In het begin.
Volgens de overlevering waren in het eerste begin "Hemel en Aarde nog
niet gescheiden, en de _In_ en _Yo_ nog niet verdeeld." Dit doet ons
denken aan andere verhalen omtrent het ontstaan der wereld. De _In_
en _Yo_, die overeenkomen met de Chineesche _Yang_ en _Yin_, waren
het mannelijke en het vrouwelijke beginsel. Het was voor de oude
Japansche schrijvers gemakkelijker, zich de schepping voor te stellen
in termen, die niet zeer afweken van die, waarin zij zich de schepping
voorstelden. In de Polynesische fabelleer vinden wij tamelijk wel
dezelfde opvatting, waar Rangi en Papa Hemel en Aarde voorstellen;
andere hiermede overeenkomende opvattingen worden ook gevonden in
Egyptische en andere scheppingsverhalen. In bijna alle verhalen
zien wij, hoe de mannelijke en de vrouwelijke beginsels een in het
oog loopende, en trouwens ook zeer rationeele plaats innemen. In de
_Nihongi_ wordt ons medegedeeld, dat die mannelijke en vrouwelijke
beginsels "een chaotische massa vormden als een ei, dat duister
bepaalde grenzen had en kiemen bevatte." Op een zeker oogenblik kwam
dat ei tot leven, en het zuiverder en helderder gedeelte kwam er uit
te voorschijn en vormde den Hemel, terwijl het zwaardere element zich
afzette en de Aarde werd, hetgeen vergeleken werd "bij het drijven
van een visch, die dartelt op de oppervlakte van het water." Een
geheimzinnige gedaante, die geleek op een riethalm, kwam plotseling
te voorschijn tusschen Hemel en Aarde, en veranderde even plotseling
in een God, Kuni-toko-tachi genaamd. Wij kunnen de overige goddelijke
geboorten overslaan, totdat wij komen aan de gewichtige godheden,
bekend als Izanagi en Izanami. ("De man, die uitnoodigt" en "de vrouw,
die uitnoodigt"). Hierover is een verrukkelijke mythe gesponnen.
Izanagi en Izanami.
Izanagi en Izanami stonden op de Drijvende Brug van den _Hemel_ en
zagen in den afgrond neer. Zij vroegen elkander, of er ver beneden de
groote Drijvende Brug een land gelegen was. Zij namen het besluit,
daarnaar onderzoek te doen. Om dit te doen, lieten zij een juweelen
speer neer en vonden zij den oceaan. Toen zij de speer iets optilden,
droop er water af, dat stolde en het eiland Onogoro-jima ("Plotseling
bevroren eiland") werd.
Beide godheden daalden naar dat eiland af. Kort daarna verlangden zij
man en vrouw te worden, hoewel zij uit den aard der zaak broeder en
zuster waren; maar die bloedverwantschap is in het oosten nooit een
reden geweest, die het huwelijk belette. De godheden richtten daarom
een pilaar op het eiland op. Izanagi liep den éénen kant er omheen,
Izanami den anderen kant. Toen zij elkander tegenkwamen, zeide Izanami:
"Wat heerlijk! Ik heb een bekoorlijken jongeling ontmoet." Men zou
gedacht hebben, dat een dergelijke naïeve opmerking Izanagi genoegen
zou hebben gedaan; maar hij werd er juist erg boos over, en hij
antwoordde: "Ik ben een man, en ontleen daaraan het recht het eerst
te mogen spreken. Hoe komt het echter, dat gij, een vrouw, het eerst
hebt gesproken? Dat is ongelukkig. Laat ons nog eens rondgaan." Zoo
gingen de beide godheden opnieuw op weg. Zij ontmoetten elkander ten
tweeden male, en nu maakte Izanagi de opmerking: "Hoe heerlijk! Ik
heb een bekoorlijk meisje ontmoet." Korten tijd na dat zoo vernuftige
huwelijksaanzoek, traden Izanagi en Izanami in het huwelijk.
Toen Izanami het leven had geschonken aan eilanden, zeeën, rivieren,
struiken en boomen, overlegde zij met haar meester en sprak zij: "Wij
hebben nu het Groote-Acht-Eiland voortgebracht met de bergen, rivieren,
kruiden en boomen. Waarom zouden wij niet iemand voortbrengen, die
de Heer van het Heelal zal zijn?"
De wensch van die godheden werd vervuld, want op het geschikste
tijdstip werd Ama-terasu, de Godin der Zon, geboren. Zij stond bekend
als "de Hemel-Verlichtende Groote Godheid", en was zóó buitengewoon
schoon, dat haar ouders besloten, haar de Ladder des Hemels op te doen
klimmen, ten einde in de hooge lucht voor eeuwig haar schitterenden
zonneschijn op de aarde te doen stralen.
Hun volgende kind was de Maan-God, Tsuki-yumi. Zijn zilveren glans
was niet zoo schoon als de gouden uitstraling van zijn zuster, maar
hij werd niettemin waardig geacht, haar echtgenoot te zijn. Daarop
klom ook de Maan-God de Ladder des Hemels op. Spoedig raakten zij in
twist, waarop Ama-terasu zeide: "Gij zijt een boosaardige godheid. Ik
moet u niet van aangezicht tot aangezicht zien." Daarom werden zij een
dag en een nacht van elkander gescheiden, en woonden zij afzonderlijk.
Het volgende kind van Izanagi en Izanami was Susa-no-o ("De
Onstuimige Jongeling"). Wij zullen ons later nog met Susa-no-o en zijn
verrichtingen bezig houden en ons voor het oogenblik tevreden stellen,
onze aandacht te beperken tot zijne ouders.
Izanami schonk ook het leven aan den God van het Vuur, Kagu-tsuchi. De
geboorte van dat kind maakte haar ernstig ziek. Izanagi knielde op
den grond, bitter weenend en vreeselijk klagend. Maar zijn smart
hielp hem niets, daar Izanami wegsloop naar het Land van Yomi (Hades).
Haar echtgenoot kon echter zonder haar niet leven, en ging ook naar het
Land van Yomi. Toen hij haar ontdekte, zeide zij met diep leedwezen:
"Mijn heer en echtgenoot, waarom komt gij zoo laat? Ik heb reeds
gegeten van het kookfornuis van Yomi. Maar ik ben nu op het punt mij
neder te leggen om te rusten. Ik smeek u, niet naar mij te zien."
Izanagi, door nieuwsgierigheid bewogen, weigerde aan haar wensch
te voldoen. Het was duister in het land van Yomi, daarom haalde hij
zijn kam met vele tanden te voorschijn, brak een stuk af en stak dat
aan. Het gezicht, dat hem begroette, was afgrijselijk en ontzettend
afschuwwekkend. Zijn vroeger zoo schoone vrouw was nu een gezwollen
schepsel geworden, bedekt met etterende zweren. Acht verschillende
soorten van Dondergoden rustten op haar. De Donder van het Vuur,
de Aarde en de Bergen gluurden op hem, en bulderden met ontzaglijke
stemmen.
Izanagi verschrikte hevig en walgde van het gezicht, terwijl hij zeide:
"Ik ben geheel onverwacht naar een afzichtelijk en bezoedeld land
gekomen". Zijn vrouw antwoordde: "Waarom hebt gij ook niet in acht
genomen, wat ik u heb bevolen? Nu is schande over mij gekomen".
Izanami was zóó verontwaardigd op haar echtgenoot, omdat hij haar
afzondering niet had geëerbiedigd, dat zij de Acht Leelijke Vrouwen
van Yomi uitzond om hem te vervolgen. Izanagi trok zijn zwaard en
vluchtte naar de duistere streken van de Onderwereld. Onder het loopen
nam hij zijn hoofddeksel af en wierp dat op den grond. Het veranderde
onmiddellijk in een tros druiven. Toen de Leelijke Vrouwen dit zagen,
bukten zij en aten van de overheerlijke, zoete vruchten. Izanami zag,
dat zij stilhielden, en achtte het daarom verstandig, haar echtgenoot
zelf te vervolgen.
Op dit oogenblik had Izanagi den Effen Doorgang van Yomi bereikt. Daar
plaatste hij een groote rots, en kwam toevallig tegenover Izanami
te staan. Men zou waarlijk niet gedacht hebben, dat Izanagi tijdens
zulke opwindende avonturen plechtig een echtscheiding zou hebben
uitgesproken. Maar toch was dit juist wat hij toen deed. Op zijn
voorstel antwoordde zijn vrouw: "Mijn waarde meester en echtgenoot, als
gij zoo spreekt, zal ik al wat leeft in één dag worgen". Dit klagende,
maar tevens dreigende antwoord oefende in het minst geen invloed uit
op Izanagi, die onmiddellijk antwoordde, dat hij zou zorgen, dat op
één dag niet minder dan vijftien honderd wezens zouden geboren worden.
Bovenstaand antwoord blijkt inderdaad beslissend geweest te zijn,
immers als wij weer van Izanagi hooren spreken, is hij uit het Land
van Yomi ontsnapt, en is hij een nijdige vrouw en de Acht Leelijke
Vrouwen ontloopen. Nadat hij ontsnapt was, onderwierp hij zich aan
een groot aantal afwasschingen, bij wijze van reiniging, en daaruit
werden een groot aantal godheden geboren. Wij lezen in de _Nihongi_:
"Daarna, toen Izanagi zijn goddelijke taak had volbracht en toen zijn
geestelijke loopbaan op het punt stond een verandering te ondergaan,
bouwde hij zich een sombere verblijfplaats op het eiland Ahaji,
waar hij eeuwig in stilte en afzondering in het verborgene vertoefde."
Ama-terasu en Susa-no-o.
Susa-no-o, of de "Onstuimige Jongeling", was de broeder van Ama-terasu,
de Godin der Zon. Susa-no-o was een zeer ongewenschte godheid,
en in het Rijk der Japansche Goden was hij een beslist hinderlijk
element. Zijn karakter is zeer duidelijk in de _Nihongi_ geschetst,
misschien zelfs duidelijker dan dat van eenige andere godheid, in
die oude geschriften vermeld. Susa-no-o had een ontzettend slecht
humeur, dat zich dikwijls openbaarde in een aantal wreede en onedele
handelingen. Bovendien had hij, in weerwil van zijn langen baard, de
gewoonte voortdurend te huilen en te jammeren. Als een ander kind in
een gril een stuk speelgoed zou vernielen, zou de Onstuimige Jongeling,
als hij in ziedende drift ontstoken was, zonder een oogenblik te
waarschuwen het schoone groen der bergen doen verdorren, en bovendien
een aantal menschen een ontijdigen dood doen sterven.
Zijn ouders, Izanagi en Izanami, waren door zijn wijze van optreden
in groote zorgen; zij besloten dan ook, na ernstig met elkander te
hebben overlegd, hun weerspannigen, ongezeglijken zoon naar het land
van Yomi te verbannen. Maar Susa-no-o had ook een woordje in die zaak
mede te spreken. Hij deed het volgende verzoek met de woorden: "Ik zal
nu uwe bevelen gehoorzamen en naar het Onder-Land (Yomi) gaan. Vóór
dien tijd wensch ik echter een korten tijd naar de Vlakte van den
Hoogen Hemel te gaan en een onderhoud te hebben met mijn oudere zuster
(Ama-terasu), waarna ik voor eeuwig zal verdwijnen". Dit schijnbaar zoo
onschuldige verzoek werd hem toegestaan, en Susa-no-o steeg op naar
den Hemel. Zijn vertrek veroorzaakte een groote beweging der zee,
en de heuvelen en bergen zuchtten zwaar. Ama-terasu hoorde nu dat
leven, en toen zij bemerkte, dat daardoor de aanstaande komst van haar
slechten broeder Susa-no-o werd aangekondigd, zeide zij bij zich zelf:
"Komt mijn jongere broeder met goede bedoelingen hier? Ik denk, dat
het zijn doel is, mij van mijn koninkrijk te berooven. Volgens de
opdracht, die onze ouders hun kinderen hebben gegeven, heeft ieder
van ons zijn hem uitsluitend toegewezen gebied. Waarom dus verwerpt
hij het koninkrijk, waarheen hij zich heeft te begeven, en drijft
hij de vermetelheid zoo ver, om hier te komen spionneeren?"
Ama-terasu maakte zich toen gereed voor den strijd. Zij bond zich
het haar in knoopen, en hing er juweelen in, en om haar polsen
"een prachtig snoer met vijfhonderd Yasaka juweelen." Zij zag
er ontzagwekkend uit, toen zij nog bovendien over haar rug een
"pijlkoker met duizend pijlen" had geslagen en bovendien een tweeden
"pijlkoker met vijfhonderd pijlen", en toen zij daarbij nog haar
armen had beschermd met een soort kussens, om het terugspringen van
de pees van den boog zooveel mogelijk te dempen. Nadat zij zich aldus
voor een doodelijken strijd had toegerust, zwaaide zij haar boog,
greep het gevest van haar zwaard, en stampte telkens hard op den
grond, totdat zij een gat had gemaakt, dat wijd genoeg was, om als
verschansing dienst te doen.
Al die uitgewerkte en vernuftige voorbereidingen waren vergeefsch. De
Onstuimige Jongeling deed zich volkomen voor als een boeteling. "Van
het begin af", zoo sprak hij, "is mijn hart niet zoo zwart geweest. Ik
ben op het punt voor eeuwig naar het Onder-Land te vertrekken, hoe
kon ik de gedachte verdragen, om te vertrekken, zonder nog eens voor
het laatst, u, mijn oudere zuster, van aangezicht tot aangezicht
te aanschouwen? Om die reden ben ik te voet de wolken en nevelen
doorgetrokken en ben ik van verren afstand hierheen gekomen. Het
verbaast mij, dat mijn oudere zuster van haar kant een zoo strenge
en stroeve houding tegen mij aanneemt."
Ama-terasu hoorde die opmerking niet zonder eenig wantrouwen aan. De
liefde van Susa-no-o voor zijn bloedverwanten was niet gemakkelijk
in overeenstemming te brengen met zijn wreedheid. Daarom besloot zij
zijn oprechtheid op de proef te stellen door een merkwaardige wijze
van handelen, die wij hier niet behoeven te beschrijven. Voldoende
zij het te zeggen, dat de zuiverheid van hart en de oprechtheid
van den Onstuimigen Jongeling tegenover zijn zuster glansrijk te
voorschijn kwamen.
Maar het goede gedrag van Susa-no-o was in werkelijkheid slechts van
korten duur. Ama-terasu had juist een groot aantal voortreffelijke
rijstvelden in den Hemel gemaakt. Enkele waren kort en andere waren
lang, en Ama-terasu was terecht trotsch op die rijstvelden. Maar
nauwelijks had zij het zaad in de lente gezaaid, of Susa-no-o vernielde
de scheidingen tusschen de velden en liet in den herfst een aantal
bonte veulens los.
Op zekeren dag, toen hij zijn zuster zag in de heilige Weef-Zaal,
terwijl zij bezig was de kleederen der Goden te weven, maakte hij
een opening in de zoldering en wierp hij een gevild paard naar
beneden. Ama-terasu was zóó verschrikt, dat zij zich bij ongeluk
aan de weversspoel bezeerde. In woede ontstoken, besloot zij haar
verblijfplaats te verlaten; haar glinsterende kleederen daarom
bijeengarend, kroop zij de blauwe lucht af, trad een grot binnen,
maakte die stevig dicht, en bleef daar in eenzaamheid achter.
De wereld was nu in duisternis gehuld, en men kende geen wisseling
meer van dag en nacht. Toen die ontzettende ramp had plaats
gegrepen, verzamelden zich de Tachtig Myriaden Goden aan den
oever der Rivier van den Hemel, en bespraken samen, hoe zij het
best Ama-terasu konden overreden, om den Hemel weer op nieuw te
begunstigen met haar schitterende glorie. Geen mindere Godheid dan de
"Gedachten-bijeenvoegende" bracht na diepzinnig overleg een aantal
zangvogels bijeen uit het Eeuwige Land. Na een aantal tooverformulieren
met een bot van een hertepoot over een vuur van schors van een
kerseboom, vervaardigden de Godheden een aantal gereedschappen,
blaasbalgen en smidsen. Sterren werden samengesmeed om een spiegel
te vormen, en ten slotte werden edelgesteenten en muziekinstrumenten
vervaardigd.
Toen dit alles behoorlijk voltooid was, kwamen de Tachtig Myriaden
Goden naar beneden naar de grot in de rots, waar de Zon-Godin verborgen
was, en gaven een goed bestudeerde voorstelling. Aan de bovenste
takken van den Echten Sakaki Boom hingen zij de kostbare juweelen,
en aan de middelste takken den spiegel. Aan iederen kant was er een
luid gezang van vogels, wat slechts het voorspel was van wat moest
volgen. Nu nam Uzume ("Hemelsch-verontrustende-vrouw") een speer
in haar hand, bekranst met Eulalia gras, en maakte een kapsel van
den Echten Sakaki Boom. Daarna zette zij een tobbe omgekeerd neer,
en begon op bijzonder onwelvoegelijke wijze te dansen, totdat de
Tachtig Myriaden Goden in lachen uitbarstten.
Dergelijke merkwaardige en buitengewone handelingen wekten
natuurlijk de nieuwsgierigheid op van Ama-terasu, en zij kwam dus te
voorschijn. Op nieuw werd de wereld door haar tegenwoordigheid in
goudglans gehuld. Op nieuw hield zij verblijf in de Vlakte van den
Hoogen Hemel, en Susa-no-o werd behoorlijk gekastijd en naar het Yomi
Land verbannen.
Susa-no-o en de Slang.
Bij de gewone tegenstrijdigheid van mythen en legenden, behoeft het
ons niet te verbazen, dat nergens meer eenige melding wordt gemaakt
van het leven van Susa-no-o in het Land van Yomi. Als wij hem weer
terugzien, is het buiten eenig verband met zijn gewonen, boosaardigen
aanleg. Wij vinden hem juist terug in een rol, die de Ridders van de
Ronde Tafel waardig is. Wij zijn volkomen in onzekerheid, of zijn
plotseling optreden als dolende ridder een listige zet van zijn
kant was met het oog op latere plannen, dan wel of het plotselinge
verdwijnen van zijn zuster uit den Hemel hem er toe geleid heeft,
voor goed zijn wijze van handelen te veranderen.
Toen Susa-no-o uit den Hemel was afgedaald, kwam hij aan de rivier
Hi, in de provincie Idzumo. Hier werd hij gestoord door een weenend
geluid. Het was iets zóó ongewoons, een ander dan hem zelf te
hooren weenen, dat hij er dadelijk op uittrok, om de oorzaak dier
droefheid op te sporen. Spoedig ontdekte hij een ouden man en een
oude vrouw. Zij hadden een jong meisje tusschen zich in, dat zij
hartelijk liefkoosden en met medelijdende oogen aanstaarden, alsof
zij haar met tegenzin een laatst vaarwel toeriepen. Toen Susa-no-o
het oude paar vroeg, wie zij waren en waarom zij zoo weeklaagden,
antwoordde de oude man: "Ik ben een Aardsche Godheid, en mijn naam
is Ashi-nadzuchi ('Voet-slag-oude'). De naam van mijn vrouw is
Te-nadzuchi ('Hand-slag-oude'). Dit meisje is onze dochter, en haar
naam is Kushi-nada-hime ('Bewonderenswaardige-Inada-Prinses'). De
reden van onze droefheid is, dat wij vroeger acht kinderen, allen
dochters, bezeten hebben; maar ieder jaar is er ééne verslonden
door een achttakkige slang, en nu nadert de tijd, dat dit meisje zal
worden verslonden. Er is geen kans voor haar, om hieraan te ontkomen,
en daarom zijn wij zoo vreeselijk bedroefd."
De Onstuimige Jongeling luisterde met de grootste aandacht naar dit
droevige verhaal, en daar hij zag, dat het meisje bijzonder schoon
was, bood hij zich aan, om de achttakkige slang te dooden, als haar
ouders haar hem ten huwelijk wilden geven als een passende belooning
voor zijn diensten. Dit verzoek werd bereidwillig toegestaan.
Susa-no-o veranderde nu Kushi-nada-hime in een kam met veel tanden
en stak dien in zijn haar. Daarop verzocht hij het oude echtpaar,
een ruime hoeveelheid _saké_ te brouwen. Toen de _saké_ gereed was,
goot hij het brouwsel in acht kuipen en wachtte de komst van het
vreeselijke monster af.
Eindelijk kwam de slang. Zij had acht koppen, en oogen rooder dan
wintergroen. Bovendien had zij acht staarten, en dennen en cypressen
groeiden op haar rug. Zij had een lengte van acht heuvels en acht
valleien. Haar logge wijze van beweging was uit den aard der zaak
langzaam, maar toen zij de _saké_ ontdekte, dronk iedere kop gretig
den verleidelijken drank, totdat de slang vreeselijk dronken werd en
in slaap viel. Daar Susa-no-o toen weinig meer had te vreezen, trok
hij zijn zwaard, dat tien span groot was, en hakte hij het groote
monster in kleine stukken. Toen hij één der staarten trof, werd zijn
zwaard gekorven en toen hij zich daar overheen bukte, ontdekte hij
een zwaard, dat de Murakumo-no-Tsurugi genoemd werd. Toen hij zag, dat
het een goddelijk zwaard was, gaf hij het aan de Goden van den Hemel.
Nadat hij zijn taak met den besten uitslag had volbracht, veranderde
Susa-no-o zijn kam met vele tanden weer in Kushi-nada-hime, en kwam
tenslotte in Suga, dat gelegen was in de provincie Idzumo, teneinde
zijn huwelijk te kunnen sluiten. Hier vervaardigde hij het volgende
gedicht:
"Vele wolken verrijzen,
Aan alle zijden een veelvuldige heining,
Om daarbinnen de bruiden te ontvangen,
Zij vormen een veelvuldige heining--
O! die veelvuldige heining!"
_Nihongi_.
De Goddelijke Boden.
In die dagen ontdekten de Goden, die in de Hooge Vlakte van den Hemel
verzameld waren, dat er in het Middenland van Riet-Vlakten (Idzumo)
voortdurend rustverstoringen waren. Men verhaalt, dat "Vlakten,
de rotsen, boomstammen en grassen nog steeds het vermogen hebben te
spreken. Des nachts maken zij een geraas gelijk aan dat van vurige
vlammen; over dag dwarrelen zij heen en weer als vliegen in de vijfde
maand." Bovendien waren er enkele godheden, die aanleiding gaven tot
klachten. De Goden besloten aan die rustverstoringen een einde te
maken, en na ernstig overleg besloot Taka-mi-musubi, zijn kleinzoon
Ninigi naar beneden te zenden, om het Middenland van Riet-Vlakten te
besturen, ten einde den oproerigen geest uit te roeien en vrede en
voorspoed in het land te brengen. Het werd noodzakelijk geacht boden te
zenden, om reeds te voren den weg te effenen. De eerste afgezant was
Ama-no-ho; maar daar hij drie jaar doorbracht in dat land zonder aan
de Goden verslag te doen, werd zijn zoon in zijn plaats gezonden. Hij
handelde volkomen als zijn vader, en tartte de bevelen der Hemelsche
Goden. De derde bode was Ame-waka ("Hemel-jonge-Prins"). Ook hij
was trouweloos, in weerwil van zijn edele wapens, en in plaats van
zijn plichten te vervullen, werd hij verliefd op Shita-teru-hime
("Mindere-glans-Prinses") die hij zich tot vrouw nam.
De verzamelde Goden waren verontwaardigd over dat vertoef, en zonden
een fazant naar beneden, om na te gaan en te onderzoeken, wat er
in Idzumo gaande was. De fazant ging zitten op een cassiaboom voor
de deur van Ame-waka. Toen Ame-waka den vogel zag, schoot hij hem
onmiddellijk dood. De pijl drong door den vogel heen, steeg op tot
de Verblijfplaats der Goden, en werd weer teruggeslingerd, zoodat
hij den trouweloozen en luien Ame-waka doodde.
Het geween van Mindere-glans-Prinses bereikte den Hemel, immers zij
had haar echtgenoot innig lief en herkende in zijn plotselingen dood
volstrekt niet de rechtvaardige wraak der Goden. Zij weende zóó luide
en zóó hartverscheurend, dat de Hemelsche Goden haar hoorden. Een
krachtige wind daalde neer, die het lichaam van Ame-waka naar de Hooge
Vlakte van den Hemel heendreef. Een doodenhuis werd gemaakt, waarin de
overledene gelegd werd. Gedurende acht dagen en acht nachten weerklonk
het gejammer en het geween. De wilde gans in de rivier, de reiger,
de ijsvogel, de musch en de fazant treurden met groote droefenis.
Het geschiedde nu, dat een vriend van Ame-waka, Aji-shi-ki genaamd,
de treurige klaagliederen hoorde, die van den Hemel neerdaalden. Hij
betuigde daarom zijn deelneming in de droefenis. Hij geleek echter
zóózeer op den overledene, dat de ouders, bloedverwanten, vrouw en
kinderen van Ame-waka, toen zij hem zagen, uitriepen: "Onze heer is
nog in leven!" Dit hinderde Aji-shi-ki zóó zeer, dat hij zijn zwaard
trok en het doodenhuis neerhaalde, zoodat het op de Aarde neerviel
en de berg Moyama werd.
Men zegt, dat het licht, dat Aji-shi-ki uitstraalde, zóó schitterend
was, dat het de oppervlakte van twee heuvels en twee valleien
verlichtte. Zij, die voor de lijkplechtigheden bijeengekomen waren,
zongen het volgende gezang:
"Zooals het snoer juweelen
Gedragen om den hals
Der Wevende maagd,
Die in den Hemel woont--
O! de glans der juweelen,
Over twee valleien geworpen
Door Aji-suki-taka-hiko-ne!"
"Naar den vijver ter zijde--
Den vijver ter zijde
Van den rotsigen stroom,
Welks geulen worden doortrokken
Door de landmeisjes
Ver van den Hemel,
Kom hierheen, kom hierheen!
(De vrouwen zijn schoon)
En spreid dan uw net
In den vijver ter zijde
Van den rotsigen stroom."
_Nihongi_.
Er werden toen weer twee andere goden naar het Middenland van
Riet-Vlakten gezonden, en die Goden slaagden in hun zending. Zij
keerden met een gunstig verslag naar den Hemel terug, en deelden mede,
dat alles nu gereed was voor de komst van het Verheven Kleinkind.
De komst van het Verheven Kleinkind.
Ama-terasu begiftigde haar kleinzoon Ninigi, of Prins
Rijst-Aar-Rossig-Overvloed, met ruime giften. Zij schonk hem kostbare
steenen van de bergtrappen des Hemels, witte kristallen ballen, en, wat
de kostbaarste gift van alle was, het goddelijke zwaard, dat Susa-no-o
in de slang had ontdekt. Zij gaf hem eveneens den sterrenspiegel,
waarin zij gekeken had, toen zij uit haar grot gluurde. Verschillende
godheden vergezelden Ninigi, en daaronder was ook die opgewekte,
vroolijke en dansende maagd Uzume begrepen, wier dansen, zooals men
zich zal herinneren, de Goden zooveel vreugde had verschaft.
Ninigi en zijn metgezellen waren nauwelijks door de wolken
heengebroken, en aan den Weg naar den Hemel met zijn acht vertakkingen
gekomen, toen zij tot hun groote ontsteltenis een reusachtig wezen
ontdekten, met groote en helder schijnende oogen. Zijn uiterlijk
was zóó schrikwekkend, dat Ninigi en al zijn metgezellen, met
uitzondering van de vroolijke en betooverende Uzume, zich opmaakten
om terug te keeren en hun zending in den steek te laten. Maar Uzume
ging naar den reus toe en vroeg hem, wie het was, die hun tocht durfde
tegenhouden. De reus antwoordde: "Ik ben de Godheid der Veldwegen. Ik
kom mijn hulde bieden aan Ninigi, en verzoek de eer te mogen hebben,
hem tot gids te strekken. Keer naar uw meester terug, o schoone Uzume,
en breng hem de boodschap over."
Uzume keerde daarop terug en bracht haar boodschap over aan de Goden,
die op zoo lafhartige wijze teruggeweken waren. Toen zij het goede
nieuws hoorden, verheugden zij zich zeer, braken ten tweede male
door de wolken heen, rustten uit op de Drijvende Brug van den Hemel,
en bereikten eindelijk den top van Takachihi.
Het Verheven Kleinkind reisde, met de Godheid der Veldwegen als gids,
van het ééne deel van het rijk waarover hij zou regeeren, naar het
andere. Toen hij een bijzonder liefelijke plaats had bereikt, bouwde
hij een paleis.
Nigini was zóó ingenomen met den dienst, dien de God der Veldwegen
hem had bewezen, dat hij dien reus de vroolijke Uzume tot vrouw gaf.
Nadat Nigini op zoo romantische wijze zijn trouwen gids had beloond,
begon hij ook zelf het ontbranden van het liefdevuur in zijn borst te
voelen, toen hij op zekeren dag, op een wandeling langs de kust een
bijzonder lieftallig meisje zag. "Wie zijt gij, o schoone dame?" vroeg
Ninigi. Zij antwoordde: "Ik ben de dochter van den Bezitter van den
Grooten Berg. Mijn naam is Ko-no-Hana, de Prinses die de Bloemen en
Boomen doet bloeien."
Ninigi werd verliefd op Ko-no-Hana. Met allen spoed ging hij naar
haar vader, Oho-yama, en verzocht dezen, hem wel haar hand te willen
schenken.
Oho-yama had een oudere dochter, Iha-Naga, Prinses
Lang-als-de-Rotsen. Zooals haar naam doet vermoeden, was zij volstrekt
niet schoon, maar haar vader wenschte, dat de kinderen van Ninigi
eeuwig zouden blijven leven zooals de rotsen. Daarom bracht hij zijn
beide dochters naar Ninigi, en sprak hij de hoop uit, dat de keuze van
den minnaar op Iha-Naga zou vallen. Evenals Asschepoester, en niet
haar leelijke zusters, bij de kinderen van onze streken geliefd is,
zoo bleef ook Ninigi trouw aan zijn oorspronkelijke keuze, en wilde
zelfs geen blik slaan op Iha-Naga. Deze veronachtzaming maakte Prinses
Lang-als-de-Rotsen vreeselijk boos. Zij riep met meer heftigheid dan
bescheidenheid uit: "Als gij mij hadt gekozen, zoudt gij en uw kinderen
lang in het land hebben geleefd. Nu gij mijn zuster hebt gekozen,
zult gij met de uwen even snel omkomen als de bloesems der boomen,
en even snel als de jeugdige frischheid op het gelaat van mijn zuster."
Toch leefde Ninigi en Ko-no-Hana een tijdlang samen gelukkig; maar
op zekeren dag werd Ninigi door jaloerschheid bevangen, waardoor hij
zijn gemoedsrust verloor. Hij had geen enkele reden, jaloersch te
zijn, en Ko-no-Hana nam hem zijn optreden ten hoogste kwalijk. Zij
trok zich terug in een houten hut, die zij in brand stak. Uit de
vlammen verrezen drie kleine jongens. Wij behoeven ons alleen maar
bezig te houden met twee van hen--Hoderi ("Schijnend-Vuur") en Hoori
("Uitdoovend-Vuur"). Zooals wij later zullen zien, was Hoori de
grootvader van den eersten Mikado van Japan.
In het Paleis van den Zeegod.
Hoderi was een groot visscher, terwijl zijn jongere broeder, Hoori,
een volleerd jager was. Op zekeren dag riepen zij uit: "Laat ons bij
wijze van proef onze gaven omruilen." Dit deden zij, maar de oudste
broeder, die zeer goed visch kon vangen, kwam thuis zonder eenig wild,
toen hij op de jacht was getrokken. Hij gaf dus den boog en de pijlen
terug, en vroeg zijn broeder om den vischhaak. Het ongeluk wilde
echter, dat Hoori den vischhaak van zijn broeder had verloren. Het
edelmoedige aanbod, om een nieuwen haak te geven, werd met minachting
geweigerd. Hij weigerde eveneens, een boordevollen bak met vischhaken
aan te nemen. De oudere broeder antwoordde op dit aanbod: "Onder
deze haken zie ik niet mijn ouden vischhaak; hoewel er heel wat zijn,
wil ik ze niet hebben."
Hoori nu was diep bedroefd over de norschheid van zijn broeder;
daarom ging hij naar het strand der zee en gaf daar uiting aan zijn
droefheid. Een vriendelijke oude man, Shiko-tsutsu no Oji genaamd
("Zoute-zee-oude"), zeide: "Waarom treurt gij hier?" Toen hij het
droeve verhaal had vernomen, antwoordde de oude man: "Treur niet
langer. Ik zal die zaak voor u in orde brengen."
Getrouw aan zijn belofte, maakte de oude man een mand, zette
Hoori daarin, en deed die in zee zinken. Toen Hoori diep in het
water was neergedaald, kwam hij aan een liefelijk strand, dat rijk
was aan verschillende soorten zeegras van de meest fantastische
vormen. Hier liet hij de mand achter en kwam eindelijk aan het Paleis
van den Zeegod. Dit paleis maakte een ontzaglijken indruk. Het had
kasteelen, kleine torentjes en statige torens. Een bron stond aan
de deur, en boven die bron stond een cassiaboom. Hier bleef Hoori
in de heerlijke schaduw vertoeven. Hij had daar niet lang gestaan,
toen een schoone vrouw te voorschijn trad. Toen zij op het punt was,
water te scheppen, hief zij haar oogen op, zag den vreemdeling en
vertrok weer onmiddellijk met groote ontsteltenis, om haar vader en
moeder te vertellen, wat zij gezien had.
De Zeegod maakte, toen hij het bericht vernam, een "achtvoudig
kussen" en leidde den vreemdeling naar binnen met de vraag, waaraan
hij de eer van zijn tegenwoordigheid te danken had. Toen Hoori hem
het droevige verlies mededeelde van den vischhaak van zijn broeder,
verzamelde de Zeegod alle visschen van zijn Koninkrijk, "zoowel die met
breede, als die met smalle vinnen". En toen de duizenden en duizenden
visschen verzameld waren, vroeg hen de Zeegod, of zij iets afwisten
van den verloren vischhaak. "Wij weten er niets van", antwoordden de
visschen. "Alleen de Roode-vrouw (de _tai_) had eenigen tijd geleden
een zeeren mond, en zij is niet verschenen." Daarop werd zij ontboden,
en toen haar mond werd geopend, werd de verloren vischhaak ontdekt.
Hoori trouwde daarop met de dochter van den Zeegod, Toyo-tama
("Rijk-Juweel"), en zij leefden samen in het paleis onder de
zee. Gedurende drie jaren ging alles best, maar daarna kreeg Hoori
heimwee, en wilde hij zoo gaarne een blik slaan op zijn land,
misschien ook herinnerde hij zich, dat hij den vischhaak nog aan
zijn broeder moest teruggeven. Deze volstrekt niet onnatuurlijke
gedachten verontrustten het hart van de liefhebbende Toyo-tama, en
zij ging naar haar vader, om hem de reden van haar droefheid mede te
deelen. Maar de Zeegod, die altijd wellevend en hoffelijk was, nam
het gedrag van zijn schoonzoon volstrekt niet kwalijk. Integendeel,
hij gaf hem den vischhaak en zeide: "Als gij dezen vischhaak aan uw
ouderen broeder geeft, zeg dan tegen dien vischhaak heimelijk: 'Een
ongelukkige vischhaak!'" Evenzoo schonk hij Hoori den Juweel van het
Stijgende Water en dien van het Vallende Water en zeide: "Als gij den
Juweel van het Stijgende Water onderdompelt, zal het water plotseling
wassen, en zult gij uw ouderen broeder onder water doen zinken. Maar
voor het geval uw oudere broeder berouw heeft en vergiffenis vraagt,
zal, als gij den Juweel van het Vallende Water onderdompelt, het
water plotseling dalen, en zult gij hem dus redden. Indien gij hem
op die manier bejegent, zal hij zich uit eigen beweging onderwerpen."
Juist toen Hoori op het punt stond te vertrekken, kwam zijn vrouw bij
hem en deelde hem mede, dat zij hem spoedig een kind zou schenken. Zij
zeide: "Op een dag, waarop de winden en de golven woeden, zal ik
vast en zeker naar het strand der zee komen. Bouw voor mij een huis,
en wacht daar op mij."
Hoderi en Hoori verzoenen zich.
Toen Hoori zijn eigen huis bereikte, vond hij zijn ouderen broeder
weer, die zijn beleediging erkende en om vergiffenis smeekte, welke
hem gaarne werd verleend.
Toyo-tama en haar jongere zuster trotseerden dapper de winden en
golven en kwamen aan het strand der zee. Daar had Hoori een hut
gebouwd, gedekt met veeren van den vischdief, en daar schonk zij op
den juisten tijd het leven aan een zoon. Toen Toyo-tama haar meester
met kroost had gezegend, veranderde zij in een draak en gleed zij
weer in zee terug. De zoon van Hoori huwde met zijn tante, en werd
de vader van vier kinderen, van wie één Kamu-Yamato-Iware-Biko was,
van wien men verhaalt, dat hij de eerste menschelijke Keizer van
Japan was, thans bekend onder den naam van Jimmu Tenno.