijn vrouw

verheugd bij de gedachte aan een zoo heerlijk maal. Hij droeg spoedig

een mes aan, en was juist op het punt de perzik door te snijden,

toen die plotseling van zelf openging, en het schoonste kind, dat

men zich kan voorstellen, er met een vroolijken lach uitrolde.

"Weest niet bevreesd," zeide de kleine knaap. "De Goden hebben gehoord,

hoezeer gij naar een kind hebt verlangd, en hebben mij gezonden,

om een troost en een verkwikking voor u te zijn in uw oude dagen."

Het oude paar was zóó overstelpt van vreugde, dat zij nauwelijks

wisten, hoe zij zich moesten gedragen. Ieder van hen op de beurt

koesterde en liefkoosde het kind, en mompelde lieve en hartelijke

woordjes. Zij noemden hem Momotaro of "Zoon van een Perzik".

Toen Momotaro vijftien jaar oud was, was hij veel langer en sterker

dan andere jongens van zijn leeftijd. In zijn aderen brandde de lust,

een dappere held te worden, en de ridderlijke heldenmoed, dier er

naar verlangde, onrecht te herstellen.

Op zekeren dag kwam Momotaro bij zijn pleegvader en vroeg hem, of hij

hem wilde toestaan, een groote reis te ondernemen naar een zeker eiland

in de Noord-Oostelijke Zee, waar een aantal duivels woonden, die een

groote menigte onschuldige menschen hadden gevangen genomen, van wie

zij er velen verslonden. Hun boosaardigheid was boven beschrijving,

en Momotaro wenschte hen te dooden, de ongelukkige gevangenen te

bevrijden, en een grooten buit van het eiland mede te brengen, ten

einde dien met zijn pleegouders te deelen.

De oude man was niet weinig verbaasd, toen hij dit onversaagde plan

vernam. Hij wist, dat Momotaro geen gewoon kind was. Hij was uit den

hemel gezonden, en hij was van oordeel, dat geen duivels ter wereld

hem kwaad konden doen. Op dien grond gaf de oude man eindelijk zijn

toestemming en zeide: "Ga, Momotaro, dood de duivels en breng vrede

aan het land."

Toen de oude vrouw Momotaro een aantal rijstkoeken had gegeven,

nam de jongeling afscheid van zijn pleegouders, en trok hij uit,

om zijn tocht te beginnen.

De Zege van Momotaro.

Terwijl Momotaro onder een haag rustte en één der rijstkoeken at,

kwam een groote hond op hem af, die gromde en zijn tanden liet

zien. Bovendien kon de hond spreken, en vroeg Momotaro dreigend, hem

een rijstkoek te geven. "Ge moet mij òf een koek geven," zoo sprak hij,

"òf ik zal u dooden."

Toen de hond echter hoorde, dat de beroemde Momotaro vóór hem stond,

nam hij zijn staart tusschen de pooten, en boog met den kop naar den

grond, terwijl hij verzocht den "Zoon van een Perzik" te mogen volgen

en hem alle diensten te mogen bewijzen, die in zijn macht lagen.

Momotaro nam volgaarne dit aanbod aan, en nadat hij den hond een

halven koek had toegeworpen, gingen zij samen op weg.

Zij hadden nog geen grooten afstand afgelegd, toen zij een aap

ontmoetten, die eveneens vroeg, in den dienst van Momotaro te worden

opgenomen. Dit werd toegestaan, maar het duurde eenigen tijd, voordat

de hond en de aap in vrede samen konden omgaan, zonder elkander te

willen bijten.

Toen zij hun weg vervolgden, kwamen zij een fazant tegen. Nu ontwaakte

weer de ingeboren afgunst van den hond, en hij liep naar voren en

trachtte den schoon gevederden vogel te dooden. Momotaro scheidde de

vechtenden, en ten slotte werd ook de fazant opgenomen in den kleinen

stoet, terwijl hij keurig in de achterhoede marcheerde.

Eindelijk bereikten Momotaro en zijn volgelingen de kust der

Noord-Oostelijke Zee. Hier vond onze held een boot, en na eenig

tegenspartelen van hond, aap en fazant, gingen zij allen aan boord,

en spoedig gleed het scheepje over de blauwe zee.

Na dagen lang op den oceaan te hebben gevaren, zagen zij in de

verte een eiland. Momotaro beval den vogel weg te vliegen, als een

gevleugelde bode, om zijn komst aan te kondigen, en de duivels te

bevelen zich over te geven.

De fazant vloog over de zee, en zette zich na de landing neer op het

dak van een groot kasteel, waar hij zijn schrikwekkende boodschap

toeschreeuwde, waaraan hij toevoegde, dat de duivels als teeken van

onderwerping hun horens moesten afbreken.

De duivels lachten slechts om dat bevel en schudden hun horens en

hun ruig, rood haar. Daarna droegen zij ijzeren staven aan, die zij

woedend naar den vogel slingerden. De fazant ontweek verstandig de

werptuigen, en vloog naar het hoofd van een aantal duivels.

Intusschen was Momotaro met zijn beide makkers geland. Nauwelijks

had hij dit gedaan, of hij zag twee schoone meisjes aan den oever van

een rivier weenen, terwijl zij met bloed gedrenkte kleeren uitwrongen.

"Ach!" zoo spraken zij treurig, "wij zijn dochters van _daimyos_,

en zijn thans de gevangenen van den Boozen Geest, die Koning is over

dit vreeselijke eiland. Hij zal ons spoedig dooden, en er is, helaas,

niemand, om ons te hulp te komen." Na die opmerking te hebben gemaakt,

weenden de vrouwen op nieuw.

"Dames", zeide Momotaro, "ik ben hier gekomen, met het doel uw booze

vijanden te verslaan. Wijst mij een weg, om gindsch kasteel binnen

te dringen."

Aldus kwamen Momotaro, de hond en de aap door een smalle deur het

paleis binnen. Toen zij eenmaal de vesting waren binnengedrongen,

vochten zij hardnekkig. Een groot aantal duivels waren zóó verschrikt,

dat zij van de borstweringen afvielen, en te pletter vielen, terwijl

andere onmiddellijk gedood werden door Momotaro en zijn makkers. Allen

werden gedood behalve de Koning, doch deze besloot verstandig, zich

over te geven, en smeekte, dat zijn leven mocht gespaard worden.

"Neen", zeide Momotaro woedend. "Ik wil uw laaghartig leven niet

sparen. Gij hebt een aantal onschuldige menschen gepijnigd en het

land jaren lang geplunderd."

Na die woorden te hebben gesproken, stelde hij den Koning onder de

bewaking van den aap, en ging daarna door al de vertrekken van het

kasteel, terwijl hij de talrijke gevangenen, die hij daar vond,

bevrijdde.

De terugreis was een vroolijke tocht. De hond en de fazant droegen

samen den schat, terwijl Momotaro den Koning medevoerde.

Momotaro liet de twee dochters der _daimyos_ naar haar huis vertrekken,

benevens een aantal anderen, die op het eiland gevangen genomen

waren. Het geheele land verheugde zich in die overwinning, maar

niemand meer dan de pleegouders van Momotaro, die hun dagen verder

doorbrachten in vrede en overvloed, dank zij den grooten schat der

duivels, die Momotaro hun had geschonken.

"Mijn Heer Zak met Rijst".

Op zekeren dag kwam de groote Hidesato bij een brug, die over het

schoone meer Biwa was gespannen. Hij was op het punt, de brug over

te trekken, toen hij een slangendraak in diepen slaap zag, die hem

in den weg lag. Hidesato klom zonder een oogenblik aarzelens over

het monster heen en vervolgde zijn weg.

Hij was nog niet ver voortgeschreden, toen hij hoorde, dat iemand hem

riep. Hij zag om, en zag, dat op de plaats van den draak een man stond,

die met veel plichtplegingen voor hem boog. Het was een man met een

vreemd uiterlijk, op wiens rood haar een kroon geplaatst was in den

vorm van een draak.

"Ik ben de Drakenkoning van het meer Biwa", zoo sprak de roodharige

man. "Een oogenblik geleden nam ik den vorm aan van een vreeselijk

monster, in de hoop, een sterveling te vinden, die niet bang voor mij

was. Gij, o Heer, hebt geen vrees getoond, en ik ben daarover zeer

verheugd. Een groote honderdpoot komt telkens van gindsche berg af,

komt mijn paleis binnen en dood mijn kinderen en kleinkinderen. Één

voor één zijn zij voedsel geworden voor dit ontzaglijke monster, en

ik vrees, dat, als er niets gedaan kan worden, om dat dier te dooden,

ik spoedig zelf het slachtoffer zal worden. Lang heb ik reeds op een

dapper sterveling gewacht. Alle mannen, die mij tot nu toe in mijn

drakengestalte hebben gezien, zijn weggeloopen. Gij zijt een dapper

man, en ik smeek u, mijn bitteren vijand te dooden."

Hidesato, wien een avontuur altijd welkom was, te meer als er gevaar

aan verbonden was, stemde er onmiddellijk in toe, te probeeren,

wat hij voor den Drakenkoning kon doen.

Toen Hidesato het paleis van den Drakenkoning bereikte, bleek het

een prachtig gebouw te zijn, nauwelijks minder schoon dan het paleis

van den Zeekoning zelf. Hij werd onthaald op gekristalliseerde

lotusbladeren en bloemen en at de lekkernijen, die te kust en te

keur hem werden voorgezet. Terwijl hij smulde, dansten tien kleine

goudvischjes, en vlak achter de goudvischjes maakten tien karpers

liefelijke muziek op de _koto_ en de _samisen_. Juist dacht Hidesato

er over na, hoe voortreffelijk hij onthaald was, en hoe bijzonder

lekker de wijn was, toen zij allen een vreeselijk leven hoorden,

als een dozijn donderslagen, die te gelijk losbraken.

Hidesato en de Drakenkoning stonden haastig op en liepen naar het

balkon. Zij zagen, dat de berg Mikami nauwelijks te herkennen was,

daar hij van den top tot den voet bedekt was door den ontzaglijken

honderdpoot. In zijn kop gloeiden twee vuurballen en zijn honderd

pooten waren als een lange, kronkelende ketens lantarens.

Hidesato deed een pijl op zijn boog en trok toen de pees met alle

kracht aan. De pijl vloog door de lucht en trof den honderdpoot in

het midden van den kop, maar sprong terug zonder een wond te hebben

veroorzaakt. Weer liet Hidesato een pijl voortsuizen, weer trof die

pijl het monster, maar weer viel hij op den grond, zonder schade te

hebben berokkend. Hidesato had nog slechts één pijl over. Plotseling

herinnerde hij zich de tooverwerking van menschelijk speeksel,

en daarom stak hij de punt van den laatst overgebleven pijl een

oogenblik in zijn mond, waarna hij dien haastig op den boog legde en

nauwkeurig mikte.

De laatste pijl trof doel en doorboorde de hersenen van het

monster. Het bewoog zich niet langer; het licht in zijn oogen en

pooten verzwakte en ging eindelijk uit, en het meer Biwa, met zijn

onderzeesch paleis, werd in diepe duisternis gehuld. De donder raasde,

de bliksem flitste, en een oogenblik scheen het, alsof het paleis

van den Drakenkoning op den grond zou vallen.

Den volgenden dag was ieder teeken van den storm verdwenen. De

lucht was helder. De zon scheen schitterend aan den hemel. En in het

fonkelende blauwe meer lag het lijk van den grooten honderdpoot.

De Drakenkoning en zijn omgeving waren bijzonder verheugd, toen

zij zagen, dat hun gevreesde vijand gedood was. Hidesato werd weer

feestelijk onthaald, zelfs nog vorstelijker dan te voren. Toen hij

eindelijk vertrok, deed hij dit met een stoet van visschen, die

plotseling in mannen veranderden. De Drakenkoning schonk onze held

vijf kostbare gaven: twee klokken, een zak met rijst, een rol zijde

en een kookpan.

De Drakenkoning vergezelde Hidesato tot aan de brug, en toen liet hij

schoorvoetend toe, dat onze held met den grooten stoet van dienaren,

die de geschenken droegen, wegtrok.

Toen Hidesato zijn huis bereikte, legden de dienaren de geschenken

van den Drakenkoning neer en verdwenen plotseling.

De geschenken waren geen gewone gaven. De zak met rijst was

onuitputtelijk, er was evenmin een einde aan de rol zijde, en in de

kookpan kon gekookt worden zonder vuur. Alleen de klokken hadden

geen magische eigenschappen; deze werden aan een naburigen tempel

aangeboden. Hidesato werd rijk, en zijn roem verspreidde zich wijd en

zijd. Het volk noemde hem nu niet langer Hidesato, maar Tawara Toda,

of "Mijn Heer Zak met Rijst".

Mythen & Legenden van Japan · 第 7 / 53 题