andere sieraden dan den diamanten Keyura, den armband van zijne
goddelijke waardigheid.
“Brahma is tot ons gekomen. Welaan, laat ons hem zoeken.”
In ademlooze stilte luisterden de duizenden menschen naar zijne
woorden.
Met begeerige oogen hingen de fanatieke personen aan de bloedelooze
lippen van den fakir. Hunne spieren begonnen van opwinding te trillen.
Nog verscheidene minuten, nadat de fakir had opgehouden, bewaarde de
onafzienbare volksmenigte het stilzwijgen. Maar toen werd een bruisen
en suizen hoorbaar, alsof een storm naderde. En het geloei zwol
aan—sterker, ontzettender—dat was geen storm meer, dat werd een orkaan,
dien het godsdienstige fanatisme onder de duizenden ontketende.
In de grootste opgewondenheid schreeuwden, dansten en sprongen zij door
elkaar, totdat ze zich op bevel van den Fakir opstelden, tot een bijna
eindeloozen stoet en naar de heilige Tempelstad trokken, om den
herboren Brahma te zoeken en zijnen goddelijken zegen te ontvangen.
Verbaasd keken de priesters in de Tempelstad naar deze processie.
Machteloos stonden ze tegenover deze reuzengolf van duizenden menschen.
Hunne woorden werden niet gehoord, en de steeds opdringende
menschenstroom sleepte hen met zich mede.
Tempel na tempel werd door de fanatieke menigte doorgezocht zonder een
spoor van Raffles te vinden.
In haar ijver sloeg de fanatieke massa er geen acht op, dat de zon
begon onder te gaan en het uur aankondigde, waarop alle levenden de
Tempelstad moesten verlaten.
Duizenden klokken verhieven hun dreunende, metalen stemmen, en de
opgewonden menigte gaf gevolg aan de vermaning, tot haar gericht. In
dichte drommen verliet zij de Tempelstad en toen de laatste van hen
door de poorten van de met kroonwerk versierde stadsmuren was
geschreden, werden de zware bronzen poorten gesloten.
Terwijl het wilde, fanatieke oproer door de straten en tempels der
heilige stad raasde, was Raffles de stad binnengetreden en had zich in
de nabijheid van den hoofdtempel in een weinig opvallende nis
verborgen. Toen de straten en pleinen door de aftrekkende
pelgrimsscharen waren verlaten, kroop hij uit zijn schuilplaats en
sloop in de schaduw der tempelmuren naar den Hoofdtempel.
De zilveren maan scheen helder en Raffles kon alles duidelijk
onderscheiden.
Als in eene geheimzinnige sprookjesstad liep hij verder. Overal
prachtige beeldhouwwerken, tinnen en erkers, paviljoens en torens,
goud-glanzende bronzen deuren en veelkleurige ornamenten—maar nergens
een tuin. Geen bloem, geen boom. Onbewoond, zonder eenig leven, bevindt
zich nacht op nacht de stad van Boeddha. Geen menschelijk wezen in al
die prachtige gebouwen.
Door de openstaande deuren van de muren, die de tempels omsloten gelijk
eene vesting, zag hij op pleinen met kleinere tempels.
Waarheen zijn blik zich wendt, op alle hoeken en uiteinden staat het
grove beeld van Boeddha, met de schitterende star-oogen van
edelgesteenten onder het voorhoofd. De schittering wordt veroorzaakt,
doordat in de oogholten van den god half-bolvormige zilveren platen
zijn bevestigd, die met fijn geslepen edelgesteenten, glas of stukjes
zilver zijn bezet.
Dikwijls staan vele van zulke beelden bij elkaar, met verborgen beenen,
de borst met kostbare gouden sieraden behangen, in wier midden een
groote brillant fonkelt. Bijna de geheele figuur is met zilveren of
gouden platen bezet, zoodat zij den indruk maakt van een reus met een
gouden harnas.
Langs een steilen, hier en daar van trappen voorzienen weg bereikte
Raffles den Hoofdtempel.
Bijna een half uur duurde het naar boven klimmen, en verlicht haalde
hij adem, toen hij in de schaduw van den open tempelpost stond.
Luisterend bleef hij eenige seconden staan.
Niets bewoog zich binnen in den tempel, en vol moed vervolgde hij zijn
weg.
Hij liep naar het groote Boeddha-beeld, dat hem met wijd geopende,
schitterende oogen, als een waarschuwend “Menetekel”, aankeek.
Voor de eerste maal overvalt hem een zekere rilling, als teeken van
zenuw-verslapping.
Hij sloeg er geen acht op; onderzoekend kijkt hij naar het beeld van
vijfvoudige menschengrootte. Maar niets opvallends kon hij ontdekken.
Het is hetzelfde beeldhouwwerk als al het andere in de stad.
Hij begeeft zich naar de achterzijde van het godenbeeld, en met een
kreet van verbazing blijft hij staan.
Dicht achter het beeld, ziet hij eene opening, die naar de diepte moet
leiden. Een blauw-achtig, getemperd licht uit eene voor hem onzichtbare
lichtbron schijnt in de opening, en een fijne, welriekende geur stijgt
naar boven.
Een sierlijk bewerkte trap, die naar beneden leidt, ziet hij voor zich.
Zonder dralen betreedt hij deze en staat weldra in eene ruimte, welker
wanden en zoldering wordt gevormd door glanzend gepolijste donkere
bazaltsteenen, en in wier midden een vuur brandt.
Naast het vuur echter zit de spookachtige gedaante van een fakir, die
nu en dan een stuk hout op den vuurgloed legt en uit een kleinen gouden
flacon geurige essence op het vuur giet.
Deze fakir is het eenige levende wezen in de tempelstad, en moet ervoor
zorgen, dat het heilige vuur ter eere van Brahma, dat Boeddha hier voor
den machtigen God onderhoudt, nooit uitdooft.
En deze fakir wordt als heilig beschouwd. Hij heeft om het eerebaantje
in den heiligsten tempel te kunnen uitoefenen, zijne oogen, ooren, tong
en voeten moeten verminken. Hij mag zien noch hooren, spreken noch
gaan.
Een ontzettend offer van het godsdienstige fanatisme.
Zachtjes sloop Raffles naar den fakir, en hij schrok, toen hij in de
ledige oogholten keek en het ontbreken der ooren bemerkte.
Dicht bij het vuur stond een gouden tafel, op welker blad eenige
woorden waren gegraveerd, die met diamanten en robijnen waren afgezet.
Nieuwsgierig keek Raffles naar de letterteekens en al gauw kon hij de
woorden ontcijferen:
Heil u, Brahma! Uwe oogen zullen stralen van geluk. Gij ziet het Akasa.
Prijs ons, die het duizenden jaren voor u hebben bewaard, en verheug
ons door uwe wijsheid. Dschaina!
Maar tevergeefs zocht Raffles naar het geheimzinnig Idole.
Niets kon hij ontdekken. Ten slotte onderzocht hij de tafel en vond
daaronder een kistje. Hij opende het en op een wit zijden weefsel
bevond zich een ovaal, geslepen, donker bronzen voorwerp van den vorm
en grootte van een bord, en van een steel voorzien.
Welk raadsel zou hierin opgesloten liggen?
Wat stelde het voor?
Nieuwsgierig trad Raffles met het raadselachtig voorwerp dicht bij ’t
vuur, om bij den schijn hiervan de kleine, in ornamentvorm aangebrachte
heel fijne openingen op den bodem van het idole te onderzoeken.
En toen hij onwillekeurig het voorwerp boven het vuur hield, trad hij
van schrik terug.
Zachte tonen weerklonken eensklaps, ergens vandaan—eigenaardiger en
geheimzinniger dan de klanken der Aeolsharp—bovenaardsche muziek.
Eene koude rilling beving hem. Verbaasd keek hij om zich heen en ging
wat van het vuur af staan.
Dadelijk hield ook de geheimzinnige muziek op.
Eenige minuten stond hij stilzwijgend na te denken.
Hij zocht het raadsel te verklaren. Doch hoe ingespannen hij ook zon,
hij kon zelfs niet vermoeden, waar de tonen vandaan kwamen.
Toen stapte hij opnieuw naar het heilige vuur. Weer hield hij het Akasa
er boven om het verder te onderzoeken, en opnieuw klonk de
geheimzinnige hemelsche muziek.
Nu vond hij de verklaring.
Het door hem boven den vuurgloed gehouden Akasa bracht de wondervolle
tonen voort.
Telkens als hij het voorwerp boven het vuur hield hoorde hij de zachte
klanken, die direct wegstierven wanneer hij van het vuur wegging.
Maar waardoor werden zij veroorzaakt, die klanken, welke als een
telkens afgebroken geluidsgolf de ruimte vulden?
Stond hij werkelijk tegenover een niet op te lossen raadsel van
Indische geheime kunst?
Neen, hij ontdekte de bron. De warme lucht van het vuur, die door de
openingen van het voorwerp ging, bracht de tonen voort.
Onwillekeurig keek hij naar de zoldering van het vertrek, alsof hij de
onzichtbare geluiden wilde volgen. Toen was het, alsof hij plotseling
in een standbeeld veranderde.
Met starende oogen, den mond ver open, als door een plotselingen schrik
getroffen, wendde hij den blik naar de zwart-gepolijste zoldering.
Slechts weinige seconden kon hij zich staande houden—hij zag iets
ijzingwekkends—toen viel hij bewusteloos op den grond.
Niemand hoorde het dof neervallen van zijn. lichaam.
En de misvormde fakir ging werktuigelijk voort de kostbare
wierook-houtblokken op het vuur te leggen.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
DE VLUCHT.
Sedert Raffles’ vertrek vermeed de Maharadjah het Zenana op te zoeken.
Zijn vertrouwde, de dikke Vakil, had hem medegedeeld, dat Samru, die op
bevel van den vorst onder streng toezicht werd gehouden, tot razernij
was vervallen.
Zij verborg het niet, dat zij den paria, den Engelschman, lief had en
zij dreigde ermee, het paleis te verlaten en hem na te snellen.
Door deze onvoorzichtigheid liet de Maharadjah haar nog scherper
bewaken, en om haren tegenstand te breken, besloot hij, haar huwelijk
met een der jonge vorsten van Indië te bespoedigen.
Samru weende en raasde opnieuw, toen haar het besluit van haar vader
werd meegedeeld.
Toen stormde op een avond blijkbaar opgewonden vroolijk, Natana het
vertrek der prinses binnen en overhandigde haar een brief.
Samru maakte hem haastig open en las hem.
Hare wangen kleurden, hare oogen schitterden, toen zij hare
lievelingsslavin toeriep:
“Van hem!”
Natana knikte lachend en antwoordde:
“Ik weet het, Meesteres, ik weet het.” Daarna schuw om zich kijkend en
aan de deur van het vertrek luisterend, sprak zij fluisterend:
“Maharani, Meesteres! Op weg naar de keuken hoorde ik zacht roepen uit
een venster der benedengaanderij. Voorzichtig, opdat de wachten aan de
poort niets zouden merken, sloop ik in de schaduw der zuilen naar het
venster en zie Achmed, den jongen Mahout, die den blanken Rajah naar
Palitana vergezelde. Snel reikt hij mij den brief over en zegt: “Ik
verwacht morgen op denzelfden tijd bericht aan dit venster. Deel mij
mee, wat ik moet doen. Bij je leven, wees voorzichtig!”
“Snel verdween hij in de donkere gaanderij, terwijl ik den brief
verborg en mijn weg vervolgde. Meesteres, de redding is nabij. Zeg, wat
u wilt doen!”
“Laat mij tijd om na te denken, lieve Natana. Vanavond zal ik weten,
wat ik moet doen. Morgen reeds moet ik handelend optreden.”
Het was tegen denzelfden tijd den volgenden dag, toen Natana,
oogenschijnlijk luierend, op het kleed in de schaduw van de zuilen
neerzat, die voor de vensters der galerij stonden.
Het binnenplein van het paleis zag er zeer eenvoudig uit, de grond was
met bonte steentjes ingelegd en aan alle zijden door muren omgeven.
Deze muren vormden tegelijkertijd de achterwanden van andere gebouwen
en waren slechts hier en daar door een klein venster of een smal houten
balcon onderbroken.
Zoo prachtig en indrukwekkend het paleis er aan de voorzijde uitzag,
zoo nuchter en eenvoudig was de achterkant.
Zoo ging het ook met het leven van de paleisbewoners. Vooraan in de
rijke voorkamers zaten honderden hovelingen, dienaren en soldaten te
luieren, terwijl op de afgelegen pleinen aan de achterzij alleen de
opgestelde wachten en de druk werkende bedienden te zien waren.
Zulk een plein vormde de binding tusschen de Zenana en de keuken en
hier wachtte Natana op het verschijnen van den jongen Achmed.
Het plein, lag op zij van het gebouw en werd slechts op bepaalde uren
van den dag gebruikt, wanneer de maaltijden voor de vrouwen in de
keuken werden bereid.
Brandend heet scheen de zon; de voor de uitgangspoort staande wacht
leunde slaperig en hangerig onder de bogen der poort en scheen te
droomen.
Weliswaar had de soldaat eerst beproefd, zich door de aardige Natana te
doen opmerken; hij werd echter zoo koel afgewezen, dat hij minachtend
de slavin den rug toekeerde.
Daardoor zag hij niets toen Achmed eindelijk aan het donkere venster
van de gaanderij verscheen.
“Wat zeide de Maharani?” fluisterde hij.
“De Maharani wil vluchten. Zij beveelt u, haar te helpen. Zeg, wat zij
doen moet,” antwoordde Natana.
Op het gelaat van den trouwen mahout kwam een trotsch glimlachje.
“Ik ben bereid,” antwoordde hij. “Deze gaanderij ligt onder de stallen
der olifanten. Alleen de knechten, met de voedering belast, betreden
haar ’s avonds. Zeg aan de Maharani, dat ik haar hier zal wachten en
dat ik haar veilig naar Palitana zal brengen. Maar snel, slavin, het
leven van den blanken Rajah is in gevaar. En zeg aan de Maharani, dat
in de olifantenstallen vandaag nog plaats zal worden gemaakt voor
twintig vreemde dieren. Van een secretaris van den vakil vernam ik, dat
de zoon van den Maharadjah van Udaigur komt om de Maharani naar zijn
harem te brengen.”
Natana slaakte een kreet van ontzetting.
“Wacht hier op ons,” fluisterde zij en stond op.
Langzaam liep zij naar de Zenana, opende de kleine, rijk van snijwerk
voorziene deur en verdween.
Ondertusschen wachtte Samru in koortsachtige spanning op de berichten
die Natana zou brengen.
Maar met geen enkele beweging verried zij aan de wachters, dat haar een
geheim bezig hield.
Zij had thans geleerd, haar gedachten en woorden te verbergen.
Toen Natana het groote vertrek binnentrad, keek de prinses haar met
halfgesloten, vermoeide oogen aan en verscheiden minuten verliepen,
voor zij zich tot haar wendde en op rustigen toon sprak:
“Leg een licht gewaad, een sari, voor mij klaar.”
Natana boog eerbiedig en verliet het vertrek.
Eenigen tijd later volgde Samru haar.
Zoo goed was alles afgesproken, dat niemand van de talrijke bedienden
en wachters iets opvallends ontdekte.
In haar kamer aangekomen, wierp Samru zich op den divan en beval
Natana, heel dicht bij haar te komen.
Toen eerst liet zij zich alles vertellen.
Onstuimig en snel klopte haar hart, toen zij de aanstaande komst vernam
van den vorstenzoon van Udaigur, dien zij naar landsgebruik als
onbeminde en niet minnende vrouw moest volgen.
Haar besluit stond vast: onmiddellijk vluchten.
Zij stond op van den divan en liep naar de kast, die haar juweelen en
schatten bevatte.
Haastig kleedde zij zich in de kostbaarste sari’s, een dun zijden
weefsel, versierd met wondervolle bloemen van zilver.
Toen opende zij een kleine, verborgen deur, die haar in staat stelde,
buiten de zalen om, in de onderste verdieping te komen.
Onverschillig keken de wachters van de Zenana naar de beide vrouwen.
Samru ademde verlicht, toen zij op het plein stond.
Op dat oogenblik dook Achmed in de gaanderij op.
Iedere seconde was kostbaar.
“Volg mij, Maharani! Pak mijn armen beet en laat u door het venster in
de gaanderij trekken.”
Gewillig volgde Samru zijn bevel op en stond met kloppend hart in de
kille, donkere ruimte.
Aan terugkeeren viel nu niet meer te denken, men moest nu voorwaarts.
Ook Natana volgde en ten slotte trok de bedachtzame Achmed ook nog het
tapijt in de gaanderij.
Hij lachte, toen hij dit had gedaan en sprak:
“Alle steenen zijn nu gelijk, alle vensters gelijk aan de lucht,
waardoor de vogel is gevlogen. Volg mij en wees onbezorgd!”
Tusschen groote balen samengeperst voedsel door bracht hij de vrouwen
naar den uitgang.
“Blijf hier staan, tot ik u een teeken geef en kom dan naar boven.”
Haastig snelde de getrouwe heen.
Eindelijk verscheen Achmed weer.
“Kom,” zei hij.
Sidderend stegen de beide vluchtelingen een trap op en bevonden zich in
de groote hal, die de olifanten verborg.
Dadelijk bracht Achmed haar naar een van de grootste dieren, dat reeds
prachtig opgetuigd en met een goedgesloten rijtent op den rug klaar
stond.
Gehoorzaam knielde het voortreffelijk afgerichte dier neer en de beide
vrouwen konden zich zeer gemakkelijk op de kussens in de tent laten
neerzakken.
Hierop nam Achmed zijn plaats in op den kop dicht achter de groote
ooren van het dier en gaf het een kort bevel. De olifant stond op en
liep naar den uitgang.
De wachters bij de poort waren niet gewend, ook maar een enkele vraag
tot den mahout te richten.
Dienstvaardig openden zij de zware ijzeren deurvleugels en de olifant
met zijn kostbaren last bevond zich op straat.
Langzaam en zonder het dier aan te zetten, liet Achmed het voorwaarts
gaan.
Toen de zon ten ondergang neeg, was hij reeds een heel eind van
Indrabad verwijderd.
Nu hield Achmed een half uur rust en voerde het dier met maïs en
vruchten.
Liefkoozend streelde hij den slurf van den olifant en, hem wat
suikerriet gevend, sprak hij:
“Laat nu aan je meesteres zien, dat je van een koninklijk geslacht bent
en dat de snelste renners onder jou zoo gehate paarden bij jou
vergeleken, wat snelheid betreft, maar ellendige paria’s zijn. Vooruit
Avyar!”
Gehoorzaam slingerde d olifant zijn slurf om het lichaam van zijn
meester en zette dezen voorzichtig op den kop neer. Behendig nam Achmed
zijn zitplaats weer in. Hij behoefde het voorhoofd van den reus maar
even met zijn stok aan te raken en het dier zette zich in beweging.
“Ga goed in de kussens liggen!” zei Achmed tot de vrouwen, “en snoer de
riemen stevig vast. Avyar zal loopen!”
Daarop fluisterde hij het beest eenige geheimzinnige woorden in het
groote oor. Dadelijk stak het zijn slurf in de hoogte en stiet een
schril geluid uit als van een trompet. Toen begon het sneller en
sneller te loopen, totdat het in een razend tempo als een bliksemtrein
voorwaarts stoof.
En het was noodig, dat het dier al zijn krachten voor de vluchtelingen
inspande.
Eenige mijlen achter hen waren reeds vervolgers hun op het spoor en
slechts de buitengewone snelheid van het beest maakte dat zij
achterbleven. Den volgenden morgen bereikten de vluchtelingen de
pelgrimsstraat naar Palitana.
Zij gunden zich slechts een korte morgenrust van nauwelijks een uur.
Daarna vervolgden zij hun weg.
De olifant was, niettegenstaande den inspannenden tocht zeer frisch en
in staat verdere vermoeienissen te doorstaan.
Nadat Achmed het trouwe dier had gevoerd en te drinken gegeven,
gehoorzaamde het zeer gewillig, toen het een teeken ontving om verder
te trekken.
Optochten van pelgrims, dikwijls van zeer ver komend, trokken hen
voorbij en keken vol verbazing naar den kostbaar opgetuigden olifant.
Verwonderd schudden de voorbijgangers het hoofd. Wat zou dit toch zijn?
Wie zou zich in de gesloten tent bevinden?
Zij meenden een wonder te zien in het prachtige dier, dat zonder gevolg
op den heeten, stoffigen karavaan-straatweg naar Palitana liep.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE BESTORMING VAN DEN TEMPEL.
Reeds lang voor het aanbreken van den dag verzamelden zich duizenden
pelgrims voor de gesloten poorten van Palitana en wachtten vol
verlangen op het oogenblik, waarop zij de stad zouden mogen
binnentreden.
Vooraan liep de heilige fakir.
In den nacht waren veel priesters van Dschaina tot hem gekomen en
hadden hem met verwijten overstelpt. Hij had hun eerst moeten
vertellen, wat hij vermoedde, om dan tezamen te overleggen wat hun te
doen stond.
De fakir had hoonend gelachen.
“Gij dwazen, wilt gij oordeelen over de profeten en de wegen van
Brahma? Ach, gij zijt bevreesd, dat ik u de heerschappij zal ontnemen
en u zal benadeelen! Gaat heen! Of mijn toorn roept de hulp van het
volk in, dat u zal vermoorden.”
Daarop hadden de priesters den fakir verlaten. Zij wisten, dat het
opgewonden volk hen, ondanks hunne priestergewaden, ondanks hun
Brahmanengordel, in stukken zou scheuren, indien de fakir het wilde.
Deze was nu meester over de duizenden en met hun heerschappij was het
gedaan.
Hem zouden de pelgrims gehoorzamen.
Vreeselijk konden de gevolgen zijn, als de fakir den een of anderen
vreemden persoon zou vinden, dien hij het fanatieke volk als Brahma zou
voorstellen.
Nog in dienzelfden nacht besloten de priesters daarom, in eene geheime
bijeenkomst, dat zij een uur vóór de opening der poorten de stad zouden
binnensluipen om alle tempels te doorzoeken.
Toen de priesters van den hoofdtempel naar het eeuwige vuur afdaalden,
slaakten zij kreten van vrees en ontzetting en snelden eerst in wilde
vlucht terug.
Naast het vuur hadden zij eene gestalte ontwaard.
Het duurde geruimen tijd, eer zij van hun schrik waren bekomen en zich
opnieuw in het heilig gewelf durfden begeven.
Zij zagen nu, dat de verschijning, die hen bevreesd had gemaakt, een
vreemdeling was, met een langen, golvenden baard.
Zeer vreemd kwam hun de houding van den persoon voor. Want hij lette er
niet op, dat zij naderbij kwamen; hij staarde met een blik vol
verrukking op naar de zoldering en keek naar het geheimzinnige beeld,
dat het heilige Akasa daar getooverd had, en dat hij niet kon
verklaren. Hij begreep niet hoe—waardoor!
Maar ook de priesters kenden de oplossing niet van dit geheimzinnige
voortbrengsel van oud-brahmaansche kunst.
Zij hoorden zachte, liefelijke tonen, zij zagen aan de zoldering
zeldzame rozig-gekleurde lichamen van bajaderen en goden in wiegelenden
dans voorbijzweven en verdwijnen.
Zij werden geheel meegesleept door dit raadselachtige beeld en vergaten
hierdoor, met welk doel ze hierheen waren gekomen en wat zij zochten.
Daar dreunden met een enkelen slag alle klokken der tempelstad en
lieten haar metalen stemmen hooren.
De vreemdeling schrikte op bij dit geweldige geluid, en alsof hij uit
een droom ontwaakte, zoo staarde hij als gedachtenloos op de schare
priesters, die vol schuwe vrees voor hem stond.
Daar trad een oude, grijze priester moedig naar voren en sprak, diep
buigende:
“Sahib, wij zoeken u en vragen u: Zijt gij Brahma?”
Raffles stond op van het vuur, het Akasa vast in de handen houdend, en
naderde zonder te antwoorden den priester.
Als een dof-loeiende, steeds meer aanzwellende orkaan dong het lawaai
van het volk, dat de tempelstad was binnengekomen, in het gewelf door.
Het naderde steeds en de priesters werden door ontzetting aangegrepen
bij de gedachte aan dat, wat zou gebeuren, wanneer de fanatieke massa
den vreemdeling zou ontdekken.
Eene bestorming der tempels! Eene verwoesting van alle godenbeelden in
het gansche land, zelfs van Brahma, Wischnu en Siwa, de heilige
drieëenheid!
De grijze Dschainpriester zag het gevaar het duidelijkst in. De
vreemdeling moest onschadelijk gemaakt worden, voordat het volk hem
vond.
“Laat ons dit gewelf verlaten, broeders”, riep de oude, “en den toegang
afsluiten. Niemand mag deze geheime plaats ontdekken. Is dit Brahma,
dan zal hij zichzelf weten te helpen en geen menschelijke macht zal hem
weten tegen te houden. Volgt mij!”
De priesters waren reeds teruggeweken voor Raffles, die als een
slaapwandelaar langzaam nader kwam, en angstig vluchtten zij langs de
trap naar boven.
De oude grijze was de laatste.
Zoodra hij de boven-gelegen ruimte had bereikt, liet hij een grooten
marmeren steen, die daarin precies paste, in de opening leggen en zelfs
de scherpste oogen hadden den ingang niet meer kunnen ontdekken.
De pelgrims drongen in dichte massa’s over de breede trappen naar den
tempelingang toe. Steeds opnieuw weerklonk uit hun midden een
langgerekte kreet om Brahma.
“Brahma! Brahma!”
Nu sprak de opperpriester van den Dschain-tempel tot de pelgrims:
“Wat roept gij, en wat zoekt gij?”
En uit duizend stemmen klonk het terug:
“Brahma! Brahma!”
“Ik begrijp u niet”, antwoordde de oude. “Hij, dien gij zoekt, is niet
hier!”
“Hij is hier, gij oude, grijze leugenaar!” schreeuwde de fakir, die aan
het hoofd van een hoop pelgrims de trap opstormde.
Woest fladderden zijn lange, witte haren om zijn mager lichaam. Beide
armen opheffende, riep hij tot de pelgrims:
“Voorwaarts! Zoekt Brahma! Hij bevindt zich hier in de tempelstad. Mijn
oogen zagen den goddelijke, mijn mond ademde de ambergeuren van zijn
lichaam in. Voorwaarts! Brahma! Brahma!”
Als een onstuimige golf stortte de menigte, de priesters mee
voortsleepend, in den tempel en vond niets.
De fakir, die het geheim van de onderaardsche gang kende, zocht met
brandende oogen op den bodem naar den ingang.
Tevergeefs! Deze was zóó goed verborgen, dat men hem niet kon vinden.
En toch hoorde hij aan den hollen klank van den bodem onder zijne
schreden, dat zich daar geheime verblijfplaatsen moesten bevinden.