Hier worden in de maand Ramadan, die der vasten, de groote A

Reis door Tunis en Algiers

Door

M. G. Brondgeest.

Voor ons Nederlanders, bewoners van noordelijke koude luchtstreken,

hebben de woorden "het Zuiden, de Middellandsche zee" een betooverenden

klank. Zij doen ons zoo denken aan schitterend zonnelicht, aan

koesterenden zonnegloed, waar wij vooral in den winter met zijn korte,

vaak zoo sombere dagen zoo reikhalzend naar kunnen verlangen. Ook

onvergelijkelijke kleurenpracht, bonte kleederdrachten en sappige

zuidvruchten roepen zij voor onzen geest. Wie, al is hij nog zoo

hokvast, heeft niet eenmaal in zijn leven het verlangen, eenige

weken in het diepe blauw der Middellandsche zee te staren, aan hare

schilderachtige kusten te droomen en te dwepen? Welke zee, met al de

kuststreken, die hare golven bespoelen, biedt den reiziger zooveel

natuurschoon aan als de Middellandsche zee, kan op een verleden, op

een geschiedenis bogen als de hare? Te vergeefs zou men in dit opzicht

haar gelijke zoeken. Tot haar gebied toch telde zij het kleine, met

zeldzamen kunstzin begaafde volk der Grieken, welks edele scheppingen

zelfs nu nog ons geslacht met bewondering vervullen en voor een deel

nooit overtroffen zijn; zij zag dit volk politiek, ja, ten onder gaan,

maar op cultuurgebied zijn schoonste lauweren behalen, daar zijn

overweldiger zelf het voornaamste werktuig werd voor de verbreiding

van zijn hoogstaande kunst en wetenschap over de geheele toenmaals

beschaafde wereld; zij beleefde het, hoe een enkele maal haar kusten

en eilanden onder één heerschappij, die der Romeinen kwamen, waardoor

aan al die kusten de vaan des kruises geplant werd; zij aanschouwde

met ontzetting de verwoesting van dit vermolmde en wankelende rijk

door de blonde zonen van het Noorden, die het een ander, maar jonger,

frisscher, nieuwer leven inbliezen; met onuitsprekelijke droefheid was

zij er getuige van, dat het zegenrijke kruis bijna aan al hare kusten

verdrongen werd door de troostelooze halve maan; maar ook met groote

vreugde, dat het weer een rijk van haar gebied was, het kunstlievende

Italië, waar oude kunsten en wetenschappen herleefden; ten slotte

werd de halve maan allengs weder van hare kusten verdrongen, terwijl

vooral in de laatste helft der vorige eeuw, Westersche beschaving

en menschelijkheid de overhand verkregen. Vooral in de landen,

gelegen aan Afrika's Noordkust, heeft de Europeesche invloed zich

doen gelden en hebben orde en goed bestuur Mohammedaansch wanbeheer

vervangen of verbeterd. Engeland heeft zich vooral met het oog op 't

Suezkanaal voor goed in het Nijldal gevestigd. Frankrijk, dat zulke

groote belangen heeft aan het kustgebied der Middellandsche zee,

vestigde in 't bijzonder zijn aandacht op Tunis en Algiers en in den

laatsten tijd ook op Marokko. Bekend is de moeite, die Duitschland en

in 't bijzonder de Duitsche regeering zich geeft, om met den Sultan van

Turkije vriendschappelijke betrekkingen aan te houden en te versterken,

teneinde zoodoende den Duitschen invloed in Klein-Azië, Syrië en

Palestina uit te breiden. Voor den Europeaan is in die streken een

ruim arbeidsveld geopend op het gebied van handel en nijverheid. Het

spreekt van zelf, dat verbetering en uitbreiding van het verkeerswezen

een der eerste zaken waren, die men met ijver ter hand nam.

Aldus worden ook voor het reizend publiek landen, rijk aan

natuurschoon geopend, die tot nog toe slechts door eenige weinige

bevoorrechten bezocht werden. Reisbureaux wedijveren met spoorweg-

en stoomvaartmaatschappij en om het den reizigers gemakkelijk en

aangenaam te maken. Zoo komt het, dat men tegenwoordig in Algiers

en Tunis even goed reist als in Europa. Daar wij voor eenigen tijd

gelegenheid hadden deze beide landen te bezoeken, is het ons aangenaam

er in dit tijdschrift het een en ander van mede te deelen. Wij doen

dit ook in de hoop, dat het enkele landgenooten, die anders hun tijd

in een dolce far niente aan de Riviera doorbrengen, moge bewegen eens

een kijkje aan den overkant te gaan nemen. Zij zullen zich niet te

beklagen hebben.

Aan gene zijde vinden zij een prachtige, dikwerf nog maagdelijke

natuur, een oorspronkelijke bevolking, oude volkrijke steden en

... geen speelbank, waar zij hun geld kunnen kwijt raken.

Algiers en Tunis, te zamen iets kleiner dan Frankrijk, vormen met

Marokko en Tripoli het oude Barbarye, reeds uit de tijden onzer

Republiek bekend om zijn zeeroovers. Na onder de heerschappij van

verschillende volken, Oostersche en Romeinsche, Germaansche en

Byzantijnsche, gestaan te hebben, werd het omstreeks 700 veroverd

door de Arabieren. In afzonderlijke rijken gesplitst, bleven de

Mohammedanen er meester tot in de eerste helft der vorige eeuw. Tijdens

hun bestuur of liever wanbestuur zonken deze landen, eertijds parels

aan de Romeinsche imperatorenkroon, hoe langer hoe meer weg in het

diepste verval. Het land werd verscheurd door onderlinge twisten der

verschillende emirs, beys en stamhoofden, elk spoor van Christelijke

beschaving uitgeroeid en in de havensteden, als Tunis en Algiers,

troonden vorsten, die hun residenties verrijkten met den buit,

welken hun roofschepen daar aanbrachten. Gedurende eeuwen waren de

Barbarijsche zeeroovers de schrik der Europeesche koopvaardijschepen,

niet het minst der Hollandsche, die hun vlag zoo dikwijls in de

wateren der Middellandsche zee vertoonden. Herhaalde expedities en

veroveringen hadden wel een aanvankelijk doch geen blijvend resultaat.

Meer dan eens werd de Ruijter uitgezonden om de Barbarijsche zeeroovers

te tuchtigen en nog in 1816 bombardeerde een Engelsch-Nederlandsche

vloot, onder bevel der admiraals Lord Exmouth en van de Capellen,

de stad Algiers naar aanleiding van zeerooverij.

Eerst in 1830 kwam aan dit schreeuwende misbruik een einde door

de verovering van de stad Algiers door de Franschen onder generaal

Bourmont. Tevens bezetten zij de naaste omgeving der stad.

Maar eerst in 1857 werd de verovering van het geheele land tot aan

de grenzen der Sahara door maarschalk Randon voltooid.

Algerië, verdeeld in 3 provincies, Algiers, Constantine en Oran

met gelijknamige hoofdsteden, is thans geheel een Fransche kolonie

met Fransch bestuur, Fransche wetten en rechtspraak en Fransch

bezettingsleger. Tunis is protectoraat. Na herhaalde expedities en

verschillende moeilijkheden met den Bey, kwam in 1881 het tractaat

van Kasr-Saïd of van Bardo tot stand, waardoor aan de autocratische

macht van dezen een einde kwam. De Fransche regeering verkreeg

het diplomatieke en militaire bewind, benevens de controle over

administratie en financiën. De Bey bleef souverein en regeert in

overleg met een gevolmachtigd Fransch minister, die te Tunis resideert;

bovendien ontvangt hij van het Fransche gouvernement een jaarlijksche

toelage van 1.200.000 frs.

De Franschen, die in Tunis wonen, zijn vnl. burgerlijke ambtenaren,

militairen en kooplieden. Het grootste deel er van, ongeveer 10.000

wonen in de stad Tunis, waar dus de Muselmannen met hun aantal van

65.000 inwoners verre de meerderheid hebben. Daarom vindt men aldaar

nog het Arabische leven en drijven in al zijn oorspronkelijkheid en

heeft de stad voor den toerist vele en belangwekkende eigenaardigheden,

die hij in Algerië te vergeefs zou zoeken. Algiers, Constantine,

Oran en verreweg de meeste kustplaatsen hebben hun oorspronkelijk

cachet grootendeels verloren, zijn bijna geheel Europeesche steden

geworden. De Arabier schijnt hier eerder vreemdeling dan inboorling te

zijn. Tunis daarentegen is gebleven wat de Arabieren het gaarne noemen:

"de bloem van het Oosten."

Het was het eerste doel van onze reis.

Mogen sommige bewoners van Noordelijke streken de reis naar

Afrika's Noordkust bedenkelijk ver vinden, met de Franschen is dit

niet het geval. "l'Algérie c'est la France," zeggen zij. Trouwens

zij zijn ook dichter bij, al bedraagt dit niet veel meer dan een

halven dag sporens. Van uit Parijs bereikt men met den sneltrein in

korten tijd Marseille, van waar goed ingerichte booten der Compagnie

Transatlantique, die ook op Amerika varen, den reiziger in anderhalven

dag over de blauwe watervlakte naar Tunis brengen.

Er is veel waarheid in het gezegde van Professor Martins: "ce n'est pas

la mer, c'est le mal de mer, qui sépare la France de l'Algérie". Maar

men moet de kans van zeeziekte loopen. Hij die op reis tegen eenige

moeite en ontbering opziet, blijve liever thuis. Wij troffen het

echter bijzonder voor de maand Maart, die gewoonlijk nog al ruw is en

volbrachten den overtocht met prachtig stil weer en een schitterende

zon. Een verrukkelijk gezicht was het, toen onze boot, de _Ville de

Naples_, na het verlaten der haven van Marseille de rotsachtige kust

met haar vele eilandjes al verder en verder achter zich liet. Daar

de weg door de grootste breedte der Middellandsche zee ging, kwam

men weinig vaartuigen tegen, slechts enkele visschersbooten en

eenige kleine koopvaarders. Nog waren de kusten van Sardinië niet

geheel verdwenen, of reeds kwam de Afrikaansche kust in 't gezicht,

bergachtig, met vele eilandjes, en als evenzooveel voorposten van het

Mohammedanisme zagen wij hier en daar op de heuvels zich verheffen

de gekoepelde, witgepleisterde graven van verscheidene Marabouts

(priesters) tot de zon onder de onbenevelde kim dook en de lichten van

Tunis ons tegemoet flikkerden. Nog meer dan een uur moest de boot door

het Canal de la Goulette, een uitgediepte geul in de ondiepe golf van

Tunis varen, voor de aanlegplaats bereikt werd. Het ontschepen ging

lang niet zoo spoedig en kalm als het inschepen. Want voor de boot

goed vastgemeerd lag, kwamen reeds in verscheidene bootjes de echte,

onvervalschte afstammelingen der vroeger zoo beruchte zeeroovers

van Tunis opzetten, de witte of gekleurde tulband of de helroode

fez scherp afstekend tegen het donkerbruine gelaat. Er waren echte

galgentronies onder, die duidelijk den stempel der herediteit droegen

en zij waren brutaal als de beul. Spoedig krioelde het op het dek van

allerlei bruine kerels, die op de wijze hunner vroede voorvaderen

de boot geënterd hadden en aan boord geklauterd waren. Kortom

echt zeerooversgespuis, hetwelk den passagiers zijn diensten als

pakjesdragers en gidsen aanbood. Met Argusoogen werd de longroom èn de

bagage door den hofmeester en de bedienden bewaakt. Bij het aan land

gaan begon het ongeluk eerst recht. Want nauwelijks de loopplank over,

werden wij omringd door een zestal Arabieren, mannen en jongens, die

zich, luid schreeuwende, van onze bagage trachtten meester te maken

om ze te dragen. Eenmaal afgegeven, zouden wij er waarschijnlijk

nooit veel van terug gezien hebben.

Dat krioelde om ons heen, trok aan onze bagage en kleederen, kroop

tusschen beenen en armen door en schreeuwde ons toe in een natuurlijk

onverstaanbaar Arabisch. Zoo goed als wij konden verweerden wij ons

tegen de aanvallers tot een Turco, een tolsoldaat, en de gids-tolk van

het hôtel waar wij kamers hadden besproken, ons van hen verlosten. De

laatste bracht ons naar de omnibus, waarmede wij spoedig ons hôtel

bereikten.

Dit was gelegen in het zoogenaamde quartier Franc, dat eerst dagteekent

van de laatste 20 jaren en de verbinding vormt tusschen de haven en de

eigenlijke oude stad Tunis. Voornamelijk wordt die verbinding gevormd

door de Avenue de la Marine en de Avenue de France, prachtige breede

straten, waarop verschillende zijstraten uitmonden. De reiziger staat

er over versteld, welk een groote verandering de Franschen in nog

geen 20 jaar in de stad gebracht hebben.

Aanvankelijk zou men denken, in een welvarende Fransche stad te

zijn. Electrische trams onderhouden het verkeer, elektrisch licht

zorgt voor de verlichting, terwijl de reinheid der straten niets te

wenschen overlaat.

In de Fransche wijk wonen de Europeanen en bevinden zich de voornaamste

Europeesche gebouwen, zooals het theater, de kathedraal, het paleis

van den Franschen minister-resident, de voornaamste winkels en hôtels.

Het hôtel, waar wij onzen intrek genomen hadden, gelegen in de Avenue

de France, bevond zich in de onmiddellijke nabijheid der Porte de

France, die toegang verleende tot de Arabische stad. Deze bestaat uit

drie deelen, nl. de middenstad, cité of Medina, die zich aansluit

aan het quartier Franc, en twee buitenwijken, een ten N. de Rebat

bab-el-souika en een ten Z. de Rebat bab-ed-djazira, (rebat-wijk en

bab-poort). De Medina is de voornaamste. Want in deze bevinden zich

de beroemde Souks, de bazars of markthallen. Deze bezochten wij den

dag na onze aankomst het eerst onder geleide van een gids-tolk, een

Tunesiër van geboorte, die echter de schilderachtige Arabische kleedij

voor de gemakkelijker Europeesche verwisseld had. Wil men Tunis en

speciaal het volksleven goed zien, dan is zoo'n persoon onmisbaar.

Met behulp van een papieren gids kan men slechts de voornaamste

merkwaardigheden uitvinden; wie meer wil zien, is in de grootste

verlegenheid, daar hij de landstaal, het Arabisch, verstaat noch

spreekt. De tolk weet echter alles, wat noodig is, zooals: waar men

te voet en met een rijtuig heen moet, tot wien men zich wenden moet

om deze of gene merkwaardigheid te zien, hij weet den weg door den

doolhof van nauwe straten en stegen, weet wat alles kost (behoudens de

noodige provisie voor hem zelf) en laat ons meermalen merkwaardigheden

zien, die men alleen nooit ontdekt zou hebben. De besparing in tijd,

moeite en kosten wegen ruimschoots op tegen het matige daggeld,

dat hij vraagt.

Zoodra wij door de Porte de France de Souks binnengetreden waren, viel

ons op, dat wij ons in een zeer oud stadsgedeelte bevonden. Nauwe

kronkelende straatjes en steegjes, te zamen één groot doolhof

vormend, waar men zonder gids deugdelijk in verdwalen kon, nu eens

uitloopend op een klein pleintje, dan weer doodloopend in een donker

gangetje. Somtijds moest men vrij steile trappen op, dan weer daalde

de straat zeer sterk.

Een liefhebber van oude gebouwen, van schilderachtige kijkjes en

verrassende eigenaardigheden kon op deze wandeling veel genieten. Naast

armoedige krotten verhieven de woningen van rijke Arabieren trotsch en

ongenaakbaar hun platte daken, de groote deuren van massief cederhout

dikwijls met ijzer- of koperwerk versierd, de ramen van onder- en

bovenverdieping van stevig en kunstig traliewerk voorzien, opdat

vrouwen en meisjes goed bewaard mochten zijn.

Sommige huizen zijn van balcons voorzien, die dikwijls zóóver

uitsteken, dat de bovenste verdiepingen der aan beide kanten der straat

staande huizen elkander aanraken. Dikwijls zijn de bazars overwelfd,

het gewelf gesteund door slanke Moorsche pilaren. Komt men in een

onoverdekte straat, zoo valt de blik op de slanke torens der moskeeën,

die ijl in de lucht stijgend, een schilderachtigen aanblik bieden en

het geheel als 't ware beheerschen. Vooral de Djama-ez-Zitouna, de

groote moskee, verrukt het oog door haar slanke vormen en kunstig op

de muren _en relief_ aangebracht complex van miniatuurbogen. Ofschoon

hobbelig geplaveid, viel de reinheid der straten ons erg mede, hoewel

men er niet tegen op moest zien af en toe een doode hond of kat te

ontmoeten, die zoo maar neergeworpen was. In die bazars wordt van

's morgens vroeg tot laat in den middag levendige handel gedreven. De

verschillende kooplieden hebben er, met uitzondering van eenige zeer

rijke, slechts kleine winkeltjes, sommige slechts eenige M_2_ groot,

waar zij, in 't halfduister neergehurkt, hun waren uitstallen. Eenige

wachten met Mohammedaansch fatalisme af, of er een kooper komt opdagen,

anderen prijzen luid schreeuwend hun waar aan, loopen een eind met u

mede, en zijn niet van u af te slaan. Elk artikel en handwerk heeft

zijn vaste bazar. Een geur van rozen, geranium of wierook verraadt,

dat men in de Souk der parfums is; de lucht van leer, dat men zich

in die der leerlooiers bevindt. Prachtige uitstallingen van zijde

en fluweel, kunstig met goud en zilver geborduurd, afgewisseld

met lange fijne burnous en helroode fezs, wijzen er op, dat men

de duurste wijk, die der voortbrengselen om welke Tunis beroemd is

nadert en dat het zaak is, zijn kooplust te bedwingen. In een andere

bazar weer worden kunstig bewerkte koperen voorwerpen en geciseleerde

wapenen verkocht of kan men het hart ophalen aan de vruchten van het

Zuiden. Timmerlieden, schoenmakers, schrijnwerkers en kleermakers,

allen hebben hier hun vaste wijk en standplaats. En tusschen al die

uitstallingen beweegt zich de bontste menigte, die men zich denken

kan. Rijke, gezette Arabieren in prachtige gewaden, zich ten volle

bewust van het gewicht hunner persoonlijkheid, met glanzend witte

burnous, wisselen af met bedelaars in lompen gehuld. Jonge mannen,

krachtig en slank gebouwd, met fijn besneden gezichten en sprekende

oogen, prachtige typen van het Arabische ras en donkerbruine Mooren met

trotschen en fanatieken blik en zwarten baard; pikzwarte negers, echte

knechtjes van St. Nicolaas, zich statig in een burnou van het grofste

zakkenlinnen hullend, op het hoofd een fez, die eens rood was, maar nu

meer op hun gelaatskleur lijkt, als eerste dandys een sigaret rookend

of luidkeels lachend met een mond tot aan de ooren en dikke lippen,

terwijl de hagelwitte tanden zichtbaar worden; Arabische vrouwen,

zich schuchter het gelaat bedekkend, de arme en onbemiddelde met

een slip van haar kleed, de rijke zich hullend in een lange kostbare

shawl van fijne, doorschijnende zijde--dit zijn de typen, die men het

meest tegenkomt. Niet alle vrouwen zijn echter gesluierd, slechts de

Arabische, maar de Joodsche niet. Voor 't overige hebben deze geheel

de Arabische kleeding overgenomen, ook de houten pantoffels met zeer

hooge hakken, waarop de vrouwen hier als 't ware loopen te balanceeren.

Vroolijk komen hier en daar de kleurige uniformen der Fransche

soldaten, vooral die der zouaven uit, met hun wijde roode broeken

en blauwe korte jassen, de fez met de bengelende kwast op een oor,

geheel het beeld van "vive la bagatelle". Hier en daar ziet men

een bruingebranden Bedouïn uit de woestijn voortschrijden met

onderzoekenden blik, het lange geweer aan den bandelier over den

schouder. Kleine meisjes en aardige jongens met groote verwonderde

kijkers loopen overal door het gewoel, dat somtijds zoo dicht is,

dat men er zich met de ellebogen door heen moet wringen, en vragen u

onophoudelijk om sous. Jongens en mannen op ezels laten u aanhoudend

uitwijken, want langoor wordt hier niet gespaard, maar eigenlijk

afgebeuld. Ook kameelen bezoeken de bazars, en somtijds liggen zij in

rijen van 10 of meer uit te rusten van hun tocht uit de binnenlanden,

van waar zij houtskool, dadels en andere voortbrengselen naar de

hoofdstad brengen. Daarbij is het dikwijls een geschreeuw, dat men

elkander niet verstaan kan, kooplieden, die hun waren aanprijzen,

koopers, die afdingen, druk redeneerende en gesticuleerende Arabieren

en Mooren. Kortom het is een tooneel vol Oostersche levendigheid

en Oostersche kleurenpracht, dat door zijn bontheid en telkens

afwisselende indrukken, mede door de bekoring van het nieuwe, den

vreemdeling van het Westen ten zeerste boeit en verrukt.

Hoewel de Bey van Tunis in de hoofdstad een paleis heeft, Dar-el-Bey

(huis van den Bey) genaamd, houdt hij daar zelden verblijf. Hij

vertoeft er slechts voor regeeringszaken en bewoont liever het

schoone buitenverblijf Kasr-Saïd of El-Bardo, in de nabijheid van

Tunis. Geregeld eens per maand komt hij in de hoofdstad om in den

voorhof van zijn paleis in hoogste instantie recht te spreken. Dit

gebeurde juist eenige dagen na onze aankomst, en hiervan tijdig door

onzen gids verwittigd, maakten wij aanstalten van zijnen intocht

getuigen te zijn. Reeds te half acht begaven wij ons daartoe naar het

plein van de Kasba (de burcht), waar ook het paleis gelegen is en waren

getuige van de aankomst der verschillende hoogwaardigheidsbekleeders

van den Bey. Militaire en burgerlijke autoriteiten, allen het hoofd

bedekt met de onvermijdelijke fez, stelden zich bij de poort op,

velen versierd met de orde der Beys, de Nicham-Iftikhar. Beambten van

gelijken rang begroetten elkander plechtig met een kus op elke wang; de

jongeren de ouderen met eerbiedigen handkus. Na eenigen tijd wachtens

kondigden eenige Fransche officieren van de Chasseurs d'Afrique,

als ordonnansen, de komst van den Bey aan. Weldra kwam een afdeeling

cavalerie in Turksche uniformen, op kleine vlugge paarden, wit van

het stof, aandraven, daarop volgden eenige rijtuigen met hofbeambten

en ten slotte de Bey zelf in een à la daumont gereden rijtuig met 6

muilezels. Bij 't uitstappen vertoonde hij zich een oogenblik. Een man

van middelbare lengte, met korten grijzen baard, geelachtig, streng

gelaat en ernstige sombere oogen. Er wordt van hem verteld, dat hij

nooit lacht. Niet onwaarschijnlijk, zoo men de gebeurtenissen der

laatste jaren in aanmerking neemt. Na de Fransche bezetting toch is

het met de onbeperkte heerschappij van den Bey voor goed gedaan. Reden

genoeg voor een Oostersch despoot om over te treuren.

Wie zich wel degelijk nog in 't bezit van hun onbeperkte heerschappij

mogen verheugen, al is het dan maar over redelooze dieren, zijn

de Arabische slangenbezweerders, die nog steeds de giftigste

exemplaren van het, den menschen zoo weinig sympathieke ras, in

letterlijken zin, naar hun pijpen laten dansen. Ongeveer eens om

de 14 dagen kan men te Tunis een dergelijke vertooning bijwonen,

die gegeven wordt door een derwisch, een soort van armen priester of

monnik uit de binnenlanden. Het is in zekeren zin een godsdienstige

plechtigheid. Maar dan toch zeker een van een weinig ernstig en meer

vroolijk karakter, want het in grooten getale toegestroomde publiek

vermaakt zich er goed bij. Voor den vreemdeling gaat natuurlijk

de godsdienstige beteekenis door onbekendheid met Arabische taal

en Mohammedaansche gebruiken verloren; hij beschouwt het als een

kermis-voorstelling, een merkwaardig schouwspel, nl. om de groote

moreele kracht, die de mensch op de dieren kan uitoefenen. De

voorstelling heeft plaats in de open lucht, meestal op een plein

voor een Arabisch café, waarvan het in Tunis krioelt. Deze keer op

het plein Halfoüin.

Hier worden in de maand Ramadan, die der vasten, de groote Arabische

feesten gevierd. In gewone tijden is het de plaats van samenkomst van

Arabieren uit alle standen. Men vindt er dan ook vele koffiehuizen,

zoowel voor Arabieren uit de volksklasse, negers en kleurlingen als

die, welke door de rijken en dandys bezocht worden. Een groote menigte

Arabieren, Mooren en negers, benevens een aantal vreemdelingen had

zich om een opene ruimte in een kring opgesteld. Daar binnen bevond

zich de bezweerder met zijn helpers, een drietal Arabieren, die op

de hurken gezeten, een oorverdoovende muziek maakten. Een bespeelde

een soort van herdersfluit, een tweede een Arabische viool, terwijl

degene die in 't midden zat, uit alle macht met duim en handpalm op

een groote tamboerijn trommelde. Deze laatste beantwoordde ook de

vragen, die de derwisch telkens tot hem richtte. Deze, donkerbruin,

forsch gebouwd en toch lenig, met katachtige snelle bewegingen, de

donkere schitterende oogen onophoudelijk in beweging, het beenige

gezicht met een dun baardje omgeven, het geschoren hoofd slechts op

de kruin bedekt met een ruigen, zwarten scalplok, geleek veel op een

der fanatieke krijgslieden van den Mahdi, die in een wit kleed en

met een breed zwaard in de vuist op de Engelsche carré's losstormden,

een wissen dood tegemoet. De voorstelling, die tamelijk lang duurde,

had in 't kort 't volgende verloop: Uit een der bruinlederen zakken,

die hij bij zich had, haalde de derwisch een zeer vergiftige slang

ter lengte van ongeveer een M., licht bruin van kleur en aan den buik

voorzien van gele ringen, de naâdja of slang van Cleopatra, door de

Arabieren Bouftira genoemd. Deze schijnbaar levenlooze slang legde hij

op een kleedje, iets grooter dan een M_2_. neer. Daarop danste hij,

op een klein herdersfluitje blazend, om haar heen, tot zij hoe langer

hoe levendiger werd en zich eindelijk met een schok oprichtend, met

de kleinste helft van haar lichaam op het kleedje overeind kwam te

staan. In die houding danste de slang nu, op de maat van de muziek,

steeds met den derwisch mede; bewoog hij zich naar rechts of links, zoo

deed zij 't zelfde. Het opmerkelijkste daarbij was, dat zij het kleedje

niet verliet en, ofschoon zij door al het gesar van den bezweerder

tot de hoogste woede geprikkeld was, er niet aan dacht, iemand aan te

vallen. De derwisch, die weldra droop van 't zweet, was voortdurend

in beweging, dansend en springend, lachte onophoudelijk met breeden

mond, hevig gesticuleerend, nu eens tot de omstanders of den man met

de tamboerijn vragen richtend, welke met toestemmend geschreeuw of

gelach beantwoord werden, dan weer de armen zwaaiend of ten hemel

heffend, luide gebeden tot Allah of den een of anderen heilige

opzendende. Vooral voor Ab-del-Kader, den bekenden vrijheidsheld,

scheen hij groote vereering te gevoelen, want herhaaldelijk riep hij

hem aan. Zooals de meeste Oostersche voorstellingen en plechtigheden,

werd ook deze ten laatste eentonig. Wij verlieten het plein om ons

naar het gerechtsgebouw te begeven, met het doel daar een nieuwen

kijk op het Tunesische leven te krijgen.

Zooals reeds vermeld, heeft de Fransche regeering aan de Arabieren in

Tunis hun eigen rechtspraak gelaten. Een zeer wijze maatregel, die haar

eindelooze moeilijkheden en wrijvingen met de inboorlingen bespaart. De

Arabier wordt dus gevonnist door zijn eigen rechter of raëse.

Op verzoek zijn de zittingen ook toegankelijk voor vreemdelingen,

die hier gelegenheid hebben menig tafereel van echt oorspronkelijk

Arabisch leven te zien. De gids-tolk stelde ons hiertoe gemakkelijk

in de gelegenheid. Toen wij het gerechtsgebouw, waar gevallen van

echtscheiding en andere civiele zaken behandeld werden, binnentraden,

bevonden wij ons op een ruime binnenplaats, omringd door een

zuilengaanderij en aan de kanten voorzien van steenen banken. Daarop

hadden aan de eene zijde plaats genomen een aantal dicht gesluierde

vrouwen in 't zwart gekleed, die zich over haar echtgenooten te

beklagen hadden en zich wilden laten scheiden, aan den anderen kant

de echtgenooten dier dames, allen wachtend tot zij opgeroepen zouden

worden, om beurtelings voor den rechter te verschijnen. Aan den

ingang der gerechtszaal, die op de eerste verdieping was, stond een

zeer zwaarlijvige gendarme in een blauwe uniform op wacht, die ons,

na een kort onderhoud met den gids, welwillend binnen liet en voor

den rechter leidde, dien hij het verzoek overbracht om een zitting

te mogen bijwonen. Beleefd beantwoordde de magistraat onze buiging,

heette ons met een vriendelijken glimlach welkom en noodigde ons uit,

dicht bij hem plaats te nemen aan den kant der toehoorders.

Daartegenover zaten in een bonte groep de getuigen. Nadat de

woordvoerder van ons gezelschap den rechter bedankt en zijne vreugde

te kennen gegeven had, dat wij als vreemdelingen mochten kennis

maken met de Arabische wijsheid, van ouds beroemd uit de tijden

van Kalief-Harun-al-Raschid, namen wij plaats en de zitting werd

voortgezet.

Een sprekende kop die rechter, met beschaafde vormen en schitterende,

doordringende oogen, waarvoor de beklaagden bijzonder veel ontzag

hadden. Geschoeid met gele pantoffels, het witte gewaad met een langen,

lichtbruinen gendorah (opperkleed) bedekt, droeg hij aan een zijner

vingers een ring met smaragd, als teeken zijner waardigheid. Hij

was gezeten aan een met allerlei papieren bedekte tafel, waarvoor

de beklaagden en getuigen zich plaatsten om hun relaas te doen. Wij

woonden eenige zaakjes bij, waarvan de gids ons de toedracht vertelde

en kregen eenige zeer ongure schelmengezichten te zien. Allen zonder

onderscheid hadden echter grooten eerbied voor den rechter. Met

een diepe buiging, de armen over de borst gekruist, naderden zij

hem en hieven deze onder 't spreken tot aan de schouders op, de

handpalmen vlak naar hem toegekeerd. Met zachte stem begonnen, werd

hun spreeklust hun al spoedig te machtig; al radder ging hun tong,

al luider werd hun stem en zelfs de eerbied voor den rechter kon hun

woordenvloed niet stuiten.

Zij lieten dezen zelfs niet uitspreken en vielen hem herhaaldelijk

pardoes in de rede, zoodat een tweede, insgelijks zeer welgedane

gerechtsdienaar hun herhaaldelijk de zware hand op den schouder

moest leggen en hun een gebiedend "barka, barka" (genoeg, genoeg)

toeroepen. Deze had zelfs moeite hen de zaal uit te krijgen, nadat hun

vonnis uitgesproken was. De raëse hoorde alles met Mohammedaansche

kalmte aan, zeide van tijd tot tijd een enkel woord, stelde een

enkele vraag, terwijl hij den spreker doordringend aanzag of volgens

de rozenkrans, die hij in de hand hield, den grooten profeet bad,

hem wijsheid te geven. Hij had blijkbaar de zaken grondig bestudeerd

en sprak kort recht. Zoo kreeg een Arabier wegens mishandeling 5

maanden gevangenis; een Arabische vrouw, die kamers verhuurde en hare

huurster, die één termijn vooruit betalen moest en dit gedaan had,

daarop terstond haar huis uit gezet had, 2 maanden; een jongmensch,

die wijn gedronken had, moest dit met 5 dagen opsluiting boeten, een

bewijs dat in Tunis aan de wet van den Koran streng de hand gehouden

wordt, hetgeen in Algerië niet zoozeer 't geval is. De vrouwen waren

het breedsprakigst en drukst en moesten door den gendarme nog veel meer

tot de orde geroepen worden dan de mannen. Eenige dagen later woonden

wij ook een zitting voor strafzaken bij, waar dezelfde rechter als de

hierbovenvermelde de rechtbank presideerde. Een eivolle zaal, een lange

rij beschuldigden, een menigte getuigen. Een viertal advokaten voerden

het woord, waar wij natuurlijk niets van begrepen; echter bleek uit

't vuur, waarmede zij spraken, dat zij de zaak hunner cliënten wel

ter harte namen.

De vreemdeling, die eenigen tijd te Tunis verblijft, komt herhaaldelijk

in de Souks, want telkens en telkens weer wordt hij aangetrokken

door het bonte, opgewekte, oorspronkelijke volksleven, dat hij daar

aantreft. Bij die herhaalde bezoeken is het af en toe betreden van een

winkelmagazijn moeilijk te vermijden, zelfs al bestaat daartegen bij

hem principiëel bezwaar, hetgeen meestal niet het geval is. Integendeel

de kooper is meestal maar al te gewillig, en vrienden en verwanten in

't vaderland willen ook wel bedacht zijn.

Ook ontbreekt het niet aan uitnoodigingen en aanmoedigingen van de

zijde der winkeliers om binnen te treden. Reeds aan de deur, zelfs

op de straat, noodigen ze u met vele plichtplegingen en buigingen als

knipmessen daartoe uit. De argelooze vreemdeling, die toestemt, treedt

in het hol van den leeuw, een leeuw met fluweelen pootjes. Vriendelijk

wordt hij uitgenoodigd plaats te nemen en op de kennismaking een

geurig kopje Arabische koffie, echte Mokka, in kleine porceleinen

kopjes voorgediend, te drinken. Dit mag men niet weigeren, want het

is een bewijs van gastvrijheid. Bovendien gelooven de winkeliers,

dat het hun geluk aanbrengt, want zij zijn zeer bijgeloovig en zouden

zich door een weigering beleedigd gevoelen.

Middelerwijl stallen de bedienden allerlei fraaie voorwerpen voor

u uit en wordt men door den winkelier overladen met de vleiendste

opmerkingen over zich zelf, zijn land en volk en met verzekeringen,

dat hij zich zoo vereerd gevoelt door uw bezoek. Al die poes-lievigheid

is echter maar schijn. Want in werkelijkheid is hij er slechts op

uit, u zooveel mogelijk af te zetten. De voorwerpen in de Tunesische

winkels zijn niet vast geprijsd, de verkoopers vragen een buitensporig

hoogen prijs. Vandaar een loven en bieden zonder eind, waarbij de

vreemdeling gewoonlijk aan 't kortste eind trekt. Zelfs al krijgt

hij de voorwerpen voor een 3_de_ of 4_de_ van den gevraagden prijs,

hetgeen geen zeldzaamheid is, dan is hij nog bekocht. Zelfs gebeurde

het ons eens, dat wij een kleedje voor een zesde van den gevraagden

prijs behielden.

Kortom, het is de grofste afzetterij. De fraaiste winkels zijn die

der zijdewevers en zijdeborduurders, die de artikelen vervaardigen,

waar Tunis beroemd om is en die het in groote hoeveelheid uitvoert. Men

vindt deze in "de Souk des Femmes", waar voor 40 jaar nog slavenhandel

gedreven werd, en de prachtige magazijnen van Boccara père et fils en

van Barbouchi gelegen zijn. Men vindt daar inderdaad een rijkdom van

zijde en fluweel, shawls en doorzichtige sluiers, kleeden en kleedjes

van damast, waarvan de randen met gouden of zilveren lovertjes en

bloemen omzoomd zijn, in de fijnste, afwisselendste en teederste

kleuren. Als een stuk van groote waarde toonde men ons een lange

looper uit den tijd van Lodewijk XIV, geheel stijf van zilver en met

gouden bloemtrossen ingelegd.

In andere winkels ziet men weer verschillende wapenen van allerlei

vorm en afmetingen, met zilver en ivoor ingelegd of zwaar met koper

beslagen; de sabels en dolken rijk gedamascineerd. Evenmin ontbreken

rijke uitstallingen van lederwerk en met fijne figuren geïncrusteerd

koper. Een belangrijk artikel van uitvoer zijn ook de parfumerieën

en aetherische oliën, die volgens oude Oostersche gewoonte meestal

bereid worden door de vrouwen uit den harem van den gegoeden parfumeur.

Niet alleen door haar bonte verscheidenheid van bevolking,

door haar eigenaardige zeden en gewoonten biedt de stad Tunis den

vreemdeling veel bezienswaardigs, maar ook hare omstreken hebben groote

aantrekkelijkheid en verlokken tot menig heerlijk uitstapje. Daartoe

moet men zich steeds op eenigen afstand van de stad begeven.

In de naaste omgeving is er alleen het stadspark "le Belveder" met zijn

statig wuivende palmen en groene Oostersche gewassen, waar inwoner en

vreemdeling eenige koelte en schaduw kunnen vinden. Overigens is de

omgeving nagenoeg boomloos, vooral des zomers een groot nadeel. Want in

Tunis, dat evenals Algiers het klimaat der Regio Mediterranee heeft,

kan het afmattend heet zijn. Reeds in Maart is het er in den middag

als bij ons in Augustus, en midden in den zomer kunnen de bewoners

alleen aan de zeekust eenige koelte vinden.

De winters, voor zoover zij dien naam verdienen, zijn in Tunis

zeer zacht. Sneeuw kent men er niet dan bij overlevering; 't laatst

had men die in 1883 gezien. Tegen zonsondergang komt echter meest

de koude N. wind, de mistral opzetten, waartegen de reiziger zich

steeds met mantel en shawl moet wapenen. Als de verzengende Sirocco,

de heete woestijnwind blaast, kan men nauwelijks ademhalen. Soms

bereikte deze 40° Celsius, zoodat de streek waar zijn verzengende

adem overheen gegaan is, als 't ware verbrand ter neder ligt. Ook de

Bey vertoeft niet geregeld in Tunis, maar heeft zijn residentie in

de nabijheid, het paleis het Bardo. Dit gebouw, waaraan verbonden is

het oudheidkundig museum Aloüi, is wel een bezoek waard.

Een monumentale leeuwentrap voert naar een rijkversierde vestibule,

die toegang tot de verschillende zalen verleent. Onder deze zijn het

opmerkelijkst de groote receptiezaal, waar de feesten aan het corps

diplomatique gegeven worden, benevens de troonzaal, die aan de wanden

versierd is met twee rijen rijk vergulde pendules uit verschillende

tijdperken; op consoles; dit laatste meer rijk dan smaakvol.

Verder kan de reiziger te Manouba de overblijfselen van de grootsche

waterleiding voor Carthago bewonderen, de ruïnen van Utica, de

havenwerken van Bizerta of de badplaats Hammam-El-Lif bezoeken.

Vóór alles zal hij echter naar een plaats gaan, waarheen de stemmen

uit het verleden hem met onweerstaanbare kracht geroepen hebben. Geen

vreemdeling, al vertoeft hij nog zoo kort te Tunis, kan nalaten de

ruïnen van Carthago te bezoeken. Hoe worden echter zijn verwachtingen

omtrent hetgeen hij te zien zal krijgen teleurgesteld, zoo hij niet van

te voren ingelicht is! Want van de eenmaal zoo bloeiende en trotsche

hoofdstad der Karthagers, eertijds de koningin der Middellandsche zee,

is bedroefd weinig meer over. Wel is de vloek van den meedoogenloozen

Cato: "delenda est Carthago!" in vervulling gegaan. Niet eenmaal,

maar drie keer is de stad grondig verwoest. Na de Romeinen kwamen de

Vandalen, daarna de Arabieren. De laatsten vooral hielden deerlijk

huis; hun dolzinnig fanatisme wilde elk spoor van de toenmaals

christelijke stad met wortel en tak uitroeien. Geen steen werd op

den anderen gelaten, alles kort en klein geslagen. De tocht naar

Carthago is een verrukkelijke rit langs de ondiepe golf van Tunis,

Bahira geheeten.

De onafzienbare zee verkwikt het oog door hare tallooze wisselende

tinten van donker- en helderblauw tot smaragd-groen en lichtgrijs. Het

strand wordt verlevendigd door groote troepen reigers, flamingo's en

andere zeevogels, die nu eens onbeweeglijk op een hunner lange pooten

om zich heen staan te zien, dan weer onder krijschend geschreeuw

hoog in de lucht opvliegen. Verblindend schitteren de witte huizen,

slanke torens en gekoepelde daken van het verdwijnende Tunis in 't

felle zonlicht. Het schiereiland, waarop de bouwvallen van Karthago

gelegen zijn, verheft zich vrij steil uit zee. Het hoogste punt vormt

het terrein, waar vroeger de sterke burcht van Karthago, de Byrsa,

gelegen was. Op den top van dien heuvel is het museum, waar alles

verzameld is, wat aan de verwoesting geheel of gedeeltelijk ontkomen

en door ijverige opgravingen aan 't licht gebracht is. Het zijn de

zoogen. Pères Blancs, die zich hiermede bezig houden, in opdracht

van kardinaal Lavigerie. Deze ijverige priester-zendeling, die van

de Fransche regeering voor ongeveer 25 jaar verlof kreeg, bij de

bouwvallen van Karthago een kathedraal te bouwen, gaf aan de monniken

last, nevens hun godsdienstige plichten het werk der opgravingen met

kracht ter hand te nemen. Dit leverde de beste resultaten op. Het

museum is verdeeld in drie afdeelingen: voorwerpen uit den Punischen

tijd, die uit den tijd van Romeinsch-Karthago, en ten slotte hetgeen

er uit de Christelijke periode overgebleven is. Die uit de eerste

periode zijn het meest bezienswaardig. Daaronder treft men menig

fraai voorwerp aan, dat door eigenaardigen, dikwijls grilligen vorm

en bewerking verraadt, dat in den Punischen voortijd Phoenicische en

Oostersche invloeden zich in de kunst sterk deden gelden.

De bouwvallen van Karthago zijn voor de Fransche pelgrims een

bedevaartplaats, daar er een kapel gebouwd is ter herinnering aan

Lodewijk den Heilige, die hier op den 7_den_ Kruistocht, te midden van

zijn leger, door de pest werd weggerukt. Hoog boven dit bescheiden

monument verheft zich een gebouw uit later tijd, eveneens aan hem

gewijd, de basilica of kathedraal van Lodewijk den Heiligen. Fier

en statig rijst zij met hare vier gekoepelde witte torens in de

wolkenlooze lucht omhoog, en het kruis op den top weerspiegelt

zich in de blauwe golven aan haren voet, zoo vredig en kalm, alsof

die zee nooit iets anders, nimmer de verschrikkingen van oorlog en

verwoesting aanschouwd had. Moge dit voortaan zoo blijven en Tunis

en haar omgeving onder Fransch gezag een tijdperk van ongestoorden

bloei en ontwikkeling deelachtig worden.

Sedert de vestiging van het Fransche protectoraat in Tunis, zijn

de verkeerswegen aldaar enorm verbeterd. Dit geldt zoowel van de

straatwegen als wat betreft den aanleg van spoor- en tramwegen. Door

de stad Tunis snorren de electrische trams en meer en meer breidt

het spoorwegnet op het platte land zich uit. De hoofdlijnen

zijn aangesloten bij de Algiersche lijnen. De maatschappijen, wel

inziende hoe bevorderlijk een goede inrichting voor de toename van 't

vreemdelingenverkeer is, nemen dit zeer ter harte, zoodat men in Tunis

en Algiers even goed en even geriefelijk, ja soms nog beter reist dan

in Frankrijk en in sommige streken van Europa. De hoofdlijn loopt van

't Oosten naar 't Westen en verbindt de voornaamste plaatsen, o.a. de

hoofdplaatsen der provincies. Deze liggen ver van elkander af, en daar

de treinen overal ophouden, zijn de trajecten lang. Meestal rijdt er

slechts een per dag. Vroeg begonnen, eindigt de reis eerst 's avonds

of in den nacht. Soms is er gelegenheid in den trein te dineeren,

zoo niet, dan wordt deze op bepaalde haltestations opengesteld,

na voorafgegane bekendmaking. Men ziet, alles evenals in Europa. Al

duurt de reis wat lang, zoo behoeft de reiziger zich niet te vervelen,

want steeds biedt het landschap hem de grootste afwisseling. Meermalen

gaat de weg langs een schilderachtige rivier. Een enkele orographische

opmerking vinde hier haar plaats. Tunis en Algerië worden, wat de

gesteldheid van den bodem betreft, in vier gordels verdeeld. De eerste

gordel, de zoogenaamde Tell, strekt zich langs de zeekust uit en wordt

landwaarts in begrensd door het Atlasgebergte, dat met zijn machtige

keten, van oostelijk Tunis, door geheel Algerië, tot aan de westelijke

grens van Marokko doordringt. De tell is het vruchtbare gedeelte bij

uitnemendheid, waar veel graan en ooft geteeld wordt en de wijnstok

rijke oogsten geeft. Men denke slechts aan den Algierschen wijn,

die ook hier het burgerrecht verkregen heeft en aan de meer dan 40

millioen sinaasappelen, die Algerië nu reeds uitvoert. De tweede gordel

is de Atlasketen. Daarop volgt de streek der hoogvlakten en steppen,

waar de bodem onvruchtbaar en rotsachtig is, afgewisseld met vele

zoutmeren. Ten slotte de woestijn, de Algerijnsche Sahara, die slechts

een klein deel vormt van de groote woestijn van dien naam. Omdat het

Atlasgebergte nagenoeg evenwijdig met de zee loopt en de waterscheiding

vormt voor de rivieren, die Noordelijk in zee en naar 't Zuiden in de

zoutmeren uitmonden, hebben deze geen langen loop, hetgeen niet in

't voordeel is van de besproeiing des lands. De voornaamste rivier

van Tunesië is de Medjerda, die van Algerië de Seybouse. De eerste

doorsnijdt Tunis van W. naar O., de tweede ontspringt op den Atlas

en stroomt bij Bône in de zee. De spoorweg van Tunis naar Bône loopt

voor 't grootste deel door de dalen der beide stroomen, waardoor het

natuurschoon langs den weg niet weinig verhoogd wordt. Van tijd tot

tijd vernauwt het dal zich zoo zeer, dat de spoorweg het karakter van

een echte bergbaan aanneemt en men hem met geweld een doortocht door

de rotsen heeft moeten banen. Een ander maal doorsnijdt de spoorbaan

een onafzienbare vlakte, gedeeltelijk met hoog gras bedekt, op andere

plaatsen prijkend met den rijksten kleurenschat der meest verschillende

bloemen. Men zou zich verplaatst wanen in de hyacinthen en tulpenvelden

van Haarlem in 't voorjaar, behalve, dat hier de verscheidenheid van

kleuren grooter, de groepeering minder regelmatig is. Ongekunsteld

schitteren de bloembedden in onvergelijkelijke pracht, zooals de natuur

ze er neergezet heeft. Velden met donkergele goudsbloemen wisselen

af met witte plekken, waar trotsche Aronskelken haar witte hoofden

fier verheffen. Hier wedijveren teeder rose Malva's met helroode

klaprozen, ginds paren zich bescheiden witte madeliefjes met blauwe

convolvulussen in teedere kleurenharmonie. Aan den oever der rivier

wiegen oleanderstruiken hun witte en rose kelken op slanken stengel

heen en weer, schitteren bloesems van perzik- en amandelboomen

tusschen het donkere groen der laurierboomen, of wel het is een

mimosastruik, die, om zijn schoonheid des te meer te doen uitkomen,

niet beëngd door omringend geboomte, zijn volle gele trossen in het

zonlicht laat schitteren en het oog verrukt. Somtijds ook kleine

oerwouden van knoestige steen- en kurkeiken, machtige cederboomen,

donkere cypressen en hoog opgeschoten eucalyptussen, waar alles

verward door elkander staat en met klimplanten omstrengeld is. Ook

levende wezens ziet men langs den weg. Nieuwsgierige inboorlingen in

kleine Arabische dorpen; karavanen met groote en kleine kudden vee, de

eigenaar op een vurigen Arabier voorop; tenten van nomaden, soms niet

veel meer dan lappendekens op palen, waaronder alles, menschen en vee,

eendrachtiglijk te zamen huist. En steeds wordt het geheel omlijst

door de eindelooze, golvende keten der Algerijnsche gebergten, wier

golvingen zoo zacht zijn, dat zij geen horizon schijnen te bezitten.

Bône, met een bekoorlijke ligging aan zee, bevindt zich in de

onmiddellijke nabijheid van het "massif de l'Edough", een bergketen,

die vrij steil in zee afdaalt en voor 't grootste deel begroeid is

met prachtige bosschen van kurkeiken, een rijke bron van inkomsten

voor de exploiteerende maatschappijen.

Geheel anders is de ligging van Constantine te midden van een

heuvelland op hooge rotsen. Als hoofdstad van het aloude Numedië,

was het eens de residentie van den krijgshaftigen koning Massinissa,

den bondgenoot van Scipio tegen de Karthagers en getuige van den

fieren dood van Hannibals' dochter Sophonisbe, die als een echte

afstammelinge van den stam der Barciden geen schande verdragen

wilde. Daarna zetelde er de wreede, roofzuchtige Jugurtha, die geheel

Rome omkoopbaar achtte. Zijn geest scheen weer levendig te worden,

nadat de Arabieren zich van de stad hadden meester gemaakt. Ten

minste tot aan de verovering door de Franschen in 1837 was en

bleef het een roofnest van de ergste soort. Hierbij werd de stad

vooral begunstigd door haar eigenaardige ligging. Deze is inderdaad

zeer bijzonder. Van het Oosten loopt het riviertje de Roumel op de

stad toe door een uitgestrekte, vruchtbare vlakte, aan weerskanten

met kalkrotsen omzoomd. Vlak voor de stad stroomt de Roumel door

de groenende pépinière, den botanischen tuin, die elke Algiersche

stad van beteekenis bezit. Plotseling houdt de vlakte op en ziet de

rivier zich den loop versperd door de rotsen, waarop de stad gebouwd

is. Het is een werk van eeuwen geweest, eer zij zich met geweld een

weg daar doorheen gebaand had en hetzelfde geval als met den Rijn

tusschen Coblentz en Bingen. Met dit verschil echter, dat de Roumel

zich slechts een nauwe spleet tusschen de rotsen gewrongen heeft,

die loodrecht oprijzen en op sommige plaatsen een hoogte van meer dan

100 M. bereiken. De stad, die den vorm van een ongelijkbeenig trapezium

heeft, wordt aan twee der langste zijden door de Roumel omgeven, aan de

twee andere zijden door hooge rotsen, met uitzondering van één punt,

van waar zij uit de vlakte toegankelijk is. Een nagenoeg onneembare

ligging dus, uiterst geschikt voor een roofnest. Langs de Roumel,

van de Porte du Diable af, waar zij uit de vlakte komt, tot aan den

waterval, waarmede zij zich weder, na doorbraak der rotsen, in de

vlakte uitstrekt, is een smalle, van een balustrade voorziene weg

gemaakt, "le chemin des touristes". Deze, die volstrekt geen gevaar

oplevert, is interessant en bijzonder mooi. Nu eens is de rivier

slechts enkele meters breed, dan weer verwijdt zij zich als 't ware

tot kleine meertjes; hier is zij kalm, ginds schiet zij schuimend

tusschen grillig opeen gestapelde rotsblokken door. Nu eens stroomt

zij in 't volle daglicht, een andermaal baant zij zich een weg onder

den bodem en vormt indrukwekkende gewelven en wondervolle grotten,

waaruit de puntige rotsmassa's als stalactieten neerhangen. Door de

vele bochten biedt de wandeling de bekoorlijkste en meest afwisselende

gezichtspunten. Aan het einde, dicht bij den waterval, bereiken de

rotsen haar hoogste punt en eindigen in een naakten steilen top. Na

inneming der stad poogde hier een deel der verdedigers zich te redden

door zich met touwen naar beneden te laten zakken. Maar de touwen

braken en vele mannen, ook vrouwen en kinderen, kwamen om in de Roumel.

Reis door Tunis en Algiers De Aarde en haar Volken, 1906 · 第 1 / 4 段