vroeger de Portus Calle, de peetmoeder van Oporto eerst en van
het koninkrijk later. Te Villa Nova dezelfde terrassen, dezelfde
niveauverschillen als aan dezen kant. Er is van die oneffenheden van
den grond gebruik gemaakt, om er de reuzenkelders in te maken, waar
de portwijn van eiken leeftijd, ieder merk en elke hoedanigheid, in de
duurzame gelijkmatige koelte der dikke gewelven wacht op het oogenblik,
waarop hij zal worden ingescheept naar alle landen der wereld.
Er worden intusschen nog veel andere dingen ingescheept; vooreerst
landbouwproducten uit den omtrek en dan veel leder, zijde en alles
wat het nijvere Oporto voortbrengt, zonder nog te gewagen van de
handschoenen en de juweelen.
De kaden der stad worden omzoomd door kleine winkeltjes,
waar in een primitieve uitstalling tomaten schitteren of gouden
oranjeappelen. Niets levendiger en vroolijker en kleurrijker dan deze
oevers, waarboven zich de huizenzee verheft en die bespoeld worden door
de Douro met haar zandig water, dat soms woelig en onstuimig wordt
of met groot geweld de sneeuw afvoert, die het oude Castilië haar
van de bergen toevoert of den overvloed der wateren van Tras os montes.
Vlak bij het water, waaraan hij zijn glorie te danken heeft,
is geboren koning Hendrik, Dom Henrique, de groote infant, zoon
van Johan I van Aviz, dien wij Hendrik den Zeevaarder noemen. Hij
heeft nooit zelf gevaren of ten minste zeer weinig, maar hij heeft
uitgerust en voorbereid en bevolen die groote ontdekkingsreizen, die
de menschen geleid hebben naar de Kaap, naar Indië en naar Brazilië,
waar de portugeesche vlag fier uitwoei. Een indrukwekkend monument
is voor hem opgericht in den kleinen tuin, waar de Beurs te vinden is.
De Portuenses zijn zoo trotsch op hun Beurs, dat het jammer zou wezen,
er niet over te spreken. Het is een modern gebouw, massief en zwaar,
in dien "bankiersstijl" opgetrokken, waar onze tijd zijn eer in
stelt. De trappen zijn vorstelijk en van prachtig soliede gesteente;
het middenplein is ruim en licht; er zijn comfortabele kantoren,
goed geparketteerde zalen voor vergaderingen, die zware houten
lambrizeeringen hebben en stralen van electrisch licht; koningen en
koninginnen, belasterd door leelijke portretten, hangen er aan de
wanden in opzichtige lijsten. Maar het voornaamste, het heiligdom,
de mihrab van dezen tempel voor den handel, is de moorsche zaal. Zij
wordt u het laatst vertoond, als een apotheose, en er loopen koorden
een eind van de wanden, die den profanen bezoeker beletten, het
prachtig ingelegde midden van den vloer te ontheiligen. Helaas! De
schreeuwende kleuren, het al te duidelijk zichtbare pleister, de
gewone vensterglazen, de ongelijksoortige weelde der détails gelijken
in het geheel niet op het Alhambra, dat men de pretensie heeft gehad,
te willen navolgen. Het geheel zou beter passen bij een Casino van
een drukke badplaats, dan voor een paleis, dat menschen van smaak
moet bevredigen. Maar mogelijk was dat ook slechts de bedoeling,
en als men er het symbool in heeft te zien van de millioenen, die
Oporto aan een dergelijk paleis kan besteden, zal men moeten erkennen,
dat inderdaad die zaal schatten gelds heeft moeten kosten.
Andere weelde! De kerk van den H. Franciscus, die dicht in de buurt is,
met haar vieil or, haar prachtig uitgesneden altaarbladen en allerlei
andere antiquiteiten, is op andere manier indrukwekkend. Zij is een
wondermooi symbool van de ornamentale weelde, die de Portugeezen van
ouds in hun kerken wisten ten toon te spreiden, zonder dat de goede
smaak er door werd beleedigd, zonder tot de uitersten van kleur te
vervallen, die in onze dagen zoo dikwijls de harmonie verstoren.
In de Das Floresstraat, de straat der juweliers, die de groote gouden
harten verkoopen en de zware filigraankruisen, is de kerk Nossa
Senhora da Misericordia, waar de sacristie een schilderij bevat,
de Levensbron, dat zonder bewijs wordt toegeschreven aan Grao Vasco,
den beroemdsten der oude portugeesche schilders.
Men heeft dezen kunstenaar op één lijn willen stellen met de gebroeders
Van Eyck en Van der Weide. De authentieke schilderijen van zijn hand
kunnen daarop het beste antwoord geven. Oudtijds, even goed als heden,
hebben de portugeesche schilders de teekening te zeer verwaarloosd,
dan dat zij op gelijken voet kunnen worden behandeld met de groote
meesters, vooral met die uit de hollandsche school. Er is altijd bij
hen iets onvoltooids, iets verwaarloosds, dat hun kracht van vinding
benadeelt. Het lissabonsche museum geeft, wat de ouden betreft, en
de versiering der Armeria voor die van heden, op dit punt bewijzen
genoeg aan de hand. De officiëele portretten zijn van een flauwe en
karakterlooze teekening, tenminste als men enkele weinige uitzondert,
bijvoorbeeld dat van Dom Carlos van Souza Pinto, dat in het raadhuis
te Oporto hangt.
De beeldhouwkunst komt wat beter voor den dag; maar het onderwerp zou
ons te ver voeren. Laat ons alleen zeggen, dat de Portugees uitmunt
in caricaturen, waarbij hij veel geest toont met een volmaaktheid
van teekening, dat men er zich over verbaast die alleen in dat genre
te vinden.
Langs de zee, tot op twee of drie mijlen van Oporto, vindt men een
alleraardigst stadsgedeelte. Men kan er het schouwspel van de wijde
zee genieten, die in schuim uiteenspat tegen de klippen. Van San Joao
de Foz, aan de monding der Douro, tot Matosinhos is de weg, waar een
tram langs rijdt, bezet met prachtige villa's, waar badgasten wonen,
zoodra maar de zomer in het land komt. Een bosch, dat zich er achter
uitstrekt, geeft gelegenheid voor mooie wandelingen.
Aan het eind van die badplaats heeft men de haven van Leixoes
aangelegd, een groot, kunstmatig bekken, ingesloten door twee pieren,
waar de groote stoombooten aanleggen, die te veel diepgang hebben,
om de rivier te kunnen invaren. De inrichting van die nieuwe haven
wordt van dag tot dag verbeterd; er is bijvoorbeeld een inrichting
tot ontsmetting ten gebruike van de passagiers, die uit warme landen
komen, alles in de uiterste perfectie.
Niet heel ver van daar heeft het toeval ons tegenwoordig doen zijn
bij het feest van Nossa Senhora da Hora, Onze Lieve Vrouwe van het
uur. Dat uur is de verlossing voor jonge moeders. Die komen er vóór en
na dien tijd bidden en danken. Het is er altijd vol van vrouwelijke
pelgrims. De kleine kerk in het open veld schittert van het licht
der kaarsen, door de vrouwen geofferd, door haar, die nog moeder
moeten worden en door de slanke schoonen, die het uur reeds hebben
doorgemaakt. Buiten zijn tenten van zeildoek, waar gedronken kan worden
en waar kleine voorwerpjes van aardewerk worden verkocht, en eetwaren,
vooral moten visch, die uit het heete vet worden gehaald. Zoowel
geloovigen als ongeloovigen eten daar met den grootsten smaak hun
visch, en als dan het uur heeft geslagen, namelijk het uur van vertrek,
stort men zich op de trams, die midden door de feestdrukte rijden met
een haast, waar onze metro eenig denkbeeld van geeft, als het kermis
is te Neuilly.
Laat ons Oporto vaarwel zeggen met de mededeeling, dat de hotels
er uitmuntend zijn, met uitzondering natuurlijk weer van de bedden,
die door niets verzacht worden.
Als men den tocht naar het Noorden voortzet, door de provincie Minho,
is men wel echt in den tuin van Portugal, buiten aanmerking gelaten,
dat eigenlijk geheel Portugal een tuin is. Denk u het rijkste en
groenste deel van Normandië, de fluweeligste weiden, de liefelijkste
dalen, de weelderigste landbouwgewassen, de helderste stroomende
wateren, en ge hebt een voorstelling van dit verrukkelijke land.
Zelfs de wijnstok, die elders een eentonig gezicht oplevert, is hier
een element van eenvoudige versiering in virgiliaanschen trant. Boomen
van allerlei soort staan langs de wegen, overschaduwen de melkerijen
en wekken de verbazing over hun overvloedig gebladerte. Als men
dan nader treedt, ziet men, dat de stam dubbel is, en dat een dikke
wijnstok opklimt tegen den boom tot in de hoogste takken en er zich
vasthecht. De bladeren mengelen zich in die mate door een, dat men
niet kan zeggen, of een olm of een plataan misschien druiventrossen
voortbrengt, dan of mogelijk de wijnstok zich tooit met olmen-
of plataanbladeren.
Om het genot der reis nog te verhoogen, zijn de spoorwegwaggons in het
Noorden gemakkelijk tot verfijning toe; de stations liggen in boschjes
en zijn uiterst zindelijk naar portugeeschen trant. De kleur zelfs,
waarnaar onze oogen van Latijnen zoo graag zoeken, is niet afwezig;
daar zorgen de boeren voor. Allen hebben in de hand een soort van
zak, die naar de behoefte meer of minder groot is, maar die altijd
vervaardigd wordt van een kleurige stof, zoodat de menigten op de
stationsperrons er niet zoo donker uitzien, zoo vuil en zoo weinig
aantrekkelijk als op de meeste andere plaatsen. De een heeft een
rooden zak, de ander een heldergelen, of een met oranje strepen
of purperen lijnen, of wel met ruiten van een verblindend groen,
waardoor een amusante bontheid ontstaat.
Als men eenmaal Santo Tirzo voorbij is, beroemd om zijn mooie vrouwen
en zijn sieradiën, verandert het landschap. Er gaapt een kloof,
waar een bergstroom in gromt; de zeer steile hellingen bestaan uit
rotsblokken van graniet, waar dennen tusschen groeien; daarna wordt
de kloof weer een ruim dal; de weg slingert zich door bosch, en men
houdt stil bij Guimaraes.
Dat is een heel oude stad, waarboven de ruïnen oprijzen van het
kasteel, waar Alphonsus, de eerste koning van Portugal werd geboren,
de half fransche vorst, zoon van Hendrik van Bourgondië. Maar even
goed als een stad uit de geschiedenis is het ook een stad, waar de
legende zich mee heeft bemoeid. Was het niet hier, op dezelfde plek,
waar de kerk van Nossa Senhora da Oliveira staat, dat de Westgoth
Wamba er slechts in wilde toestemmen, de kroon aan te nemen, die
hem werd aangeboden, als zijn wandelstok wortel zou schieten en
zich met bladeren zou tooien? De ouden hebben dien nog gezien, den
eerwaardigen ouden stok van olijvenhout binnen zijn rasterwerkje. Door
onze twijfelzucht afgemaakt, is de wonderstok al lang verdwenen.
Te Guimaraes geeft alles den indruk van exotisme en oudheid. De
vensters der huizen, die breed zijn en kunnen opschuiven, schijnen
uit een hollandsche of engelsche stad afkomstig, terwijl het klooster
van Santo Domingo een menigte oude beeldhouwwerken bevat, niet enkel
romeinsche maar iberische, dus zoo oud, dat men er geen datum aan
durft geven, en afkomstig uit Citania, waarvan de overblijfselen nog
te vinden zijn op enkele mijlen afstands van Guimaraes. Men moet flink
klimmen om er te komen, over geitenpaden, maar men wordt rijkelijk
beloond voor zijn moeite. Vooreerst vindt men er niemand, want de
Cook's toeristen hebben een supreme minachting voor zulke afgelegen
plaatsen; verder ziet men de heele provincie vóór zich liggen, in
tien opeenvolgende plannen van bergen en dalen, waar al het blauw,
waarover de schepping beschikt, in zijn verschillende tinten is
vertegenwoordigd, vermengd met het teederste groen, dat men zich maar
denken kan. De verspreide dorpen zijn niet te tellen in de dalen,
die tot Penafiel op elkaar volgen, welke plaats men op twaalf mijlen
afstands in een gaping ziet liggen.
Wat de ruïnen betreft, die zijn merkwaardig, maar niet uitgestrekt;
het zijn muren in een vierkant of in een kring, nauwelijks boven
den grond uitkomend en dan op de punt van de landtong de aanwijzing
van kleine huizen en straten, nog herkenbaar aan het plaveisel. Geen
enkel spoor van paleizen of belangrijke gebouwen; het weinige, dat aan
kunst deed denken en dat men heeft kunnen vinden, is naar Guimaraes
gebracht. Zeker waren de Iberiërs, die dit dorp hebben aangelegd,
nog halve wilden, om er niet meer van te zeggen. Maar ze wisten in
ieder geval wel een mooi plekje te kiezen.
Bij het naar beneden gaan hoorde ik een vreemd geluid, en ik
bespeurde, dat het uit een kerkje kwam aan den voet van Citania. Het
was Hemelsvaartsdag; het dorp was naar de mis, en ik trad binnen. Van
mijn leven zal ik dat orkest niet vergeten, dat bestond uit een viool,
een trombone en een clarinet. Het maakte een geweld van belang en was
verschrikkelijk valsch, en het was bepaald een wonder, hoe zoo weinig
instrumenten zoo oorverdoovend konden werken, dat de geloovigen,
die uit volle borst zongen, er niet boven uit konden schreeuwen. Het
was tegelijk helsch en naïef en belachelijk; maar de overtuiging en
de ijver van die brave menschen maakten alles goed.
De mannen zaten vooraan bij het koor, en de vrouwen in een
samengedrongen massa vulden de overige gedeelten van de kerk en lieten
op den rug gezien haar hoofden bewonderen, gehuld in een eenvoudigen
doek, in tweeën gevouwen en onder de kin vastgebonden. Nu waren die
hoofddoeken ook een orkest, maar van warme en afwisselende tinten,
waardoor men de cacophonie van het andere vergat. Voor het overige
gaven alle aanwezigen de blijken van het vroomst geloof en ze bleven
knielen op de steenen gedurende de geheele mis.
Bij de deur van de kerk stapte ik weer in het rijtuig en in een uur was
ik te Braga, na gereden te hebben door het bescheiden zwavelbadplaatsje
Caldas de Taïpas.
Braga is alweer een oude en eerbiedwaardige stad, de deken der
steden van het koninkrijk in godsdienstige, politieke en sociale
beteekenis. In de donkere kathedraal rust onze Hendrik van Bourgondië,
waardoor tusschen de Portugeezen en ons nog een soort van neefschap
bestaat. De aartsbisschop van Braga is primaat van Portugal en beweert
het te zijn van het geheele iberische schiereiland, in spijt van
Toledo, dat aan Braga het eigendomsrecht op den H. Johannes betwist,
die de stichter moet geweest zijn van de beide bisdommen. De
Spanjaarden hebben aan Braga het primaat-generaal toegekend,
toen zij over Portugal heerschten, maar, eenmaal uit het land
verdreven, kwamen ze op dat besluit terug en brachten op Toledo het
primaat-generaal over, dat maar tijdelijk aan Braga heette geschonken
te zijn. Tegenwoordig zijn er twee primaten, en niemand is jaloersch.
Braga was herhaaldelijk de hoofdstad; eerst in den nacht der
tijden, daarna aan het begin der monarchie. Het is thans een
welvarend, levendig stadje, waar men veel doet aan het bewerken van
edelgesteenten, en waar de bevolking bijzonder vlijtig en vriendelijk
is. De straten en de huizen hebben er hetzelfde noordelijke voorkomen
als te Guimaraes, hetgeen verklaard wordt door de drukke aanraking
met Holland in het verleden, in den tijd der reizen en der groote
krachtsuitoefening van de vloot.
In Portugal is het in het Noorden en in het Zuiden al even heerlijk
in de openbare tuinen; men ziet slechts bloemen en frisch groen, met
die aardige manier, om overal klimplanten tegen de boomen te laten
opklimmen, vooral veel rozen. Er zijn rozenpriëelen, randen van rozen
en tot lanen van rozen, want de palmboomen worden overal omstrengeld
tot in de hooge kronen door de edelste der bloemenkoninginnen.
Aan den Jardin Public van Braga komen de vensters uit van het
voornaamste hôtel der stad. Er zouden openbare bals in de vertrekken
kunnen worden gegeven, zoo ruim zijn ze. De behandeling is er
uitstekend; er wordt lekker gegeten; maar aan deze kleine reclame
moet een waarschuwing worden toegevoegd, namelijk aan de lusitanische
hôteliers, dat ze zich eraan moeten gewennen de tarieven van de
koetsiers, die in de buurt de bezoekers rondrijden, te kennen
en eenvoudig op te geven; laat men ze desnoods in de vestibule
ophangen. Op die manier zullen ze niet den schijn op zich laden, van
door lange samensprekingen, als ze eenvoudig hebben te antwoorden,
den prijs te laten afhangen van het voorkomen der gasten, hetgeen
altijd een onpleizierigen indruk maakt. De maatregel zou buitendien
heel natuurlijk wezen, daar de prijzen over het algemeen in Braga
niet te hoog zijn.
Zou er ook niet iets op gevonden kunnen worden, dat men aan tafel
een servet kreeg, die wat grooter was, en vorken en lepels, die
ook wat minder microscopisch waren en dan ook nog suiker anders dan
in poedervorm? Men krijgt geen stukje suiker te zien in Portugal,
en lieve hemel, er zijn soms verbazende hoeveelheden suiker noodig,
om een kop koffie zoet te maken.
De klassieke wandeling van Braga is de Bom Jezus, een soort van
pelgrimstocht naar een kerk op een hoogte, een kleine mijl van de stad
verwijderd. De weg erheen is als een pad uit een sprookje, een reeks
van steenen treden, die twintigmaal in het rond loopen tusschen veel
hekken en leuningen en balustrades en zuilen en die een wonderlijk
boeiend effect bereiken.
Het koele water ruischt aan alle kanten tot rondom de zuilen, in
welker binnenste het is opgevangen, om weer naar buiten te komen
door gootjes. Bij elke schutting is er een koepeltje, waarin men
met levensgroote beelden een tooneel uit het lijden van Jezus heeft
voorgesteld. De muren van de gebouwtjes zijn beschilderd; echte
planten groeien hier en daar, en zelfs heeft men in sommige van die
nagemaakte landschappen bronnen aangebracht, die echt vloeien. Enkele
der beelden hebben een merkwaardige uitdrukking; maar de meeste zijn
van een gekunsteldheid, die ruw aandoet, zonder nog te spreken van
de nieuwe kleuren, die het effect bederven.
Een andere mooie, maar zeer lange wandeling, die men van Braga uit
kan doen, is die naar Caldas de Gerez, een badplaats op tien mijlen
afstands in het gebergte, op de spaansche grens. Men gaat er heen
ondanks de verre reis, want behalve de geneeskracht van het water heeft
de plaats het voordeel, dat het dal diep en schoon is, te vergelijken
met wat het allerbest is in onze Vogezen en onzen Jura. En daarginds
klaagt men niet over de lengte van den weg, die een element is van
oefening en vroolijkheid. Zoo komen in Juli de boeren uit Spanje naar
Gerez en leggen de 22 kilometer al dansend af. Zooals zich laat denken,
is het geen water, dat ze bij aankomst drinken.
Daarna keeren wij naar Braga terug, om Vianna de Castello te bereiken,
een klein bekoorlijk havenstadje, beheerscht door een groenen berg,
waar de Portugeezen, waardige zonen der Iberiërs, een hôtel hebben
neergezet te midden der bosschen en met uitzicht op den Oceaan.
In het oude Lusitanië bestaat er naast het heldendicht van Camoëns
een ander episch groot gedicht, dat de geschiedenis van het land in
steen heeft geschreven, dat is de historie van Portugals kloosters,
Alcobaça, Batalha, Thomar en Belem. Over het klooster van Batalha
heeft de vicomte Jean de Condeixa een studie nagelaten, die ons de
gelegenheid geeft aan zijn hand iets van dat klooster te vertellen.
Een andere Portugees, de heer Vieira Guimaraes, heeft een geschiedenis
geboekt van de orde der Jezuïeten, tevens een lofspraak voor
het klooster van Thomar. Sommige monumenten hebben de eer gehad,
aanleiding te zijn geweest tot monographieën, die dikwijls te kort en
te vluchtig zijn; van andere zijn slechts enkele steenen overgebleven,
zooals die van Cellas, die nu in het museum te Coïmbra worden bewaard.
Het is te hopen, dat het volk en de regeering met groote zorg ervoor
waken, dat die oude dingen bewaard blijven. Cellas is gesloopt; anderen
kunnen verdwijnen, en het moet gezegd, tegelijk met de geschiedenis
verdwijnt er in zoo'n geval ook rijkdom. Als ooit het land mocht beven
onder politieke woelingen, die elders zooveel wonden hebben geslagen,
zouden er redders moeten opstaan, die in stand hielden wat behouden
bleef en het wilden redden zoo niet van den hamer des sloopers,
dan toch voor vergetelheid en onverschilligheid, die even erg zijn.
Bij zulk een onderwerp als de kloosters van Portugal moet men wel
geschiedenis geven, en om te beginnen gaan wij naar Alcobaça, waar
we ons haast onder landgenooten voelen.
De stichting dier abdij is zoo goed als het begin van Portugal.
In de elfde eeuw was de graaf van Portus Calle of Oporto afhankelijk
van het koninkrijk Castilië. De strijd tegen de Mooren woedde toen
hevig, en werd gevoerd als een soort van kruistocht, waaraan men van
overal kwam deelnemen. Toen kwam tegen het eind dier eeuw een fransch
vorst, Hendrik, vierde zoon van den hertog Robert van Bourgondië,
kleinzoon van den franschen koning en achterkleinzoon van Hugo Capet,
zijn diensten aanbieden tegen de ongeloovigen. Hij werd goed ontvangen
en het aanbod werd aangenomen, en hij was zoo dapper en zoo gelukkig
in dien strijd, dat Alphonsus VI van Castilië hem uit dankbaarheid
de hand schonk van zijn dochter Theresa en het graafschap Porto-Calle.
Hendrik van Bourgondië nam onmiddellijk bezit van zijn domein en
vestigde zich op het kasteel van Guimaraes, waar een zoon werd geboren
in 1110. Deze, Alphonsus, was de held van Ourique en de eerate koning
van Portugal.
Wij hebben elders gesproken over de zegepraal en over den overwinnaar,
die gekozen werd of zichzelven liet uitroepen tot koning van de nieuwe
verovering. Het ging echter niet gemakkelijk. Vooreerst is de beroemde
bijeenkomst te Lamego, waar hij tot koning zou zijn uitgeroepen,
onder sterke verdenking van een legende te wezen, waaruit volgt,
dat de kroning door den aartsbisschop van Braga met de kroon der
Westgothen op zijn minst problematiek wordt.
In elk geval moet men bedenken, dat de koning van Castilië, welke
verplichting hij ook moge gehad hebben tegenover den vader van
Alphonsus, de verheffing van zijn vazal met leede oogen aanzag. Er
rezen moeilijkheden, protesten, bedreigingen. Toen herinnerde
Alphonsus, die uit kinderlijken eerbied den bijnaam van Henriquez had
aangenomen, zich, dat hij aan de Bourgondiërs verwant was. Hij liet
den grooten abt Bernard van Clairvaux zelven voor zich optreden, en
deze wist van den paus gedaan te krijgen, dat het nieuwe koninkrijk
erkend werd, en van toen af protesteerde niemand meer.
Daaruit volgde, dat Alphonsus I Henriquez, koning van Portugal,
slechts wisselde van suzerein, maar zijn nieuwe heer was gemakkelijker
te dienen dan den eerste. Inderdaad moest hij enkel jaarlijks een
schatting van vijftig goudstukken storten aan de abdij van Clairvaux.
Het bleef daar niet bij; na de inneming van Santarem, veroverd op de
Mooren, welke plaats had op 15 Maart 1475, besloot hij een abdij van
de orde te stichten, waar Bourgondië hem de eerste geestelijken voor
zou leveren.
Dat was Alcobaça.
De ligging is prachtig bij de samenkomst van twee dalen, dat van
de Alcoa en dat van de Baca, waar de naam van is afgeleid. Van het
station van Vallado komt men er, door de heldere Alcoa te volgen
langs een kronkelenden weg van een kleine twee mijlen, die langzaam
stijgt tusschen boschjes en groen en aan de dalen van Normandië doet
denken. Men kan er ook heengaan langs den weg, die van Leiria over
Batalha gaat over een met dennen beplant plateau.
Zoodra men is aangekomen op de markt van de kleine nette stad,
ziet men eerst vóór zich de eindelooze gevels van het klooster,
waar alle stijlen van de voorbijgegane eeuwen in schijnen te zijn
vertegenwoordigd.
De muren, die hun rijen vensters vertoonen over een lengte van meer
dan tweehonderd meter aan elke zijde van het vierkant, hebben niets
karakteristieks. Er is iets onvoltooids in, dat niet aangenaam aandoet.
De kant, waar de kerk is gebouwd, is in beteren staat. Men heeft daar
een trap van zestien treden, breed en massaal, leidend naar een ruim
bordes. Het zou indrukwekkend kunnen zijn, als de kerk niet alles
verdrukte onder haar onrustig rococo uiterlijk, met de opeenhooping
van arabesken en luidruchtige versieringen. Een overladen voorgevel
ontneemt aan de kerk alle harmonie. Meer dan elders is hier weer het
rococo een der verschijningsvormen van het vandalisme, als een ziekte,
die de lijnen wegdoezelt en de vormen doet verdwijnen.
Het inwendige van Alcobaça is niet beter. Er is schoon en oud gothisch
werk, maar alles gaat schuil onder ongemotiveerde versieringen.
En nadat men heeft gedwaald door de vijftig duizend vierkante meters
van de oppervlakte van het klooster, door de twee kilometer van
de gangen, onder overweldigend groote schoorsteenen en eindelooze
gewelven, keert men toch tot de kerk terug. Daar kan men een andere
bladzijde geschiedenis lezen, vermengd met legende en liefde en
gruweldaden.
Op de twee sarcophagen van wit marmer, die tegenover elkander zijn
neergezet, en bijna gelijk zijn, rusten, de een op dreigende leeuwen,
de ander op wonderlijke sfinxen gebeiteld, aan den eenen kant koning
Peter en aan de andere zijde zijn vrouw, Ines de Castro.