De linksche, de kortste, gaat naar Bussaco door dicht bosch. Het

is een laan als in een park, uitstekend onderhouden, ook al omdat

de automobiel van de koninklijke familie er dagelijks of althans

dikwijls langs gaat. De weg kronkelt zich tegen den berg op onder

reusachtige ceders; men is erop aangewezen, als men per rijtuig het

hotel wil bereiken. Maar de voetganger doet beter rechts in te slaan,

waar de weg het bosch op zij laat liggen en als corniche omhoog gaat

langs en boven het dal op aanzienlijke hoogte, met bij elke bocht

de schitterendste uitzichten. Men komt weldra bij een kleine vlakte,

waar de muur uitkomt, die het "heilige woud" insluit. Onder dien naam

is inderdaad het bosch bekend, dat toebehoorde aan het oude klooster

der Carmelieters van Bussaco, zonder twijfel om de zeer strenge

bepalingen, die het moesten beschermen tegen beschadiging; een bul van

paus Urbanus VIII zou zelfs den ban hebben opgelegd aan ieder, die er

iets zou hebben vernield. Misschien was dat al te streng, maar als de

maatregel tot resultaat heeft gehad, dezen prachtigen plantengroei te

redden en voor ons intact te bewaren, moet men er niet rouwig om wezen.

Een deur, die altijd openstaat, geeft toegang tot het omheinde, en het

voetpad, dat we inslaan, stijgt onder heerlijk loover. We komen in een

echt maagdelijk woud; de eiken, de platanen, vooral de prachtige ceders

strengelen hun takken dooreen, de palmen groeien overal mild en de

boomvarens houden de stralen van de zon tegen door het fijne kantwerk

van hun bladeren, terwijl aanhoudend vogelengekweel en luid kabbelende

beekjes de bekoring van het landschap verhoogen. Het loopje heeft

ons te kort geschenen, als het pad uitkomt bij een helderen vijver,

waar een bron in uitmondt, een fonte fria, en waar in watervallen

zich een beek in neerstort, komend van de hoogten. Een dubbele trap

met groen uitgeslagen treden leidt aan elken kant der beek naar het

hotel Bussaco.

Dat hotel, dat zich er, en terecht, op verheft een zeer schoon

monument te zijn van de moderne architectuur en dat gebouwd is in den

weelderigen stijl van Dom Manuel, ligt op een terras, dat opstijgt

uit de golven van het woud. Door zijn onvergelijkelijke ligging

te midden van dien oceaan van groen, door zijn tuinen vol bloemen,

door de weelde van zijn inrichting, en, wat volstrekt niet schaadt,

door de bescheidenheid van zijn prijzen zou het hotel van Bussaco,

dat bij ieder in Portugal bekend is, verdienen ook buiten de grenzen

van dat land de aandacht te trekken. Als men bedenkt, dat Bussaco

ligt aan de directe spoorlijn van Parijs naar Lissabon, dat men er

zich dus van Frankrijk uit heen kon begeven zonder anderen last dan

het noodzakelijke overstappen in Irun op de grens, en dat na in het

geheel dertig uren sporens, die snel omvliegen, als de trein goed is,

men er reeds is aangekomen, dan betreurt men het, dat dit mooie plekje

niet door de Franschen zeer druk bezocht wordt en dat wij het in ons

land zelfs niet kennen. Men gaat het dan als een werkelijken plicht

beschouwen, de pracht ervan uit te bazuinen en het bezoek ernstig aan

te bevelen. Jonge paartjes op de huwelijksreis vinden daar juist iets,

dat voor hen geschikt is, want Bussaco is bij uitstek een plaats, om

met zijn tweeën te wandelen in de bosschen door de kronkelende paden,

onder het groen in die zoo poëtische natuur.

Van het oude klooster, dat in de 13de eeuw door de Carmelieter monniken

is gesticht, is nog slechts een kerkje over en eenige cellen, die

zijn opgenomen in de inrichting van het hotel. De gebouwen namelijk,

die het hôtel vormen, zijn zeer talrijk en omvatten dépendances, die

meer ruimte schijnen te hebben, dan voorloopig noodig is. De zaak laat

zich verklaren, doordat in het oorspronkelijk plan voor het gebouw aan

een koninklijk paleis was gedacht; door verschillende omstandigheden

kwam er niets van die onderneming, en de terreinen, die aan den staat

behooren, zijn daarna voor een hotel geëxploiteerd. De koning en de

koningin hebben altijd veel van de plek gehouden; zij kwamen er vaak

per automobiel, en daar 250 kilometer Bussaco van Lissabon scheiden,

mag men daaruit wel besluiten, dat de streek prachtig moet zijn.

Het hotel ligt niet op den top van den berg. Om dien top te bereiken,

die de Punta de Bussaco wordt genoemd, moet men gedurende bijna

een half uur een lommerrijken weg volgen; het is een gemakkelijke

wandeling; men heeft er telkens mooie uitzichten over het bosch, en

op den top ligt het schoonste panorama voor den reiziger. Van Luso in

het Noorden, dat in het groen genesteld is in een stil hoekje van het

bergland, breidt het uitzicht zich uit over den kam van het golvend

bergland van den Serra de Caramullo tot aan de zee, waar 50 kilometer

ons van scheiden; verder kan men de lijnen van het strand volgen en met

het oog in de bosschen doordringen, die overal den grond bedekken. Ook

is Pampilhosa te zien en het groene dal der Mondego, dan Coïmbra,

en voorbij Coïmbra tot verre horizons ligt daar de wijde ruimte in

de heldere lucht tot de woeste bergen van den Serra de Estrella.

De hoogten van Bussaco vormen een der eerste deelen van de bergachtige

streek van Beira. Zonder zoo belangwekkend te zijn als die van Doura,

verdient de spoorlijn van Pampilhosa naar Villar Formoso, die geheel

Beira doorsnijdt, dat men haar volgt tenminste tot Guarda. Nadat

men over de viaduct van Luso is gereden, loopt de trein over een

Cornicheweg door een bergstreek van Serra's, die deels kaal zijn,

deels met dennen begroeid. Ter halver hoogte liggen dorpjes boven

afgronden, dorpjes met donkere huizen, die sprekend aan de woningen in

sommige landschappen van Corsica doen denken. Daarna wordt de horizon

wijder en de spoorweg gaat over een vruchtbare vlakte, waar bosschen

zijn. Gedurende bijna twee uren volgen de dennebosschen elkaar op,

met ter afwisseling bebouwde gronden, en boven de groene naalden

verrijst rechts de nog besneeuwde kruin van het Estrellagebergte.

Tusschen Mangualde en Guarda is het land zeer schilderachtig, en

de weg, die langzaam is gestegen, biedt zeer schoone uitzichten

aan en mooie panorama's, vooral op het dal der Mondego en de

andere dwarsdalen. Te Gouvea is een verrukkelijk panorama te

genieten. Eindelijk ziet men Guarda verschijnen, trotsch op een hoogte

gelegen, den mantel der oude vesting werken, waar de kathedraal boven

uitsteekt, als een vooruitgeschoven schildwacht, wat het vroeger was,

op het eind der twaalfde eeuw, in den tijd, toen koning Sanchol oorlog

voerde tegen de Mooren en zijn koninkrijk versterkte en afrondde.

Als men verder dan Coïmbra en Bussaco naar het Noorden doordringt,

wordt het aanzien van het land niet veranderd, wat den algemeenen

indruk betreft; altijd dezelfde golvingen van het terrein, begroeid

met dennen, dezelfde rijke en vruchtbare dalen, dezelfde lachende

landschappen, dezelfde blauwe horizons.

Slechts nu en dan eenige variatie. De lijn van Oporto komt tot dicht

aan zee, maar bereikt toch de kust niet. Bij zeldzame oogenblikken

bespeurt men de wijde lagune, die wel wat aan de golf van Arcachon

doet denken. Ilhavo, Aveiro en Ovar, drie kleine visschershavens liggen

er aan, en daar wordt in massa de onvermijdelijke stokvisch gevangen,

waar het schiereiland veel voordeel van trekt.

Aan dezen kant is het land vlak, hier en daar ziet men duinen, en men

moet zich naar rechts keeren, om op een verren afstand de zaagtanden

te herkennen van den Serra do Caramullo of van Gralheira. Die worden al

hooger dan 1000 meter, zonder daarom de hoogste van Portugal te zijn.

De Serra de Estrella wordt tot meer dan 1400 meter hoog, en het is

niet zeldzaam of vreemd, in de lente op den weg van Pampilhosa naar

Spanje bij de toppen aardige, kleine, met sneeuw gevulde kommen te

zien, die u van verre tegenschitteren.

Men is dan in de provincie Beira, bestaande uit groote dalen en

zacht golvende ketenen, die de matelooze vlakten van Alemtejo gauw

doen vergeten. Toch behoeft het Noorden zich niet te verheffen;

de beschaving is dezelfde in Beira als in de omstreken van Beja,

en de steden zijn er niet vroolijker, noch somberder. Guarda bij

voorbeeld, dat voor hoofdstad doorgaat, is een rustig, middelmatig

stadje, op de manier van Rodez of Lons le Saulnier.

Na Guarda wordt het land weer vlak tot Villar Formosa, de laatste

portugeesche plaats, van waar men in Spanje komt, om het treurige

stadje te bereiken, Fuente San Esteban, te midden van een vlakte, die

volkomen effen is en die door haar spaanschen trots wel noodzakelijk

even verlaten als kaal moet wezen.

Bij Fuente San Esteban gaat de spoorlijn af naar Oporto en Salamanca,

waardoor men in Portugal terugkomt, door eenige minuten langs de

kust te rijden, halverwege de woeste kloof van de Agueda. Dan ziet

men slechts grijze rotsen, die opeengestapeld zijn tot een groote,

monsterachtige goot, in welker diepte de Agueda kookt. Er komen al

meer tunnels, viaducten, insnijdingen en bochten; de trein draait en

keert tusschen den wirwar, die alleen verlevendigd wordt door enkele

plekken groen, die, men begrijpt niet hoe, op de rotsen groeien.

Barca d'Alva! Men is in Portugal terug. Hier, brave reizigers, hebt

gij een goede dosis geduld noodig en bovendien een dito voorraad

levensmiddelen. Het geduld moet u helpen, om de anderhalf uur oponthoud

door te komen, die gij er moet doorstaan, en de eetwaren zullen u

doen vergeten, dat er geen buffet is op de geheele lijn, en zullen u

ook ontheffen van een verschrikkelijke verplichting. Onderweg zagen

wij namelijk een heer, medereiziger van een fatsoenlijk voorkomen

en uitstekend gekleed, een paar moten schelvisch uit zijn zak halen,

die hij in een doek had gewikkeld! Te gaan eten en de helft van zijn

maal aan te bieden aan een ander, is één voor een portugeeschen

cabalheiro; de aanbieding werd gedaan met den beminnelijksten

glimlach. Weigeren zou een beleediging zijn; aannemen was meer dan

penibel... Wat te doen? U zult zelf een besluit moeten nemen, als ge

er zult zijn.... maar neem in ieder geval zelf eetwaren mee.

Te Barca d'Alva begint weer de bekoring van Portugal. Over een lengte

van 150 kilometer volgt de weg de bochten van de Douro; nu eens ver

boven de rivier zich verheffend, dan weer geheel beneden rijdend,

raakt de trein de oevers. Het bergland, dat hier en daar steil is,

maakt het dal zoo eng, dat de wijngaarden boven elkaar op terrassen

zijn aangelegd, door muurtjes gesteund, en dat de witte dorpen aan

de hellingen schijnen geplakt.

Van Foz-Tua gaat een zijlijn naar Mirandella langs allerlei

kronkelpaden, die aan zwitsersche landschappen doen denken, door

het dal der Tua, en bereikt dan in een geheelen dag de oude stad

Braganza. Daar is men ver van alles en allen verwijderd; men is

er vergeten, verloren, dood. Te Braganza waait en sneeuwt het;

alles geeft er den indruk, dat men in een land op andere breedte is

beland, hoewel het hooge plateau den Serra da Nogueira laag doet

schijnen, ofschoon de berg 1318 meter hoog is. De stad is op een

heuvel gebouwd, die er geheel door bedekt wordt als door een muts,

waarboven de oude toren opsteekt van het fort met de door den tijd

verweerde muren. Overigens geen enkel belangrijk monument; niets,

dat de voorbijreizenden terughoudt, zoo niet het spoorwegboekje dat

doet, dat veel te weinig treinen opgeeft.

Als men Foz-Tua voorbij is, wordt het landschap meer open, levendiger

ook en bloemrijker, vooral van Regoa af. Dan ziet men niet anders

dan oranjebomen, druiven, citroen- en amandelboomen in massa over

de hoogten verspreid, als tapijten over de minder steile hellingen

van de Douro-oevers. De weg kronkelt steeds langs de rivier, die

glinstert in het licht, terwijl er langzaam de booten over glijden,

beladen met vaten. Want wij zijn het Paiz do Vinho, het land van den

wijn van het rijke Kanaän, waar men den beroemden portwijn oogst.

Tezelfdertijd dat de wijn een bron van rijkdom is, is hij ook een der

uitgezochtste van alle portugeesche wijnen, die portwijn, die alle

wijnen der wereld overtreft. In werkelijkheid is het ook maar gelukkig,

dat hij zoo lekker is, want Portugal, dat zooveel wijn voortbrengt,

is in zake verscheidenheid van wijnen wel zeer ver verwijderd van

den rijkdom van Frankrijk. De wijn van Algarvië, die van Collares bij

Cintra, die aan onzen Bordeaux doet denken, de "vinho verde" of groene

wijn van het Noorden, de portwijn, die alle verschillen in sterkte

en kunnen daardoor onderscheiden worden, maar de smaak en geur zijn

zoo wat gelijk; het bouquet van den een vindt men in den ander terug.

Bovendien is alleen de portwijn uitstekend, en de Portugeezen zijn

de eersten, om dat toe te geven, want van de Minho tot de Guadiana

blijft de flesch portwijn een tractatie overdag en bij avond, zonder

eenige mededinging te behoeven te vreezen. De echte portwijn is mooi

goudgeel, naar het bruine trekkend. Er wordt geen rooden portwijn

gemaakt, nog minder die soort, die zwart is als een drankje, en die

onder dien naam verkocht wordt aan gentlemen en cockneys in Londen.

Iedereen kent den smaak van port wijn, die veel heeft van dien

van madera. Maar men is in het buitenland nooit zeker, dat men den

echten drinkt, of men moet hem laten komen door bemiddeling van een

dier groote maatschappijen, die te Oporto zoo goed als een monopolie

hebben. De prijzen verschillen naar den leeftijd; men kan hebben van

jongen datum, die vierhonderd of vijfhonderd reis de flesch kost,

dus een gulden of een en een kwart gulden. De wijn van 1815 gaat voor

ouden portwijn door, die het edelst is en het fijnst van smaak en

hij is dientengevolge het duurst. Er is echte en valsche 1815-port,

ongelijk van prijs, als men de prijslijst op de wijnkaart van het

Grand Hotel de Porto mag gelooven. De beminnelijke oprechtheid van

de mededeeling zal den zwartgalligste ontwapenen, want er staat,

dat de Porto secco van 1815 vijf francs kost en de Porto legitimo

van 1815 vijftig francs. Er is dus geen bedrog in het spel.

Men presenteert u in Portugal portwijn als bij ons bier, limonade

of thee, bij iedereen, naar aanleiding van de meest verschillende

omstandigheden, meestal met kleine gebakjes, die bros en lekker zijn,

wat samen een allersmakelijkst proefje is. Maar wee hem, wien het is

beschoren, veel gasten te zien en veel menschen te ontmoeten; de glazen

port volgen de glazen port op, met ter afwisseling nog de portwijn

bij de maaltijden, zoodat op enkele avonden in het te zware hoofd

nachtmerries verschijnen, die een dans van glazen port brengen, zoodra

het dag is weer gevolgd door nieuwe glazen port uit de werkelijkheid.

Maar in ieder geval moet ik erkennen dat hij uitgezocht is, en dat

op een afstand gezien, als eenmaal de digestie is afgeloopen en het

brein weer opgefrischt is, de herinnering er aan een heerlijke blijft,

als aan een geurig misbruik, waaraan men ten slotte het grootste en

natuurlijkste genoegen heeft gehad.

Te Oporto beproeft men champagne te bereiden, of ten minste de

portwijnen te versnijden tot iets als champagne. De uitkomst is tot

hier toe niet zeer schitterend, omdat de verkregen wijnen niet licht

genoeg zijn, en een zware en sterke champagne is onzin.

Nadat men het Paiz do Vinho door is, verlaat de spoorlijn de Douro en

bereikt Oporto langs Renafiel, door een golvend landschap, dat goed

bebouwd is, maar er eentonig uitziet na het lange en bekoorlijke dal.

Porto of Oporto (o Porto, de haven) is met zijn bijna 200.000

inwoners de tweede stad van Portugal en de naijverige mededingster

van Lissabon. Daarvoor zijn redenen en voorwendselen genoeg te

vinden. Vooreerst is Oporto een stad, die werkt en voortbrengt, dat

is niet te ontkennen, en nu zegt men er, dat te Lissabon het geld

verkwist wordt, gewonnen in Oporto. Oporto is uit ieder oogpunt een

belangrijk middelpunt en het beklaagt zich, dat het niet een daaraan

evenredige plaats in de regeering des lands bekleedt. Lissabon

bezit een uitmuntende haven, terwijl Oporto er over ontevreden is,

dat het niet anders heeft dan zijn Douro, verbazend schilderachtig,

maar bochtig, ondiep en moeilijk toegankelijk. In het kort kan men

zeggen, dat terecht of ten onrechte Oporto de houding aanneemt van een

jongeren broeder, die zijn ouderen broer critiseert en maar kwalijk

zijn wensch kan verbergen, om des ouderen plaats in te nemen.

Ofschoon in het Noorden van Portugal gelegen, is Oporto als ons Zuiden,

warm van temperament en meer revolutionnair, en als ooit het oproer

uitbreekt, zal men eens kunnen zien, waartoe een noordelijk Zuiden in

staat is. In dien tusschentijd vreest Oporto het oproer niet, en de

republiek wordt er zoowat alle tien jaren uitgeroepen. Als de poging is

spaak geloopen, heeft men ten minste de gelegenheid behouden, om weer

opnieuw te beginnen. Als men denkt, dat het ooit gelukken zal, moeten

alle ministers, alle prefecten, alle gouverneurs uit Oporto zijn,

of Oporto zal weer tot opstanden besluiten ten gunste van de monarchie.

Met een enkel woord noemt men dat de oppositie voeren; welnu Porto

is in de oppositie. Tot hoever die oppositie gerechtvaardigd is,

daarover kan een vreemdeling moeilijk oordeelen. Het schijnt wel,

dat Oporto een weinig te ver is gegaan in de laatste manifestatie

tegen den President van den Raad, den heer Franco.

Ja, het parlementarisme werkt niet goed in Portugal; de dictatuur is

inderdaad de tegenwoordige regeeringsvorm; men kan daarover spreken

en betoogen en zich beklagen, maar de Portugeezen moesten op prijs

stellen, dat er een energiek man aan het hoofd der zaken staat,

die vast is van wil en wiens werk, evenals zijn minachting voor den

tegenstand, dien hij uitlokt, hun een opstand kan besparen. Eén goed

chirurg doet beter zijn werk dan driehonderd dokters, als hij met

vaste hand optreedt en eerlijk is. Het besluit omtrent de ophooping

van inkomens door onvervulde betrekkingen, is een eerste goede pil

voor de kwalen van den staat.

Maar wij moeten afwachten; aan de vruchten zal men den boom

herkennen. [2] En de vreemdeling, die een slecht rechter is, heeft

zich te bepalen tot toekijken en aanzien. Voor ons is het beter,

ons tot het landschap te beperken, dat rondom Oporto prachtig is.

Er is misschien nergens in Europa een schooner panorama dan van de

brug van Dom Luiz op den waterval van huizen en paleizen, die van den

top der bergen naar de Douro rolt. De bochten der rivier, die om de

vooruitspringende deelen der stad zich heen buigen en een natuurlijke

haven voor de stad vormen, bieden de grootste verscheidenheid aan;

ieder oogenblik heeft men weer een ander gezicht.

De uitzichttorens zijn overvloedig, om van al de schoone gezichten

op Oporto te genieten; vooreerst de brug, van waar men stroomop

en stroomaf ver kan zien en waar men zestig meter onder zich de

zeilschepen en de wijnbooten kan zien voorbijvaren; dan het Kristallen

Paleis, een soort van tentoonstellingsgebouw, waarbij een park met

beroemde uitzichten; de toren des Clerigos eindelijk, een slanke,

stoute klokketoren, waarvan men op het terras over alles heen kan

kijken en een feeëriek schouwspel heeft, waarbij ook de oceaan zijn

rol in het panorama op zich heeft genomen.

Natuurlijk is Oporto, dat op verscheiden heuvels is gebouwd, in het

bezit van juist zulke klimmende en dalende straten als Lissabon;

maar de oude wijken, die hier nooit door een aardbeving zijn

verwoest, hebben iets meer karakteristieks. Men heeft er smalle,

bochtige, hellende en donkere straatjes; winkels, zoo zwart, dat ze

op rooversholen lijken; antidiluviaansche plaveisels, geheimzinnige

doorgangen, lompen, die buiten hangen, en in het kort al, wat er bij

een volkrijke buurt in een oude, groote stad behoort.

De betere wijken, zooals het Dom Pedroplein, middelpunt voor het

verkeer, de San Antoniostraat, de Dos Clerigosstraat of de straat

Santa Catharina zijn even druk als te Lissabon, met een meer

eigen, plaatselijk karakter. De huizen, die bijna alle balkons en

erkers hebben, zijn van uiteenloopende typen en vertoonen niet dat

rechtlijnige in de plaatsing, dat de nieuwe wijken van de hoofdstad

iets eentonigs geeft. Ook de menigte menschen op straat is er

origineeler. Zoo loopen er alle vrouwen, en niet enkel de arme,

blootsvoets; enkele dragen kleine houten muiltjes, waar de voet even

uit te voorschijn komt en die aardig op het plaveisel klapperen. Op

de groote feestdagen, als de klokken luiden, worden de mooie spullen

omgehangen en den volke vertoond, en dan dragen de vrouwen op de borst,

die in zijde is gestoken, enorme harten en kruisen van filigraangoud,

waar de vrouwen van Minho en Douro dolveel van houden en die ze soms

in heele kluwens aan hebben. Er zijn er, die ter waarde van 200 000

reis, dat is voor vijfhonderd hollandsche guldens aan zich dragen.

Alle vervoer te Oporto heeft plaats met karren met houten

raderen, getrokken door ossen met reusachtige horens. Zulke

verdedigingswerktuigen steken sterk af bij de tengere gestalte en

de zachte oogen van de dieren die twee aan twee zijn verbonden door

een juk, dat soms fraai gebeeldhouwd is. Met uitzondering van enkele

fiacres en de trams ziet men in de straten van Oporto niet anders dan

zulke karren met bijna geheel dichte raderen, die den Bijbelschen

tijd of den tijd der Merovingers waard zouden zijn. Kolen, wijn,

groenten, bagage, alles wordt vervoerd met de ossenkar, en het is

alleraardigst, in de buurt der haven te gaan kijken naar de reeksen

van karren, die in lange rijen staan te wachten achter een verwarde

haag van reuzenhoorns, waarvan een enkele voldoende zou wezen, om

vier menschen aan te spietsen.

Evenals in vele oude en niet ruim gebouwde steden, zijn er weinig

groote tuinen in Oporto. Het Campo dos martyres da Patria en de

Quinta das virtudes zijn met het square Dom Henriquez de meest

geliefde wandelplaatsen.

Maar daarentegen biedt de stad een paar belangwekkende gebouwen. Dat,

hetwelk het meest in het oog valt, is het bisschoppelijk paleis,

dat aan de Douro staat en waarvan de groote trap monumentaal genoeg

is om de aandacht te trekken. De aangrenzende kathedraal is eerst

in romaanschen stijl opgetrokken, daarna is ze gothisch geworden,

dan rococo, en dan van de eene restauratie in de andere vallend,

is het de goedige, groote kerk geworden, met twee ver uiteenstaande

torens, die men thans vóór zich ziet. Gelukkig is er nog het klooster

met zijn bogen, die met kleurige azulejo's zijn bezet.

Het is een echt portugeesche uitvinding, die bekleeding met vierkantjes

van geëmailleerde steen (aan hollandsche tegels gelijk), waarbij

voor de kleuren alleen wit en blauw worden gebruikt. Zonder twijfel

hebben de Arabieren die soort van aardewerkfabricage ingevoerd, en de

Spanjaarden brengen die nog in praktijk; maar de vondst was, dat er

alleen van die twee meest frissche en nog wel hemelsche kleuren van het

palet werd geprofiteerd, in plaats van alle tinten van den regenboog

te gebruiken. En men moet aan de Portugeezen die eer toekennen. Zij

hebben er buitendien in uitgemunt door de oneindige verscheidenheid

der teekeningen, door de fraaie omlijsting en de edele compositie,

zoodat sommige serieën van azulejo's de belangwekkendheid en de

schoonheid hebben van tapisseriewerk, dat tegelijk onverslijtbaar en

onverkleurbaar is.

Van de moorsche bloemversiering en de arabeske is men tot geheele

schilderijen overgegaan. Tooneelen uit bekende verhalen, met personen

ter halve natuurlijke grootte, zijn erop te zien, tusschen smaakvolle

guirlanden, die tot omlijsting dienen. Zoo voeren in het klooster

van den H. Vincentius en in dat van Sé de Porto azuren ruiters in

lapislandschappen hun toeren te paard uit, en brengen in de atmosfeer

der witte gewelven iets zachts en liefkoozends, dat de dorre leegheid

vult, zonder aan de verhoudingen te schaden.

De volmaaktste azulejo's dateeren uit de 17e en 18e eeuw. Er worden

tegenwoordig nog gemaakt, maar zoowel de samenstelling als de te

donkere tinten van het blauw en de rechtlijnigheid der omtrekken

doen die nieuwere tegels ver afstaan van de fantazie en den smaak

der oude. Die van het hotel van Bussaco, die te nieuw zijn, wekken

eerder de herinnering aan een badkamer, omdat ze niet ver genoeg

zijn voortgezet en teveel het moderne realisme huldigen. Te Evora

is er een kerk, die tot aan het gewelf met azulejo's is versierd,

waarvan wij reeds de bekoorlijkheid en de groote decoratieve waarde

hebben geprezen.

In de straten zijn sommige gevels geheel bekleed met kleurig aardewerk,

maar dat zijn dan geen azulejo's; eerder een spiegelende versiering,

die zeer zindelijk is en gemakkelijk rein te houden, maar zonder

schoonheidspretentie.

Van de Sé-kathedraal gaan donkere straatjes, kronkelend als holle

wegen, maar zonder geuren van buitenlucht, naar de Douro, of wel naar

de haven. Men ziet dan van beneden de Dom Luizbrug en haar reuzenboog

verloren in een netwerk van ijzer, zoo licht en los als kantwerk,

waarop nog geborduurd moet worden.

In Portugal De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 8 / 10 段