den bodem opbreken!”
“Dat zal je niet doen!” riep de oude Dschainpriester, “gij zijt een
kind des doods, als gij een tempel schendt!”
In plaats van te antwoorden beval de fakir weer:
“Haalt ijzeren stangen!”
Eenige pelgrims snelden heen om uit het kamp buiten de stad het
gewenschte te halen.
Steeds woedender drong de opgewonden menigte op de priesters van den
hoofdtempel aan.
Deze hadden zich op de trappen van het altaar, vóór het Boeddha-beeld,
verzameld, nadat zij zich hadden gewapend met zilveren en gouden bijlen
en zwaarden uit de schatkamer van den tempel.
Zij waren vastbesloten liever te sterven, dan hun tempel te laten
ontwijden.
Maar de volksmenigte volhardde in haar voornemen en zij wachtte, onder
leiding van den fakir, op de terugkomst van de boden, die naar het kamp
waren gezonden.
Daar weerklonk uit de verte de luide kreet van een olifant.
Daar de tempel op een hoogen berg lag, kon men in de straten kijken, en
men ontwaarde een prachtig opgetuigd beest, dat, omringd door eene
ontelbare menigte pelgrims, den tempelberg naderde.
Deze verschijning lokte ook den fakir uit den tempel.
Zou daar een machtige Rajah komen? Dan hadden de priesters gewonnen
spel. Hij zou hen beschermen.
Om zekerheid te hebben, snelde hij het dier, dat door den langen tocht
vermoeid was en zich nog maar langzaam voortbewoog, tegemoet.
Hoe verbaasd was hij, toen hij in den mahout, dien de olifant droeg,
dien jongen hindoe herkende, aan wien hij het geheim van het Akasa had
verraden. Ook Achmed herkende dadelijk den fakir en riep hem toe:
“Geleid ons naar den tempel en naar het gewelf van het Akasa. Mijn
meesteres beveelt het.”
De zijden gordijnen van de tent werden nu geopend en de fakir kon de
van juweelen schitterende, rijk gekleede Samru zien.
“Geleid ons!” riep zij door haar dichte sluiers, en wierp
tegelijkertijd eenige gouden munten als belooning naar beneden.
Nieuwsgierig en verbaasd keek het omringende volk naar de prinses en
vroeg:
“Wat beteekent dat?”
Zij zouden antwoord krijgen.
De fakir zocht in zijn fantasie verband tusschen de aankomst van den
opgesierden olifant en zijn meesteres en den gezochten Brahma en voor
het dier uitloopend en den weg wijzend, sloeg hij met wild gebaar zijn
armen omhoog en riep in de grootste opgewondenheid:
“Maakt plaats, lieden! Bidt! Anapura, de lievelingsgodin van Brahma, is
gekomen om hem door haar schoonheid en dans vreugde te brengen.”
En het volk in zijn groote onwetendheid, in zijn zucht naar het
geheimzinnige, sloeg geloof aan deze woorden en volgde onder
geestdriftig roepen en bidden naar den tempelberg.
Slechts met moeite kon de weg voor den olifant worden vrijgehouden. Man
aan man, als een golvende zee, drongen de pelgrimscharen voorwaarts.
Toen nu de olifant voor den ingang van den tempel neerknielde, en
Achmed zijn meesteres en haar slavin behulpzaam was bij het verlaten
van de tent, brak de menigte los in kreten van verrukking.
In het schitterende zonnelicht straalden en vonkelden de juweelen en
sieraden van Samru en het was te begrijpen, dat men haar voor een
bovenaardsch wezen hield.
Natana volgde haar meesteres, toen deze den drempel binnenschreed.
De priesters bogen diep voor haar, want zij herkenden aan de pracht der
juweelen en de kostbare kleedij een spruit uit het vorstelijk geslacht.
De opperpriester van Dschain naderde Samru.
“Wat wenscht gij, meesteres, in den tempel van Dschaina? Uw gebeden
zullen op gouden handen voor zijn aangezicht worden gebracht en zijn
goddelijke zegen zal met zonnestralen op u nederstroomen!”
Samru die haar gelaat, volgens de zeden van het land, diep gesluierd
had, antwoordde:
“Priester, ik wensch niet te bidden. Ik wensch van u te vernemen, waar
de vreemdeling is die in deze stad is verdwenen!”
De priester haalde de schouders op en meende verstandig te handelen als
hij loog.
“Ik weet van geen vreemdeling”, sprak hij. Maar de fakir en het volk
lieten hem niet verder spreken.
“Hij liegt!” schreeuwde de menigte uit duizend kelen.
De priester verbleekte en zijn knieën knikten.
Duizenden vuisten strekten zich dreigend naar hem uit. Het fanatisme
der menigte verlangde naar een slachtoffer.
Samru hief haar rechterarm op en alsof olie op de golven van een woeste
zee werd geworpen, verstomden de kreten en bedreigingen.
Zoodra de rust hersteld was, herhaalde Samru haar vraag en ten einde
raad trad de opperpriester naar zijn makkers toe.
Dit dralen bewees, dat de priesters een geheim wilden verbergen en in
haar vrees, den geliefde door de valsche streken van de priesters te
zullen verliezen en bevreesd voor wat hem mocht zijn overkomen, hief
Samru haar hand opnieuw omhoog en riep:
“Weg met de priesters!”
Nauwelijks had zij deze woorden gesproken, of uit duizend kelen klonk
een woedend geschreeuw.
Als een reuzengolf wierpen de menschen zich op de ontstelde priesters,
hun zilveren en gouden wapenen werden hun ontnomen nog voordat zij deze
ter verdediging hadden kunnen opheffen en in een korte spanne tijds
waren de Dschain-priesters tot een vormlooze massa verslagen en
vertrapt.
In dolle verrukking dansten de overwinnaars om de lichamen van hun
slachtoffers, daarbij luide jubelkreten slakende, nu hun fanatisme was
bevredigd.
In het volgende oogenblik beukten ook reeds ijzeren stangen op de
marmeren plaat achter het Boeddhabeeld en in weinig tijd was de ingang
naar het onderaardsch gewelf van het eeuwige vuur vrijgemaakt.
Op een teeken van Samru heerschte er diepe stilte onder de menigte.
Zeldzame, geheimzinnige muziek klonk uit het gewelf omhoog—wondervolle
tonen, zooals de toehoorders ze nog nooit hadden gehoord.
En de zoete harmonieën, die weerklonken, kalmeerden de opgewonden
menigte en beroerden hun ziel, als voorspelden zij het hoogste geluk.
Aarzelend zette Samru haar voet op de bovenste trede, want de
onzekerheid over hetgeen zij beneden zou aanschouwen, deed haar beven.
Niemand durfde haar vergezellen. De fakir plaatste zich met het gouden
zwaard, dat hij een der priesters had ontrukt, voor den ingang; naast
hem stonden Achmed en Natana.
Zoodra Samru de onderste trede der trap had bereikt en een blik wierp
in het gewelf, bleef zij verschrikt staan.
Daar, dicht bij haar, naast een klein welriekend vuur, zat hij, voor
wien zij haar leven had gewaagd, omdat haar groote, warme jonge liefde
hem toebehoorde.
Daar zat hij, de oogen naar de zoldering gericht. Hij was zoo in
gedachten verdiept, dat hij haar verschijning niet had opgemerkt.
Heel zacht, als vreesde zij hem te storen, trad zij naderbij.
Nu bemerkte zij, dat de muziek uit een instrument kwam, dat hij boven
het vuur hield.
Maar het was niet de muziek, die zijn zinnen bekoorde, doch—zij wendde
den blik haar de zoldering en zag de spelende en dansende figuren.
Aarzelend schreed zij naar het vuur toe, tot zij dicht naast hem stond.
Zij legde haar rechterhand op Raffles’ schouders en sprak met zachte
stem:
“Rao!”
Verschrikt ontwaakte hij uit zijn gepeins.
Hij legde het Akasa op den grond en wreef zijn oogen uit, voordat hij
haar aankeek.
Vermoeid en mat klonk zijn stem, toen hij bijna stamelend zei:
“Ben jij het, Samru? Of is het een nieuw visioen?”
“Ik ben het, Rao, ik ontving je brief en met behulp van Achmed ben ik
het paleis van mijn vader ontvlucht en ik heb je bevrijd uit de handen
der priesters. Kom, sta op en wees blij, dat ik op het juiste oogenblik
kwam, voordat een ongeluk je trof.”
“Je kwaamt te rechter tijd!” sprak Raffles halfluid. “Daar ligt een
helsch product van Indische tooverkunst, dat dengene, die het ziet,
volkomen in zijn macht houdt. Goddank! Je bent te rechter tijd gekomen!
Hoe vond je den weg hierheen?”
“Achmed, dien jij met den brief naar mij toezond, bracht mij hierheen.”
Hij keek haar aan als iemand, die uit een zwaren slaap ontwaakt en met
moeite weer tot de werkelijkheid terugkomt.
Langzaam keerde de herinnering bij hem terug.
Samru legde haar armen om zijn hals.
“Wat dreef je toch naar dit geheim, Rao?”
Raffles streelde heur haar, zijn oogen werden weer levendig, zacht
sloeg hij den sluier op zij en kuste haar.
“Mijn plicht, Samru!”
Vragend keek zij hem aan, zij begreep deze woorden niet. Een Indische
Maharani heeft geen plichten.
“Ik moet je redden, Rao”, vervolgde zij. “Het volk is door een
fanatieken fakir op een dwaalspoor gebracht en houdt je voor den
herboren Brahma. Wij moeten ons verwijderen, zonder dat de arme dwazen
iets merken. Ik zal Natana roepen, je moet je in haar kleeren hullen en
gesluierd als mijn slavin den tempel verlaten.
“Voor den hoofdingang wacht mijn olifant. In diens tent moet je je
bergen.”
Raffles wist niets van hetgeen buiten den tempel was voorgevallen.
Het geheim van het Akasa had hem geheel in beslag genomen.
De zeldzame beeltenissen, die het bij het schijnsel van het vuur te
voorschijn tooverde, hadden als een bovennatuurlijke verschijning
gewerkt en zijn geest in onverbreekbare banden geketend.
Daar klonk geluid op de trap.
Langzaam daalde de fakir naar beneden.
Voordat hij de onderste trede bereikte en Raffles kon zien, was Samru
hem tegemoet gesneld en, een snelle ingeving volgend, riep zij hem toe:
“Keer terug tot het volk en zeg hun, dat allen dadelijk de stad moeten
verlaten, totdat zij een ander bevel hebben gekregen.”
Gehoorzaam ging de fakir weer naar boven. Hij begreep, dat alleen een
vorstin een dergelijk bevel kon geven, want slechts de grooten en
machtigen van een land waren gewend om te bevelen.
Slechts zij—de meesters—mochten gebieden en de overige millioenen
hadden te gehoorzamen.
En zoo gaven ook hier de duizenden welwillend gevolg aan de woorden van
den fakir.
Bovendien naderde reeds het uur, waarop de poorten der tempelstad
werden gesloten.
Toen de avondklokken luidden, was priester noch pelgrim in de heilige
stad achtergebleven.
NEGENDE HOOFDSTUK.
EEN KOSTBAAR OFFER.
De overgebleven priesters der tempelstad waren radeloos. De meeningen
liepen zeer uiteen. Ook bij hen deed zich reeds de invloed der
Engelsche beschaving gelden.
Zelfs al was het Brahma niet geweest, het fanatisme der menigte
geloofde aan bovenaardsche dingen, en dit geloof was machtiger dan al
het andere.
Toen ook de laatste priesters naar hunne rustplaatsen terugkeerden,
klonk plotseling een woest alarm in de pelgrimstad.
Verbaasd luisterden de priesters en zij bestegen de hoogte, die het dal
van de stad scheidde.
Groote vuren verlichtten de straten en pleinen van de stad, die uit
lichte houten gebouwen was opgetrokken.
Donkere menschenmassa’s vulden de straten en stroomden naar een plein
waar, in het heldere licht van het vuur, een aantal ruiters stilhield.
Eenige priesters snelden naar het plein om te vernemen wat daar
voorviel.
Maar reeds kwamen pelgrims hun tegemoet, die hun toeriepen:
“Komt, priesters! Snelt naar den Dschain-tempel! Een bedrieger
ontsteelt u daar het heiligdom van Brahma, en eene danseres is zijne
medeplichtige. Daar in de pelgrimstad kwamen zooeven afgevaardigden van
den Maharadjah aan. Zij vervolgen den bedrieger en trachten hem in
handen te krijgen. Opent de poorten der heilige stad; opdat wij den
bedrieger kunnen steenigen.”
Zwijgend luisterden de priesters naar deze tijding en zij snelden naar
hun opperhoofd, naar Zoraster.
In hun ooren weerklonk het gebrul der opgewonden pelgrims:
“Steenigt hem!”
Toen Zoraster de priesters had aangehoord en het geschreeuw der menigte
vernam, sprak hij:
“Niemand treedt in het nachtelijk uur de heilige stad binnen. De
poorten blijven gesloten.”
Gedurende dit alles doorleefden Raffles en Samru angstige uren.
Raffles wist niet, hoe hij onopgemerkt uit de tempelstad zou kunnen
komen.
Toen bood de trouwe Achmed zich aan om den weg te zoeken; hij sloop aan
den noordkant over den hoogen muur de pelgrimstad binnen. Dadelijk viel
hem het ongewone nachtelijk lawaai in de straten op en nieuwsgierigheid
dreef hem naar het plein, waar de menigte rondom de boden van den
Maharadjah stond.
Hij werd door ontzetting aangegrepen, toen hij de ruiters herkende, en
doodelijk verschrikt hoorde hij, hoe het volk woedend den dood van zijn
geliefden Sahib eischte.
Weinig hoop bleef er nog over om de tempelstad te kunnen ontvluchten.
Als het gebrul van uitgehongerde tijgers klonk het uit de menigte:
“Steenigt hem!”
Een uur later was Achmed bij Raffles terug.
Hij was zóó uitgeput, dat hij bijna niet kon spreken.
Met moeite hijgde hij:
“Ze willen ons dooden! Boden van den Maharadjah zijn aangekomen! Gij
moet vóórdat de zon opgaat met Samru weg zijn.”
“Zij slaapt, Achmed.”
“Wek haar dan, heer. Gij moet weg! De woede der pelgrims kent geen
grenzen! Vlucht, of gij zult nooit weer de zonnestralen weerkaatst zien
in de lachende oogen van Samru.”
Raffles ging den tempel binnen, waar aan de voeten van het Boeddhabeeld
Samru op zijden kleeden lag te slapen.
Zacht riep hij haar bij haar naam en dadelijk richtte zij zich op. In
weinig oogenblikken had zij alles begrepen.
Met fieren blik sprak zij:
“Wij willen ons niet door het noodlot laten dwingen. Voorwaarts,
geliefde! Vraag Achmed, waarheen.”
En de trouwe Mahout sprak tot zijne meesteres:
“Gebiedster, wij moeten naar de bergen. Door de stad kunnen wij niet,
daar wacht ons de dood. Volg mij! Over een uur is de dag aangebroken en
dan mogen we niet meer in de stad zijn.”
Na een korte aarzeling sprak Samru:
“Laat ons vluchten!”
Zij snelden langs de tempeltrap naar beneden. Natana volgde achteraan
en in haar slanke handen hield zij een zwaard, waarmede zij bereid was
haar meesteres tot den laatsten droppel bloed te verdedigen. Raffles
echter droeg in een zijden doek gewikkeld het kostbare Akasa, voor
welks bezit zij al de vreeselijke gevaren trotseerden.
Zij begaven zich naar de achterzijde van den tempel, aan welks muren
een zuilengalerijtje grensde, dat de uitgangspoort verborg.
Behoedzaam keek Achmed door de poort. Niets was te zien aan dezen kant
van de stad.
De vluchtelingen volgden een smal, bijna onbegaanbaar pad. Achmed liep
nu met Natana vooruit. Op hen volgden Raffles en Samru. Zij vlijde zich
teeder tegen hem aan. Zwijgend snelden zij voorwaarts. Slecht eenmaal
keerde Achmed zich om en riep:
“Meesteres, de weg is ver, zal ik u dragen?”
Maar Samru antwoordde glimlachend:
“De hand, die mij geleidt, doet mij alle vermoeidheid vergeten.”
Raffles kuste de handen, die zij hem nu voor immer had toevertrouwd.
Steeds voorwaarts snelden zij, totdat de opgaande zon de nachtelijke
schaduwen verdreef. De zon, bij wier eerste stralen de bloeddorstige
menigte de tempelstad binnenstormde om wraak te nemen.
Het gebergte werd steeds steiler en kaler. Hier en daar kwamen de
vluchtelingen door kleine palmbosschen, die eenige schaduw aanboden.
Maar weldra zag Raffles, dat Samru moe werd en rust moest nemen.
Achmed keek, op een rotsblok staande, met scherpen blik in het dal;
maar hij ontwaarde buiten de muren der tempelstad geen enkelen
vervolger.
“Het is goed,” mompelde hij, “zij zoeken ons in de tempels. Wij kunnen
een oogenblik rust nemen.”
Zij legden zich neer achter een met mos begroeid rotsblok.
Maar spoedig stonden zij weer op om hun weg voort te zetten.
De bergen werden steiler en de weg moeielijker. Onverdraaglijk was de
hitte, die de rotsachtige bodem uitstraalde, en een brandende dorst
begon hen te pijnigen. Maar nergens was een bron te ontdekken om zich
te laven.
En de zon voleindigde haar weg aan den hemel en wederom daalde de
nacht.
“Ik kan niet verder,” zuchtte Samru, “laat mij liggen en bekommert u
niet meer om mij.”
Bewusteloos zonk zij op den grond neer.
Raffles boog zich smartelijk over het bleeke gezichtje met de gesloten
oogen.
“Wij zullen rusten, heer,” sprak Achmed, “het is voor vandaag genoeg.”
Achmed had intusschen verkoelende bladeren gezocht en legde die zijn
meesteres op het voorhoofd.
Opeens vond hij ook onder een rots een langzaam vloeiende bron. Dit
bracht weer moed en hoop in de harten der vluchtelingen.
Wederom rustten zij in de schaduw van een rots en sluimerden de
vermoeide reizigers in.
Bij het aanbreken van den morgen vervolgden zij hun weg.
Samru zag er bleek uit, maar gelukzalig glimlachend liep zij verder.
Tegen den middag bereikten zij eindelijk de vlakte, die zich tot Bombay
uitstrekt en door eenige riviertjes wordt doorsneden.
Op de vlakte ontdekten zij bij een smalle beek een paar lage hutten.
Vol hoop snelden zij erheen. Achmed riep luid om de bewoners op hen
opmerkzaam te maken.
Maar geen menschelijke stem gaf antwoord.
Het dorp lag in diepe rust. Een onverklaarbare angst beving de
vluchtelingen, toen zij de armoedige woningen bereikten.
Rondom slechts puinhoopen en woestenij. Er heerschte doodsche stilte.
Raffles was spoedig besloten een der hutten binnen te treden. Hij
struikelde over een been, dat op den grond lag. Hij bukte zich en
raapte het op.
Samru en Achmed waren naderbij gekomen en keken naar het gevondene.
“Wat is dat, Rao?” vroeg Samru.
Toen antwoordde Achmed:
“Heer, werp het op den grond, het is een been van een mensch.”
“Het huis schijnt leeg en uitgestorven.”
“Ja, heer,” antwoordde Achmed, “leeg en uitgestorven. En niet alleen
dit huis, maar het geheele dorp. Hier is alles dood, de pest heeft hier
huisgehouden.”
Samru sidderde en hield Raffles’ arm krampachtig vast. Zwijgend keerden
zij zich om en gingen verder.
Hier en daar, tusschen het onkruid verborgen, lag een geraamte, dat
door de zon verbleekt was.
Samru trad verschrikt achteruit.
Zij rilde van afschuw.
Maar steeds gingen zij verder en haalden verlicht adem, toen zij het
akelige dorp achter den rug hadden en niets meer zagen van dezen
ontzettenden geesel van Indië.
Maar, o schrik—slechts weinige uren daarna begon de prinses te rillen
en te beven.
Machteloos zonk zij neer.
Raffles boog zich over haar heen, maar de trouwe Achmed trok hem weg.
Ontsteld keek hij naar haar, die daar op den grond lag en fluisterde:
“Sahib, vlucht—het is de pest!”
Raffles voelde zijn bloed verstijven; hij kon het niet gelooven.
Maar hij zag hoe de slanke, teere handen der geliefde zich kromden van
pijn, haar gelaat was doodsbleek—nog eenmaal sloeg zij de heerlijke
oogen op, een laatste gelukzalige glimlach en reeds had de koude,
wreede dood een der schoonste bloemen afgebroken.
Raffles wist niet, wat er met hem gebeurde.
De trouwe Achmed had hem in zijn armen genomen en droeg hem met
bovenmenschelijke kracht met Natana naar de naastbijzijnde Engelsche
kolonie.
Zes weken later ontmoette Raffles Lord Turkington weer in Egypte.
Verbaasd keek de Lord Raffles aan, die hem jaren ouder scheen geworden.
“Ik heb mijn belofte gehouden, Lord Turkington,” sprak Lord Lister, “ik
heb haar met het beste betaald dat ik bezat: met mijn hart. Hier is het
Akasa, het geheim van den dood uwer voorvaderen. Beproef niet, het
raadsel op te lossen, het leidt tot krankzinnigheid!”
Toen Lord Turkington het product der Indische tooverkunst had bekeken,
nam hij het op en slingerde het in tegenwoordigheid van Raffles in de
wateren van den Nijl.
Raffles echter staarde in gedachten verzonken naar de kringen die in
het water achterbleven en weende.
Dit was de eerste en laatste keer, dat iemand in zijn oogen tranen had
gezien.