palmen die de aandacht trekken door hun forschen, knoestigen stam en
kolossale waaiervormige bladen, en uit kaarsrechte, slanke dadelpalmen,
hun wuivende kruin hoog in de reine lucht verheffend. Voorts is er
een laan eeuwenoude platanen, van den voet tot hoog in de takken
met klimop omrankt. In de bamboes-laan buigen de stammen met het
dun uitloopende eind naar elkander toe tot zij elkander aanraken,
zoodat het den bezoeker toeschijnt als wandelt hij in het schip eener
kathedraal. Het meest wordt hij echter getroffen door de prachtige
laan van ficussen, 20 minuten gaans lang, waar elke boom afzonderlijk
een weelde der oogen is. Vijftien tot twintig luchtwortels, meer of
minder dik, hangen bij den stam neer, omstrengelen hem met forsche
omarmingen, of richten zich bij den voet weer omhoog, zoodat het geheel
een grillig complex van wortels en takken vormt, overschaduwd door
de machtige bladerkroon. Men is verrukt door de zeldzame sycadaëen,
door de musa's met hun breede, laag neerhangende bladeren en purperen
vrucht. Een wonderlijken indruk maakt de pinangboom, met kegelvormigen
stam, licht grijs van kleur, hard en glad als steen. In 't bijzonder
munt deze tuin uit door het groote getal exemplaren van eene zelfde
boomsoort in één groep bijeengeplant. Zoo ziet men b.v. een groep
van 40 verschillende palmen uit alle deelen der wereld afkomstig. Op
groote schaal worden in den tuin allerlei gewassen aangekweekt,
die door de kolonisten in cultuur kunnen gebracht en voor hen tegen
matigen prijs verkrijgbaar worden gesteld.
De provincie Algiers is de vruchtbaarste van geheel Algerië en
wordt door de provincie Oran alleen wat betreft den rijkdom van graan
overtroffen. De tel, het bebouwbare land, heeft er de grootste breedte
en de vlakten van de Sahel en van de Metidja leveren de grootste
verscheidenheid van producten op. Rijk aan wijn, heeft dit edele
vocht al sinds jaren in geheel Europa, ook in ons land het burgerrecht
verkregen. Keeds in 1865 bedroeg de uitvoer 3 millioen H.L. en in jaren
van misgewas zijn de wijnboeren uit Frankrijk blijde, hun voorraad uit
de Algiersche wijnen te kunnen aanvullen. Overal in de omstreken van
Algiers uitgestrekte velden met Europeesche groenten en breedbladerige
artisjokken, waarmede des winters de markt van Parijs voorzien wordt.
Niet alleen om hare snelle, gestadige ontwikkeling, maar ook uit
een politiek oogpunt neemt de provincie Oran, meer dan de andere, de
aandacht van het bestuur van Algerië en van de regeering te Parijs in
beslag. Zij is niet veilig tusschen twee andere gelegen, als Algiers,
grenst evenmin aan een land als Tunis, waarover Frankrijk door zijn
protectoraat de beschermende en strenge hand uitstrekt, maar heeft
tot nabuur het woelige Marokko, waar de heerscher slechts in schijn
gezag uitoefent. Vooral in 't zuiden zijn de nagenoeg onafhankelijke
Bedouïnenstammen, die zich aan bevelen en vertoogen uit Fez niets
gelegen laten liggen, bij voortduring een onrustig en beroering
brengend element.
Want ook in 't Zuiden der provincie Oran wordt onverdroten voortgegaan
met het scheppen van oasen en het devies van generaal Bugeaud
opgevolgd: "refoulez le désert." Langzamerhand heeft Frankrijk zich
reeds op vreedzame wijze gevestigd op verschillende punten in de
Marokkaansche Sahara, met 't oog op den verbindingsweg dwars door
die woestijn naar den Niger en om zijn invloed in Marokko uit te
breiden. Onlangs nog is met de noodige praal, in tegenwoordigheid van
den minister Etienne en den gouverneur-generaal Jonnart, de spoorweg
geopend naar het zuidelijkste punt in de Sahara, een heel eind voorbij
Figuig, naar Colomb-Bechar, hetgeen op de nog voor zoo korten tijd
oproerige Bedouïnen een beslisten indruk gemaakt heeft.
Rust heeft het gouvernement voor de provincie Oran en hare grenzen
noodig, rust en vrede voor hare reusachtige ontwikkeling. De hoofdstad
Oran is de eerste handelstad van de kolonie. Telde zij in 1866
vier-en-dertig-duizend inwoners, dit aantal was in 1886 verdubbeld en
bedroeg in 1901 reeds over de 100,000. Slechts Amerikaansche steden
bieden hiervan een voorbeeld. De voorstad Karguentua is de eigenlijke
handelstad. Van daar uit wordt met de haven, die een deel uitmaakt van
de nieuwe Fransche stad, een druk verkeer onderhouden. Treinen stoomen
af en aan, en van 's morgens tot zonsondergang trekken de volgeladen
sleeperskarren, met 5 à 6 paarden voor elkander gespannen, in lange
rijen door de hoofdstraten naar de kaden. Want voor den uitvoer van
graan en wijn is de provincie Oran de belangrijkste. Ten Westen van
de Fransche stad ligt het oudste gedeelte van Oran, de vroegere
Spaansche stad, aan den voet van den steil uit zee oprijzenden,
barren Djebel-Mordjado, bekroond door het fort en de kathedraal van
Santa-Cruz. Niet alleen in de stad Oran, maar in de geheele provincie
is het Spaansche element sterk overwegend, geen gering punt van zorg
voor de regeering. Aan de haven en kaden, in de hoofdstraten, waar
het verkeer het drukst is, wemelt het van lieden uit de volksklasse
van allerlei slag, voerlieden, schepelingen, sjouwerlieden en
arbeiders, die zich door hun luidruchtig, schreeuwerig optreden
en barbaarsch, rauw klinkend mengelmoes van Spaansch en Arabisch
als niet-Franschen doen kennen. Vooral de koetsiers zien er met hun
kort geknipte stoppelbaarden en weinig verzorgde kleeding als echte
bandieten uit. Van vijf tot zeven uur in den namiddag heerscht er in
de hoofdstraten een vrij wat aangenamer drukte. Op de Promenade de
l'Etang, heerlijk aan zee gelegen, bewegen zich talrijke wandelaars
met hunne dames in lichte, kleurige toiletten, die komen luisteren
naar de militaire muziek in het Casino der officieren op de Place
d'Armes. Op den Boulevard Seguin, met fraaie, ruime winkelmagazijnen,
moet men voetje voor voetje gaan en heeft men ruimschoots gelegenheid
de Spaansche schoonen te bewonderen, die met kleinen, sierlijken
voet over de trottoirs schijnen te zweven en wier donkere, vurige
oogen en blauwzwarten haartooi op bewoners van noordelijker streken
zoo'n diepen indruk maken. Het Spaansche karakter, dat Oran zoo
sterk vertoont, is nog een overblijfsel uit vroeger eeuwen. Want
van 1509 af, toen de troepen van Kardinaal Ximenes Oran veroverden,
is de stad meer dan eens met tusschenpoozen geruimen tijd in 't bezit
der Spanjaarden geweest. Maar dat alles behoort tot het verleden, want
nooit konden zij er zich op den duur handhaven en het eenige monument,
dat aan de Spaansche bezetting herinnert, is het fraai uitgevoerde,
in steen gebeitelde Spaansche wapen boven de kasbah der stad. Maar
dit is door den tijd verweerd, geschonden, gebarsten en verbrokkeld,
een treurig beeld van alles wat Spanje hier en elders over de geheele
wereld ondernam op koloniaal gebied.
Ver in 't Westen der provincie Oran, in de nabijheid der Marokkaansche
grens, ligt de oude emirstad Tlemcen, een heilige stad. Zij is in
zekeren zin voor Tunesië en Algiers, wat Mekka voor Arabië, en Fez
voor Marokko is. Eens de trotsche residentie van de machtige koningen
van Tlemcen, ging in de onophoudelijke binnenlandsche twisten veel
van haar ouden luister verloren, maar in tegenstelling met bijna alle
andere emir-residenties uit de binnenlanden, wist zij zich toch tot
in den nieuweren tijd staande te houden. Gelegen in een uitgestrekt
bergland, dat op sommige plaatsen een hoogte van bijna 2000 M. bereikt,
biedt zij door haar sterke muren en voordeelige ligging den Franschen
een welkom steunpunt in de nabijheid der Marokkaansche grens. Tlemcen
bezit eenige zeer merkwaardige gebouwen.
De oude Medersa, Arabische school, is vervallen, maar werd door de
Fransche regeering gerestaureerd en is tot museum ingericht. Gesteund
door prachtige zuilen van onyx, bestaat het gewelf en de bogen
daarvan uit het fransche stucadoorwerk, met tallooze Arabische
spreuken, woorden en karakterteekens bezaaid. Het werken in stuc is
een kunst, waarin de Arabieren een hoogte bereikt hebben, die later
nooit overtroffen is en waarvan men vooral in Tlemcen en omgeving
de schoonste specimina kan bewonderen. Op sommige plaatsen zijn de
fijne krulletters bijna ter lengte van een vinger ingesneden. Dat
Tlemcen een heilige stad voor de Arabieren is, bemerkt men uit
de vele gekoepelde minarets, die boven de stad zelve en overal
boven de verschillende dorpen in de omgeving verheffen. De mannen
meten den giaour (christenhond) met somberen, trotschen blik, de
vrouwen wikkelen zich bij eene ontmoeting dichter in haren sluier of
wenden met een minachtend schoudergebaar het hoofd af. Het grootste
heiligdom in den omtrek is de moskee van Sidi-Bou-Medine, in het dorp
van dien naam op eenige uren van Tlemcen, dat men bereikt langs den
schilderachtigen waterval van de Mefrouch-el-Ourit, die zich schuimend
met breeden stroom in twee trappen in het dal stort. Het heiligdom
van Sidi-Bou-Medine is er een, een groot marabout waardig. Reeds het
trotsche voorportaal, weder geheel uit fijn bewerkt stuc opgetrokken,
wekt de hoogste bewondering, die nog stijgt als men den ruimen tempel
zelf binnentreedt, onder geleide natuurlijk. Een marmeren preekstoel en
een mihrab van stuc zijn van zeer ouden datum. De mihrab ontbreekt in
geen enkele Arabische moskee. Het is een boogvormige nis in den muur
aan de oostzijde van den tempel, naar den kant naar Mekka gekeerd,
waarheen de Arabier bij 't verrichten van zijn gebed het aangezicht
wendt. Aan de zoldering der moskee hangen talrijke kroonluchters van
glas en koper, waaronder sommige zeer oud en van hooge waarde.
Ten Oosten van Tlemcen liggen, dicht bij de stad, de overblijfselen
van den ringmuur van het oude Mansourah. Met ruig struikgewas begroeid,
waaruit hier en daar afgebrokkelde kanteelen opsteken, omspannen zij de
stad in een wijden boog, doorsnijden vruchtbare akkers en schaduwrijke
olijfboomgaarden. Zij herinneren aan een episode uit den strijd
tegen de vijandelijke emirs, die zoo dikwijls het overheerschende
Tlemcen met verderf en verwoesting bedreigden. De emirs Yacoub en
Youssef belegerden de stad en hadden gezworen haar met den grond
gelijk te maken. Dapper verdedigd door den koning, werden echter
drie achtereenvolgende stormaanvallen afgeslagen. Toen bemerkten de
inwoners op zekeren morgen bij 't ontwaken, dat er om den ringmuur
hunner stad een tweede muur gebouwd was, die al hooger en hooger werd.
Achter dien ringmuur verhief zich weldra de massieve toren eener
reusachtige moskee, daarna paleizen voor de belegerende emirs, huizen
voor hunne bevelhebbers, voor het voetvolk en voor de ruiterij,
stallen voor de paarden en ten slotte woningen voor allen, die zich
in de nieuwe stad kwamen vestigen. Want een stad was het, Mansourah
genaamd, die zich om het in 't nauw gebrachte Tlemcen, belegerd,
van alle verbinding afgesneden, in een omtrek van 3400 M. verhief,
een nieuwe stad, die aan de oude den dood gezworen had. Acht lange
jaren duurde de belegering. Maar het was niet het belegerde Tlemcen,
dat met den grond gelijkgemaakt werd, maar hare jeugdige, trotsche
mededingster. Zóó groot was de haat der inwoners van Tlemcen tegen de
overwonnen stad, dat zij na de verwoesting den inwoners op straffe
des doods verboden, ooit haren naam weder uit te spreken, en ook nu
nog durft de Arabier, die te midden der grootsche bouwvallen woont,
door den vreemdeling ondervraagd, nauwelijks met fluisterende stem
den naam "Mansourah" uitspreken.
Maar, is Mansourah verwoest, ook de macht der koningen van Tlemcen
nam een einde, en met verbazing aanschouwt de vreemdeling de
overblijfselen van Bab-el-Karmdir, het oude paleis dier koningen, dat
eens een cyclopisch indrukwekkend bouwwerk geweest moet zijn, zooals
de verlaten ingestorte torens, muurstukken en bolwerken nog bewijzen.
De geheele omgeving en de geschiedenis der oude emirstad Tlemcen
wekken bij den bezoeker eigenaardige gewaarwordingen en gedachten
op. Zij schijnt hem een beeld te zijn van het Mohammedanisme aan
Afrika's noordkust, van haren verdwenen invloed en heerschappij,
waarvan ook slechts bouwvallen over zijn. Is niet het beeld van
verwoesting aldaar hetzelfde, wat men overal in de streken van den
Islam aantreft, verdelging van alles wat niet tot haar behoort? En
doet niet dat Tlemcen, in zijn trotsche afzondering te midden van
bijna ontoegankelijke bergen, met zijn fanatieke, zelfgenoegzame,
indolente bevolking, met de torens van zijn eeuwenoude moskeeën,
zijn graven van marabouts en heiligen, met al de bouwvallen van zijn
vroegere grootheid, denken aan het Mohammedanisme, dat ook meende,
dat het steeds op de hoogte van zijn macht zou blijven tronen en dat
de loop der geschiedenis, de stroom der wereldgebeurtenissen steeds
aan hetzelve zouden voorbij gaan. Maar de wereldgeschiedenis stoort
zich niet aan 't geen de volken willen, maar vervolgt onweerstaanbaar
haren loop. Zoo verdween de Muzelmansche heerschappij, om plaats te
maken voor de Christelijke, de Westersche, de Fransche. En geenszins
ten nadeele van land en volk. Want als er één indruk, één waarheid is,
die de vreemdeling bij zijn vertrek uit Tunis en Algiers medeneemt,
dan is het wel deze, dat de Fransche bezetting voor die landen een
zegen is. Voor land en volk beiden. Door het zwaard gewonnen, hebben
de Arabieren deze landen ook weder door het zwaard verloren. Maar
de Franschen hebben van hun overwinning een geheel ander, een beter
gebruik gemaakt, dat in den loop der jaren land en volk tot heil, hun
zelven tot eer, de menschheid en de beschaving tot voordeel geweest is.
End of Project Gutenberg's Reis door Tunis en Algiers, by M. G. Brondgeest