Biskra, ongeveer twee uur sporens ten Zuiden van El-Kantara, is het

eindpunt van de lijn van Constantine naar de Sahara. Het is een

oase, die, wat uitgestrektheid en schoonheid betreft, El-Kantara

nog ver overtreft. Juister gezegd, bestaat het uit elf oasen van

uiteenloopende uitgestrektheid, die schilderachtig verspreid aan

den voet van twee massieve bergmassa's liggen, den reeds vroeger

vermelden Djebel Aoures en den berg der Zibans (ziban-dorpen,

enkelv. zab). De Arabieren, steeds er op uit om alles, wat door

bijzondere schoonheid of bekoorlijkheid uitmunt, bij een koningin,

sultane of prinses te vergelijken, noemen daarom Biskra de koningin

der Zibans. En terecht verdient het dien naam. Want als een koningin,

stralend van schoonheid, de trotsche kruinen van zijn 160,000 palmen

badend in den zonnegloed, ligt het daar aan den ingang der woestijn

bij de grenzen der beschaafde wereld. Het is als 't ware of het aan de

wereld toonen wil, dat ook de woestijn hare overweldigende schoonheid

bezit. En niet alleen schoonheid is haar deel, ook leven, rusteloos en

bedrijvig leven, drukte en vroolijkheid vol Oostersche levendigheid

en schitterende kleurenpracht. Wat Tunis voor het Noorden is, dat is

Biskra voor het Zuiden. Heeft men daar het Arabische leven in al zijn

oorspronkelijkheid, hier kan men den nomadiseerenden Arabier in zijn

ware natuur aanschouwen.

Biskra is het knooppunt van karavaanwegen bij uitnemendheid. Daar toch

komen tallooze wegen uit de Sahara te zamen; daarlangs loopt sinds

eeuwen de hoofdweg van het binnenland door de poort van El-Kantara

naar Tunis. Van Biskra uit gaat ook de groote karavaanweg over de

oasen Tougourt en Ouargla dwars door de Sahara naar het geheimzinnige

Tomboktou aan den Niger. Het ideaal van het Fransche gouvernement is,

dien weg binnen niet al te langen tijd, van oase tot oase, te vervangen

door een spoorweg, den Transsaharien. De 60,000 inwoners van de oase

bestaan uit de meest verschillende rassen uit de woestijn en het

gebergte afkomstig, n.l. negers uit de Sahara en Centraal-Afrika,

Berbers uit den djebel-Aoures, Arabieren uit het Noorden en uit

de Zibans benevens een menigte nomaden, die overal hun tenten in

't vrije veld opslaan.

De Europeanen te Biskra bestaan voor 't grootste deel uit ambtenaren,

militairen en vreemdelingen. Om het gezonde klimaat, de droge,

reine, uitstekende lucht wordt Biskra meer en meer gezocht als

winterverblijf voor vreemdelingen, die er evenals in Egypte genezing

voor longaandoeningen komen zoeken. De toeloop van vreemdelingen

heeft te Biskra paleizen van hôtels doen verrijzen, die in niets

voor Europeesche behoeven onder te doen. Vooral het Victoria-hôtel

en Hôtel Royal munten uit door hun ruime bouworde, prachtige ligging

en uitstekend ingerichte lees- en gezelschapszalen. Daar treft men

ook nomaden aan, maar Europeesche, nl. globe-trotters en mondaines

in de elegantste toiletten. In het voor- en najaar is het te Biskra

het drukst, en wordt het ook het meest bezocht door de karavanen.

In 't voorjaar, als de hitte zich in de woestijn doet gevoelen, de

zonnebrand het schaarsche gras verdort, maken de nomaden zich op, om

met hunne kudden naar de noordelijker gelegen bergstreken te trekken,

waar zij voedsel voor hun vee vinden. In 't najaar heeft de trek in

omgekeerde richting plaats. Daar wij juist in 't voorjaar te Biskra

waren, konden wij getuigen zijn van het drukke verkeer, dat er dien

tijd heerscht. In lange rij kwamen de karavanen uit de binnenlanden

opzetten, al naarmate van den rijkdom des eigenaars door groote of

kleinere kudden schapen, geiten en kameelen vergezeld. Meestal reed de

eigenaar op een vurig paard voorop, dan volgden vrouwen en kinderen

op den rug der kameelen, de vrouwen nu eens gesluierd, dan weer

door een palankijn van bont gestreept doek voor onbescheiden blikken

verborgen. Huisraad en koopwaren, zooals dadels, harst en houtskool,

waren eveneens op kameelen en ezels verpakt. Vlugge, slanke, bruine

jongens en mannen liepen hier en daar naast den stoet, een wakend oog

op de kudden zwarte schapen en geiten houdend. Voor de kameelen is

dit niet noodig, die volgen van zelf een enkele moederkameel vergezeld

van een jong, dat gedwee bij de moeder blijft en er in zijn schonkige

magerheid onoogelijk uitziet. Herbergen, gelijk bij ons, kent men in

't Oosten niet. De karavanen moeten hun toevlucht zoeken in een gebouw,

karavanserai genoemd, bestaande uit vier vleugels, rondom een vierkante

plaats. Op dit plein verzorgt men het lastvee en in het gebouw betrekt

de Bedouïn een cel, waarin hij niets vindt dan een mat. Het is een

schilderachtig tafereel, een drukke karavanserai, maar de zindelijkheid

laat er veel te wenschen over. Natuurlijk vinden in den drukken tijd

lang niet alle karavanen er plaats, en daar de toegang aan de vrouwen

verboden is, geven de meeste Bedouïnen er de voorkeur aan, in de open

lucht te kampeeren. Onder een paar palmboomen wordt de tent opgezet,

en broederlijk huist de geheele familie daar te zamen met honden,

schapen en geiten. Sommige dier tenten zijn van zeildoek of linnen,

en men kan zien, dat daar binnen eenige welgesteldheid heerscht;

de eigenaar ligt in zijn volle waardigheid zijn pijp te rooken,

vrouwen en meisjes zijn bezig met den maaltijd toe te bereiden,

of weven doeken en shawls uit kleurige stoffen.

Andere tenten zijn niets dan een lappendeken van vodden op eenige

staken, omringd met een doornhaag (zeriba) ter bescherming van het

vee; groezelige vrouwen zitten neergehurkt voor den ingang, of werpen

den vreemdeling schuwe blikken door de scheuren der tent toe; magere

half wilde honden blaffen hem toe, en havelooze, smerige, halfnaakte

kinderen stuiven op hem af, onder 't geroep van "donnez un sou, m'siou"

('t eerste wat elk Arabierenkind leert), waarbij zij zoo onbeschaamd

aanhouden, dat men ze bijna met geweld verjagen moet.

Evenals in alle steden, die zich kenmerken door een internationaal

va-et-vient van reizigers, is ook te Biskra voor de noodige afleiding

en ontspanning gezorgd.

Na zijn zwerven door de woestijn, dikwijls gekweld door hitte, dorst

en den verraderlijken woestijnwind, den simoun, wil de Arabier,

zelfs de meest nomadisch aangelegde, wel weer eens de genietingen

der beschaafde wereld smaken.

Daarbij komt, dat het drukke vreemdelingenverkeer nu niet bepaald

voordeelig op de zeden gewerkt heeft, zoodat te Biskra druk aan Venus

en aan 't spel geofferd wordt; ook houden de Arabieren zich daar niet

zoo streng aan de wet van den profeet als hun voorgeschreven is ten

opzichte van wijn en alcoholische dranken, zooals wij zelf eenmaal aan

onzen gids konden bemerken. Des avonds en gedurende een deel van den

nacht is het in sommige straten vrij druk en rumoerig; danshuizen en

café's stralen van licht, harde snerpende muziek weerklinkt, in 't kort

een soort oostersch boulevard-leven in 't klein. Dit concentreert zich

voornamelijk in de zoogenaamde straat der Oulad-Nayl. De Oulad-Nayl is

een Bedouïnenstam, die in het gebergte van dien naam ten westen van

Biskra huist. Tegen den winter gaan de dochters van dien stam naar

die plaats toe, om er zich in de arabische café's als dansmeisjes te

verhuren, tevens haar harten zoo wijd mogelijk voor alle vreemdelingen

openstellend. In 't Oosten wordt de danskunst in 't openbaar slechts

uitgeoefend door meisjes van twijfelachtige zeden.

Dit doet echter der dochters der Oulad-Nayl geen

kwaad. Integendeel. Want evenals de japansche Greishameisjes, zijn

zij bij haar terugkeer naar haar stam met de opgespaarde verdiensten

als bruiden zeer gezocht.

In tegenstelling met de andere Arabische vrouwen ongesluierd, zitten

zij voor de deuren van haar lage huizen, in lange bonte kleederen

gehuld, den kleurigen tulband op 't hoofd, dat aan weerskanten omlijst

is met een dikken dot valsche krullen van dunne zwarte wol, hals en

borst behangen met tallooze kettingen van louis d'or, munten, steenen

en schelpen; armen, polsen en enkels met armbanden en ringen versierd,

de nagels rood geverfd met hennéh, de wenkbrauwen met kohl tot één

dikke zwarte streep getrokken, die de donkere oogen onnatuurlijk groot

maakt. De vreemdelingen gaan natuurlijk een kijkje in deze wijk nemen,

omdat zij hier een eigenaardig stuk oostersch leven te zien krijgen

en niets dat tegen de borst stuit. In 't café binnengetreden, waar een

talrijk publiek van allerlei stand en landaard is, zetten zij zich op

de met tapijten belegde steenen banken neer, om naar het dansen toe te

zien. Op een soort estrade maken eenige muzikanten eentonige muziek,

eerst zacht en slepend, om eensklaps over te gaan tot fortissimo in

een razend tempo, dat eindigt met den Europeaan wanhopig te maken. Op

de maat dier muziek voeren de dochters der Oulad-Nayl hare gracieuse

dansen uit, met voorzichtige schuifelende passen, lenige lende-

en heupbewegingen en sierlijk soms statig armgebaar.

Een kunststukje daarbij is, een ontvangen geldstuk op het voorhoofd

te plaatsen en dit onder 't dansen en 't achteroverbuigen van het

bovenlichaam steeds daarop te houden.

Uren lang kan de Arabier naar die dansen toezien; voor den Europeaan

worden zij spoedig eentonig. In een ander café worden krijgsdansen

uitgevoerd door negers uit Centraal-Afrika, die zich daarbij zoo

afschuwelijk mogelijk toegetakeld hebben, behangen als zij zijn met

lynx- en vossevellen. Onder het uitstoot en van rauwe, brullende

kreten, die niets menschelijks meer hebben, draaien zij met snelle

sprongen en bewegingen om elkander heen, onder 't zwaaien van kromme

sabels, met klapperende castagnetten en een kleine oorlogstrom een

oorverdoovend lawaai makend.

Zoodanig tooneel biedt de straat der Oulad-Nayl den vreemdeling

des avonds. Door zijn licht en leven, zijn oostersche vrouwen en

kleurenpracht en al het exotische maakt deze plek een eigenaardigen

indruk, dien hij niet licht vergeet.

Zeer loonend en vol afwisseling is een wandeling door het dorp

oud-Biskra, bewoond door de eigenlijke inwoners der oase. Men bewondert

hier even als te El-Kantara het kunstige irrigatie-stelsel en de hoog

opschietende dadelpalmen, terwijl de nettere, ruimere woningen van

meer welstand dan ginds getuigen.

Niet ver van daar liggen op een lagen heuvel de overblijfselen van een

turksch fort, dagteekenende uit den tijd dat het gezag van den Grooten

Heer te Constantinopel zich nog over Tunis tot aan de grenzen der

Sahara uitstrekte. Van den top heeft men een gezicht op het zuidelijk

gedeelte van Biskra en tevens op den Col des sfa (sfa: kameelen),

waar een vale, golvende streek te kennen geeft, dat hier het ruwste

en onvruchtbaarste deel der Sahara, de zandwoestijn, waar de simoun

heerscht, door de Arabieren El Erg genoemd, een aanvang neemt.

Beter nog dan van den heuvel bij oud-Biskra kan de reiziger de

zandwoestijn aanschouwen van den toren der moskee van Sidi-Okba. Dit

is een dorp geheel bewoond door Arabieren, op 3 uur rijdens van

Biskra verwijderd. Het is voor hen een beroemde bedevaartplaats,

want in de moskee ligt begraven Sidi-Okba, een neef van Mahommed en

fanatiek strijder voor 't geloof van den profeet, die in den strijd

met de Berbers sneuvelde. Hier ziet men geen Europeesch gebouw,

geen spoor van westersche beschaving. Men is geheel in een Arabisch

milieu, hetgeen het interessante van het bezoek verhoogt, maar in

hooge mate de vrijheid van beweging belemmeren zou, als niet de

Fransche regeering speciaal een Arabier als beambte aangesteld had,

om de vreemdelingen als gids te dienen en tegen de al te groote

indringerigheid en bedelzucht van zijn landgenooten te beschermen.

Bij 't bezoek aan het graf, dat met kostbare wijgeschenken en fraai

met goud en zilver bestikte tapijten versierd is, bestijgt men

ook den toren der moskee; en van den omgang, waar de muezzins bij

't ondergaan der zon met luidklinkende stem de geloovigen tot het

avondgebed oproepen, heeft men een onmetelijk uitzicht op de golvende

zandzee, die zoo veel drama's en verschrikkingen in haren schoot

bergt en waarvan het kleine, in het zonlicht schitterende dorp met

zijn slanke palmen slechts een verlaten post schijnt te zijn. Toch

is het bewoond door ongeveer 3000 Arabieren en negers.

Een der voornaamste aantrekkelijkheden van het reizen in Algerië is

de groote afwisseling, die de natuur telkenmale aanbiedt. Een halve

dagreis is dikwijls voldoende om den reiziger in een landstreek te

brengen, die zoo in alle opzichten verschilt van die, waar hij den

vorigen nacht het moede hoofd ter ruste legde, dat hij zich zelf

bijna verwonderd afvraagt, of deze verandering toch werkelijk in zoo

korten tijd heeft plaats gehad. Grooter tegenstelling dan tusschen het

landschap van Biskra en Kabylië is wel niet denkbaar. Kon ginds de blik

een onmetelijken horizon bevatten, zoo wordt hij hier op korten afstand

gestuit door massieve bergmassa's waarvan de toppen met sneeuw bekroond

zijn, want Kabylië is het hoogste en meest uitgestrekte bergland

van geheel Algerië. Het behoort tot twee provincies. De oostelijke

helft is de grootste en ligt in de provincie Constantine. De bergen

bereiken er echter niet zoo'n hoogte als die der westelijke helft,

in de provincie Algiers gelegen. Van Constantine naar het Westen

sporend, komt de reiziger eerst in de door graan vruchtbare maar

eentonige vlakte van Sétif. Langzamerhand, bij 't naderen van den

Biban-keten, wordt het landschap woester en meer bergachtig; steunend

en hijgend zwoegt de machine tegen de berghelling op, van tijd tot

tijd stil houdend, waar werklieden bezig zijn den veel onderhoud

vereischenden weg te herstellen. Het is of men in een Zwitsersch

landschap verplaatst is. Verdwenen zijn de karavanen met Bedouïnen en

kameelen, als waren zij door den sirocco weggevaagd, verdwenen ook de

palmen met hun sierlijke bladerkronen. De beambten en arbeiders langs

den weg zijn bijna allen van Europeeschen stam en de schilderachtige

oasen zijn vervangen door spaarzame boomgroepen van het soort dat men

"pin d'Aleppe" (een variatie van den den) noemt en naakte, loodrecht

oprijzende rotswanden. Steiler wordt de weg, langzamer kruipt de trein

naar boven, tot hij bij de Portes de Fer het hoogste punt bereikt

heeft. Van daar daalt de weg dan weder met vele zig-zagwendingen

en slingeringen in de vruchtbare vlakte van de Sahel, waar talrijke

olijfboomgaarden en velden met wijnstokken en graan beplant, van de

vruchtbaarheid getuigen. Steeds breeder en liefelijker wordt het dal,

tot de spoorweg zijn eindpunt, het aan zee gelegen Bougie bereikt,

waar ook de Sahel zich in zee stort. Geen plaats in Algerië is schooner

gelegen dan Bougie, amphitheatersgewijze tegen de heuvels gebouwd,

die een tamelijk groote golf omringen. Het gezicht, dat men op de golf

heeft van de balkons van het in Zwitserschen trant gebouwde hôtel,

is werkelijk eenig mooi. Op den voorgrond de kleine haven, waar slanke

vaartuigen met driehoekige zeilen op de donkerblauwe watervlakte heen

en weer schommelen; aan den overkant bergketenen uit de zee oprijzend,

steeds hooger en hooger, de voorste lagere, met groenenden wasdom, de

achterste hoogere, witgekuifd door sneeuw; aan de linkerhand de volle

zee, aan de rechter de vruchtbare vlakte der Sahel, hier en daar door

verschillend genuanceerde, groenende boomgroepen onderbroken. Op een

eenzame, ver in zee uitstekende rots, kaap Carbon, staat een vuurtoren

met draaiend licht, hetwelk op 45 K.M. van uit zee te zien is. Want

de kust is hier zeer gevaarlijk, daar er dikwijls zoo'n sterke mist

heerscht, dat men geen twee passen voor zich uit kan zien.

Bougie is het uitgangspunt voor tochten te voet en per rijtuig door

Groot- en Klein Kabylië. Wegen, hôtels en middelen van vervoer laten

er echter nog veel te wenschen over, zoodat de Arabieren met dien

primitieven toestand hun voordeel doen en er geen streek is, waar de

reiziger meer op zijn tellen en op zijn beurs moet passen dan in dit

deel van het beschaafde Algerië.

Onderscheidt Kabylië zich, wat de natuur en de gesteldheid van den

bodem betreft, van het Zuiden, ja men kan veilig zeggen van geheel

het overige Algerië, zoo is er ook op het gebied van bevolking

groot verschil. De Kabyl is een afzonderlijk type, dat zich door

de afgeslotenheid van zijn ontoegankelijke bergen door vele eeuwen

heen zeer zuiver gehandhaafd heeft, weinig vermengd als het is

door nauwere aanraking met de verschillende volksstammen, die

achtereenvolgens het land overstroomden. Van middelbare gestalte,

lenig, welgemaakt en gespierd, met blauwe oogen en rosachtig haar,

vertoont hij een geheel ander type dan de Arabier. Hij behoort tot

de oorspronkelijke Berberstammen, die voor de komst der Romeinen

het land bewoonden en zich gedurende de onophoudelijke oorlogen en

vervolgingen in het ontoegankelijke gebergte terugtrokken. Ook in

het Aôures-gebergte vindt men dergelijke stammen. Fanatiek, sober,

dapper en vrijheidslievend, met open, vrijen oogopslag, heeft de

Kabyl al de deugden van den bergbewoner. Een langen, hardnekkigen

oorlog hebben de Franschen in Kabylië moeten voeren, eer het voor

goed onderworpen was. Telkens verslagen, trokken de bewoners zich

weder in ontoegankelijke streken terug, om den aanval onverwacht te

hervatten als de kans hun gunstig scheen. Vele Fransche veldheeren

hebben hun sporen in dezen veldtocht verdiend. Ook de hertog van

Aumale, later stadhouder van Algerië, heeft er als dapper soldaat

zijn plicht gedaan. Onder de dweepzieke leiding van den bekenden

emir Abd-el-Kader was Kabylië een brandpunt van verzet. Een treurige

vermaardheid verwierf er door zijn wreedheid de overste Pelissier,

later voor zijn verdienste bij Sebastopol tot hertog van Malakoff

benoemd. In 1845 liet hij een geheelen Kabylenstam ten getale van 800,

die met vrouwen en kinderen in een ruime rotsspelonk gevlucht waren

en van overgave niets weten wilden, door den rook van een brandende

houtmijt door verstikking om 't leven komen. Eerst in 1857 gelukte

het generaal Randon den taaien tegenstand der Kabylen te breken en

daarmede Algerië tot aan de Sahara te onderwerpen. In 't midden des

lands werd een sterkte, Fort National, gebouwd, van waaruit excursies

ondernomen werden om het land tot rust te brengen. Een wijs en gematigd

bestuur heeft er zeer toe bijgedragen de onderwerping te bevorderen. Na

verloop van tijd hebben de Kabylen zich in 't onvermijdelijke geschikt,

zoodat de regeering van Algerië hen thans onder haar beste onderdanen

moet rekenen. Geen nomaden, als de Arabieren, zijn zij aan hun bergen,

aan vaste woonplaatsen gehecht en houden zich met goed gevolg met

landbouw en veeteelt bezig.

Is Tunis een echte Arabische stad, waar men de Mooren (zoo noemde

men vooral ten tijde der Republiek de inwoners der steden aan

de Noord-Afrikaansche kust) nog in al hun oorspronkelijkheid kan

gadeslaan, geheel anders is het met Algiers gesteld. Algiers is

geheel en al een Fransche stad. Men zou denken in de een of andere

Fransche havenstad der Middellandsche zee te zijn, zoo Europeesch is

het uiterlijk met de ruime haven, uitgestrekte kaden en prachtige, uit

vele verdiepingen opgetrokken, hôtels en gouvernementsgebouwen. Wandelt

men dieper de stad in, zoo wordt die indruk nog versterkt. Van een

uitgestrekte Arabische wijk, zooals te Tunis, geen spoor en bijna

met verbazing beschouwt men de moskee El-Djedid met haar in 't felle

zonlicht schitterende muren en met een halve maan gekroonde koepeldaken

op de Place du Gouvernement, juist tegenover het ruiterstandbeeld

van den hertog van Orleans, alsof men dit gebouw nu het allerminst

hier verwachtte. Eigenlijk is het niet meer dan natuurlijk, dat de

stad Algiers haar oorspronkelijk karakter nagenoeg geheel verloren

heeft, zoo men bedenkt dat de Franschen zich daar het eerst gevestigd

hebben. De bezetting dateert van 1830.

In dat jaar had in de kasbah van den bey de befaamde audiëntie plaats,

verleend aan den Franschen consul. Deze had zich over eenige rooverijen

en andere schendingen van 't volkenrecht door Algerijnsche onderdanen

ernstig te beklagen, welke klachten door den despoot met zeer ongepaste

woorden beantwoord werden. In zijn toorn liet hij zich zelf vervoeren,

den consul met zijn waaier in 't aangezicht te slaan, een daad, die

hem zijn heerschappij kostte. Daar elke voldoening geweigerd werd,

landde een Fransch leger onder maarschalk Bourmont aan de kust,

maakte zich zonder veel moeite van de stad en omgeving meester en

zette den bey af. Nog heden ten dage toont men op de kasbah aan de

vreemdelingen het Pavillon du coup d'éventail, waar die gedenkwaardige

audiëntie plaats greep. De omstandigheid, dat Algiers de residentie

der geheele kolonie werd, droeg er eveneens toe bij de stad meer en

meer Fransch te maken in de 70 jaar, sinds de bezetting verloopen.

Bovendien is Algiers zeer gezocht, om het heerlijke klimaat als

winterverblijf, door tallooze vreemdelingen, een reden te meer,

waarom het inlandsche element op den achtergrond treedt.

De ligging aan een ruime baai, die het volle uitzicht op de zee

verleent en met haar rechteroever in een zachten boog naar het

Noord-Oosten loopt, is eenig schoon.

Niet weinig dragen daartoe bij de twee voorsteden, Mustapha inférieur

en Mustapha supérieur, juist in die boog gelegen, de landstreek

aan zee en de glooiende heuvels bedekkend met vroolijke landhuizen

en prachtvolle villa's, afgewisseld door welige boomgroepen en

boschpartijen. De beide Mustaphas worden bij voorkeur door de

vreemdelingen gezocht.

Ook de gouverneur-generaal van Algerië heeft zijn zomerpaleis in

Mustapha supérieur. Op een heuvel gelegen, biedt het, tusschen de

breede bladeren der palmen door, een verrukkelijk uitzicht op de zee en

is door een uitgestrekt park omgeven. Voor den ingang staan op zuilen

de marmeren busten van eenige vroegere gouverneurs, meest militairen,

die een groot aandeel gehad hebben in de verovering. Men leest de namen

van Bugeaud, den grooten generaal-pacificateur, Randon, Mac-Mahon,

Chanzy, die Frankrijks eer en wapenroem redde in den rampspoedigen

veldtocht aan de Loire, en van zoovele anderen. Tegenover het

paleis vindt men het museum van oudheden, met vele schatten op

oudheidkundig gebied, door de opgravingen der laatste 25 jaren aan

't licht gebracht. In 't bijzonder zijn hier eenige zeer fraaie

mozaïeken te zien, geheel ongeschonden en van groote afmeting. Deze

komen in grooten getale in Algerië voor.

Het mooiste in de omstreken van Algiers, en geen vreemdeling verzuime

dit te gaan zien, is de Botanische tuin van le Hamma.

Op korten afstand van de stad, onmiddellijk aan zee gelegen, is

deze tuin eenig in haar soort, en hij wordt slechts door dien van

Buitenzorg overtroffen. Van al de proeftuinen, overal in Algerië door

de Franschen aangelegd, is deze tuin van Hamma (zoo wordt hij genoemd

naar een dorpje in zijn nabijheid) de oudste en de belangrijkste. Door

een breeden schaduwrijken rijweg omgeven, bedraagt de uitgestrektheid

84 hectaren, welke in twee deelen verdeeld is, waarvan het aan zee

gelegen gedeelte den eigenlijken tuin uitmaakt, terwijl het andere

bestaat uit met verschillende houtsoorten bewassen heuvels. De ingang

is in de onmiddellijke nabijheid der zee, op een historische plek. Want

in 1541 mislukte hier een strafexpeditie van Karel V tegen den dey van

Algiers. Zijn kostbaar uitgeruste vloot werd door geweldige stormen

deels op het strand geworpen, deels door de zee verzwolgen. Zelfs met

moeite gelukte het den machtigen keizer zich te redden. Het heerlijke

klimaat van Algiers kwam den tuin zeer ten goede en bracht de vele

uitheemsche tropische gewassen tot snellen wasdom. Bij 't binnenkomen

betreedt de bezoeker een der vier prachtige lanen, die deze tuin rijk

is en die hem in verschillende richtingen doorkruisen.

Reis door Tunis en Algiers De Aarde en haar Volken, 1906 · 第 3 / 4 段