veel moeite gekost. Zij geschiedde tijdens een wapenstilstand met
Ab-del-Kader, toen de onderwerping der provincie Constantine ter
hand genomen werd. Een eerste aanval op de stad onder maarschalk
Clauzel mislukte. Het volgend jaar werd een nieuwe expeditie onder
't opperbevel van den hertog van Nemours en vier generaals uitgezonden.
De sultan Ahmed-Bey en diens fanatieke Arabieren, steunend op de
onneembare ligging, weigerden hardnekkig elke capitulatie en zonden den
parlementair spottend terug. Na voorafgegane beschieting bestormden de
Franschen met groote dapperheid de stad en maakten zich na een hevig
straatgevecht er van meester. Maar ten koste van groote offers, want
de generaals Damrémont, Perrégaux en Combes sneuvelden. De bey, met
klein gevolg ontvlucht, gaf zich, na eenige jaren den guerilla-oorlog
gevoerd te hebben, over en verbleef als gevangene te Algiers.
Behalve haar ligging heeft de stad niet veel bijzonders. Er ligt
een groot garnizoen. Met hun kleurige uniformen en de opgewektheid
den Franschen soldaat eigen, brengt het militair veel vroolijkheid
aan. Aanhoudend ziet men troepen door de straten trekken. Nu eens zijn
het chasseurs d'Afrique op hun vurige, kleine Arabische schimmels, dan
weer bruine turco's met de korte blauwe jasjes en dito wijde pofbroeken
of het is een bataillon kranige zouaven, dat voorbij marcheert. Ook
ligt er een kleine afdeeling spahi's, dat keurkorps bij uitnemend,
in garnizoen. Dit zijn Arabieren, die een bijzonder goeden staat
van dienst hebben en gebruikt worden als ordonnansen, estafettes en
lijfwachten van den generaal. Gehuld in hun roode of blauwe mantels,
een breeden tulband op het hoofd, maken zij met hun hooge laarzen
en kromme lange sabels een zeer krijgshaftigen indruk. Men vindt er
menig type van den echten, fieren, mannelijken Arabier onder.
Op het groote plein midden in de stad is het paleis van den generaal,
den militairen commandant, voorheen de residentie van Ahmed-Bey. Dit
paleis, dat zeer bezienswaardig is, bevat nog vele bijeengeroofde
kunstschatten uit de oudheid. De binnengalerij is versierd met 265
slanke pilaren van Corinthische bouworde, van Carthago geroofd,
maar bovenal wordt het oog getroffen door een buste van Julia Domna,
de vrouw van keizer Alexander Severus. Van wit marmer, is deze zoo
fijn uitgevoerd, dat men als 't ware den arm onder den mantel kan zien
doorschemeren. Een der façaden van het binnenplein wordt bedekt door
één enkelen rozenboom, zoo weelderig, dat hij van boven tot onder
met de schoonste witte rozen bedekt is.
Het plein voor 't paleis is de plaats van samenkomst voor de bewoners
van Constantine. Het is er des middags van 5 tot 6 een vroolijk en
levendig gedoe. Want dan speelt de militaire muziek, eerst de Fransche
kapel, daarna de Arabische. De laatste, waar veel snerpende fluiten den
boventoon voeren, is voor Europeesche ooren nu niet bepaald aangenaam
om te hooren.
De provincie Constantine is niet alleen de boschrijkste, maar ook de
meest bergachtige van Algerië. Daar toch komt de Atlasketen te zamen
met een andere bergreeks, die uit het Zuiden komt en tot het gebied
der hoogvlakten en steppen behoort. Die bergreeks is samengesteld
uit verschillende gebergten; o.a. het gebergte der Ksour, de bergen
der Ouled Nayl, die der Zibans (zoo genoemd naar verschillende
Bedouïnenstammen van denzelfden naam) en de Djebel-Aoures
(djebelberg). Sommigen bereiken een aanzienlijke hoogte. De
Djebel-Aoures b.v. heeft toppen van 2000 M., waarop de sneeuw des
zomers niet smelt. Dit gebergte onderscheidt zich door groote woestheid
en ruwheid van vormen, maar ook door indrukwekkendheid. Het is zeer
verlaten en weinig bewoond. In de rotskloven huizen somtijds nog
beren en leeuwen, die elders reeds lang verdwenen zijn.
Toen de Arabieren zich van Algerië meester maakten, hebben de
bergvolken van den Aurès het langst hun onafhankelijkheid bewaard
en ook de Franschen hadden met de daarheen uitgeweken oproerige
Bedouïnenstammen veel te stellen. Het Zuiden grenst aan de Algerijnsche
Sahara.
Ten einde nu den toegang tot de woestijn tegen een mogelijken aanval
van roofzuchtige stammen te verdedigen, bouwden de Franschen de
militaire stad Batna aan de uitloopers van het Aurès-gebergte en
aan de spoorlijn, die van Constantine naar het Zuiden, naar Biskra
loopt. In dat gebergte nu ligt een der grootste merkwaardigheden op
oudheidkundig gebied van geheel Algerië verborgen.
Het zijn de bouwvallen van Timgad, eertijds Thamugadi geheeten,
een der bloeiendste Afrikaansche steden van het Romeinsche keizerrijk.
Oorspronkelijk slechts een militaire post met bestemming de woestijn
te bewaken, werd eerst onder de regeering van keizer Trajanus de
eigenlijke stad gesticht door den legaat en propraetor Lucius Munatius
Gallus. Door de gunst van haar beschermer, Trajanus, tot municipium
verheven, breidde zij zich hoe langer hoe meer uit en geraakte tot
grooten bloei. Zij deelde in de afwisselende lotgevallen van Afrika's
Noordkust, die beurtelings onder Romeinsch, Vandaalsch, Byzantijnsch
en Arabisch gezag kwam. Maar in 698 sloeg voor haar het uur van
ondergang. Ingenomen door de volgers van Mohammed, werd zij in brand
gestoken en verwoest. Gedurende meer dan 12 eeuwen sliep de stad haar
doodslaap onder de asch, tot het tegenwoordige geslacht, bezield met
ijver voor wetenschappelijke onderzoekingen, haar daaruit opwekte, om,
al is het dan slechts gedeeltelijk, hare vroegere heerlijkheid aan den
dag te brengen en van hare voormalige grootheid te getuigen. Timgad
noemt men wel het Afrikaansch Pompeï, maar er is wel eenig verschil
tusschen die twee. Terwijl men te Pompeï een duidelijker beeld krijgt
van de inwendige inrichting der huizen en van het huiselijk leven
der Romeinen, ontvangt de bezoeker van de bouwvallen van het oude
Thamugadi een juister indruk van een groote, bloeiende stad uit den
keizertijd, van haar gansche bouworde en inrichting. Licht zal men
vragen, hoe het komt, dat van Timgad zooveel bewaard gebleven is,
terwijl van andere oude steden van Afrika b.v. Carthago, niets meer
over is? Dit komt door hare afgelegen ligging midden in een bergland,
ver van de zeekust. Want deze omstandigheid verhinderde de Grieken,
de Genueezen, de inwoners van Pisa en den bey van Constantine om van
de stad, zooals zij van Karthago en andere plaatsen deden, een dépôt
van bouwmateriaal te maken. Timgad bereikt men van Batna uit; het
is ruim 10 uur rijdens heen en terug. Een lange tocht dus, maar die
wel de moeite loont. De goed onderhouden straatweg dagteekent reeds
gedeeltelijk uit den Romeinschen tijd, daar hier vroeger de heerbaan
liep van Lambesse naar Timgad. Lambesse, dat men na een uur rijdens
voorbij gaat, diende vroeger tot versterkt kamp van het derde legioen
van Augustus, dat met de verdediging van Afrika belast was. Er is nog
een tamelijk goed behouden hoofdingang van het praetorium te zien, dat
tot woning diende voor den keizerlijken legaat of onderbevelhebber,
benevens overblijfselen van een tempel van Esculapius en van een
triomfboog van Alexander Severus. Het is frisch in het dal waar men
doorrijdt, want Batna ligt op meer dan 1000 M. en de bergen van den
Aurès, die men niet uit 't gezicht verliest, zijn hier en daar met
sneeuw bedekt. Na onderweg nog de ruïne van den triomfboog van Markouna
(met ziet, men is en plein pays de l'antiquité) voorbijgereden te zijn,
dagen eindelijk de bouwvallen van Timgad in het nevelachtig verschiet
op als een moeilijk te beschrijven verwarde massa. Dit wordt echter
anders, als men naderbij gekomen is. Dan bespeurt men dadelijk, dat de
stad volgens een vast plan gebouwd is. Niet alléén echter bezoeken de
reizigers de bouwvallen. Hun wordt een gids medegegeven en niet tot
hun nadeel, want anders zouden zij kans loopen te verdwalen tusschen
de talrijke overblijfselen der verschillende monumenten en bovendien
menige nuttige aanwijzing missen. Men kan zich een klein denkbeeld
vormen van de uitgestrektheid, die de stad vroeger besloeg en tevens
van haren bloei, uit de vermelding dat wij een rondgang maakten van
meer dan 3 uur en toen nog alleen maar de voornaamste dingen gezien
hadden. Daarbij komt nog, dat men aanhoudend nieuwe ontdekkingen doet,
nieuwe schatten uit den bodem toovert. De gids bracht ons het eerst
naar het middelpunt der stad, het snijpunt der beide hoofdwegen, den
Decumanus maximus en den Cardo. Deze snijden elkander rechthoekig
en dit snijpunt bepaalt de plaats der voornaamste gebouwen. Alles
in navolging van Rome. Dicht bij het snijpunt ligt het schoonste
en best behouden monument der geheele ruïne, de triomfboog van
Trajanus. Opgetrokken uit grijzen baksteen, maakt het met zijn drie
bogen, ter hoogte van 16 M., een indrukwekkend effect. De middelste
boog, juist ter breedte van de straat, was voor wagens bestemd,
de andere, kleinere voor de voetgangers, die zich op de trottoirs
bewogen. Voor de bestrating droegen de Romeinen veel zorg. Dit blijkt
ook uit die te Timgad, die nog uitstekend behouden is. Zij bestaat
uit groote platte steenen, waar men nog duidelijk het wagenspoor in
zien kan, door de wielen er in gegroefd.
Van het Forum, het politieke middelpunt der stad, de verzamelplaats
van alle burgers, is niet veel meer over. Slechts een paar zuilen ter
hoogte van 13 M. en een menigte opschriften getuigen van vroegere
heerlijkheid. Onder die opschriften is er één, dat de aandacht
trekt. Het is de luchtige levensopvatting van een Romeinschen
nietsdoener: "venari, lavari, ludere, ridere, hoc et vivere", in goed
hollandsch: "jagen, baden, spelen, lachen, dat is leven".
Het theater is beter bewaard gebleven. Tegen een heuvel aangebouwd of
liever in de rots uitgehouwen, zijn de rijen zitplaatsen in den vorm
van een halve maan nog vrij volledig aanwezig. Ook de zuilengaanderij,
die achter het tooneel liep, staat, hoewel de meeste zuilen afgeknot
en afgebrokkeld zijn, tamelijk goed overeind. Het theater kon meer dan
4000 toeschouwers bevatten, behalve die nog op den heuvel plaats namen.
Natuurlijk bezat Timgad zijn Kapitool of burcht, tevens tempel van
Jupiter, Juno en Minerva. Latere onderzoekingen hebben uitgemaakt, dat
hij een oppervlakte van 840 M_2_. moet beslagen hebben. Over 't geheel
moet alles er van reusachtige afmetingen geweest zijn. Dit bewijzen
twee zuilen, die indertijd tot de propylaeën, een zuilengaanderij, die
om den tempel heen liep, behoord hebben. Deze lagen in 8 brokstukken
verspreid. De reconstructie daarvan heeft niet minder dan f 10,000
frs. bedragen, waarvan 3000 frs. voor een hijschtoestel. De opgezette
zuilen zijn 16 M. hoog en hebben aan de basis een breedte van 1 M. 50
cM. Voorts zijn door de opgravingen nog aan het licht gebracht de
thermen of baden, die bij de Romeinen zoo'n voorname rol speelden. Vier
zijn er tot nog toe te Timgad ontdekt, 2 groote en 2 kleine. Natuurlijk
is alleen de onderbouw gedeeltelijk bewaard gebleven, maar juist
daaraan kon men zien, op wat voor vernuftige wijze de Romeinen den aan-
en afvoer van water, benevens de verdeeling van heete en koude lucht
ten behoeve der verschillende vertrekken regelden. De kleine thermen
beslaan te zamen een oppervlakte van ruim 2000 M_2_.; de riolen ten
behoeve van den waterafvoer doen heden nog dienst om het overtollige
water van de bergen naar de vlakte te leiden.
In een museum zijn al de kunstschatten bijeengebracht, door
de opgravingen aan het licht gekomen. Deze zijn van den meest
verschillenden aard en meestal geschonden. Voortreffelijk behouden is
een beeldig bronzen Venuskopje, dat aan den bloeitijd der Grieksche
kunst doet denken.
Wij zeiden het reeds, ijverig worden de opgravingen voortgezet,
begunstigd en aangemoedigd door de Fransche regeering. Zij worden
verricht onder toezicht van den bekwamen heer Ballu, chef van den
archaëologischen dienst voor Afrika. Hare subsidies heeft de regeering
vermeerderd van frs. 25,000 tot 100,000 frs. Zoo poogt zij dus ook
hier een verzuim der Arabieren te herstellen en blijft door het
bevorderen van wetenschappelijke en geschiedkundige onderzoekingen
haar roeping van beschaving brengende mogendheid getrouw, daarbij de
schoone kunsten niet vergetend.
Ten zuiden van Batna ondergaat niet alleen het landschap, maar
ook de gesteldheid van den bodem en het klimaat spoedig een groote
verandering. Geen wonder, want men verlaat de hoogvlakte en nadert de
woestijn, die haar invloed doet gevoelen. Van Batna loopt een spoorlijn
naar het Zuiden, die de verbinding tot stand brengt tusschen Biskra,
een voornaam punt van samenkomst van verschillende karavaanwegen
uit de Sahara, en de noordelijker gelegen streek der Tell. Op korten
afstand van Batna neemt het landschap reeds een woestijnkarakter aan,
dat voortdurend ruwer en onherbergzamer wordt. De bergen en heuvels
vertoonen de grilligste vormen, nu eens spits toeloopend, dan weer met
een breeden, ronden koepel gekroond. Soms staan zij in groepjes, in
langere of kortere ketenen bij elkander; op andere plaatsen verrijzen
eenzame kegels en toppen plotseling uit de vlakte. Het is als 't
ware, of de natuur nu eens moeite gedaan heeft, deze landstreek
in den meest chaötischen toestand te brengen, er alles onderste
boven te keeren. De bodem, nu eens rotsachtig dan weer klaar zand,
vertoont met uitzondering van eenige mossoorten niet den minsten
plantengroei. Zoutmeren met lage, bruine, half uitgedroogde oevers
verhoogen slechts de intense treurigheid van het landschap. Dit duurt
zoo voort tot aan de halte El-Kantara, waar de bergen hooger worden
maar het landschap iets vriendelijker, want er is een riviertje in
de nabijheid.
In het nauwe dal, waardoor de oued El-Kantara (oued = rivier) stroomt,
ligt, door hooge rotsen ingesloten, het vriendelijke, geriefelijke
hôtel Bertrand, waar de bestoven en verhitte reiziger gaarne
afstapt. Volgt men nu de goed onderhouden chaussee door het dal naar
het Zuiden, zoo schijnt het, dat de bergketen van den djebel-Gaouss
dit weldra geheel zal afsluiten. Er is slechts ruimte voor den weg
en het riviertje; de spoor heeft zich door een tunnel baan moeten
breken. Maar plotseling, op een punt, waar de berg slechts een nauwe
spleet vormt, met wanden, die onder een hoek van 60° steil naar boven
rijzen, wijken de rotsen terug en laten den verrasten reiziger den
blik slaan op een breed dal, waarin de uitgestrekte en bekoorlijke
oase van El-Kantara ligt. Voor hem die dit voor 't eerst aanschouwt,
een tooneel van natuurschoon om nooit te vergeten. Het opmerkelijkste
is de schrille tegenstelling tusschen de absolute onvruchtbaarheid der
naakte rotsen en de oase met haar donkergroenen bladerdos van statig
wuivende palmen, waartusschen het kleine, vruchtbaarheid brengende
stroompje zich een weg baant. De Arabieren noemen de bergspleet van
El-Kantara den mond der woestijn, en de geleerden hebben uitgemaakt,
dat hier de grens der Sahara is. Neemt men van meer nabij een kijkje
in de oase en bezoekt men het dorp El-Kantara, zoo geraakt men meer en
meer in verrukking. De huizen, uit grijze leem opgetrokken, gelijken
op kleine vestingen, met smalle vensters als schietgaten. De tuintjes,
door leemen muren van elkander gescheiden, zijn slechts eenige M_2_
groot, doch bevatten voor den eigenaar zijn levensonderhoud, de
onwaardeerbare dadelpalmen. De dadelpalmen, in 't Zuiden van Europa
en aan Afrika's Noordkust, geven, hoezeer zij de schoonheid van
het landschap ook verhoogen, geen vruchten. Deze rijpen eerst veel
zuidelijker, op ongeveer 38° breedte en hebben daartoe gedurende de
zomermaanden een warmte van 40° a 50° Celsius noodig. De dadelpalm,
zegt de Arabier, "moet met het hoofd in 't vuur, met de voeten in 't
water staan." Daarom groeit de dadel ook alleen dáár in de woestijn,
waar water voorkomt, n.l. in de oase, hetzij natuurlijke, hetzij
kunstmatige. De laatste komt verreweg het meest voor, daar zij zeer
veel zorg behoeft wat de besproeiing betreft, en de eerste bij gebreke
daarvan spoedig te gronde gaat. Evenals elders, stonden de dadels in
de tuintjes te El-Kantara met den voet in een kegelvormig gat, waar
men het water in laat loopen. Door de geheele oase loopt een kunstig
net van kleine stroompjes tot aan en afvoer van water, en zijn lage
dijken aangebracht tot afdamming. Men moet spaarzaam met het kostbare
water omgaan, daarom worden alle tuinen beurtelings eens om de 14 dagen
besproeid. Onder het dichte bladerdak wordt de dadel in de zoele hitte
veilig rijp en dragen andere boomen, ook Europeesche gewassen rijke
vrucht; vijge-, abrikozen- en perzikboomen verrukten het oog door
den rijken kleurenschat hunner bloesems, terwijl de wijngaardranken
en clematis zich door de toppen heenslingeren. Ook verschillende
groentesoorten tieren er welig. Een steenachtig, hobbelig pad voert
door de oase; af en toe moet men de rivier doorwaden, die bijna droog
is en geniet dan een schilderachtigen aanblik op de rotsachtige, met
bloeiende oleanders en cactussen omzoomde oevers. Arabische jongens
en meisjes komen u tegemoet, willen u met alle geweld den weg wijzen
en doen aanslagen op uw beurs. De avond valt. In groepen zitten de
Arabieren, jonge en oudere mannen, voor de lage huizen bijeen, allen
in de witte burnou gehuld, waaronder menige grijsaard door zijn statig
voorkomen de aandacht trekt. Waarlijk een eerste bezoek aan een oase
in de woestijn maakt op den reiziger een onuitwischbaren indruk en
doet hem denken aan de schoonste tafereelen der 1001 nacht.
Veel heeft het Fransche gouvernement sinds de bezetting van
Algerië voor het behoud, de stichting en de uitbreiding der oasen
gedaan. Natuurlijk was zulks eerst mogelijk, nadat de Fransche troepen
tot aan den rand der Sahara waren doorgedrongen. Zooals men weet is de
Sahara vroeger zee geweest. Het water is in 't zand weggezonken, zoodat
zich in verschillende streken uitgestrekte onderaardsche meren gevormd
hebben, die somtijds meer dan 200 M. diep liggen. Elders verkrijgt men
bij 't graven reeds op 6 M. diepte water. Het geldt nu, dit water te
voorschijn te brengen en door bevloeiing den naasten omtrek vruchtbaar
te maken. Den Arabier staan daartoe slechts gebrekkige hulpmiddelen
ten dienste. Daarom moet de Franschman met zijn machines voor 't
boren van artesische putten hem te hulp komen. In 1856 liet kolonel
Desvaux, commandant van Batna, de eerste boringen doen te Tumerna,
waar men een put aanboorde, die 4010 L. water per minuut gaf. Somtijds
spuit het water met zoo'n geweldigen aandrang en in zoo'n rijkelijke
hoeveelheid uit den bodem, dat het een deel der landstreek onder water
zet en de aanwezigen zich in allerijl moeten bergen, ten einde niet
verzwolgen te worden. Dit duurt echter maar kort, waarna de toevloed
vermindert. Het water wordt afgedamd en door kunstige kanaliseering
wordt een zoo groot mogelijke streek bevloeid.
Uitbundige vreugde heerscht er bij de bevolking. Fantasia's worden
gehouden, saluutschoten in de lucht afgevuurd en de dorpcheik betuigt
den "vader van het water" (naam, dien de Arabieren aan den ingenieur,
met de boringen belast, geven) de dankbaarheid der bevolking. Alle
nood is vergeten, de toekomst der oase, der bewoners verzekerd,
nieuwe bronnen van bestaan geopend, de arbeid vermeerderd, de welvaart
toegenomen. Alleen van 1856-'66 liet de Fransche regeering 150,000
palmen planten. Zij legt den bewoners der oase slechts de matige
belasting van 20 à 30 centimes per dadelboom op. Eenige jaren geleden
schonk zij aan een dorp 2/5 der belasting kwijt wegens mislukking der
oogst. Men houde wel in 't oog, dat de geduldige, vlijtige bebouwer
der oase niet is de luie, rondzwervende Arabier, maar tot den stam
der vroegere inwoners, der Berbers behoort.
Vroeger was het gewoonte, dat de Arabier tegen den oogsttijd zijn
tenten in de nabijheid der oase kwam opslaan, om van den oasebewoner
schatting van den oogst te eischen. Deze schatting bedroeg dikwijls
meer dan de helft. Aan dit misbruik heeft het Fransche gouvernement
een einde gemaakt, en dit is dus ook in dit opzicht den inboorling
tot zegen geweest.
Niet alleen echter voor het stoffelijk welzijn, ook voor het
geestelijk heil der bevolking wordt goed gezorgd. Dit bewijzen de
vele scholen, die overal in steden, dorpen, ja zelfs in afgelegen
oasen opgericht zijn. Ook El-Kantara bezit een school. Jaarlijks
wordt uit de schranderste dorpskinderen van ongeveer een jaar of 6
een keus gedaan ten getale van 10 of 12, om een cursus van 6 à 7 jaar
te volgen. Het onderwijs, dat 's winters gegeven wordt, bestaat in
Fransch (dat de Arabieren zeer gemakkelijk leeren), teekenen, hand-
en tuinarbeid en rekenkunde. Desverkiezende kunnen leergierigen op hun
13de of 14de jaar nog een hoogeren cursus volgen, waar ook geschiedenis
onderwezen wordt. De schoollokalen te El-Kantara zijn voldoende en
ruim ingericht. Aan de wanden prijken, behalve vele schoolprenten,
de teekeningen van jeugdige Berbertjes, die van goede opmerkingsgave
getuigen. Zelfs te Ouargla, een oase midden in de Algerijnsche Sahara
gelegen, is een Fransche school. Van Biskra uit moet de schoolmeester
per kameel de reis daarheen doen, welke 14 dagen duurt. Wel een bewijs,
dat zelfs afgelegen plaatsen op onderwijsgebied niet vergeten worden.
El-Kantara is zeer gezocht door hartstochtelijke jagers, die in de
kloven van het gebergte en in de valleien der woestijn jacht maken
op de mouflon, het ruige bergschaap met breede, gekrulde hoorns
en de snelvoetige antilope. Wij, toeristen, maakten een interessant
uitstapje naar het schilderachtige dal van Tilatou. 's Morgens vroeg op
muilezels onder geleide van een levendigen Arabier, een dorpsjongen uit
El-Kantara, vertrokken, drongen wij in een zijdal der rivier door, dat
hoe langer hoe nauwer toeliep. Slechts een smal voetpad voerde langs
den steilen oever, ontbrak soms ook geheel. Dan daalden de muilezels
in de rivier af en vervolgden daarin hun weg. Een andermaal klauterden
zij als katten tegen de steile hellingen op of daalden behoedzaam
tusschen groote rotsblokken naar beneden. Voortdurend riep de jonge
Arabier ons toe: "Laissez le mulet, il sait son chemin." Waarlijk,
men kon niets beter doen dan zich lijdelijk aan zijn muildier overgeven
en de kalme, behoedzame zekerheid bewonderen, waarmede het steeds den
reeds vroeger afgelegden weg terug vond. Tegen 't middaguur stapten
wij af op een plaats, waar het dal, door hooge krijtrotsen omgeven,
breeder werd. Was het vroeger woest en onbegroeid, hier heerschte
een weelderige plantengroei. Langs de rotsoevers der beek bloeiden en
geurden om strijd oleanders en wilde rozen, hoogerop vormden vijge-
en laurierboomen, amandel-, perzik- en abrikozenboomen, omstrengeld
met wijngaardranken en lianen, een dicht bosch, waarboven een enkele
palm zijn trotsche kruin verhief.
Na een bezwaarlijke klimpartij tegen een met rotsblokken bezaaide
berghelling was het punt bereikt, waar wij op korten afstand het
gezicht op het doel van onzen tocht hadden, een dorp van holbewoners
of oermenschen. De natuur heeft hier n.l. in de krijtrotsen vrij
diepe holen en grotten gevormd, die door de gemakzuchtige Arabieren
met geringe moeite tot woningen voor zich zelf en stallen voor
hun vee ingericht zijn. Tegen de rotsen aangeleund, verheft zich de
afgebrokkelde toren van een moskee. Daar leven ongeveer een 300 mannen,
vrouwen en kinderen, ver van de wereld, met bijna geen behoeften, zich
voedend met de opbrengst hunner kudden en der weinige vruchtboomen die
zij verzorgen onder het aartsvaderlijk opzicht van een kadi (rechter)
en een marabout (priester). Een idyllische toestand voorwaar, die
ons Westerlingen, vermoeid door het gejaagde, de zenuwen op de proef
stellende, dikwerf zoo ongezonde leven der hedendaagsche maatschappij,
jaloersch zou kunnen maken, zoo ... wij wat meer van 't karakter van
den Arabier in ons hadden.