De koning Dom Denys stierf den 13den Januari 1325. Zijn opvolger,

Alphonsus IV, bracht den zetel der universiteit naar Lissabon over in

1338, maar in 1354 werd hij weer naar Coïmbra overgebracht. Dom Johan

I, grootmeester van de Avizorde, door de staten tot koning gekozen, die

zijn gunst aan de instelling wilde betoonen, deed de universiteit weer

naar Lissabon terugkeeren en bevestigde haar in al haar privileges,

terwijl hij haar voor vast in zijn hoofdstad vestigde, waar ze bleef

gedurende een tijdsverloop van 160 jaren, namelijk tot 1537. Onder zijn

regeering werden de godgeleerde en wiskundige studievakken ingevoerd

aan de universiteit, aan welker hoofd werd geplaatst een directeur

van de studie, door den koning benoemd.

De latere statuten van de universiteit zijn gedagteekend van den

16den Juli 1431; ze bevatten een menigte belangwekkende bepalingen

over de organisatie der studievakken en het verleenen der graden,

bijzonderheden, waarin wij hier niet kunnen treden. Laat ons

echter toch deze bijzonderheid doen uitkomen, dat het bestuur der

universiteit een volkomen autonomie bezat; het inwendig bestuur, de

administratieve organisatie, de financiëele leiding, de verkiezing

der rectoren en andere ambtenaren was alleen afhankelijk van het corps

der leerlingen. In dien tijd werd opgericht een college voor de arme

studenten, om hun op die wijze het studeeren gemakkelijker te maken;

dat was de oorsprong van de colleges van dien aard, later te Coïmbra

met hetzelfde doel gesticht.

Sinds den dood van den infant Dom Henrique in 1460, die de groote

beschermer der universiteit was, tot de troonsbestijging van Dom

Manuel, was er een openlijke strijd met de kroon, die geleidelijk aan

de studenten hun voorrechten ontnam en voor hen in de plaats wilde

treden in het bestuur der universiteit. Maar Dom Henrique keerde tot

de oude gebruiken terug. De studenten verkozen hem uit dankbaarheid

tot beschermheer der universiteit, en van dien tijd af bleef dat

protectoraat als een apanage van de kroon bestaan.

Nog later werden voor de derde maal statuten opgemaakt in het begin der

16de eeuw. Ze regelden tot in de kleinste bijzonderheden de studiën en

de uitreiking der graden, bepaalden het ceremonieel bij de stellingen

of besluiten, die in de kathedraal werden verdedigd, een ceremonieel,

dat de eeuwen bij na onveranderd heeft getrotseerd; ze noemden de

onderscheidingskleuren voor iedere faculteit, wit voor de theologie,

groen voor het kanonnieke recht, rood voor het burgerlijke recht,

geel voor de medicijnen, blauw voor de kunsten. Wat de professoren

aangaat, zij werden na een examen of concours, dat twintig dagen

duurde, en waarin allerlei bewijzen van bekwaamheid moesten worden

gegeven en steekspelen met woorden werden gevoerd, gekozen niet alleen

door de rectoren en de in functie zijnde professoren, maar ook door

de candidaten en studenten van de faculteit, die twee jaar studie

achter den rug hadden.

In 1537 werd de universiteit weer naar Coïmbra overgebracht en verliet

Lissabon, om er niet terug te keeren. Daar de instelling zich zeer had

ontwikkeld, was het moeilijk een huis te vinden, om alle studievakken

in onder te brengen. Dus werden voorloopig de faculteiten gescheiden,

de faculteiten van het recht, van wiskunde, rhetorica en muziek werden

geïnstalleerd in de koninklijke paleizen; de Colleges van Sainte-Croix

namen de theologische faculteit op en de lessen in Latijn en Grieksch,

geneeskunde en kunst. Maar die indeeling was niet van langen duur,

omdat ze nadeel deed aan de goede administratie en de tucht, en vanaf

1544 werden alle faculteiten vereenigd in de koninklijke paleizen. Tot

dankbaarheid voor zijn gastvrijheid ontving de prior van Sainte-Croix

het voorrecht, de graden van doctor te mogen uitreiken, een privilege,

dat eertijds aan den bisschop toekwam. De priors van Sainte-Croix

hebben dit prerogatief behouden, evenals den titel van kanselier,

tot in 1834.

Ter herinnering aan het verblijf te Sainte-Croix van de theologische

faculteit, hield lang een gewoonte stand, die in Coïmbra allerlei

schilderachtige vertooningen meebracht. De uitreiking der

doctorsgraden in de theologie bleef plaats hebben in de kerk van

het Heilige Kruis; voor de andere faculteiten werd de plechtigheid

gehouden in de koninklijke paleizen. Maar in beide gevallen was het

de prior-kanselier, die de graden schonk in tegenwoordigheid van

den rector, de professoren e. a. en dus was er altijd een stoet,

die zich naar het eene of het andere punt moest begeven. In het

eerste geval ging de stoet van den rector van de paleizen naar de

kerk; in het tweede begaf zich de optocht van den prior-kanselier

naar de hoogten van de stad, waar de koninklijke paleizen waren. In

beide gevallen woonde de oude stad een eigenaardigen optocht te paard

bij, vol karakter en schilderachtigheid en ook wel met begeleiding

van komische effecten. De doctoren en kanunniken, de dienstdoende

geestelijken, kerkeknechten, koorknapen, edelen en anderen, gezeten

op fraai opgetuigde muilezels of op paradepaarden, vergezeld door

schildknapen en voorafgegaan door trompetters en bekkenslagers,

wandelden zoo naar de plechtigheid der viering van een volkomen

vreedzame gebeurtenis met een ridderlijke omslachtigheid, die alleen

door de traditioneele wijze van ontstaan geheiligd werd.

In dien tijd, ongeveer 1548, werd het College voor de Kunst gesticht,

dat zoo beroemd zou worden en eenige jaren later onder de leiding zou

komen van de paters Jezuïeten. Dat College, dat in de eerste maanden

dichtbij het Heilige Kruis lag, werd eenige jaren later overgebracht

naar een lokaal, gelegen op de plek, waar thans het hospitaal der

universiteit is.

De universiteit bereikte toen het toppunt van haar glorie, en de

geleerden en professoren, die er werden gevormd, waren zoo talrijk,

dat ze overal naar andere universiteiten werden beroepen, om er

het licht hunner wetenschap te laten schijnen. Zoo straalde in de

zestiende eeuw de roem van Coïmbra in Parijs, in Leuven, in Rome,

in Pisa, in Bologne, in Montpellier en in Salamanca. Maar kort daarna

begon de achteruitgang met de vestiging in Portugal van het Hof van

Inquisitie, bij pauselijke bul van Paulus III van 23 Mei 1536, en den

toenemenden invloed van het Genootschap van Jezus. Pas in Portugal

gevestigd, begonnen de Jezuïeten dadelijk zich meester te maken van

alle onderwijsinrichtingen in het land. Het College van de Kunst was

het eerste, dat in hun handen kwam in 1555; ze kregen terzelfdertijd

gedaan, dat het onderhoud van dat College werd opgedragen aan de

universiteit, waar men op deze wijze een zware zorg aan opdroeg. En

toen riepen zij ook nog door de stichting van de universiteit van

Evora een lastige concurrentie in het leven. Maar laten wij niet

te lang stilstaan bij die periode, die meer dan 200 jaren duurde,

toen het College van de Kunsten als een strijdmiddel was tegen de

oude universiteit. Om op rechtvaardige wijze lof en blaam te verdeden

in dien kamp, waaraan de herinnering nu nog het bloed doet koken van

de oude kampioenen voor Coïmbra, zou men een grondige kennis moeten

hebben van de feiten, die wij niet bezitten. En zoo komen we eindelijk

bij de hervorming van markies Pombal.

Door een besluit van 23 December 1770 was er in het leven geroepen

een vereeniging, genoemd de "Junta da Providencia litteraria" met het

doel, een rapport op te maken over den toestand der Universiteit. Haar

streven moest verder zijn de oorzaken op te sporen van het verval der

instelling en middelen aan te geven voor de opheffing en den bloei van

het oude instituut. Die commissie, onder het bestuur van kardinaal

da Cunha en markies Pombal als raadgevers van den koning Jozef I,

zette zich aan het werk en zes maanden later gaf ze een Verkorte

Geschiedenis uit, waarin ze haar meening gaf. Die uitgaaf werd gevolgd

door talrijke vergaderingen, waarin de verschillende artikelen werden

besproken van een plan tot reorganisatie. Dat ontwerp werd door het

koninklijk charter van 28 Augustus 1772 goedgekeurd en het is bekend

als de "Statuten van Pombal."

Volgens dat document wordt de universiteit verdeeld in drieën,

namelijk de faculteit der geneeskunde, die der rechtsgeleerdheid

met twee onderdeden, en die van wiskunde en wijsbegeerte. Zonder de

vorige bepalingen en wetten totaal op zijde te zetten, stellen deze

statuten uitvoerige regels vast voor het onderwijs, het professoraat,

de graden en de uitreiking van de diploma's. Het voorlezen dezer

statuten was een schitterende plechtigheid, waarbij markies Pombal

op het eind van September het voorzitterschap bekleedde.

Sedert de hervorming van Pombal tot die van 24 December 1901, die

de laatste groep wettelijke bepalingen gaf, hebben de verschillende

faculteiten eenige wijzigingen ondergaan, waaronder de belangrijkste

zijn die van 1836 en 1844, die tot resultaat hebben gehad, de

faculteiten van het kanonnieke en het burgerlijke recht te doen

samensmelten, het stelsel der cursussen te veranderen, het aantal

leerstoelen te vermeerderen, de inwendige politie, de promoties der

studenten en de examens te regelen.

Het decreet van 24 December 1901 over de hervormingen in de

studie der universiteit van Coïmbra, verdeelt het onderwijs in vijf

faculteiten, de theologie, die 21 leerstoelen omvat en twee annexen,

waarin algemeene cursussen worden gegeven en speciale cursussen

voor opleiding tot den geestelijken stand; het recht, met 54

leerstoelen met algemeene cursussen en speciale ter voorbereiding

voor de administratieve, diplomatieke en koloniale loopbaan; de

geneeskunde, met 15 leerstoelen; de wiskunde met 11 en 3 annexen;

en eindelijk de wijsbegeerte. Die laatste faculteit omvat, buiten een

algemeenen cursus, verdeeld in de twee secties der physisch-chemische

wetenschappen, een der natuur-historische, een voorbereidenden cursus

voor genie en artillerie, een voor zeeofficieren en twee voorbereidende

cursussen voor geneeskunde en pharmacie.

Op den tijd, toen wij Coïmbra bezochten, bestond het personeel

der universiteit uit een onderwijzende groep van 76 personen en het

universitaire personeel van 151 personen; er waren 1050 studenten. Maar

de gebouwen en pleinen waren bijna geheel verlaten, want men was

in een periode van crisis, die toen juist ten einde liep en die

verscheiden weken de universiteit in spanning had gehouden. Een

rechtsgeleerde had bij zijn promotie, toen hij de stellingen moest

verdedigen, die hem het doctoraat zouden verschaffen, zich den toegang

geweigerd gezien. Daar de stellingen een sterk socialistisch tintje

hadden, werd door een aantal studenten heftig geprotesteerd en ze

beweerden, dat de beslissing, hoewel met algemeene stemmen genomen,

door politieken hartstocht was ingegeven. De candidaat was kundig,

de stellingen waren Schitterend, de verdediging onberispelijk en

dus de weigering ongerechtvaardigd. Er schijnt in den grond wel een

politieke quaestie aan ten grondslag te hebben gelegen, maar als onze

inlichtingen juist zijn, was de universitaire beslissing zeker aan

den kant van het recht, en de studenten zouden voor hun verzet een

verkeerd voorwendsel hebben uitgekozen.

De beweging nam weldra toe in omvang. Van de groep der ontevredenen

ging ze over naar de rechtsgeleerde faculteit, van die naar andere

faculteiten; van de universiteit bereikte ze andere steden en ging van

het hooger onderwijs tot het middelbaar over, en daarna zelfs naar het

lager onderwijs. De werkstaking werd algemeen, de studie werd stilgezet

in het geheele land, en Portugal zag met schrik dat schouwspel van

solidariteit, dat al heel ongewoon was, wanneer men jongens van acht

jaar hoorde weigeren naar school te gaan uit overtuiging en esprit de

corps en om de eischen der ouderen ingewilligd te krijgen. Ik denk,

dat die lieve kleinen er niet rouwig om waren, eenige vacantiedagen

te veroveren door het avontuur; enkele strenge kastijdingen, door

vaderlijke handen toegebracht, zullen wel spoedig den weerstand hebben

gebroken, want de werkstaking der kleinen duurde maar kort. Maar

met het hooger onderwijs was het anders; bij ons vertrek duurde de

werkstaking nog voort, ofschoon ze op haar eind liep, en de resultaten

van het academisch jaar waren voor goed bedorven.

Men zou echter ongelijk hebben, als men om deze kleine revolutie,

die aan enkele redenen tot ontevredenheid een einde heeft gemaakt,

zich ging voorstellen, dat de studenten van Coïmbra frondeurs en

opstandelingen zijn. De geest, die onder de leerlingen heerscht,

is integendeel uitstekend, de jongelingschap is vlijtig en heeft de

bewustheid, dat in Portugal, nog meer dan elders, het goed onderwezen

zijn een verzekerde toekomst waarborgt. En als ze daarenboven jong

en wat onstuimig is, als ze er van houdt, zich te ontspannen van de

ernstige studie door luidruchtige feesten, waar de vroolijkheid harer

twintig jaren uitraast, des te beter.

Het schijnt ook niet, dat de jaren, gesleten in de

schilderachtige oude stad, bij de ouderen nare herinneringen

hebben achtergelaten. Staatslieden op gewichtige posten, ernstige

magistraten, officieren, ingenieurs, advocaten, allen, die wij hebben

ontmoet, vatten hun herinneringen samen in het uitdrukkingsvolle woord

"saudade", dat wil zeggen "heerlijk", met den melancholieken bij smaak

van schoone dingen, die voorbij zijn. Een van hen heeft eenige jaren

geleden de ervaringen van zijn jaren aan de academie geboekt in een

werkje, waarin het academische leven aan de universiteit van Coïmbra

de onderwerpen levert voor bekoorlijke schetsjes, verteld met veel

humor en geest.

Hoe vluchtig ook de behandeling is van de geschiedenis, de

organisatie, de zeden en gewoonten van de universiteit van Coïmbra,

zooals wij die in het voorgaande gaven, onze lezers kunnen er toch

een juister denkbeeld door krijgen van de stad, en zij zullen met

meer belangstelling de verschillende gebouwen bezichtigen, waardoor

ze worden rondgeleid, zoo ooit een gunstige wind hun verzeild doet

raken in die bekoorlijke stad.

Als men het station van Coïmbra verlaat of de hotels, die er

onmiddellijk bij zijn gelegen, is het eerste, dat de aandacht trekt,

de Mondego, die geheel portugeesche rivier, portugeesch van haar

bronnen tot haren mond, een onstuimig stroompje in den winter, een

kabbelend water in de warme zomerdagen, onder wilgen door stroomend

tusschen weelderig begroeide heuvels.

Rechts laat het groote klooster van Santa Clara de eindelooze

rijen van zijn vensters zien tegen den achtergrond van den

Monte da Esperanza. Daar rust in een zilveren reliquieënkast de

Heilige Koningin, een voorwerp van openbare vereering. De stad ligt

amphitheatersgewijs aan de linkerhand in een schilderachtige warreling

van klimmende straatjes, beheerscht door den toren der universiteit,

die meer dan vierhonderd jaar oud is. In de morgenuren is het in

de steile straten zeer druk; men ziet oude wagens en karren met

zware, knarsende wielen, langzaam door aangespannen ossen getrokken,

melkvrouwen, die op het hoofd de metalen waterkannen dragen, boeren

met zwarte mutsen, op kleine rosse ezeltjes gezeten, en nu en dan

een student, gewikkeld in zijn langen mantel van donkere kleur.

Men stijgt en stijgt maar steeds en gaat voorbij huizen, die

eens paleizen waren, tot men komt op het plaveisel vóór een zeer

schoon gebouw, de oude kathedraal Se Velha. De gekanteelde muren, de

contreforten, de romaansche toren geven er een indrukwekkend en streng

voorkomen aan; maar het inwendige is zoo vaak onder handen genomen en

hersteld en weer hersteld, dat er van de primitieve constructie van de

12de eeuw niets dan iets zeer ongelijksoortigs is overgebleven. Men

doet tegenwoordig pogingen, de bedroevende veranderingen, die er in

het gebouw zijn aangebracht, te niet te doen door een restauratie,

die met zorg wordt geleid en uitgaat van het verstandige initiatief van

den bisschop van Coïmbra. Maar hoe dan ook, de oude kathedraal is nog

het indrukwekkendst type van romaansche bouwkunst, dat Portugal bezit.

De nieuwe kathedraal, waar een smalle en donkere straat heen leidt,

overwelfd door een boog uit het bisschoppelijk paleis, is vooral

belangwekkend door de schoone verzameling gewijde voorwerpen, die

haar schatkameren vult. Het gebouw, dat gebouwd werd op het eind der

16de eeuw, om te dienen tot kapel voor het Jezuïetencollege, is tot

kathedraal geworden in 1772. De gevel is niet onschoon; wat de altaren

betreft, die van goud schitteren, ze zijn interessant, omdat men er de

architectuur uit den tijd der Renaissance uit kan leeren kennen, vanaf

het zuivere en rustige begin, tot de buitensporigheden van versiering,

die van slechten smaak getuigen en de periode van verval getuigen,

waarvan ook de voorste kapellen der kerk blijk geven.

De schatkamer is een zaal, waarvan men ons met zware en vele sleutels

de deur opent, die met ijzer is beslagen en door drie sloten wordt

afgesloten; er is daar een bewonderenswaardige collectie van vazen

en gewijde voorwerpen uit de 12de eeuw en ook uit volgende eeuwen,

alsook een reeks kazuifels, welker met goud omboorde zijden stoffen

aan het oog de harmonische tinten vertoonen van hun onvergelijkelijke

borduurwerken. Deze verzameling, bestaande uit voorwerpen, die aan

het kapittel hebben behoord, aan het bisdom en aan een groot aantal

kloosters, is in het bezit van enkele kostbaarheden, die in de eerste

musea der wereld zouden worden beschouwd als dingen van de hoogste

waarde om hun zeldzaamheid of om de fijnheid der bewerking. Men kan

er de zoo goed als volledige geschiedenis nagaan van de portugeesche

zilverkunst vanaf de 12de eeuw.

Van de Sé Nova komt men op het Pombalplein, waarvan het noordelijke

eind uitloopt op een terras, dat op het landschap een mooi uitzicht

biedt; hier zijn we op universitair terrein. Het gebouw, dat men aan

zijn linkerhand heeft, en waarvan de voorgevel, de dorische vestibule,

de breede, vorstelijke trap inderdaad iets grootsch zijn, is opgericht

door markies Pombal op de plaats van het Jezuïetencollege of dat der

Elf duizend Maagden; het herbergt de faculteit der geneeskunde en

die der philosophie. Het Museum voor natuurlijke historie bezit een

volledige verzameling van de fauna van Portugal, mooi tentoongesteld,

en ook van de koloniën; alles wordt geprepareerd in de aangrenzende

zalen. Na een blik op het laboratorium voor scheikunde en het hospitaal

der universiteit, dat sinds 1754 gevestigd is in de gebouwen van het

College der Kunsten en van den H. Jeronimus, na een bezoek aan het

bisschoppelijk paleis, een der zeldzame typen van een vorstelijke

woning uit de 16de eeuw, die Portugal bezit, wenden we ons naar de

universiteit. Haar gebouwen beslaan den geheelen top van den heuvel,

en zijn gebouwd rondom een aardige begroeide binnenplaats.

Daar is de ijzeren deur, die zooveel malen door de studenten is

gepasseerd, de prachtige bibliotheek met de luisterrijk versierde

zalen, waar meer dan 150 000 boekdeelen zijn bijeengebracht; daar

heeft men de zalen voor de verschillende cursussen van de faculteiten,

de zaal der plechtige samenkomsten, de kapel, waar de professoren den

eed afleggen en hun belijdenis doen van het katholieke geloof, naar de

formule, voorgeschreven door paus Pius IV in 1564, de karakteristieke

toren, die de stad beheerscht, en die onder zijn klokken ook de

beroemde klok heeft, die de Cabra of Geit wordt genoemd; daar is

eindelijk het observatorium voor sterrenkunde met de mysterieuse

instrumenten, die zoo ingewikkeld en samengesteld zijn. Daar moet

men komen, om zich van de ligging van Coïmbra rekenschap te geven,

daar moet men zijn oogen te gast laten gaan aan het droomschoone

tooneel. Rechts stijgen de kronkelende straten der stad tegen den

heuvel op; weelderige tuinen loopen naar beneden naar de Mondego

met haar heerlijke oevers, aan den horizon bieden de hoogten van den

Serra de Lavrao, wiens sierlijke golvingen in de verte verdwijnen,

aan het verrukte oog hun met lenteweelde bedekte hellingen aan.

Als men naar beneden afdaalt, heeft de Botanische Tuin in de schaduw

van zijn planten een uurtje van aangename ontspanning te bieden. Men

kan dan, de stad rondgaand door de nieuwe wijken, zich naar de

kerk van het Heilige Kruis begeven; de merkwaardige preekstoel, de

monumentale graven, de sacristie en het dichterlijke klooster van het

Zwijgen zijn belangwekkende specimina van den gothischen stijl en van

dien der Renaissance. Deze kerk behoorde bij het oude klooster van het

Sainte-Croix, waarvan de priors, zooals we reeds zeiden, gedurende drie

eeuwen kanseliers der universiteit waren. De gebouwen van het klooster

worden niet meer gebruikt en zijn ten deele in beslag genomen door

het Raadhuis; een bezoek eraan geeft niet veel belangrijks te zien.

Wat de Liefdebron aangaat, die bekleed werd door de verbeelding en door

de volkspoëzie met de droefgeestige herinnering aan Ines de Castro,

dat is een bekoorlijk doel voor een wandeling. Men gaat de Mondego

over langs een brug, van waar het gezicht op Coïmbra prachtig is,

dan voorbij de ruïnen van het oude klooster van Santa Clara, waarboven

gedurende drie eeuwen de herinnering zweefde aan Elisabeth de heilige,

en vervolgens bereikt men langs een schaduwrijken weg de Quinta das

Lagrimas, een tuin, waar de geurige oranjeboomen, met gouden appelen

beladen, bloeien en waar de beroemde fontein springt met het lustig

klaterende en heldere water. Op een gedenksteen gegrift, vertellen de

verzen van Camoëns de tragische gebeurtenis van de liefde der schoone

Ines en den trouwen Dom Pedro.

Zoo is die stad Coïmbra nog altijd het middelpunt voor letteren,

wetenschap en kunst voor geheel Portugal; de intellectueele beschaving

wordt er gekoesterd met jaloersche zorg door een keurbende van

professoren, die het onderwijs als een heilige zaak beschouwen;

de artistieke cultuur bloeit er, dank zij een school, waar al

sinds veertig jaren het onderwijs gratis wordt gegeven door den

beroemden professor Gonsalver, wiens leerlingen merkwaardig werk

voortbrengen. Terwijl de trein ons door een lachende landstreek naar

den voet der hoogte van Bussaco voert, groeten wij Coïmbra, dat een

aangename herinnering bij ons zal laten; en nu de afstand toeneemt,

voelen wij, hoeveel sympathie en belangstelling deze curieuse oude

stad bij ons heeft gewekt.

Bussaco heeft de bekoring van de schaduwrijke dreven, de groote

bosschen, de rijke verscheidenheid van tinten, de eenzame bosschages,

alles, wat tot de poëzie van een woudrijke streek behoort. Van Coïmbra

bereikt men de plaats over Pampilhosa en Luso, als men per spoor gaat,

maar het is verkieselijk, er in een rijtuig zich heen te begeven,

want het ritje is heerlijk. Van het station naar het dorp Luso,

dat in de buurt ligt, stijgt de schaduwrijke weg, die de viaduct

van den spoorweg links laat liggen, in het dal omhoog, en op dezen

schoonen dag is de koelte van het gebladerte des te begeerlijker,

omdat de zon met kracht en felheid brandt. Het dennenbosch, dat men

niet verlaat vanaf Pampilhosa heeft nu plaats gemaakt voor platanen,

en te midden van rhododendrons en rozen komt te Luso het rijtuig

aan. Sierlijke villa's liggen aan den weg, met mooie bloemperken

ervoor, en dan splitst zich de weg in tweeën.

In Portugal De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 7 / 10 段