Alphonsus IV, bracht den zetel der universiteit naar Lissabon over in
1338, maar in 1354 werd hij weer naar Coïmbra overgebracht. Dom Johan
I, grootmeester van de Avizorde, door de staten tot koning gekozen, die
zijn gunst aan de instelling wilde betoonen, deed de universiteit weer
naar Lissabon terugkeeren en bevestigde haar in al haar privileges,
terwijl hij haar voor vast in zijn hoofdstad vestigde, waar ze bleef
gedurende een tijdsverloop van 160 jaren, namelijk tot 1537. Onder zijn
regeering werden de godgeleerde en wiskundige studievakken ingevoerd
aan de universiteit, aan welker hoofd werd geplaatst een directeur
van de studie, door den koning benoemd.
De latere statuten van de universiteit zijn gedagteekend van den
16den Juli 1431; ze bevatten een menigte belangwekkende bepalingen
over de organisatie der studievakken en het verleenen der graden,
bijzonderheden, waarin wij hier niet kunnen treden. Laat ons
echter toch deze bijzonderheid doen uitkomen, dat het bestuur der
universiteit een volkomen autonomie bezat; het inwendig bestuur, de
administratieve organisatie, de financiëele leiding, de verkiezing
der rectoren en andere ambtenaren was alleen afhankelijk van het corps
der leerlingen. In dien tijd werd opgericht een college voor de arme
studenten, om hun op die wijze het studeeren gemakkelijker te maken;
dat was de oorsprong van de colleges van dien aard, later te Coïmbra
met hetzelfde doel gesticht.
Sinds den dood van den infant Dom Henrique in 1460, die de groote
beschermer der universiteit was, tot de troonsbestijging van Dom
Manuel, was er een openlijke strijd met de kroon, die geleidelijk aan
de studenten hun voorrechten ontnam en voor hen in de plaats wilde
treden in het bestuur der universiteit. Maar Dom Henrique keerde tot
de oude gebruiken terug. De studenten verkozen hem uit dankbaarheid
tot beschermheer der universiteit, en van dien tijd af bleef dat
protectoraat als een apanage van de kroon bestaan.
Nog later werden voor de derde maal statuten opgemaakt in het begin der
16de eeuw. Ze regelden tot in de kleinste bijzonderheden de studiën en
de uitreiking der graden, bepaalden het ceremonieel bij de stellingen
of besluiten, die in de kathedraal werden verdedigd, een ceremonieel,
dat de eeuwen bij na onveranderd heeft getrotseerd; ze noemden de
onderscheidingskleuren voor iedere faculteit, wit voor de theologie,
groen voor het kanonnieke recht, rood voor het burgerlijke recht,
geel voor de medicijnen, blauw voor de kunsten. Wat de professoren
aangaat, zij werden na een examen of concours, dat twintig dagen
duurde, en waarin allerlei bewijzen van bekwaamheid moesten worden
gegeven en steekspelen met woorden werden gevoerd, gekozen niet alleen
door de rectoren en de in functie zijnde professoren, maar ook door
de candidaten en studenten van de faculteit, die twee jaar studie
achter den rug hadden.
In 1537 werd de universiteit weer naar Coïmbra overgebracht en verliet
Lissabon, om er niet terug te keeren. Daar de instelling zich zeer had
ontwikkeld, was het moeilijk een huis te vinden, om alle studievakken
in onder te brengen. Dus werden voorloopig de faculteiten gescheiden,
de faculteiten van het recht, van wiskunde, rhetorica en muziek werden
geïnstalleerd in de koninklijke paleizen; de Colleges van Sainte-Croix
namen de theologische faculteit op en de lessen in Latijn en Grieksch,
geneeskunde en kunst. Maar die indeeling was niet van langen duur,
omdat ze nadeel deed aan de goede administratie en de tucht, en vanaf
1544 werden alle faculteiten vereenigd in de koninklijke paleizen. Tot
dankbaarheid voor zijn gastvrijheid ontving de prior van Sainte-Croix
het voorrecht, de graden van doctor te mogen uitreiken, een privilege,
dat eertijds aan den bisschop toekwam. De priors van Sainte-Croix
hebben dit prerogatief behouden, evenals den titel van kanselier,
tot in 1834.
Ter herinnering aan het verblijf te Sainte-Croix van de theologische
faculteit, hield lang een gewoonte stand, die in Coïmbra allerlei
schilderachtige vertooningen meebracht. De uitreiking der
doctorsgraden in de theologie bleef plaats hebben in de kerk van
het Heilige Kruis; voor de andere faculteiten werd de plechtigheid
gehouden in de koninklijke paleizen. Maar in beide gevallen was het
de prior-kanselier, die de graden schonk in tegenwoordigheid van
den rector, de professoren e. a. en dus was er altijd een stoet,
die zich naar het eene of het andere punt moest begeven. In het
eerste geval ging de stoet van den rector van de paleizen naar de
kerk; in het tweede begaf zich de optocht van den prior-kanselier
naar de hoogten van de stad, waar de koninklijke paleizen waren. In
beide gevallen woonde de oude stad een eigenaardigen optocht te paard
bij, vol karakter en schilderachtigheid en ook wel met begeleiding
van komische effecten. De doctoren en kanunniken, de dienstdoende
geestelijken, kerkeknechten, koorknapen, edelen en anderen, gezeten
op fraai opgetuigde muilezels of op paradepaarden, vergezeld door
schildknapen en voorafgegaan door trompetters en bekkenslagers,
wandelden zoo naar de plechtigheid der viering van een volkomen
vreedzame gebeurtenis met een ridderlijke omslachtigheid, die alleen
door de traditioneele wijze van ontstaan geheiligd werd.
In dien tijd, ongeveer 1548, werd het College voor de Kunst gesticht,
dat zoo beroemd zou worden en eenige jaren later onder de leiding zou
komen van de paters Jezuïeten. Dat College, dat in de eerste maanden
dichtbij het Heilige Kruis lag, werd eenige jaren later overgebracht
naar een lokaal, gelegen op de plek, waar thans het hospitaal der
universiteit is.
De universiteit bereikte toen het toppunt van haar glorie, en de
geleerden en professoren, die er werden gevormd, waren zoo talrijk,
dat ze overal naar andere universiteiten werden beroepen, om er
het licht hunner wetenschap te laten schijnen. Zoo straalde in de
zestiende eeuw de roem van Coïmbra in Parijs, in Leuven, in Rome,
in Pisa, in Bologne, in Montpellier en in Salamanca. Maar kort daarna
begon de achteruitgang met de vestiging in Portugal van het Hof van
Inquisitie, bij pauselijke bul van Paulus III van 23 Mei 1536, en den
toenemenden invloed van het Genootschap van Jezus. Pas in Portugal
gevestigd, begonnen de Jezuïeten dadelijk zich meester te maken van
alle onderwijsinrichtingen in het land. Het College van de Kunst was
het eerste, dat in hun handen kwam in 1555; ze kregen terzelfdertijd
gedaan, dat het onderhoud van dat College werd opgedragen aan de
universiteit, waar men op deze wijze een zware zorg aan opdroeg. En
toen riepen zij ook nog door de stichting van de universiteit van
Evora een lastige concurrentie in het leven. Maar laten wij niet
te lang stilstaan bij die periode, die meer dan 200 jaren duurde,
toen het College van de Kunsten als een strijdmiddel was tegen de
oude universiteit. Om op rechtvaardige wijze lof en blaam te verdeden
in dien kamp, waaraan de herinnering nu nog het bloed doet koken van
de oude kampioenen voor Coïmbra, zou men een grondige kennis moeten
hebben van de feiten, die wij niet bezitten. En zoo komen we eindelijk
bij de hervorming van markies Pombal.
Door een besluit van 23 December 1770 was er in het leven geroepen
een vereeniging, genoemd de "Junta da Providencia litteraria" met het
doel, een rapport op te maken over den toestand der Universiteit. Haar
streven moest verder zijn de oorzaken op te sporen van het verval der
instelling en middelen aan te geven voor de opheffing en den bloei van
het oude instituut. Die commissie, onder het bestuur van kardinaal
da Cunha en markies Pombal als raadgevers van den koning Jozef I,
zette zich aan het werk en zes maanden later gaf ze een Verkorte
Geschiedenis uit, waarin ze haar meening gaf. Die uitgaaf werd gevolgd
door talrijke vergaderingen, waarin de verschillende artikelen werden
besproken van een plan tot reorganisatie. Dat ontwerp werd door het
koninklijk charter van 28 Augustus 1772 goedgekeurd en het is bekend
als de "Statuten van Pombal."
Volgens dat document wordt de universiteit verdeeld in drieën,
namelijk de faculteit der geneeskunde, die der rechtsgeleerdheid
met twee onderdeden, en die van wiskunde en wijsbegeerte. Zonder de
vorige bepalingen en wetten totaal op zijde te zetten, stellen deze
statuten uitvoerige regels vast voor het onderwijs, het professoraat,
de graden en de uitreiking van de diploma's. Het voorlezen dezer
statuten was een schitterende plechtigheid, waarbij markies Pombal
op het eind van September het voorzitterschap bekleedde.
Sedert de hervorming van Pombal tot die van 24 December 1901, die
de laatste groep wettelijke bepalingen gaf, hebben de verschillende
faculteiten eenige wijzigingen ondergaan, waaronder de belangrijkste
zijn die van 1836 en 1844, die tot resultaat hebben gehad, de
faculteiten van het kanonnieke en het burgerlijke recht te doen
samensmelten, het stelsel der cursussen te veranderen, het aantal
leerstoelen te vermeerderen, de inwendige politie, de promoties der
studenten en de examens te regelen.
Het decreet van 24 December 1901 over de hervormingen in de
studie der universiteit van Coïmbra, verdeelt het onderwijs in vijf
faculteiten, de theologie, die 21 leerstoelen omvat en twee annexen,
waarin algemeene cursussen worden gegeven en speciale cursussen
voor opleiding tot den geestelijken stand; het recht, met 54
leerstoelen met algemeene cursussen en speciale ter voorbereiding
voor de administratieve, diplomatieke en koloniale loopbaan; de
geneeskunde, met 15 leerstoelen; de wiskunde met 11 en 3 annexen;
en eindelijk de wijsbegeerte. Die laatste faculteit omvat, buiten een
algemeenen cursus, verdeeld in de twee secties der physisch-chemische
wetenschappen, een der natuur-historische, een voorbereidenden cursus
voor genie en artillerie, een voor zeeofficieren en twee voorbereidende
cursussen voor geneeskunde en pharmacie.
Op den tijd, toen wij Coïmbra bezochten, bestond het personeel
der universiteit uit een onderwijzende groep van 76 personen en het
universitaire personeel van 151 personen; er waren 1050 studenten. Maar
de gebouwen en pleinen waren bijna geheel verlaten, want men was
in een periode van crisis, die toen juist ten einde liep en die
verscheiden weken de universiteit in spanning had gehouden. Een
rechtsgeleerde had bij zijn promotie, toen hij de stellingen moest
verdedigen, die hem het doctoraat zouden verschaffen, zich den toegang
geweigerd gezien. Daar de stellingen een sterk socialistisch tintje
hadden, werd door een aantal studenten heftig geprotesteerd en ze
beweerden, dat de beslissing, hoewel met algemeene stemmen genomen,
door politieken hartstocht was ingegeven. De candidaat was kundig,
de stellingen waren Schitterend, de verdediging onberispelijk en
dus de weigering ongerechtvaardigd. Er schijnt in den grond wel een
politieke quaestie aan ten grondslag te hebben gelegen, maar als onze
inlichtingen juist zijn, was de universitaire beslissing zeker aan
den kant van het recht, en de studenten zouden voor hun verzet een
verkeerd voorwendsel hebben uitgekozen.
De beweging nam weldra toe in omvang. Van de groep der ontevredenen
ging ze over naar de rechtsgeleerde faculteit, van die naar andere
faculteiten; van de universiteit bereikte ze andere steden en ging van
het hooger onderwijs tot het middelbaar over, en daarna zelfs naar het
lager onderwijs. De werkstaking werd algemeen, de studie werd stilgezet
in het geheele land, en Portugal zag met schrik dat schouwspel van
solidariteit, dat al heel ongewoon was, wanneer men jongens van acht
jaar hoorde weigeren naar school te gaan uit overtuiging en esprit de
corps en om de eischen der ouderen ingewilligd te krijgen. Ik denk,
dat die lieve kleinen er niet rouwig om waren, eenige vacantiedagen
te veroveren door het avontuur; enkele strenge kastijdingen, door
vaderlijke handen toegebracht, zullen wel spoedig den weerstand hebben
gebroken, want de werkstaking der kleinen duurde maar kort. Maar
met het hooger onderwijs was het anders; bij ons vertrek duurde de
werkstaking nog voort, ofschoon ze op haar eind liep, en de resultaten
van het academisch jaar waren voor goed bedorven.
Men zou echter ongelijk hebben, als men om deze kleine revolutie,
die aan enkele redenen tot ontevredenheid een einde heeft gemaakt,
zich ging voorstellen, dat de studenten van Coïmbra frondeurs en
opstandelingen zijn. De geest, die onder de leerlingen heerscht,
is integendeel uitstekend, de jongelingschap is vlijtig en heeft de
bewustheid, dat in Portugal, nog meer dan elders, het goed onderwezen
zijn een verzekerde toekomst waarborgt. En als ze daarenboven jong
en wat onstuimig is, als ze er van houdt, zich te ontspannen van de
ernstige studie door luidruchtige feesten, waar de vroolijkheid harer
twintig jaren uitraast, des te beter.
Het schijnt ook niet, dat de jaren, gesleten in de
schilderachtige oude stad, bij de ouderen nare herinneringen
hebben achtergelaten. Staatslieden op gewichtige posten, ernstige
magistraten, officieren, ingenieurs, advocaten, allen, die wij hebben
ontmoet, vatten hun herinneringen samen in het uitdrukkingsvolle woord
"saudade", dat wil zeggen "heerlijk", met den melancholieken bij smaak
van schoone dingen, die voorbij zijn. Een van hen heeft eenige jaren
geleden de ervaringen van zijn jaren aan de academie geboekt in een
werkje, waarin het academische leven aan de universiteit van Coïmbra
de onderwerpen levert voor bekoorlijke schetsjes, verteld met veel
humor en geest.
Hoe vluchtig ook de behandeling is van de geschiedenis, de
organisatie, de zeden en gewoonten van de universiteit van Coïmbra,
zooals wij die in het voorgaande gaven, onze lezers kunnen er toch
een juister denkbeeld door krijgen van de stad, en zij zullen met
meer belangstelling de verschillende gebouwen bezichtigen, waardoor
ze worden rondgeleid, zoo ooit een gunstige wind hun verzeild doet
raken in die bekoorlijke stad.
Als men het station van Coïmbra verlaat of de hotels, die er
onmiddellijk bij zijn gelegen, is het eerste, dat de aandacht trekt,
de Mondego, die geheel portugeesche rivier, portugeesch van haar
bronnen tot haren mond, een onstuimig stroompje in den winter, een
kabbelend water in de warme zomerdagen, onder wilgen door stroomend
tusschen weelderig begroeide heuvels.
Rechts laat het groote klooster van Santa Clara de eindelooze
rijen van zijn vensters zien tegen den achtergrond van den
Monte da Esperanza. Daar rust in een zilveren reliquieënkast de
Heilige Koningin, een voorwerp van openbare vereering. De stad ligt
amphitheatersgewijs aan de linkerhand in een schilderachtige warreling
van klimmende straatjes, beheerscht door den toren der universiteit,
die meer dan vierhonderd jaar oud is. In de morgenuren is het in
de steile straten zeer druk; men ziet oude wagens en karren met
zware, knarsende wielen, langzaam door aangespannen ossen getrokken,
melkvrouwen, die op het hoofd de metalen waterkannen dragen, boeren
met zwarte mutsen, op kleine rosse ezeltjes gezeten, en nu en dan
een student, gewikkeld in zijn langen mantel van donkere kleur.
Men stijgt en stijgt maar steeds en gaat voorbij huizen, die
eens paleizen waren, tot men komt op het plaveisel vóór een zeer
schoon gebouw, de oude kathedraal Se Velha. De gekanteelde muren, de
contreforten, de romaansche toren geven er een indrukwekkend en streng
voorkomen aan; maar het inwendige is zoo vaak onder handen genomen en
hersteld en weer hersteld, dat er van de primitieve constructie van de
12de eeuw niets dan iets zeer ongelijksoortigs is overgebleven. Men
doet tegenwoordig pogingen, de bedroevende veranderingen, die er in
het gebouw zijn aangebracht, te niet te doen door een restauratie,
die met zorg wordt geleid en uitgaat van het verstandige initiatief van
den bisschop van Coïmbra. Maar hoe dan ook, de oude kathedraal is nog
het indrukwekkendst type van romaansche bouwkunst, dat Portugal bezit.
De nieuwe kathedraal, waar een smalle en donkere straat heen leidt,
overwelfd door een boog uit het bisschoppelijk paleis, is vooral
belangwekkend door de schoone verzameling gewijde voorwerpen, die
haar schatkameren vult. Het gebouw, dat gebouwd werd op het eind der
16de eeuw, om te dienen tot kapel voor het Jezuïetencollege, is tot
kathedraal geworden in 1772. De gevel is niet onschoon; wat de altaren
betreft, die van goud schitteren, ze zijn interessant, omdat men er de
architectuur uit den tijd der Renaissance uit kan leeren kennen, vanaf
het zuivere en rustige begin, tot de buitensporigheden van versiering,
die van slechten smaak getuigen en de periode van verval getuigen,
waarvan ook de voorste kapellen der kerk blijk geven.
De schatkamer is een zaal, waarvan men ons met zware en vele sleutels
de deur opent, die met ijzer is beslagen en door drie sloten wordt
afgesloten; er is daar een bewonderenswaardige collectie van vazen
en gewijde voorwerpen uit de 12de eeuw en ook uit volgende eeuwen,
alsook een reeks kazuifels, welker met goud omboorde zijden stoffen
aan het oog de harmonische tinten vertoonen van hun onvergelijkelijke
borduurwerken. Deze verzameling, bestaande uit voorwerpen, die aan
het kapittel hebben behoord, aan het bisdom en aan een groot aantal
kloosters, is in het bezit van enkele kostbaarheden, die in de eerste
musea der wereld zouden worden beschouwd als dingen van de hoogste
waarde om hun zeldzaamheid of om de fijnheid der bewerking. Men kan
er de zoo goed als volledige geschiedenis nagaan van de portugeesche
zilverkunst vanaf de 12de eeuw.
Van de Sé Nova komt men op het Pombalplein, waarvan het noordelijke
eind uitloopt op een terras, dat op het landschap een mooi uitzicht
biedt; hier zijn we op universitair terrein. Het gebouw, dat men aan
zijn linkerhand heeft, en waarvan de voorgevel, de dorische vestibule,
de breede, vorstelijke trap inderdaad iets grootsch zijn, is opgericht
door markies Pombal op de plaats van het Jezuïetencollege of dat der
Elf duizend Maagden; het herbergt de faculteit der geneeskunde en
die der philosophie. Het Museum voor natuurlijke historie bezit een
volledige verzameling van de fauna van Portugal, mooi tentoongesteld,
en ook van de koloniën; alles wordt geprepareerd in de aangrenzende
zalen. Na een blik op het laboratorium voor scheikunde en het hospitaal
der universiteit, dat sinds 1754 gevestigd is in de gebouwen van het
College der Kunsten en van den H. Jeronimus, na een bezoek aan het
bisschoppelijk paleis, een der zeldzame typen van een vorstelijke
woning uit de 16de eeuw, die Portugal bezit, wenden we ons naar de
universiteit. Haar gebouwen beslaan den geheelen top van den heuvel,
en zijn gebouwd rondom een aardige begroeide binnenplaats.
Daar is de ijzeren deur, die zooveel malen door de studenten is
gepasseerd, de prachtige bibliotheek met de luisterrijk versierde
zalen, waar meer dan 150 000 boekdeelen zijn bijeengebracht; daar
heeft men de zalen voor de verschillende cursussen van de faculteiten,
de zaal der plechtige samenkomsten, de kapel, waar de professoren den
eed afleggen en hun belijdenis doen van het katholieke geloof, naar de
formule, voorgeschreven door paus Pius IV in 1564, de karakteristieke
toren, die de stad beheerscht, en die onder zijn klokken ook de
beroemde klok heeft, die de Cabra of Geit wordt genoemd; daar is
eindelijk het observatorium voor sterrenkunde met de mysterieuse
instrumenten, die zoo ingewikkeld en samengesteld zijn. Daar moet
men komen, om zich van de ligging van Coïmbra rekenschap te geven,
daar moet men zijn oogen te gast laten gaan aan het droomschoone
tooneel. Rechts stijgen de kronkelende straten der stad tegen den
heuvel op; weelderige tuinen loopen naar beneden naar de Mondego
met haar heerlijke oevers, aan den horizon bieden de hoogten van den
Serra de Lavrao, wiens sierlijke golvingen in de verte verdwijnen,
aan het verrukte oog hun met lenteweelde bedekte hellingen aan.
Als men naar beneden afdaalt, heeft de Botanische Tuin in de schaduw
van zijn planten een uurtje van aangename ontspanning te bieden. Men
kan dan, de stad rondgaand door de nieuwe wijken, zich naar de
kerk van het Heilige Kruis begeven; de merkwaardige preekstoel, de
monumentale graven, de sacristie en het dichterlijke klooster van het
Zwijgen zijn belangwekkende specimina van den gothischen stijl en van
dien der Renaissance. Deze kerk behoorde bij het oude klooster van het
Sainte-Croix, waarvan de priors, zooals we reeds zeiden, gedurende drie
eeuwen kanseliers der universiteit waren. De gebouwen van het klooster
worden niet meer gebruikt en zijn ten deele in beslag genomen door
het Raadhuis; een bezoek eraan geeft niet veel belangrijks te zien.
Wat de Liefdebron aangaat, die bekleed werd door de verbeelding en door
de volkspoëzie met de droefgeestige herinnering aan Ines de Castro,
dat is een bekoorlijk doel voor een wandeling. Men gaat de Mondego
over langs een brug, van waar het gezicht op Coïmbra prachtig is,
dan voorbij de ruïnen van het oude klooster van Santa Clara, waarboven
gedurende drie eeuwen de herinnering zweefde aan Elisabeth de heilige,
en vervolgens bereikt men langs een schaduwrijken weg de Quinta das
Lagrimas, een tuin, waar de geurige oranjeboomen, met gouden appelen
beladen, bloeien en waar de beroemde fontein springt met het lustig
klaterende en heldere water. Op een gedenksteen gegrift, vertellen de
verzen van Camoëns de tragische gebeurtenis van de liefde der schoone
Ines en den trouwen Dom Pedro.
Zoo is die stad Coïmbra nog altijd het middelpunt voor letteren,
wetenschap en kunst voor geheel Portugal; de intellectueele beschaving
wordt er gekoesterd met jaloersche zorg door een keurbende van
professoren, die het onderwijs als een heilige zaak beschouwen;
de artistieke cultuur bloeit er, dank zij een school, waar al
sinds veertig jaren het onderwijs gratis wordt gegeven door den
beroemden professor Gonsalver, wiens leerlingen merkwaardig werk
voortbrengen. Terwijl de trein ons door een lachende landstreek naar
den voet der hoogte van Bussaco voert, groeten wij Coïmbra, dat een
aangename herinnering bij ons zal laten; en nu de afstand toeneemt,
voelen wij, hoeveel sympathie en belangstelling deze curieuse oude
stad bij ons heeft gewekt.
Bussaco heeft de bekoring van de schaduwrijke dreven, de groote
bosschen, de rijke verscheidenheid van tinten, de eenzame bosschages,
alles, wat tot de poëzie van een woudrijke streek behoort. Van Coïmbra
bereikt men de plaats over Pampilhosa en Luso, als men per spoor gaat,
maar het is verkieselijk, er in een rijtuig zich heen te begeven,
want het ritje is heerlijk. Van het station naar het dorp Luso,
dat in de buurt ligt, stijgt de schaduwrijke weg, die de viaduct
van den spoorweg links laat liggen, in het dal omhoog, en op dezen
schoonen dag is de koelte van het gebladerte des te begeerlijker,
omdat de zon met kracht en felheid brandt. Het dennenbosch, dat men
niet verlaat vanaf Pampilhosa heeft nu plaats gemaakt voor platanen,
en te midden van rhododendrons en rozen komt te Luso het rijtuig
aan. Sierlijke villa's liggen aan den weg, met mooie bloemperken
ervoor, en dan splitst zich de weg in tweeën.