LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 29 HET INDISCHE RAADSEL.
HET INDISCHE RAADSEL.
EERSTE HOOFDSTUK.
HET GEHEIM VAN TURKINGTON.
De morgenzon straalde met schitterenden glans boven de groene zee en
baadde de trotsche schepen in de haven van Portsmouth in haar weldoende
stralen.
Op de commandobrug van een der oceaanbooten stond, omringd door een
talrijk gevolg, een rijzige, fiere, slanke mannengestalte.
Hij zag er uit als een verschijning uit een sprookje.
Kostbare juweelen en ordeteekenen versierden zijn borst.
Diamanten knoopen en briljanten van ongekende grootte vonkelden op zijn
groen- en purperkleurig zijden gewaad.
Als een glinsterende slang schitterde de met edelsteenen versierde
scheede van het breede, licht gebogen zwaard, welks halvemaanvormige
greep in de handen van den man rustte.
Het was een der machtigste vorsten van Indië—de Maharadjah van
Indrabad—die zijn verplicht bezoek moest brengen aan den koning van
Engeland.
Hij was een van de vijf Indische Maharadjahs, die met Koninklijke eer
door het machtige Engeland werd behandeld.
Daarom lagen de trotsche pantserschepen gereed om hem met
eerbetuigingen te ontvangen, zooals de Engelsche vloot deze alleen,
bewijst aan koningen en keizers.
En als een machtig koning kwam deze Indische vorst over de zee, omringd
door een geweldig aantal zijner krijgslieden, een gevolg, dat getooid
was met alle kleuren van den regenboog, zwaard- en banierdragers,
danseressen en bedienden.
Het donkerbruine, scherp geteekende gelaat van den vorst was naar de
haven gewend. In een rechte lijn lag het eskader van Engelands
gepantserde zeekasteelen voor zijn heerschersoogen.
Met vollen vlaggentooi groetten de oorlogsschepen den trotschen,
schatplichtigen Indische vorst.
De matrozen in hun witte uniformen paradeerden in de raas en touwen.
De scheepsmuziek deed de tonen van het “God save the King” hooren en
het luide hoerageroep der manschappen vermengde zich met het donderen
van het geschut.
Vlak naast den Maharadjah stond in eenvoudige burgerkleeren de jonge
Lord Turkington, wien de eervolle onderscheiding was te beurt gevallen
om namens den koning den Indischen vorst in Gibraltar te ontvangen en
van daar naar Engeland te vergezellen.
De kade, waar de stoomboot aanlegde, was feestelijk getooid voor de
ontvangst van den vorst. De havenautoriteiten waren verschenen, omgeven
door een talrijke menigte.
Dichtbij den steiger was een eerewacht opgesteld, terwijl koninklijke
lakeien stonden te wachten.
Onder deze laatsten bevond zich een oudere bediende, die de eenvoudige,
grijze livrei droeg van Lord Turkington.
Het rustige koele uiterlijk, dat den bediende gewoonlijk eigen was, had
plaats gemaakt voor zenuwachtige ongerustheid.
Men kon het aan den ouden, grijzen man zien, dat hij een bijzondere
taak te vervullen had.
Nauwelijks waren de plechtigheden der ontvangst afgeloopen of hij
baande zich een weg door het gevolg totdat hij zijn jongen meester had
bereikt.
Met een diepe buiging, het grijze hoofd ontblootend, bleef hij voor den
Lord staan.
Deze schrok.
“Aha, ben jij het, James. Waarom ben jij uit Londen hierheen gekomen?”
De oude bediende fluisterde met gedempte stem:
“Onze heer, de Lord, ligt op sterven.”
De jonge man beefde over al zijn leden en moest den arm van den
bediende grijpen om een steun te hebben.
Daarop spande hij al zijn energie in en richtte zich weer op.
“Het is goed, James. Meld den doktoren, dat zij al het mogelijke moeten
doen, opdat ik mijn vader nog levend terug zie. De dienst bindt mij nog
tot hedenavond.”
De oude boog en trok zich terug. Zacht sprak hij tot zich zelf:
“Het zal te laat zijn.”
Een lange reeks van feestelijke plechtigheden volgde in de eerstkomende
uren ter eere van den machtigen onderdaan van het Rijk. Voor ieder
ander, behalve voor Lord Turkington, snelden de uren voorbij, maar hem
was het alsof de tijd voorbijkroop, alsof het einde van den dag niet
zou komen.
Het was tegen elf uur in den nacht toen hij eindelijk nadat zijn dienst
was afgeloopen, het oude, deftige paleis van zijn vader binnentrad.
Reeds in de voorhal zag hij aan het uiterlijk der op hem wachtende
bedienden, dat hij te laat kwam.
Een kamerdienaar geleidde hem naar het slaapvertrek, dat zich naast de
studeerkamer bevond.
Hier vertoefde de oude notaris der familie, de heer Barring, die op de
komst van den erfgenaam, den jongen Lord Turkington, wachtte.
Met een warmen handdruk begroette Lord Richard den trouwen raadgever
van zijn vader:
“Gij hebt waarschijnlijk het droevige voorrecht gehad, Mr. Barring, de
laatste woorden van mijn vader te hooren; de dienst van den koning
maakte het mij onmogelijk.”
De notaris boog zwijgend en opende zijn aktenportefeuille.
“Zijn Lordschap gelastte mij, u, voordat gij aan zijn sterfbed zoudt
verschijnen, dit laatste schrijven te overhandigen. Ik voer hiermede
deze taak uit. Mag ik u verzoeken— —”
Met trillende vingers opende de jonge Lord het hem overhandigde papier
en, al zijn wilskracht bijeenrapend, las hij het volgende:
“Mijn lieve, eenige zoon! Ik voel, dat ik slechts nog eenige uren
heb te leven en vermoed, dat ik je niet meer terug zal zien.
Verneem dus uit deze regels mijn laatsten wil: Alles, wat ik bezit,
is jouw eigendom, behalve een privilege, dat onze familie sinds
meer dan twee eeuwen bij het Engelsche hof geniet. Je moet bij mijn
sterfbed bezweren, dat je van dit voorrecht afstand doet. Ik bedoel
hiermede het privilege, om de staatsbetrekking te bekleeden, waarop
onze familie in Indië recht heeft. Richard, zweer mij met je
heiligsten eed, dat je nimmer naar Indië zult gaan. Dat
sprookjesachtige, geheimzinnige land met zijn onmetelijke schatten
zou je den dood brengen.
Nu, na mijn verscheiden, krijg je inzage van onze familiekroniek en
je zult daarin lezen van het gruwelijke lot, dat in Indië onze
familie wacht: de dood in tweeledige gedaante, lichamelijk en
geestelijk.
Je weet, dat ik niet de directe erfgename van mijn vader was. Mijn
oudere broer stierf in Indië. De oudste broer van mijn vader vond
daar eveneens den dood en sinds zes geslachten vermeldt onze
familiekroniek het ontzettende feit, dat steeds de eerstgeborene
zijn leven liet in Indië.
Dat zou een ongelukkig toeval kunnen zijn, maar helaas, de zaak
verandert er niet door en het geheimzinnige van dit doodenraadsel
werd nimmer opgelost.
Je voorvaderen stierven, omdat zij, evenals een mug in het
kaarslicht, in een mysterieuzen dood werden gelokt.
Daarginds, in Indië, in een van de sprookjesachtige geheime
tempels, ontdekte je ongelukkige voorvader, Lord Albert, voor
ongeveer tweehonderd jaar, een der onoplosbare Indische raadsels en
nam het in bezit. Die buit, welke ons allen steeds onbekend is
gebleven, werd hem, voordat hij ze naar Engeland kon overbrengen,
weer ontstolen.
Dit verlies oefende een eigenaardigen, physieken druk op hem uit.
Hij kwam niet weer naar Londen terug. Hij bleef in Indië en
trachtte het gestolene terug te vinden. Zijn laatsten brief, dien
je in het archief zult vinden, schreef hij aan zijn vader en hierin
meldde hij, dat hij nimmer meer gelukkig kon zijn, tenzij hij weer
in het bezit zou komen van het door hem gevonden Akasa.
Eenige maanden later stierf hij krankzinnig. Het geheimzinnige
woord Akasa is alles, wat wij ervan weten. En dit woord is een
vloek voor ons, zet zich vast in onze hersens en oefent een
duivelsche macht op ons uit.
Als een helsche suggestie dwingt het ons, het raadsel uit te
vorschen en alle leden van onze familie, die hieraan geen weerstand
konden bieden, stierven krankzinnig in Indië.
Ik bezweer je, ik smeek je bij alles wat mij heilig is, omdat je de
laatste bent van ons geslacht: ga nooit naar Indië en bedank voor
den eerepost van den koning als hij je dien aanbiedt.
God behoede je en late zijn zegen op je rusten.
Je vader Lord Edward Turkington.”
Met brandende oogen staarde de jonge Lord naar het fijne schrift van de
hand zijns vaders, dat hem een onbegrijpelijk raadsel mededeelde.
Versuft door deze onthulling had hij den dierbaren doode geheel
vergeten. De verstandige, grijze oogen van den ouden heer keken hem vol
vertrouwen aan.
Met een snelle beweging naderde de Lord hem en, naar den brief wijzend,
vroeg hij:
“Kent gij den inhoud van dit laatste schrijven van mijn vader, Mr.
Barring?”
Bevestigend knikte deze.
“Zijn Lordschap overhandigde het mij persoonlijk.”
Lord Richard keek hem met onvasten blik aan:
“Was mijn vader in zijn laatste uren, toen hij dit schreef, bij zijn
volle bewustzijn, of was zijn geest niet helder meer?”
“Zijn Lordschap was, zooals de andere aanwezigen kunnen getuigen,
volkomen bij zijn bewustzijn.”
Lord Richard schudde twijfelend het hoofd.
“Gij kent den inhoud van dit schrijven, Mr. Barring. En vindt gij dien
inhoud niet, evengoed als ik, zóó vreemd, dat mijn vraag begrijpelijk
is?”
“Zeer zeker. Maar mij zijn de gebeurtenissen in uwe familie reeds
jarenlang bekend.”
“En wat denkt gij ervan, gij, als helderdenkend jurist?”
Notaris Barring haalde de schouders op.
“Ik heb dikwijls over het geheim nagedacht en verschillende oplossingen
ervoor gezocht, maar of ik een juiste vond, kan ik niet zeggen.”
“Ik bid u, zeg mij uw meening.”
De oude heer zweeg eenige seconden, voordat hij antwoordde.
“Ik zou uw Lordschap daarmede waarschijnlijk verontrusten, misschien
zelfs krenken.”
“Neen; neen, zeer zeker niet. Spreek gerust,” verzocht de Lord op
gejaagden toon.
Notaris Barring rekte zijn magere gestalte uit, als om kracht te zoeken
voor hetgeen hij te zeggen had. Daarop begon hij:
“Van een geneeskundig standpunt zou de oplossing van het raadsel een
ziekelijke erfelijkheid in uw familie zijn, een soort
vervolgingswaanzin, waarvan tot dusverre telkens een der leden van uw
geslacht het slachtoffer werd.”
Lord Richard sidderde.
Ja—zeker—de oude notaris had gelijk.
Waanzin, erfelijke waanzin moest het zijn. Een vreeselijke toekomst,
waartegen noch menschelijke kundigheden, noch de heiligste eeden iets
vermochten. En als een drenkeling zocht hij naar een middel, dat hem
van dit vreeselijke spook van den waanzin zou kunnen redden.
Notaris Barring raadde de gedachten van den jongen Lord; hij zag de
wanhopige uitdrukking in diens oogen en om hem gerust te stellen, sprak
hij:
“Het zou natuurlijk mogelijk kunnen zijn, dat die Akasa werkelijk
bestond en dat het bezit ervan den eigenaar als een zoo groot geluk
voorkomt, dat het verlies hem doodt. Dit laatste maakt het zeer
twijfelachtig of het Indische raadsel wel in werkelijkheid bestaat en
ik waarschuw u als vriend van uw overleden vader: volg mijn raad,
vermijd Indië en ga het dreigende gevaar op die manier uit den weg.”
“Gij hebt gelijk,” antwoordde Richard, wiens geestkracht was
teruggekomen, “de eed, dien ik aan het sterfbed van mijn vader zal
afleggen, zal voor mij een sterk wapen zijn tegen alle Indische
fakirkunsten en mysteriën.”
Hierna betrad hij met vaste schreden de sterfkamer.
TWEEDE HOOFDSTUK.
RAFFLES ALS HELPER.
De plechtige bijzetting van het lijk van wijlen, Lord Turkington had
plaats op het familiegoed in de nabijheid van Londen.
Onder de aanwezigen viel in het bijzonder de Maharadjah van Indrabad op
en zijn tegenwoordigheid was niet alleen een uiting van hoffelijke
etiquette, maar tevens een plichtsvervulling.
Aan het hof van den Maharadjah was steeds de waardigheid van Engelsch
gezant bekleed door een der leden van de familie Turkington.
En aan dit hof hadden zich de tragediën van alle Turkingtons
afgespeeld, van de laatste was de Maharadjah ooggetuige geweest
Nadat de plechtigheden waren afgeloopen en bijna alle belangstellenden
de kapel, in wier gewelven de Turkingtons sinds eeuwen rustten, hadden
verlaten, bleef de Indische vorst als een der laatsten achter en liet
door zijn Engelschen adjudant een prachtigen lauwerkrans op het graf
neerleggen van den in Indië gestorven broer van den overleden Lord.
In gedachten verzonken bleef de Maharadjah voor de eenvoudige bronzen
graftombe staan en hij las het opschrift:
“Lord Allan Turkington, geb. den 10 December 1842 te Londen, gestorven
den 4 Mei 1872 te Calcutta”.
De vorst schudde het hoofd en, terwijl, hij zich tot den adjudant
wendde, sprak hij:
“Dat opschrift is onjuist! Waarom?”
Hoe zacht hij ook had gesproken, de jonge Lord had deze woorden
verstaan, juist op het oogenblik waarin hij afscheid nam van den ouden
predikant der familie, dominé Brown.
Verbaasd wendde hij zich tot den vorst:
“Uwe Hoogheid uitte een kritiek over het opschrift van het graf van
mijn overleden oom, als ik goed hoorde.”
“Zeer juist, mijn beste Lord”, antwoordde de vorst. “Ik zie hier als
plaats van overlijden Calcutta, terwijl het inderdaad de hoofdstad van
mijn land was, waar uw voorvader is gestorven. In plaats van Calcutta
moest hier Indrabad staan. Zou dit niet bekend zijn in uw familie,
of—ach, zoo—”
De vorst viel zichzelf haastig in de reden, alsof hij op het punt was
geweest, een onbescheidenheid te begaan.
Lord Richard keek hem met glinsterende oogen aan. Voor hem doemde,
tengevolge van de woorden van den Hindoe, het raadselachtige
familiegeheim op.
De stille slaper onder de bronzen graftombe en de Indische vorst, die
hier, vonkelend van juweelen, voor hem stond, moesten door dit geheim
samen verbonden zijn. De levende moest kunnen zeggen, wat de dood
verzweeg, wat zelfs de letters op het bronzen graf verzwegen en wat nu
als een leugen werd gebrandmerkt.
Lord Richard wendde zich, nadat hij het opschrift nogmaals had gelezen,
tot den vorst.
“Uwe Hoogheid, mijn voorouders zijn allen zonder uitzondering, in
Calcutta gestorven, zooals deze grafsteenen verkondigen. Geen enkele
vermeldt Indrabad.”
De vorst haalde de schouders op.
“Misschien vergis ik mij.”
Nu trad Lord Richard vlak voor hem:
“Vergeving, Uwe Hoogheid zal zich waarschijnlijk niet vergissen en
zeker weten, wanneer, hoe en waar mijn voorvader in Indrabad is
gestorven.”
“Laten wij de rust der dooden niet storen,” sprak dominé Brown tot Lord
Richard.
“Ah, het is goed, dat gij getuige zijt van het gesprek, dominé Brown.
Misschien kunt gij mij uitleggen, hoe het komt, dat op al deze
grafschriften een leugen is gegraveerd.”
De Lord zag, hoe het gelaat van den predikant vaalbleek werd en nog
voordat deze kon antwoorden, viel Lord Richard in met de woorden:
“Ik zie, dat gij van deze leugen afweet, dominé Brown. Wilt gij mij
verklaren, waarom de kerk een dergelijke misleiding toelaat?”
Geheel en al in het nauw gedreven, kon de predikant geen ontwijkend
antwoord geven.
“De wenschen der dooden zijn heilig voor de levenden; zij zullen deze
naamsverandering hebben bevolen uit voorzorg voor het na hen komende
geslacht.”
“Dus het heeft gevaarlijke gevolgen, als de overlevende den naam
Indrabad verneemt en dezen in verband brengt met den dood zijner
voorouders? Ik verzoek u, mij dat op te helderen.”
“Ik kan Uwe Lordschap dat niet verklaren,” antwoordde dominé Brown, “ik
kan alleen zeggen, dat dit opschrift is vervaardigd op bevel van het
toenmalige hoofd der familie Turkington. Uw Lordschap mag misschien
gelijk hebben, dat de naam Indrabad niet genoemd mocht worden en in
plaats daarvan Calcutta in den steen is gegraveerd. Eigenlijk komt het
op hetzelfde neer, waar wij onzen laatsten adem uitblazen.”
Lord Richard staarde in diep gepeinzen verzonken naar de graven. Welk
afschuwelijk geheim mochten zij wel verbergen?
Was het een erfelijke vloek, die op de familie rustte? Lagen daar de
slachtoffers van den erfelijken waanzin? Waren ook zijn hersenen niet
reeds aangeroerd door die vreeselijke hand en had de langzame,
onafwendbare verwisseling van zijn verstand reeds een aanvang genomen?
Was het niet reeds het eerste teeken van vervolgingswaanzin, dat hij
zich erdoor bedreigd meende en angstig was?
Hij keek naar den vorst.
Groot en helder zagen de oogen van den Indisch en heerscher hem aan.
“Al, wat ik weet,” sprak hij, “is, dat een uwer voorouders het geheim
van een Indischen tempel, dat Akasa heet, moet hebben gestolen en
daardoor—vergeef mij de harde uitdrukking—krankzinnig is geworden.”
“Houdt Uwe Hoogheid het bestaan van dat Akasa voor waarschijnlijk?”
vroeg Lord Richard.
De Maharadjah dacht zwijgend eenige oogenblikken na; hij ging eenige
schreden achteruit en zijn oogen straalden met een eigenaardigen glans.
Hierdoor werd Lord Richard kalmer.
“Ik wil u, als vriend, de volle waarheid zeggen” begon de Maharadjah,
“wij, vorsten van het Indische volk, wij Maharadjahs, zijn niet
ingewijd in de geheimen van onze machtige priesterkaste, de Brahmanen.
Wat de priesters ons vertoonen, schijnt den nuchter denkenden mensch
onbegrijpelijk. Gaat het verstand onderzoeken, dan—” hij maakte een
veelzeggende handbeweging naar de graven.
Lord Richard had hem begrepen.
De Maharadjah reikte den jongen Lord zijn hand tot afscheid en verliet
den grafkelder.
Toen de Maharadjah den drempel der kapel betrad, waarop het zonlicht
scheen, vonkelden de diamanten van zijn tulband in wonderschoone
kleuren, lichtbundels werpend in den donkeren grafkelder.
Lord Turkington deed in de eerstvolgende dagen zijn uiterste best om
niet te denken aan het geheimzinnige Akasa.
Hij verdiepte zich in allerlei studies, hij schreef, schilderde, deed
aan sport, maar wat hij ook in liet werk stelde, steeds concentreerden
zich zijn gedachten weer op het spookbeeld, het Indische geheim.
Zoodra hij in een boek de letter A zag, vormde hij die tot het woord
Akasa.
Overal vervolgde hem dit woord, dat hem langzamerhand krankzinnig moest
maken.
Na een ellendigen, slapeloozen nacht werd het hem duidelijk, dat er
slechts twee wegen voor hem openstonden, om een eind te maken aan deze
onduldbare marteling. Of hij werd een meineedige en trok naar Indië, of
hij maakte aan alles een einde door een kogel.
Daar kwam plotseling een nieuw denkbeeld in het brein van Lord Richard
op.
Hij wilde den beroemden Indischen onderzoeker, professor Cameron, gaan
raadplegen.
Niets wilde hij onbeproefd laten en reeds een uur later overhandigde de
bediende van den professor zijn meester een visitekaartje van Lord
Richard met de mededeeling, dat de Lord den professor over een
gewichtige aangelegenheid wenschte te spreken.
“Ik heb groot belang bij de beteekenis van een Indisch woord,” zoo
begon Lord Richard, toen hij tegenover den geleerde zat, “en zou u,
heer professor, om verklaring ervan willen verzoeken.”
De schrandere oogen van den professor straalden, toen hij hoorde, dat
de Lord hem kwam bezoeken in verband met zijn wetenschap.
Zeer gevleid, boog hij.
“Het zal mij een eer zijn, uw Lordschap van dienst te mogen zijn.”
“Het handelt om het Indische woord Akasa. Wat is het en wat beteekent
het?”
De geleerde keek den Lord eenige oogenblikken peinzend aan, daarop ging
hij naar een reusachtige boekenkast, nam daaruit na eenig zoeken een
zwaar boekdeel en begon er in te zoeken.
In zenuwachtige spanning keek de Lord naar hem. Minuten verliepen,
zonder dat de professor uit het boek opkeek. Daarop legde hij het neer
en met een uitdrukking van teleurstelling op het gelaat wendde hij zich
tot Lord Richard.
“Het spijt mij zeer, dat ik uw Lordschap geen opheldering kan geven
omtrent dit mij volkomen onbekende woord. Mijn woordenboek der Indische
taal bevat het niet. Misschien vergist Uw Lordschap zich.”
“Helaas, neen!” antwoordde Lord Richard met een bitteren glimlach. “Ik
zou er een vermogen voor over hebben, als ik opheldering kon krijgen
omtrent de beteekenis van dit woord en over datgene, wat onder dien
naam bestaat.”
De geleerde begreep uit den toon van het gesprokene, dat Lord Richard
zeer veel waarde hechtte aan de explicatie van dit vreemde woord en een
plotselinge ingeving volgend sprak hij:
“Zou uw Lordschap de onkosten, welke de verklaring van dit woord zou
meebrengen, op zich nemen?”
“Meer, veel meer,” antwoordde Lord Richard, “een vermogen wil ik hem
geven, die mijn wensch vervult. Gij weet niet, heer professor, welken
duivelschen invloed dit woord Akasa op mij uitoefent. Ik bevind mij als
onder hypnose ervan”.
Nieuwsgierig keek de geleerde den jongen Lord aan.
De zaak kwam hem geheimzinnig voor, maar ook hij wenschte nu tot elken
prijs te weten te komen, wat Akasa beteekende.
“Ik ken hier in Londen,” zoo begin de professor, “een
rariteitenhandelaar, Cunningham genaamd. Deze knapt voor ons,
geleerden, allerlei zaakjes op door ons kostbare en zeldzame voorwerpen
te verschaffen. In zijn zaak leerde ik eenige weken geleden een
zeldzaam en gevaarlijk mensch kennen, een dapperen, voor niets
terugdeinzenden kerel. Daarenboven is hij iemand van buitengewone
ontwikkeling.”
Lord Richard werd zenuwachtig.
“Vertel mij, wien gij bedoelt.”
“Raffles!” antwoordde de professor.
Lord Richard schrok.
“Raffles, den meesterdief?”
De professor glimlachte:
“Leg niet den klemtoon op “dief”, Uw Lordschap, zeg liever, Raffles, de
meester. Hij is, ondanks zijn eigenaardige sport, een gentleman, een
volslagen man van eer. Hij houdt ervan, geheimzinnige, bijna
onuitvoerbare zaken op te knappen.
“Hij richtte de vraag tot mij, of ik de een of andere moeilijk te
verkrijgen zeldzaamheid uit vreemde landen wenschte. Raffles zou ze mij
verschaffen. Daaraan denk ik nu toevallig. Hij zou de aangewezen
persoon zijn, om gevaren en avonturen te trotseeren. Denk niet te lang
over het voorstel na en neem een besluit.”
Lord Richard sprak na eenig nadenken:
“Waar is die heer? Breng mij dadelijk bij hem”.
“Als Uw Lordschap tijd heeft, zal ik Raffles telefonisch verzoeken,
dadelijk hier te komen.”
Met de mededeeling, dat Raffles binnen een uur zou verschijnen, kwam de
geleerde terug.— —
Met scherp onderzoekende blikken monsterde Lord Richard de krachtige,
slanke gestalte van Raffles, toen deze voor hem stond, als een man van
de wereld boog en hem met vrijmoedigen blik aankeek.
De persoonlijkheid van den gentleman-dief droeg het karakter van trots,
maar tegelijk van innemendheid. Hij bezat het onmiskenbare type van een
aristocraat of van een officier.
Aangenaam verrast door deze sympathieke verschijning gaf Lord Richard
hem een hand en daarop deelde de professor mede, wat de kwestie was.
Tot zijn genoegen zag Lord Richard, dat Raffles toestemde en zich
bereid verklaarde om naar Indië te reizen.
“Ik houd mij aan de woorden, waarmee Gordon Bennet indertijd Stanley
naar Afrika zond”, sprak Lord Richard, “vertrek met de eerste
gelegenheid. Ontdek Akasa, vind een verklaring ervan en, als het, naar
ik vermoed, het een of andere voorwerp betreft, breng het dan mee naar
Londen. Dat zal u zeker gelukken”.
“Laat ons gaan dineeren,” antwoordde Raffles, “en alles bespreken, wat
wij elkaar te zeggen hebben”.
Zij namen afscheid van den professor en bevonden zich weldra in de
eetzaal van een der Londensche hotels.
Toen zij laat in den avond van elkaar scheidden, waren zij vrienden
geworden en hadden beiden de innige hoop, dat binnen eenige maanden het
Indische geheim zou zijn opgehelderd. Zij riepen elkaar een hartelijk
“Tot weerziens!” toe.
Een paar uur later, zeer vroeg in den morgen, bevond Raffles zich aan
boord van een stoomschip der Pacific- en Oceaanlijn, dat hem naar het
land van wonderen en sprookjes zou brengen. De Lord had door zijn
voorspraak bij den vorst bewerkt, dat Raffles diens gast zou zijn in
Indrabad.
DERDE HOOFDSTUK.
DE DOCHTER VAN DEN VORST.
In het Zuiden van Indrabad, de prachtige residentie van den Maharadjah,
is een geheimzinnige doodenstad gebouwd van groote uitgestrektheid.
Het is een stad, bestaande uit honderden reusachtige graven, prachtige
monumenten uit vroegere tijden.
Grafsteenen van kostbaar marmer, koepels van bontgekleurde, geglazuurde
steenen en wanden, die versierd zijn met kunstig beeldhouwwerk.
Een prachtig park omgeeft deze rustplaatsen der eenmaal zoo machtige
vorsten en heerschers van Indrabad.
Vijftig eeuwen gingen over deze marmerblokken heen. De dooden zijn
reeds lang tot stof vergaan, maar hunne gedenksteenen verkondigen nog
heden ten dage van hunne werken.
Eenzaam en verlaten, ligt deze doodenstad, zelden wordt zij door
menschen bezocht.
Ontelbare wilde pauwen wandelen trots over de stille, zonnige paden en
spreiden hun bonte veerenpracht ten toon.
Middendoor den onafzienbaren doodenakker leidt een straat en hierlangs
loopt Raffles, vergezeld door een Hindoeknaap van ongeveer veertien
jaar.
Sinds meerdere weken bevindt hij zich nu reeds in Indië.
Hier, waar de geslachten van zoovele eeuwen rustten, hoopte hij het
geheimzinnige Akasa te vinden. Het is een zwaarder taak dan om binnen
te dringen in de gewelven van de Engelsche Bank.
Geen der prachtige mausoleums verklaart hem door een opschrift of
teeken het raadsel.
Maar toch heeft hij in al die weken den moed niet verloren, maar blijft
met onwankelbaar optimisme gelooven, dat hij hier bij de dooden een
spoor moet ontdekken.
In de schaduw van groote tamarinden lag terzijde van den weg een
bekoorlijke kleine tempel.
Een goed onderhouden weg leidde erheen, door het kreupelhout, tot
groote verbazing van Raffles.
Wie kon er belang bij hebben, in dezen grooten chaos van ruïnes een
liefelijk plekje in orde te houden?
Nieuwsgierig liep hij naar den grafkelder toe, toen plotseling zijn
begeleider hem tegenhield en op schuwen toon fluisterde:
“Sahib (heer) niet den weg gaan naar het graf van den heiligen
dichter.”
“Waarom niet?”
“Sahib, vorstin Samru, de dochter van den Maharadjah, bidt daar; het is
haar heiligdom.”
Raffles dacht eenige oogenblikken na, of hij gehoor zou geven aan de
waarschuwing en besloot, er geen acht op te slaan.
De knaap volgde hem niet, maar ging in de schaduw van een marmeren zuil
zitten om daar op terugkomst van zijn meester te wachten.
Raffles trad door een lage poort en kwam op een met sneeuwwitte
marmertegels geplaveiden hof, welke door een zuilengalerij was omgeven.
In het midden bevond zich een grafsteen, waarover een goudbestikt,
zijden kleed was gelegd. Bloemenguirlandes waren van zuil tot zuil
geslingerd en een purperen zonnescherm bedekte de helft van den open
hof, dezen in schaduw hullende.
Met een kreet van bewondering beschouwde Raffles het geheel. Waarlijk,
schooner kon een dichter niet begraven zijn.
Een plechtig-poëtisch waas omhulde dit alles.
Zachtkens nader tredend, alsof hij de rust van den gestorvene zou
kunnen verstoren, liep Lord Lister naar het graf, aan welks voeteneind
een bronzen gedenksteen was aangebracht.
Met kunstig gegraveerde letters waren hierin gedichten vereeuwigd en
met gespannen aandacht begon Raffles te lezen.
Plotseling schrikte hij en als betooverd bleef zijn oog rusten op een
der woorden, die hij las.
Als gehypnotiseerd staarde hij ernaar.
Akasa stond daar voor hem neergeschreven, geschreven door een hand, die
reeds meer dan duizend jaar verstijf was.
Eindelijk een spoor? Vreezend, met een hersenschim te doen te hebben,
raakte hij met zijn hand den bronzen gedenksteen aan. Maar het koude
metaal vóór hem bedroog hem niet. Met koortsachtige opgewondenheid las
hij:
“Goddelijk Akasa, omdat gij mij de hemelsche Bajaderen (danseressen)
van Krishna hebt getoond, zwelgt mijn ziel in de bewondering van haren
dans, als een God”.
Steeds weer opnieuw las Raffles deze woorden en trachtte de beteekenis
ervan te doorgronden.
In gedachten verloren, bemerkte hij niet, dat een jong meisje,
vergezeld door twee oudere vrouwen, den hof had betreden.
Zich niet storend aan den vreemdeling begon de schoone haar kleeren af
te leggen en haar slank lichaam te hullen in met goud doorweven gazen
sluiers, zoogenaamde saris.
Daarop begonnen twee mannen, die aan den ingang der poort waren
neergehurkt, te musiceeren.
Verrast door het zeldzame beeld, dat hem als de werkelijkheid van het
zoo juist gelezene voorkwam, trad Raffles op zij.
Op de plaats waar hij had gestaan, wierp de vreemdelinge een handvol
rozen neer en begon daarna te dansen.
Haar tengere voetjes zweefden over den sneeuwwitten marmeren vloer in,
rhythmische bewegingen en haar slank lichaam, haar armen en handen
bewogen zich bij den verleidelijken, liefelijken dans.
Het geleek den jongen man als een sprookje. Maar een eigenaardig
gevoel, alsof hij een groot onrecht pleegde, alsof hij was
binnengedrongen in het verboden heiligdom der Indiërs, in een Zenana
(vrouwenvertrek) maakte zich van hem meester.
De danseres hield haar groote, donkere oogen onafgewend op hem gericht.
Aarzelend naderde zij hem meerdere malen, strooide bloemen voor het
graf, kuste den bronzen grafsteen en eindigde haar dans.
Daarop klapte zij in de handen, waarop de muziek zweeg.
Nu trad zij tot vlak voor Raffles en sprak in vloeiend Engelsch:
“Ik zie, dat gij een vreemdeling zijt.
“Gij weet niet, waar gij u bevindt. Zoo gij een landsman waart, zou ik
u nu door mijn olifanten laten verpletteren. Waar is de gids, die u
hierheen heeft gebracht? Hij zal gestraft worden.”
Haar schoone oogen vlamden toornig op en haar kleine handen, die nog
voor weinige minuten de zonnestralen schenen te liefkoozen, hadden zich
tot vuisten gebald.
Raffles’ blikken hingen als betooverd aan de wonderschoone verschijning
daar vóór hem en bijna onbewust vroeg hij:
“Zijt gij Akasa?”
Verbaasd keek zij hem aan. In plaats van een antwoord te geven, stelde
de vreemdeling een vraag! Een vraag, die betrekking had op haar
heilige, op haar gestorven dichter! En het vleide haar, een dergelijke
vergelijking te hooren, het verdrong den toorn, die in haar was
opgekomen, omdat vreemde mannenoogen haar ongesluierd hadden gezien.
“Ik ben Samru, de eenige dochter van den Maharadjah van Indrabad”,
antwoordde zij op trotschen toon. “Wat zoekt gij in mijn heiligdom?
Welke Paria bracht u hierheen?”
“Niemand”, antwoordde Raffles. “De Maharadjah van Indrabad, wiens gast
ik ben, gaf mij verlof, op dit kerkhof datgene te zoeken, waarvoor ik
van Engeland naar Indië ben gekomen. Ik zoek Akasa, jonge vorstin.”
Onderzoekend, alsof zij zijn woorden niet vertrouwde, keek zij naar
hem.
Daarop riep zij een harer dienaressen en richtte zacht een vraag tot
haar. Een bevestigend hoofdknikje was het antwoord.
Opnieuw wendde zij zich tot Raffles:
“Gij hebt de waarheid gesproken. Gij zijt de gast van mijn vader. Zwijg
over hetgeen gij hebt gezien. Ik ben mijns vaders grootste schat en het
zou hem zeer zeker bedroeven. Al het water van den heiligen Ganges
zouden deze smart niet weer kunnen uitwisschen.”
Zij keek hem nogmaals diep in de oogen, daarop liet zij zich door haar
dienaressen in haar kleeren hullen en, gesluierd, verliet zij het graf.
Bij den ingang der poort bleef zij nog even staan en wendde het hoofd
om. Onwillekeurig legde Raffles zijn hand op de borst en maakte een
buiging. Een groetende handbeweging toonde hem, dat zij zijn huldiging
had begrepen. Daarop verdween zij.
Eenzaam en zwijgend lag het graf van den gestorven dichter voor hem.
Plotseling weerklonken de woeste kreten van krijgsolifanten. Raffles
snelde naar de poort en bleef, in de schaduw verborgen, onbeweeglijk
van schrik en ontzetting staan.
Op korten afstand van hem verpletterden de zware pooten van vier
reuzenolifanten de lichamen van vier menschen—twee Hindoevrouwen en
twee mannen.
Zij waren getuigen geweest van zijn aanwezigheid bij den dans der
prinses en reeds moesten zij zwijgen, zwijgen voor eeuwig, opdat zij en
hij veilig waren voor hunne tongen.
In de verte zag hij de bontgetooide olifanten verdwijnen, die de
prinses naar Indrabad terugbrachten.
Nu volgden ook de krijgsolifanten. Zij hadden hun beulswerk verricht.
Geen vonkje van leven was nog te ontdekken in de vertrapte
vleeschmassa, die zij in het stof der doodenstad hadden achtergelaten.
Met luid gillen zetten de mahouts, de olifantendrijvers, met hun spitse
haken de opgewonden reuzendieren aan tot spoed en verdwenen weldra met
hen in een dichte stofwolk.
Ontroerd keek Raffles naar de vermoorde slachtoffers en voor het eerst
rilde hij bij de gedachte aan datgene, wat hij zocht: Akasa.
Langzaam keerde hij naar de stad terug. Hij had er niet op gelet, dat
de schemering reeds was ingevallen. Aan de vuurroode kimme teekenden
zich de donkere omtrekken af van de groote koepels, paleizen en
vestingwerken van Indrabad.
Sneller liep hij door.
Daar, in het schitterende paleis, dat hem als gast, herbergde, leefde
zij, die hij heden voor het eerst had aanschouwd. En een afschuwelijk
geheim verbond hen met elkaar.
Zou de heilige, reeds lang gestorven dichter met “Akasa” hebben bedoeld
dat geheimzinnige, wat de menschen “liefde” noemen? Raffles wilde het
uitvorschen al zou hij het met zijn leven moeten boeten.
Akasa en de dochter van den Maharadjah waren voor hem een en hetzelfde
begrip geworden.
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN LIEFDESNACHT.
Achter de getraliede vensters der Zenana mogen de vrouwen van den
Maharadjah op het bonte leven en bewegen der hoofdstad neerblikken—dat
leven, dat haarzelf ontzegd is.
Aan een der hoekvensters zat de prinses en keek aandachtig naar een der
hoofdpoorten van het paleis. Naast haar stond een jonge slavin, haar
lievelingsspeelgenoote, Natana, eveneens naar buiten kijkend.
Beiden spraken zij geen woord. Bijna zonder zich te verroeren keek
Samru naar het menschengewoel in de breede straten, die zich nu, tegen
den koelen avond, vulden. Mannen in vuurroode, gele, blauwe en groene
gewaden en daarbij passende tulbands op het hoofd; ruiters, vaandrigs,
paukenslagers op kameelen en daartusschen de groote lichamen van
olifanten, behangen met bonte, rijkversierde kleeden, vergulde
slagtanden en prachtige baldakijns op den rug dragend, waarin
gesluierde vrouwen zaten, om te genieten van de avondkoelte in de
tuinen en parken rondom de stad.
Samru had geen oog voor dit alles. Zij kende het tooneel en zou
daarvoor niet een uurlang aan het hoekvenster staan, maar liever in het
park van het paleis met haar dieren spelen.
Plotseling kwam er beweging in haar roerlooze gestalte. Zij boog zich
voorover en greep de hand harer slavin.
“Natana,” fluisterde zij opgewonden, “zie je daar beneden tusschen de
menschen den vreemden Sahib, die trotsch als een vorst doorloopt? Zie
je hem?”
“Ja, meesteres,” antwoordde de slavin, eveneens op fluisterenden toon.
De slavin zag, dat haar jonge meesteres met schitterende oogen den
vreemdeling volgde, die zich naar de poort van het paleis begaf en hoe
Samru de rechterhand op het hart drukte.
Een zucht van verlangen ontsnapte haar lippen en zacht sprak zij:
“Een mooie man!”
Schuw en bevreesd, dat een ander behalve de slavin haar woorden kon
hebben gehoord, keek zij het vertrek rond.
Intusschen ging Raffles, onbewust, dat hij werd bespied, de poort van
het paleis binnen.
Nauwelijks was hij aan de blikken der jonge vorstin onttrokken, of deze
stond op en klapte in de handen. Dadelijk verschenen eenige slavinnen,
welke zij op bevelenden toon toeriep:
“Naar het park!”
Eenige minuten later weerklonken langgerekte hoornsignalen van de
torens en verkondigden aan alle mannelijke bewoners van het paleis, dat
niemand het park mocht betreden, omdat de dochter van den Maharadjah
daar wandelde. Doodstraf wachtte den ongehoorzame of lichtzinnige.
In strijd met de zeden van het land bezat de Maharadjah, ten gevolge
zijner Europeesche opvoeding, slechts één echtgenoote, welke hem alleen
een dochter had geschonken.
Hij had het geluk niet gehad, een erfgenaam voor den troon te bezitten
en na zijn dood zou hij door een jongeren broer worden opgevolgd.
Aan het in de lengte gebouwde paleis, dat de Maharadjah zelf bewoonde,
grenst een groot park, in welks midden zich een meer bevindt. Witte
marmeren balustrades omgeven den oever en vergulde booten liggen aan de
met zijden tapijten bedekte marmeren trappen, die naar het water
leiden.
Het water van het meer is van een smaragdgroene kleur en in het midden
daarvan bevindt zich een eiland, schoon als een sprookje, waarop zich
kleine, sierlijke tempels, marmeren zuilen en torentjes bevinden.
Prachtige bloemperken liggen daartusschen, heerlijke palmen, grillige
figuren en gewassen. Dit lievelingsplekje van de jonge vorstin gelijkt
op het verblijf van een sprookjesfee. Hier vertoefde zij het grootste
gedeelte van den dag. Een schooner, idyllischer plekje kon er niet
bestaan.
Hierheen begaf zij zich ook nu in den avond en nam met haar
lievelingsslavin aan den oever van het meer plaats. Droomend keek zij
in het donkere water.
“Mijn heerscheres is treurig,” fluisterde Natana, met haar hand zacht
het kleed der prinses streelende.
Nadenkend, maar tegelijkertijd onderzoekend keek de jonge vorstin naar
de slavin.
“Ik wil je al mijn juweelen en de vrijheid schenken.
“Ik wil je zoo rijk maken, dat een voornaam krijgsman je tot vrouw kan
nemen, als je mij helpt, den vreemden Sahib, dien ik je toonde, te
spreken.”
Verschrikt keek de slavin op.
“Heerscheres! Mijn leven wil ik gaarne voor u opofferen. Ik heb nooit
geaarzeld, als gij tot mij zeidet: Ik wil dit of dat, maar, meesteres,
uw wensch is levensgevaarlijk. Uw teeder lichaam wordt voor de tijgers
geworpen, als uw vader, onze groote Maharadjah, uw plan verneemt. Gij
zijt verloofd, heerscheres!”
“Herinner mij aan niets! Ik weet alles, alles. Maar ik heb heden
gevoeld, dat mijn leven een afschuwelijke marteling is zonder de
vrijheid, om het kostelijkste, wat wij bezitten, naar eigen verkiezing
te mogen weggeven. Heden ontdekte ik de waarheid van de liederen, welke
de heilige dichter eenmaal over de liefde heeft geschreven.
“De oogen van den vreemdeling straalden als vuur en zijn woorden
klonken als muziek. Toen ik hem moest verlaten, zond hij mij een groet
na. Een groet, Natana, dien ik alleen verstond. Hij groette met de hand
op zijn hart wijzend. En in dat oogenblik openbaarde zich aan mij de
liefde. De liefde! En—mogen de raderen van den tempelwagen mij tot mijn
straf verpletteren, mogen de tijgers mij op bevel van mijn vader
verscheuren, ik ben niet bevreesd, ik wil, ik moet hem zien.
“Ga nu heen en breng den Sahib bij mij. Neem deze keten van robijnen
mee. Misschien moet je een hand vullen en lippen doen zwijgen.”
De slavin nam de keten, die haar jonge meesteres van haar hals nam en
verdween.
Eenige oogenblikken later gleed zij in een rank bootje over de
spiegelgladde watervlakte en had binnen eenigen tijd den anderen oever
bereikt. Met lichten tred snelde zij weg, terwijl Samru haar met
kloppend hart nakeek.
Daarop nam zij een korfje, dat met stukken rauw vleesch was gevuld,
snelde naar den oever van het meer en blies op een gouden fluitje,
zoodat de schrille tonen over het water weerklonken.
Onmiddellijk werd het levendig aan den waterkant.
Krokodillen, die daar van hun vadsige rust genoten, doken op en zwommen
naar de marmeren trap, waarop Samru stond.
Reusachtige, schildpadden naderden van den tegenoverliggenden oever en
drongen met hun gepantserde ruggen tusschen de wachtende krokodillen,
welke hun groote bekken wijd opensperden en begeerig snoven, toen het
eerste stukje vleesch door Samru’s hand naar hen werd geworpen.
De afschuwelijke monsters naderden de dochter van den vorst tot op
geringen afstand. Eenige van hen waren haar zoo dicht genaderd, dat zij
met haar hand de stukjes vleesch in de wijd opengesperde, witte bekken
zonder tong, maar met vreeselijk gebit, kon leggen.
Zoodra een der dieren zijn aandeel had gekregen, klapte het de kaken op
elkaar en verdween onder de oppervlakte van het water.
Intusschen was de maan opgegaan en verlichtte het tooneeltje.
Toen het laatste stukje vleesch was weggegeven, trokken de monsters
zich weer terug in hun schuilhoeken onder de breedbladerige planten aan
den oever om vandaar met hun kleine, valsche oogen naar de
wateroppervlakte te kijken.
Afschuwelijke bewakers van het kleine, stille droomeiland! Zij zouden
kunnen vertellen van menig slachtoffer, dat hun op bevel van den
Maharadjah als buit was toegeworpen.
Vermoeid was Raffles in zijn vertrekken in het paleis van den
Maharadjah teruggekeerd, waar de opperhofmeester van den vorst hem een
uitnoodiging bracht voor het souper bij den Maharadjah. Maar met
beleefde woorden moest hij bedanken.
Hij was niet in de stemming, om met eenigen sterveling een
nietsbeduidend gesprek te voeren. De onverwachte samenkomst met de
prinses had hem tot diep in zijn binnenste ontroerd.
Met doffe berusting van iemand, die iets kostbaars heeft gezien, wat
hij nooit zal kunnen bezitten, ging hij op de rieten rustbank liggen in
zijn slaapkamer en staarde met brandende oogen voor zich uit in het
donker.
Zachtjes snorde de Punkah, de groote waaier, aan het plafond van het
vertrek en die eentonige, regelmatige beweging maakte hem slaperig,
zoodat hij in een droomerigen toestand geraakte.
Wel een uur lang had hij daar zoo half wakend gelegen, toen een bijna
onhoorbare beweging zijn aandacht trok.
Tusschen de zijden portière ontdekte hij de in het wit gekleede
gestalte van een jong meisje, dat nu snel naderbij kwam.
Nog voordat hij zich kon oprichten, stond zij vlak bij hem, schoof het
muskietennet open en fluisterde:
“Sahib, mijn meesteres wacht op u op het droomeiland. Volg mij!”
Haastig richtte Raffles zich op. Hij meende, niet goed verstaan te
hebben; hij had het gevoel, alsof hij zwaar droomde en om zich van de
werkelijkheid te overtuigen, greep hij naar de hand van het jonge
meisje en sprak:
“Uw meesteres wacht mij?”
“Ja, Sahib! Zij zond mij om u te halen. Haast u en wees voorzichtig,
opdat niemand ons ziet!”
Nu sprong Raffles op.
“Sahib,” fluisterde de slavin, “gij zult mij moeten volgen door
donkere, onderaardsche gangen. Neem mijn hand.”
Raffles greep de kleine, zachte hand van het meisje en onhoorbaar
begaven zij zich naar het aangrenzende vertrek. Luisterend bleef zij
daar eenige oogenblikken staan, daarop keerde zij zich om naar een
spiegel, die aan den muur hing, drukte op een knopje en Raffles zag,
dat de groote spiegel een geheime deur was, waarachter een donkere trap
naar beneden voerde.
De slavin sloot met groote zorgvuldigheid de spiegeldeur achter hen
dicht en daarna ging zij Raffles langzaam vooruit de trap af, tot waar
deze in een gang uitkwam.
De jonge man volgde de slavin als in een droom, het was hem, alsof hij
zich in de sprookjeswereld van duizend en één nacht bevond.
Hier en daar moesten meer deuren in de gang uitkomen, want meermalen
klonken stemmen in zijn ooren en een keer kon hij duidelijk het
veelstemmige gezang van vrouwenstemmen vernemen.
“De vrouwenafdeeling, Sahib!” fluisterde de slavin op angstigen toon.
Daarop werd het weer stil. De benauwde lucht, die in de gang hing, werd
frisscher, waaraan zij konden merken, dat zij den uitgang naderden.
De gang eindigde in een grot in wier zijwanden trappen waren
uitgehouwen.
Toen zij boven waren aangekomen, bevonden zij zich midden in het park.
Nu gaf de slavin een witzijden damesmantel en een sluier aan den jongen
man.
“Sahib, hul u in dit gewaad en verberg uw gelaat achter den sluier,
opdat wij veilig zijn voor spionnen!”
Zij hielp Raffles en eenige minuten later snelden zij samen naar het
meer. Iedereen, die hen gezien mocht hebben, zou hen voor twee
gesluierde vrouwen hebben gehouden.
Aan den oever begaven zij zich in een bootje, dat door de slavin zeer
behendig naar het eiland werd geroeid.
Raffles herkende reeds van verre de gestalte der prinses, die, op hen
wachtend, midden op een breede marmeren trap stond.
Eindelijk lag het bootje stil.
Raffles sprong op den oever en kuste de hand der prinses.
Zij keek hem met haar groote, donkere oogen onderzoekend aan.
“Volg mij naar den tempel van Parvati, de godin der schoonheid.”
Zij keerde zich om en ging vooruit.
Door donkere taxuslanen en zuilengalerijen, langs welriekende
bloembedden, bereikten zij een kleinen, verborgen tempel, die tot aan
den koepel met dichte klimrozen was begroeid.
De prinses opende een kleine metalen deur; rozenrood licht straalde
daarbinnen en een zoetgeurende lucht omgaf de binnentredenden.
Zacht gingen zij verder, gevolgd door de slavin, die de deur sloot en
daarvoor ging liggen op den met kostbare zijden tapijten bedekten
vloer.
Midden in het gebouw wierp uit een gouden bekken een fontein haar
kristalhelder water tot aan den koepel.
Van de zoldering hingen aan zilveren kettingen ontelbare kleine,
brandende lampen, wier licht door roodgloeiende robijnen in het vertrek
straalde.
Aan een der wanden bevond zich een marmeren rustbank, versierd met
snijwerk, dat met diamanten was ingelegd. Daarachter hing aan den muur
een langwerpig kleed, welks kleurrijk patroon uit duizenden
edelgesteenten bestond.
Boven dat kleed was in den sneeuwwitten, marmeren muur de naam van de
godin der schoonheid—Parvati—met gouden letters gegrift en alle letters
waren omringd door kostbare steenen.
Op deze rustbank nam de prinses plaats en zij beval Raffles, voor haar
op het tapijt neer te knielen.
Eenige oogenblikken keek zij hem scherp aan, daarop sprak zij:
“Noem mij je naam.”
“Lord Edward Lister,” antwoordde Raffles.
Peinzend keek zij op hem neer en met een langzaam hoofdschudden sprak
zij:
“Je naam klinkt te vreemd voor mijn tong. Ik wil je een anderen geven.
Ik zal je Rao noemen. Dat beteekent “vorst”. Want als een vorst, zoo
heb je mij bedwongen. En nu wil ik je liefhebben en je dienen, totdat
ik moet sterven. Laat mij in je oogen kijken, opdat ik mijn eigen geluk
daarin weerspiegeld zie.”
Zij boog zich tot hem neer, legde haar armen om zijn hals en trok zijn
hoofd tot dichtbij het hare.
Hij voelde haar zachten adem en haar donkere oogen keken hem zoo
stralend aan, dat hij als betooverd was.
Minutenlang bleven zij in deze houding elkaar aankijken, geen van
beiden sprak een woord, maar hunne zielen hadden elkaar gevonden in
groote harmonie.
Zij wisten niet, hoelang zij zich reeds in den tempel van de godin der
liefde bevonden, toen het fijne, zilveren geluid van een klok
weerklonk, waardoor zij uit hun zoete droomen werden opgeschrikt.
De prinses verhief zich van de bank.
Met haar satijnzachte handjes streek zij liefkoozend over het hoofd van
den geliefde. Diep ademend ging haar boezem op en neer en met trillende
lippen sprak zij:
“De nachtegaal roept het morgenrood. Je moet heengaan, Rao.”
Zij boog zich over hem heen en kuste zijn voorhoofd.
Raffles stond op. Zijn lichaam trilde en hij was zijn stem nauwelijks
meester. Alles scheen hem een droombeeld te zijn. Nog steeds kon hij
niet geloven, dat dit alles werkelijkheid was.
Nu nam Samru zijn rechterhand en, terwijl zij een armband van haar pols
nam, sprak zij:
“Neem dezen armring als herinnering aan onze samenkomst. Ga nu heen en
volg Natana en als Parvati, de machtige godin, ons goedgezind blijft,
dan zullen wij elkaar, onder haar hoede, hier morgennacht weer
ontmoeten.”
Zij geleidde Raffles naar de deur, waar de slavin hen wachtte.
Zacht knarsend opende zich de kleine bronzen deur. Een flauwe
schemering lag reeds over bloemen en struiken, overal heerschte diepe
stilte.
Daar weerklonk in de verte het doffe gehuil van de tijgers, die het
eigendom van den vorst waren.
Samru, die nog aan den arm van Raffles hing, beefde. Het was zeker de
afschuwelijke morgengroet van de gevangen beesten, die haar deed
sidderen.
Zij wisselden nog een laatsten kus—met elk oogenblik werd het gevaar
grooter.
Samru snelde terug in den tempel, terwijl Raffles haastig den witten
mantel weer over zijn kleeren wierp en zijn gelaat met den sluier
bedekte.
Pijlsnel roeide de slavin het bootje van het eiland weg en de
parkbewakers hadden, indien zij hen hadden gezien, niets anders
vermoed, dan dat het twee eenvoudige slavinnen waren, die zich op het
eiland te lang hadden opgehouden en die nu naar de Zenana
(vrouwenafdeeling) terugkeerden om haar taak te hervatten.
Traag, met slaperige oogen, hieven de getemde krokodillen hun koppen
uit het water op. Hier en daar sperde een der afschuwelijke dieren den
bek wijd open, toen de boot langs hen heengleed.
De apen in de boomen langs den oever, waar de boot aanlegde,
schreeuwden verward door elkaar, alsof zij woedend waren, zoo vroeg in
hun nachtrust te worden gestoord.
Snel sprong het tweetal uit het vaartuigje en haastte zich naar de
grot.