De slavin keek scherp naar alle kanten en tusschen de struiken, om

gevaarlijke luisteraars uit te wijken en verlicht herademde zij, toen

zij in de grot neerdaalden, denkend, dat niemand hen had gezien.

En toch vergiste zij zich.

Het noodlot had gewild, dat de Maharadjah den vorigen avond een zijner

dienaren nogmaals naar Raffles had gezonden met een uitnoodiging voor

een nachtelijke danspartij.

Daar men hem niet in zijn vertrekken had gevonden en zijn bedienden

beweerden, dat hij zijn kamers niet kon hebben verlaten, werden zij

ongerust over hun heer en vreesden, dat hij een ongeluk kon hebben

gekregen.

In dit geval hadden zij, daar Raffles in het paleis onder hun

bescherming stond, zware straffen te wachten van den Maharadjah.

Zij gingen daarom aan het zoeken en doorkruisten zoowel het paleis als

het park.

De Maharadjah zelf, die zich verbaasde over het uitblijven van zijn

gast, en die van zijn dienaren vernam, dat hij op raadselachtige wijze

was verdwenen, gaf strenge bevelen, niet te rusten, voordat men het

verblijf van den Engelschman zou hebben ontdekt.

Alleen de vertrekken, die tot de vrouwenafdeeling behoorden en die als

zoodanig niet door de dienaren mochten worden betreden, bleven

verschoond van een onderzoek.

Raffles was met zijn geleidster de plek in de geheime gang genaderd,

waar zich de deur naar zijn vertrekken bevond. Zacht had hij de deur

met behulp der slavin geopend, toen hij verschrikt in de donkere gang

wilde teruggaan.

De kamer was door een groot aantal gewapende dienaren bezet.

In het eerste oogenblik waren ook deze verbaasd door de plotselinge

verschijning van den persoon, dien zij zochten.

Zich te verbergen of te vluchten was voor Raffles niet meer mogelijk.

In de eerste oogenblikken herkenden de bedienden hem niet in zijn

damesmantel en met den sluier.

Alleen de vakil, de opperste bediende van den Maharadjah, herkende hem

met zijn scherpe oogen dadelijk en met een beweging, zooals dat

gebruikelijk was tegenover den gast van zijn machtigen heer, trad hij

op Raffles toe.

“Mylord moet ons vergeven, dat wij ons in zijn vertrekken bevinden.

Onze hooge gebieder beval ons, het verblijf van Uw Lordschap uit te

vinden en niet te rusten, voordat wij onzen heer konden geruststellen

omtrent het welzijn van diens gast.

“Ik verheug mij, dat ik Mylord heb gevonden en vraag vergiffenis dat ik

uw Lordschap lastig ben gevallen. Maar ik moet u verzoeken, de slavin,

die zich in het gezelschap van uw Lordschap bevindt, aan mijn hoede

over te geven.”

Een zacht onderdrukte kreet weerklonk. Natana, de lievelingsslavin der

prinses, was bewusteloos op den vloer gevallen.

Eenige bedienden sprongen snel naderbij, tilden haar op en droegen haar

uit het vertrek.

De vakil maakte opnieuw een buiging voor Raffles, voor wien hij bleef

staan met de vraag:

“Heeft Mylord misschien nog eenige bevelen?”

Raffles had eerst nu zijn volle kalmte teruggekregen.

“Wat gebeurt er met de slavin?” wat zijn wedervraag.

De vakil haalde nietszeggend de schouders op en antwoordde met een

spottend lachje:

“Als Mylord voortaan dergelijke wenschen mocht koesteren, verzoek ik,

ze mij mee te deelen. Ik ben altijd in staat, alle wenschen van Uw

Lordschap te vervullen, maar de weg, dien Mylord heeft ingeslagen, is

een zeer gevaarlijke.”

Hij boog en op een handbeweging van hem gingen ook de andere bedienden

heen.

Allerlei gedachten vlogen door Raffles’ brein.

Wat zou er nu gebeuren?

Zou de slavin hen verraden, zou zij iets meedeelen omtrent dezen nacht

van liefde met de dochter van den Maharadjah? De gevolgen zouden

onafzienbaar zijn.

Het morgenlicht scheen door de zijden gordijnen van zijn slaapvertrek

en de met diamanten bezetten armband, dien Samru hem bij het afscheid

had gegeven, schitterde en vonkelde.

Een nieuwe angst maakte zich van hem meester.

Als de vakil den armband had gezien, dan hielp het stilzwijgen der

ongelukkige Natana niets, dan was alles verloren.

Allerlei dolle plannen om de geliefde te bevrijden, doorkruisten zijn

brein. Hij wilde voor haar strijden en, als het wreede noodlot het

eischte, sterven.

Hij sloop naar het andere vertrek terug om zich te overtuigen of de

deur naar de geheime gang niet gesloten was. Met bevende vingers drukte

hij op den knop in de lijst van den spiegel en hij slaakte een zucht

van verlichting: de weg was vrij.

Maar eerst nu ontdekten zijn oogen in het schemerdonker van de gang

twee op den vloer neerhurkende mannen met de ontbloote zwaarden in de

hand.

Met strakken blik keken zij hem aan, zonder zich te bewegen.

Haastig sloot hij de deur weer dicht en ging in zijn kamer terug, waar

hij, diep ademhalend, op den divan ging liggen.

Hij moest eerst rusten en zijn gedachten verzamelen.

“Hoe zal dit afloopen?”

Hij maakte zichzelf verwijten, dat hij zich door een hartstochtelijke

opwelling had laten meesleepen en dat hij zich, in strijd met elk

greintje verstand, dat in hem was, in een dergelijk gevaarlijk avontuur

had begeven.

Avontuur? Neen! Dat, wat hij had beleefd, mocht hij niet met dit woord

noemen.

Hij—de tot dusverre onoverwinnelijke—had zijn hart verloren. Hij was

eindelijk een gevangene.

VIJFDE HOOFDSTUK.

ONTDEKT.

De Maharadjah stond in zijn studeerkamer en luisterde met gefronste

wenkbrauwen naar het bericht van den vakil.

“Niets is heilig voor die Engelschen, zelfs de gastvrijheid niet!” riep

hij bevend van toorn, terwijl hij met den voet stampte. “Weet deze

vreemdeling niet, welke straf volgt op zijn misdaad; een mijner

slavinnen te hebben onteerd?

“Maar helaas, wij hebben ondanks al onze macht en ons geweld geen recht

over het leven van onze tyrannen.

“Deze man, die schandelijk misbruik maakte, van mijn gastvrijheid en

die den dood verdiende in het tijgerhok, staat buiten mijn macht. Waar

is de slavin?”

De vakil maakte een buiging, schoof een gordijn ter zijde en de

ongelukkige Natana trad, aan handen en voeten geboeid en door vier

gewapende dienaren vergezeld, het vertrek binnen.

Schuw keek zij naar haar vorst op. Deze had slechts een minachtend

glimlachje voor haar en, zich tot den vakil wendend, sprak hij op

korten bevelenden toon:

“Werpt haar voor de tijgers!”

Een doordringende gil van Natana volgde op deze wilde woorden. Maar

reeds sloten de vuisten der gewapenden haar mond en verstikten haar

verdere kreten.

Nauwelijks was zij verdwenen, toen de vakil een gordijn aan den anderen

kant van het vertrek terzijde schoof vanwaar ook een groep gewapende

mannen naar binnen kwam, twee geboeide gevangenen meesleepende.

“Heer! Hier wachten de trouwelooze bewakers van de Zenana op de

gevolgen van hun onachtzaamheid.”

Opnieuw klonk het op korten en heerschenden toon:

“Werpt ze den tijgers voor!”

Zonder dat het den ongelukkigen slachtoffers werd toegestaan, een woord

te hunner verdediging in het midden te brengen, werden ook zij

onverbiddelijk weggebracht.

Op dit oogenblik klonk uit het aangrenzende vertrek, waar zich de

dienstdoende hofstoet bevond, een ongewoon alarm, een ongekend iets in

de vertrekken, die als heilig werden beschouwd, zoolang de heerscher er

zich bevond.

De gordijnen werden geopend en Samru, de dochter van den vorst, snelde,

omringd door vijf tot aan de tanden gewapende dienaren, de zaal binnen.

De Maharadjah keek verbaasd naar zijn dochter, die een revolver in de

hand hield. Haar geheele uiterlijk verried een buitengewone opwinding.

Dàt was de kalme, bedaarde Samru niet meer, dat was een tijgerin, die

plotseling is opgeschrikt uit haar rustige onverschilligheid en nu met

de moordende klauwen bereid is, haar prooi te halen.

“Waar is Natana?” vroeg zij haar vader.

“Bij de tijgers,” antwoordde de vorst. “Zij moet haar misdaad met den

dood bekoopen.”

“Hoe durft gij het wagen, mijn slavin te veroordeelen, zonder mij

gehoord te hebben?”

Trotsch en uitdagend keek Samru den ernstig voor zich starenden,

gevreesden Maharadjah aan.

“Geef dadelijk het bevel, dat mijn slavin terugkomt,” riep Samru uit.

Een korte handbeweging van den vorst naar den vakil en reeds snelden de

boden uit het paleis om de ongelukkige Natana te redden.

“Weet je, wat je lievelingsslavin heeft misdaan?” vroeg de Maharadjah

zijn dochter.

“Ik weet het en ik weet meer dan gij!”

“Meer dan ik? Zij heeft een misdaad begaan, die met den dood gestraft

wordt. Zij verliet de Zenana om met mijn gast,” hier werd hij door

Samru in de rede gevallen, die haar lijfwacht beval op den vakil

wijzende:

“Ranselt hem de zaal uit; hij ziet mij ongesluierd.”

Onmiddellijk haalden de bedienden stevige lederen zweepen uit hun

gordels te voorschijn en klappend daalden de slagen neer op den rug van

den vluchtenden opperhofmeester.

De Maharadjah keek zonder eenig mededoogen naar dit tooneel, hij vond

alles goed wat zijn lieveling deed. Zij was machtiger dan hij, de

groote, onbeperkte gebieder.

Zoodra de vakil de zaal had verlaten, naderde Samru haar vader.

“Gij weet vader, dat ik nooit onrechtvaardig kan zijn en gij hebt

meermalen mijn billijkheid geprezen.”

“Dan begrijp ik je optreden van dit oogenblik tegenover mij niet.”

“Gij vergist u,” ging zij voort, “Natana is onschuldig en gij zoudt

onwetend een afschuwelijke misdaad jegens haar hebben begaan, die nooit

meer goed te maken ware geweest.”

“In hoeverre? Het is bewezen, dat zij de Zenana verliet, de vakil nam

haar gevangen in gezelschap van den vreemdeling, mijn gast.”

Samru legde vleiend haar hand op den arm van haar vader.

“Gij vergist u ondanks dit alles, vader. Natana was wel in gezelschap

van den vreemdeling, maar niet voor zichzelf trotseerde zij het gevaar,

ik echter—”

“Jij?”

De Maharadjah week achteruit, alsof hij een afschuwelijk vizioen had.

Het was hem, alsof hij niet goed had verstaan. Dat was onmogelijk, dat

kon niet. Zijn dochter—zijn eenig kind—.

Het kostbaarste kleinood, dat hij bezat en deze vreemdeling?

Het was ondenkbaar!

“Je fantaseert,” fluisterde hij met heesche stem, “je vergist je,

Samru, bedenk wat je zegt!”

Een trotsche lach speelde om den mond van het vorstenkind, haar slanke

gestalte rekte zich uit en haar oogen blonken van een innerlijk vuur,

toen zij sprak:

“Ik was het, die de Zenana verliet om met den vreemdeling in den

schoonheidstempel uren van geluk te doorleven”.

Zij kruiste de armen over de borst en keek naar haar vader, die als een

zinnelooze het met juweelen bezette gevest van zijn zwaard greep,

zoodat eenige der kostbare steenen op den grond vielen.

Geen van beiden sprak een woord. Het was, alsof twee krachtige

tegenstanders elkaars krachten maten voor den komenden strijd. Ieder

van hen vreesde den ander. De diepe blos, die eerst het gelaat van den

vorst bedekte, week voor een doodelijke bleekheid. Zijn hooge gestalte

was gebogen, toen hij zijn dochter naderde.

“Ga in de Zenana; ik volg je straks.”

Op dit oogenblik werd Natana binnengebracht. Met een kreet van vreugde

viel zij voor haar meesteres op de knieën en kuste haar met gouden

banden versierde voeten.

Samru hief de knielende op en, licht op haar schouder steunend, verliet

zij met haar het vertrek.

Nauwelijks waren zij verdwenen, of de Maharadjah liet den vakil bij

zich komen, wien hij beval, Raffles bij hem te brengen.

Eenige minuten daarna stonden beide mannen zwijgend tegenover elkaar en

elk van hen raadde de gedachten van den ander.

Maar verbaasd was Raffles toen de Maharadjah niet van datgene sprak,

wat hij had verwacht, maar op zijn gewonen goedigen toon zei:

“Ik kan u een aangename mededeeling doen. Ik hoorde gisteren van een

bedelmonnik, die uit Palitana, de stad der duizend tempels kwam, een

gewichtig feit omtrent het door u zoo ijverig gezochte Akasa. Ik had u

dat reeds gisteravond willen vertellen, maar gij waart helaas niet

aanwezig.”

Raffles maakte een beleefde buiging.

“Ik was verhinderd, Uwe Hoogheid.”

Een bitter lachje gleed over de trekken van den Maharadjah.

“Ik hoorde van mijn vakil het een en ander over uwe afwezigheid. Het

doet mij genoegen, dat ik ook in dat opzicht de wenschen van mijn gast

tegemoet kan komen.”

Raffles was stom van verbazing.

Hij begreep, dat de vorst met hem wilde spelen als een tijger met zijn

prooi.

“Het was een toeval,” vervolgde de Maharadjah, “dat ik den fakir sprak

en hem vroeg, of hij iets had gehoord omtrent het geheimzinnige Akasa.

De man antwoordde bevestigend en vertelde mij, dat in Palitana, onder

de hoede van een ouden Brahmaan in een onderaardschen rotstempel, zich

het door u gezochte bevond.

“Ik stel hedenmiddag een aantal dienaren benevens twee reis-olifanten

te uwer beschikking, welke u naar Palitana zullen brengen.”

Zonder eenig antwoord af te wachten maakte de Maharadjah een

handbeweging tot afscheid en hiermede een einde aan de audiëntie.

Raffles verliet met een buiging de zaal. Hij zag het tevreden

glimlachje niet, waarmee de vorst hem nakeek. Met langzame schreden

ging hij naar zijn vertrekken terug en ging daar peinzend voor een

venster staan.

Het was een zeldzaam toeval, dat de vorst, om zijn dochter voor Raffles

te behoeden, dezen het geheim van het Akasa prijsgaf. De Maharadjah had

allang geweten, dat de Dschains in hun heiligsten tempel het

geheimzinnige Akasa als grootste kostbaarheid bewaarden. De vorst zelf

was lid van die rijke en machtige Indische sekte.

Daarom zou hij het geheim nooit aan Raffles hebben verraden, als de

gebeurtenissen der laatste uren hem niet tot overijld handelen hadden

genoopt.

Te laat zag hij in, welke fout hij begaan had, maar het was te laat om

zijn woorden terug te nemen. Nu kon hij alleen nog hopen, dat het

verraad, hetwelk hij aan zijn sekte had gepleegd, door het Akasageheim

te vertellen, gezoend zou worden door den dood van Raffles bij diens

bemoeiingen om zich in het bezit van het heiligdom te stellen.

Terwijl de groote onbekende nog naar buiten staarde, traden reeds

eenige dienaren zijn kamer binnen om zijn bagage in gereedheid te

brengen.

Haastig, als gold het een vlucht, werden de koffers gepakt, welke

daarna op de ruggen van twee lastkameelen werden geladen. Daarna kwam

de Maharadjah zelf om zijn gast tot voor de poort van het paleis te

geleiden, waar de rijk opgetuigde olifanten met de haudah, de

bontkleurige rijtent op den rug, en de mahout, de voerder met de spitse

ijzeren staaf, stonden te wachten.

Hier nam de Maharadjah afscheid met woorden van groote vriendschap en

toegenegenheid, nadat hij Raffles een kostbaren diamanten ring en een

even prachtige dasspeld ten geschenke had aangeboden.

Handig hielpen de dienaren Raffles in de rijtent klimmen en onder luid

geschreeuw zette zich de stoet met schitterend gevolg in beweging.

(Zie het titelblad.)

Vooraan reden op kameelen krijgslieden van allerlei rang in bonte

kleederdrachten. Op hen volgden gewapenden en daarop de ten strijde

uitgedoste ruiters van de vorstelijke garde in hun witte gewaden met

roode gordels, lichtgroene tulbanden op het hoofd.

De wapenen schitterden en glansden in het heldere zonnelicht. De pauken

dreunden, de trompetten schalden.

Daartusschen reden de hovelingen van den Maharadjah in prachtige

gewaden op fiere rossen, hun voeten in zilveren stijgbeugels en met

kostbaar versierde teugels in de handen.

Aan de spits van den stoet droeg, op een edel paard gezeten, een

vaandrig de groote, met goud geborduurde vorstelijke vlag.

Langzaam en statig bewoog de stoet zich voorwaarts door de drukke

straten der residentie. Overal bleef het volk eerbiedig wachtend staan,

tot alles voorbij was.

Raffles herademde toen aan de stadspoort de heeren der hofhouding met

hun gevolg afscheid van hem namen en hij zijn weg alleen kon vervolgen.

Eerst nu kon hij weer kalm nadenken en dadelijk drong het beeld der

prinses zich weer aan zijn geest op.

Hij had haar bij zijn heengaan uit het paleis niet gezien, hoewel zij,

verborgen achter de getraliede vensters der Zenana, hem had zien

vertrekken.

Hij had haar zacht gesnik en haar afscheidswoorden niet kunnen hooren.

Zijn weg voerde door de uitgestrekte begraafplaats. Hij kwam weer

voorbij den tempel van den heiligen dichter en vol verlangen keek hij

naar de stille, beschaduwde plek, waar hij de geliefde voor het eerst

had gezien.

Een vurige wensch kwam in hem op om van zijn olifant af te springen en

in den tempel te wachten, totdat zij, naar wie hij zoo stormachtig

verlangde, tot hem kwam.

Maar dit was onmogelijk, want Akasa, de Indische sphinx, was zijn doel,

hij mocht niet langer dralen.

Langzaam maar zeker naderde hij het doel van zijn reis. Spoedig was de

tempel en het kerkhof in nevelen verdwenen.

ZESDE HOOFDSTUK.

IN DEN DSCHAINENTEMPEL.

Er is geen tweede stad op aarde zóó merkwaardig en zeldzaam als

Palitana. Nergens ziet men huizen en menschen, doch wel ontelbare

straten en ruime pleinen, goed onderhouden en zeer zindelijk. En wie

door deze straten, over heuvels en langs dalen voerende voortwandelt,

die komt langs merkwaardig uitgehouwen muren en tinnen, langs sterke

wallen en stevige poorten. Hierboven uit steken hooge pyramidevormige

of ronde torens tegen den blauwen hemel af.

De vreemdeling zal wellicht denken zich te midden van vestingen te

bevinden, doch een blik op de torens doet hem zien, dat zich onder de

koepels marmeren, met goud en edelgesteente versierde afgodsbeelden

bevinden. Tot in de grijze oudheid zou de oorsprong van deze stad zijn

na te gaan.

Eene stad, die slechts uit tempels bestaat, welke de allervroomste

Indische sekte, de Dschains, voor hunne goden bouwden. ’s Morgens bij

zonsopgang worden de poorten der Tempelstad geopend. Honderden

kolossale klokken weerklinken en groote schare pelgrims treden de stad

binnen, bidden in de tempels en offeren aan de heiligen. Eén uur voor

zonsondergang moeten allen de stad weer verlaten. Wie dit gebod mocht

overtreden zou met doodstraf worden bedreigd. Want binnen de heilige

stad mag niemand slapen, mag zelfs niemand voedsel gebruiken. Hier

bevindt zich slechts het rijk der Heiligen.

Op bergen en heuvels grenst het eene gebouw aan het andere. Op den

hoogsten berg evenwel verheft zich de allerheiligste tempel, aan

Dschaina gewijd.

Hier hoopte Raffles het geheimzinnige Akasa te vinden. Hij verheelde

zich niet, dat er buitengewone moeilijkheden aan verbonden waren om het

doel te bereiken.

Te midden van de opeengedrongen schare geloovigen, met wie hij ’s

morgens de heilige stad binnentrad, was het voor hem onmogelijk, ook

maar het geringste te weten te komen. Slechts een kloek besluit en

doortastend handelen konden hem aan het doel zijner wenschen brengen.

Onder zijne bedienden bevond zich een Indiër van Mohammedaansch geloof.

Gedurende de reis naar Palitana had de jonge Achmed zich bij het

overwinnen van hindernissen of andere moeilijkheden zeer flink en

intelligent getoond. Onder belofte van eene groote belooning wijdde

Raffles hem in zijn voornemen in. Na eenige aarzeling verklaarde Achmed

zich bereid, zooveel mogelijk te helpen. Reeds na eenige dagen gelukte

het hem, door voorzichtige vragen bij de Dschainpriesters, te vernemen,

dat het door Raffles zoozéér begeerde Akasa onder bescherming stond van

het beeld van den Dschain-God. Doch wat het was en wat het voorstelde

kon hij niet nasporen.

Dat de levende mensch in deze heiligste grot van den Dschaintempel zou

kunnen binnendringen was echter geheel buitengesloten.

Een fakir had hem bovendien, tegen betaling van een groote som,

verraden, dat het geheimzinnige Akasa zich in een diepliggend

onderaardsch rots-vertrek bij een eeuwig brandend vuur bevond en op

Brahma, den hoogsten God van Indië, wachtte, die het bij zijn

wedergeboorte—volgens geloof der Dschainsekte—uit Boeddhas hand weer

zou terug ontvangen.

Meer had de trouwe Achmed niet kunnen uitvorschen en tevergeefs

beproefde hij zijn meester van zijn gevaarlijk voornemen af te houden.

Raffles echter stond erop, zijn met den dood dreigend avontuur te

wagen. Nadat hij zijn plan goed doordacht en alles ervoor in orde

gebracht had, restte hem nog als laatste plicht van Lord Turkington en

van zijne geliefde in Indrabad afscheid te nemen. Beide brieven stelde

hij met eene rijke belooning aan den jongen Achmed ter hand, die zich

steeds meer moeite gaf, Raffles’ besluit aan het wankelen te brengen.

Doch niets hielp. De kleine schare bedienden, die tot hier gevolgd was,

kreeg van Raffles bevel naar Indrabad terug te keeren. Gehoorzaam deden

de Mahouts de olifanten den toom aan en waren er alleen over verbaasd,

dat ze ook alle bagage moesten meenemen. Maar ze waren gewend, zwijgend

te gehoorzamen en in weinig tijd was de kleine karavaan reisklaar. Met

onderdanige afscheidswenschen voor Raffles bestegen zij de olifanten.

Een somber vaarwel, en de dieren zetten zich in beweging. De Mahouts

zetten hun reislied in.

“Eru pear habe Kataka!”

Spoedig waren zij aan den horizont verdwenen. Toen begaf Raffles zich

met langzame schreden naar de heilige stad.

Een eenvoudige losse mantel, zooals het volk dien droeg, was zijne

kleeding, en geen enkel wapen had hij tot veiligheid bij zich.

Sedert zijne aankomst in Indië had hij zijn baard niet kunnen verzorgen

en deze golfde thans tot over zijn borst.

Scherp en koen keken zijne zwarte oogen degenen, die hij ontmoette,

aan, en in zijn gelaat, in zijne geheele verschijning lag zóó iets

gebiedends voor de eenvoudige Hindoes, dat deze steeds met eerbied

plaats voor hem maakten.

Dikwijls reeds waren pelgrims, die uit afgelegen landstreken waren

gekomen, voor hem neergeknield en hadden den grond gekust waarop zijn

voeten stonden. Ze hielden hem volgens hun geloof voor een God.

Verdiept in zijn gedachten had Raffles de eenzame legerplaats verlaten

en niet opgemerkt, dat de jonge Achmed achter struikgewas verborgen,

was achtergebleven, om hem haar de tempelstad te volgen.

Maar nog een tweede persoon keek hem na. De Fakir, die verraden had,

waar het geheimzinnig Akasa was te vinden. Nieuwsgierig was hij vandaag

gekomen om te zien voor wien hij het geheim had prijs gegeven.

Toen hij nu de lange gestalte van Raffles met den golvenden baard zag,

dacht hij, door zijne fanatieke boetedoeningen phantastisch aangelegd,

dat deze raadselachtige vreemde die, armoedig gekleed, een vorstelijk

gevolg wegzond, een machtig man moest zijn, die onbekend wenschte te

blijven.

En zijne phantasie voerde hem verder. De grondgedachte van zijn

godsdienst, dat Brahma, de almachtige schepper der wereld, dikwijls in

menschengedaante werd herboren verbond zich plotseling bij hem met den

persoon van Raffles.

Reeds wilde hij hem nasnellen en in luide jubeltonen zijne ontdekking

verkondigen, toen hij den jongen Achmed ontdekte.

Zacht sprak hij hem aan, en toen hij naar hem toe kwam, vroeg hij:

“Zeg, wie is die machtige, dien jij vergezelt en dien jij dient?”

De jonge Hindoe was door deze plotselinge ontmoeting zeer geschrokken

en wist daardoor niet direct op de vraag te antwoorden.

“Je bedriegt mij niet meer, Achmed! Een arme—in het gewaad van een

Paria—beschikt niet over een vorstelijk gevolg en dienstpersoneel. Die

is meer dan wij allen. Hij is het—hij is het—naar wien wij allen

verlangen.

“Brahma!—Brahma!—Brahma!”

Met vertrokken gelaat en onder denzelfden onafgebroken uitroep vloog

hij Raffles achterna, die reeds lang uit het gezicht was verdwenen.

En het roepen van den fanatieken fakir bracht groote opschudding teweeg

onder de pelgrims.

Spoedig werd hij door duizenden omringd, die wenschten te vernemen, wat

hij wist. En het weinige, dat hij sprak, veranderde in de phantasie van

den fakir tot een wonderlijk beeld—tot een sprookje uit de

“Duizend-en-één Nacht”.

Buiten adem vertelde hij, dat zijne oogen eenen stoet van ontelbare

olifanten hadden aanschouwd, versierd met schitterende, uit zonnedraden

geweven kleeden.

Kostbare edelgesteenten en diamanten hingen fonkelend aan deze kleeden,

zoodat hij, door hunne uitstraling verblind, zijne oogen met de koele

aarde had moeten verfrisschen. Van den grootsten en mooist versierden

olifant echter was een man afgestegen, armoediger gekleed dan de armste

bediende; en de schetterende stoet van bedienden had zich nederig voor

hem ter aarde gebogen en het stof van zijne voeten gekust.

Lord Lister No. 0029: Het Indische raadsel · 第 2 / 4 段