de Guadiana en die een eeuw later werd gevolgd door de overgave van
Silves, de hoofdstad, waardoor geheel het grondgebied van de moorsche
heerschappij werd bevrijd.
Men kan nagaan, dat zulk een heldendaad den weerklank van een
donderslag had en den roem van Alphonsus ten top deed stijgen. Deze,
die even handig als dapper was, liet, zegt men, te Lamego een
vergadering bijeenkomen van vertegenwoordigers van alle klassen
der bevolking. Hij zelf verscheen er met geen andere teekenen
zijner waardigheid dan den grooten degen, dien hij te Ourique had
gedragen. Hij werd levendig toegejuicht, waarna Lourenco Vigas,
de procureur der vergadering, voorstelde, hem den titel van koning
toe te kennen, wat vol geestdrift werd aangenomen. De aartsbisschop
van Braga zette hem, zoo wordt erbij verteld, de gouden kroon op het
hoofd, die door de westgothische koningen gegeven was aan de abdij
van Lorvao. Alphonsus begon toen zijn regeering, en de portugeesche
dynastie was gegrondvest.
Niets dan een bescheiden obelisk herinnert aan een gebeurtenis van zoo
groot gewicht voor de monarchie, voor het portugeesche volk en voor
de zegepraal van de arische beschaving. Maar het is een legende, en
de geschiedschrijver Herculano is daaromtrent zeer sceptisch gestemd.
Als men Ourique en Aljustrel voorbij is, volgt de vlakte, steeds
de vlakte, met velden waar het jonge koren golft tusschen grijze
steenachtige plekken. Nu en dan glijden ons eucalyptus-boomen voorbij
en teekenen hun ingescheurd gebladerte af op een lucht, die wel gemaakt
schijnt van rose en blauwe pasteltinten. Die boomen moeten gezondmakend
zijn, vijanden van miasmen; maar het zijn tevens sombere boomen,
vooral als ze alleen staan, verlaten in wijde ruimten, die ze vullen
met hun kruiderigen geur als van cypressen. Eindelijk vertoont zich
op een kleine hoogte, maar van waar men een wijden horizon overziet,
een stadje met een hoogen toren, dat is Beja.
Niets doet een fransch oog wonderlijker aan dan die eng begrensde
stadjes, waar geen enkel huis uit de rij naar voren springt, waar geen
boom wat leven brengt, zonder eenig détail dat het oog rust geeft van
de eentonigheid der huizengroep. Het leven schijnt er uitgestorven
en de vreugde eveneens. In Spanje zijn zulke dorpen regel, en men
gewent eraan, maar in Portugal is alleen Beja zoo triest, gevend den
indruk van eenzaamheid en geslotenheid. Ieder raadt het u dan ook
af, als ge zegt, naar Beja te willen gaan en er een poosje te willen
blijven. Inderdaad, als men er komt, is die lust u ook al vergaan;
is men er eenmaal vandaan, dan ademt men vrijer. En toch, ja toch,
als men die omgeving van onbegrensde ruimte maar tracht te vergeten,
heeft Beja nog wel zijn eigen aantrekkelijkheid. Men hervindt er
zijn keurig zindelijk Portugal, vol bloemen; het is als een openbare
tuin, netjes geharkt, met overvloed van rozen en welriekende geuren,
het is een acacialaan, waar de balsemroke der witte bloemen hangt,
het is een kerkje met een sierlijke poort, het zijn witte straatjes,
leeg en schoon, aan welker eind men altijd weer den toren van koning
Denys te zien krijgt.
Beja's reputatie staat en valt met dien vierkanten toren, die zeer
hoog is en nog voorzien van resten van kanteelen en van schietgaten,
en die van wit marmer is opgetrokken. Jammer genoeg, is hij leelijk
ingesloten tusschen middelmatige gebouwtjes, die het aanzien afbreuk
doen; maar als men op eenigen afstand van uit de vlakte ernaar ziet,
wordt de toren hooger, beheerscht den omtrek, rijst als het ware uit
zijn omhulling vrij omhoog. Hij waakt over Alemtejo. Als het helder
weer is, wat dikwijls het geval is, kan men hem tien mijlen ver zien;
men onderscheidt hem van af de hoogten van Monchique, op dertig mijlen
afstands in vogelvlucht.
Maar de aantrekkelijkheid van Beja is eigenlijk intellectueel en
moreel, in zoo ver men hier heeft het stadje met doodschheid en
stilte, maar ook met bewaard gebleven oude gebruiken; het stadje,
waar niemand komt, waar de vreemdeling niemand onrust of verderf
brengt, waar het leven van oudtijds zijn gang is gegaan met zijn
vormen en gewoontetjes, zonder dat er iemand om durft te glimlachen
of van ancien régime durft te praten, waar men gezichten achter de
gordijntjes vermoedt, die tersluiks eens naar buiten kijken.
In zoo'n plaatsje ziet men hier nog den heer des huizes, die vader en
echtgenoot, heer en pacha is gebleven, zijn maaltijden in eenzaamheid
gebruiken, terwijl het verdere gezin eerbiedig wacht, tot hij, door
heen te gaan, aan de anderen vergunt, om op hun beurt te eten. Stellig
doet zoo iets aan arabische gebruiken denken, net als andere dergelijke
gewoonten, die nog in het Zuiden van Portugal gangbaar zijn. Zoo is het
in huizen, waar de meester wel toestaat, dat de leden van het gezin met
hem het maal gebruiken, toch nog de gewoonte, dat men na den maaltijd
bij het opstaan de dame des huizes groet en kust, of althans haar de
hand geeft. Dat doet men zelfs in Lissabon, in de beste kringen.
Het duidelijkste merk teeken, dat de Arabieren hebben achtergelaten,
is echter de tegenwoordige plaats der vrouw in de samenleving. Het is
waar, ze is niet meer opgesloten, noch gesluierd, maar de traditie
leeft toch nog, despotisch en waakzaam, en men moet er rekening mee
houden, als men over de Portugeesche een oordeel wil uitspreken,
dat geen afkeuring is.
De vrouw neemt bijna geen deel aan het openbare leven, gaat zelden
uit in de wereld en komt zoo weinig mogelijk op straat. Vandaar die
soort van beschroomdheid, die gegeneerdheid, bijna zou men zeggen,
onhandigheid, gaucherie, die men aan haar bespeurt, zoodra ze uit haar
gewone doen is. Zij is, wat wij een huissloofje noemen inde volle
beteekenis van het woord, ze heeft een zekere onverschilligheid en
weinig gevoel voor sierlijkheid en verfijning. Een goed gekleede
vrouw in den zin, dien wij, Franschen, daaraan hechten, is in
Portugal een groote zeldzaamheid. Weelde doet daaraan niets af;
als een dame die ten toon wil spreiden, en zoo zijn er natuurlijk,
als ze wil worden opgemerkt, dan verschijnen dadelijk groote veeren,
ingewikkelde toiletten, buitensporige juweelen, dat alles tegelijk,
met pracht en staatsie, maar zonder oordeel en smaak. Nooit daarentegen
van die kleine aardige vondsten, die eenvoudige, maar bevallige bij
zonderheden aan het toilet, die overeenkomen met de gestalte en het
gelaat van de draagster en met het effect, dat ze wil bereiken.
Zijn er hier geen nieuwere costuumnaaisters, of bestaan er hier geen
dames, die deze te voorschijn roepen? Ik los de quaestie niet op. Een
feit is het, dat de Portugeesche, door zich over het algemeen slecht
te kleeden, zichzelve onrecht doet en, wat erger is, maakt, dat ook
anderen haar onrecht aandoen, want er zijn bekoorlijke vrouwen onder
de portugeesche, die in haar slecht zittende japonnen een beeldig
figuur verbergen.
Zij hebben niet iets zoo gracelijks, zulke vurige oogen met fluweelen
blik als haar buurvrouwen in Andaluzië, maar bij vele van haar zijn
de proportiën schoon en de vormen heerlijk; doch niets van dat alles
komt tot zijn recht, door die stelselmatige vlucht uit de wereld, die
wel haar fouten en valschheden heeft, maar die ten minste ons leert,
hoe men zich moet kleeden, loopen, gaan zitten, babbelen, de hand
geven en glimlachen. Men mag gerust zeggen, dat ook de portugeesche
vrouw allen geest van initiatief mist, onmisbaar om de zeer werkelijke
hoedanigheden die ze bezit, naar waarde te doen schatten.
Het zittende leven brengt nog dit bezwaar mee, dat het de vrouwen
spoedig dik maakt en haar, voordat de jaren het meebrengen, dat zware
geven en dat forsche middel, dat oud maakt, te meer daar ze niet zeer
groot zijn en forschheid niet best verdragen. Het gelaat wordt dan
ook gevulder en het fijne ovaal van vroeger is spoedig niet meer dan
een herinnering.
Het geestelijke leven staat met het physieke in verband. Met een groote
vriendelijkheid en voorkomendheid gelukt het toch der Portugeesche
niet, beminnelijk te zijn, misschien omdat ze niet ontwikkeld is,
zeker ook om de afwezigheid van die kunst van zich te kleeden en
daarbij den geest te verzorgen, zooals men dat het lichaam doet. Het
moet erkend, dat niet alle Parisiennes Aphrodites zijn en dat de
Madames de Sévigné niet zoo talrijk zijn, dat men ze alle dagen
ontmoet; maar de illusie van een goed toilet en een aardig praatje
is te Parijs er algemeen genoeg, om als regel te kunnen gelden. In
Portugal zijn dat uitzonderingen. Bovendien ziet men er de vrouw in
een toestand van ondergeschiktheid aan den man, die lastig veel aan
den Moor doet denken. Hoe voorkomend de heeren ook zijn, ze zijn
tegenover de dames ten hunnen huize nederbuigend en tevens uit de
hoogte, iet of wat beschermend als een sultan, die een privilege
heeft uitgegeven en wenscht, dat men dat niet vergeten zal.
Het spreekt vanzelf, dat deze indrukken vooral zijn verkregen aangaande
de Portugeesche van de gewone kringen, en dat de meeste van de vrouwen
uit de groote wereld en het hof die in zoo sterke mate niet maken. Die
hebben de ervaring van de aristocratische en wereldsche kringen, welke
op alle breedten al zoowat eenzelfden geest verwekken en gelijkheid
van manieren; boven een zeker niveau heeft men ook hier Parijs met
zijn gebabbel en zijn vermaken. Wat het toilet betreft, men moet,
om volkomen eerlijk te blijven, met zijn geweten te rade gaan, of
bovengenoemd voorbehoud wel mag worden gemaakt. De galanterie moet
scheidsrechter wezen en zij maakt uit, dat er in het koninkrijk
mogelijk een honderdtal vrouwen zijn, die niet alleen mooi zijn,
dat zijn er duizenden, maar van verfijnde élégance en smaak, waardoor
ze zich uitstekend kleeden. De verhoudingen zijn nu wel zoo gegeven,
dat de portugeesche dames zich nu allen zullen herkennen....
Mooi en aardig waren de weinige gezichten, die ik achter de vensters
van de verlaten straten in Beja zag, met de donkere oogen, die den
exotischen vreemdeling nakeken. De rust van dit stadje, waar geen vrouw
op straat zich vertoonde, was noodig, om iemand het hoofd zoekend te
doen rondspeuren om te zien, waar ze gebleven waren die dingen, die
van de pool tot den aequator aantrekkelijker zijn dan de schoonste
monumenten, de aangezichten van vrouwen, de belangstellende blikken
en de bevallig gebogen halzen. In de haast om weg te komen, ben ik,
dunkt mij, een beetje litterair geworden; en die witte marmeren toren
heeft mij alleen geboeid, omdat ik aan andere dingen dacht.
Nu is ze er weer, de eentonige vlakte; langzamerhand verdwijnt de
hoogte van Beja; de toren van koning Denys is nog op een afstand
zichtbaar tegen een rosen achtergrond; dan wordt hij op zijn beurt
klein en smal, verwasemt en verdwijnt.
Te Casa Branca verandert men van trein in een station met een lichte
overkapping, waar papieren fladderen en de geuren van eucalyptus
hangen. In de verte teekenen zich heuvels af tegen de lucht; er is
daar een berg van 430 meters; het vlakke Alemtejo is gedaan, de dalen
beginnen, nog eerst met een zekeren schroom. Nog een klein uur, en
men heeft de hoofdstad bereikt, Evora, een oude en merkwaardige stad,
die het geheele geheim van haar lange geschiedenis geeft in een reeks
van bouwwerken van beteekenis.
Terstond bij aankomst verraden de resten der muren het verleden; men
vindt er romeinsche, westgothische en moorsche motieven in een wijden
kring bijeen, waar de muren nu eens geheel zijn verdwenen, dan half
ingestort zijn, maar het meest nog overeind staan in allerlei vormen,
als vierkante torens, opeengestapelde platte steenen, kanteelen,
poorten met ijzer beslagen, waaraan men de verschillende stijlen
herkent, die elkaar zijn opgevolgd in het oude Ebora. De stad heeft de
legioenen van Sertorius gezien, die er zijn hoofdkwartier had; toen
ze een romeinsche kolonie was, heette ze Liberalitas Julia. Daarna
was ze in het bezit der Mooren, tot de Ridders der Avizorde haar
veroverden. Het hof van Portugal heeft er geresideerd, en van dat alles
is nog een aartsbisdom overgebleven, dat het derde is van het rijk,
na Braga en Lissabon, terwijl er buitendien nog leeft de herinnering
aan een niet geheel vervallen grootheid.
Men bespeurt dat de vlakte teneinde is aan de oploopende straten,
die golvende lijnen beschrijven als in de hoofdstad van het land,
maar toch is de vlakte nog niet ver verwijderd, want Evora ligt aan
den rand, als een vooruitgeschoven post van de terrassen, en uit de
vensters der hoog gelegen stad ziet men over een onmetelijke vlakte
tot in de grijze verte.
De praça do Giraldo is het midden der stad, met arcaden, waaronder de
banken en de voornaamste winkels. Op het gladde plaveisel van mozaïek,
met zwarte en witte strepen naar portugeeschen trant, wandelen de
groepen, rookend en pratend, maar niets dan mannen, de vrouwen stellen
zich tevreden met het leven van uit haar vensters gade te slaan.
Van het plein gaan een menigte nauwe straatjes uit, smal en bochtig,
dooreengeward en op- en neergaand, afgewisseld door kleine pleintjes,
en fonteinen, waaromheen kruiken en watervaten wachten om te worden
gevuld. Er is in die fonteinen en in diegenen, die er komen, iets
bijbelsch, dat aan het schiereiland eigen is. Aan de altijd vriendelijk
stroomende kraantjes komen vooral vrouwen uit het volk, het is haar
forum en tevens haar praatsalon, waar nog drukker gebabbeld wordt dan
op de Giraldo. Leunend op den rand van het bekken, waarin het frissche
water neervalt, met een hand op de heup, de japon hoog opgenomen,
houden ze haar steenen kruik vast, die al lang overloopt, eer ze aan
het eind van het praatje weg gaan en de kruik opnemen. Dan neemt een
andere de plaats in en in het oneindige zoo door, tot de kruiken,
die in nette rijen op de straat staan aan eiken kant van de bron,
alle gevuld zijn en meegenomen op evenveel hoofden als er vrouwen
waren. De rijken en de waterkooplieden komen met ezeltjes, beladen met
vier groote kruiken, twee aan elken kant van het zadel. Op bepaalde
oogenblikken van den morgen en den avond ziet men bij de toegangen
tot de fonteinen veertig of vijftig vrouwen, twintig ezels en legers
van kleine kinderen, die er dooreenwoelen, zonder ooit de orde te
verstoren in de aarden of metalen vaten, in een rij geschaard tot
het eind van het pleintje.
Op het hoogste punt van Evora zijn de beide groote beschavingen
vertegenwoordigd door twee gebouwen, den tempel van Diana en de
kathedraal.
Hier zij opgemerkt, dat een tempel, waar men niets van weet, bijna
altijd een tempel van Diana wordt. Maar te Evora is de vorm toch nog
te onderscheiden en uit de rangschikking der zuilen en de inrichting
der fondamenten kan men afleiden, dat het een gebouw moet geweest
zijn uit de eerste eeuw na Christus. Tot in den laatsten tijd waren
de ruimten tusschen de nog staande zuilen aangevuld door muren, en
men had den tempel overdekt met een soort van toren, waar binnen een
museum was ingericht. Een man van smaak is op het goede denkbeeld
gekomen, aan de ruïne haar eigen uiterlijk weer te geven; het dak,
de muren en het museum zijn verdwenen, en nu kan men de harmonie der
veertien zuilen waardeeren met hun kapiteelen, die nog wel iets te
veel zijn gerestaureerd.
Iets lager staat de kathedraal, een stuitende vermenging vertoonend
van verschillende stijlen en plannen. De hoofddeelen zijn gothisch,
met smalle vensters, dikke muren en kanteelen; er verheft zich in het
midden een achthoekige toren met op de acht hoeken acht klokketorens,
die, maar in het eenvoudige, doen denken aan den toren van Burgos, met
dan nog een massieven steenen kegel er op, die te laag en te dik is.
De gevel mist alle symmetrie, met al die vensters, die op goed
geluk schijnen aangebracht, en volkomen onmethodisch. Alleen het
versieringswerk aan het portaal is mooi, maar in het inwendige is
de kerk overladen, tegen onze verwachting, die aan de soberheid der
primitieve gothische kunst gewend is.
Er was ons gezegd, en zeker terecht, dat acht dagen nauwelijks
genoeg zouden zijn voor Evora, maar wij hebben niet zooveel tijd
en moesten al spoedig naar Villaviçosa vertrekken. Daar komt men
in een land van de Schoone Slaapster in het Bosch, in een stadje
nog witter, kleiner en stiller dan Beja. Om de waarheid te zeggen,
ontwaakt de schoone prinses er niet letterlijk naar het verhaal,
maar zij komt er elk jaar eenige weken doorbrengen in het kasteel,
waar zij het liefst vertoeft, het oude slot van Braganza. Als zij er
is aangekomen, ziet men de koninklijke karossen af en aan rijden,
het stadje ontwaakt ten leven, de straten worden druk, het gras op
het marktplein verdwijnt en het kasteel wordt verlicht.
De koning en de koningin komen te Villaviçosa jagen en paardrijden;
het kasteel is voor hen een echt familieverblijf, en het groote
bosch, door muren ingesloten met vijvers en koepels, levert voor
zulke vermaken een uitstekend terrein.
Het kasteel is intusschen vervallen van zijn oude pracht, sedert de
bezitter, Johan, de achtste hertog van Braganza, het verliet, om als
koning zijn intocht in Lissabon te houden onder den naam van Johan IV
en in 1640 aldus de nog regeerende dynastie te grondvesten. Het was
een groot oogenblik voor den vorst, die nog eens weer de Spanjaarden
had verjaagd; maar het arme kasteel heeft er zijn kostbaarheden bij
verloren, die bepaald koninklijk waren en eenigen tijd van te voren
door den kardinaal Valentinus, pauselijk legaat, waren in oogenschouw
genomen. Bijna alles werd naar Lissabon gebracht en verdween in de
aardbeving van 1755.
Toch ziet het kasteel er nu nog indrukwekkend uit met den grooten
gevel, en de vertrekken hebben bij den grooteren eenvoud gewonnen
aan intiemer karakter, dat de koningin aantrekt, wier smaak fransch
is. De zoldering van de hertogszaal is verdeeld in een aantal vakken,
waar de reeks van alle Braganza's tot op den tegenwoordigen hertog
geschilderd zijn; de jonge prins is er als baby afgebeeld, maar daar er
geen plaats meer was aan de zoldering, hangt zijn portret aan den wand.
Te Villaviçosa begint het eigenlijke bergachtige Alemtejo. De
bergen zijn niet hoog, 512 meter te Estremoz, de naburige stad,
waar alle alcaraza's of koelkruiken worden vervaardigd voor het
schiereiland. Maar de kusten zijn diep ingesneden en de dalen diep
en begroeid, zonder dat veel wegen er den weg in wijzen. Wij reisden
verder naar Elvas aan den rand van een andere vlakte, het spaansche
Estramadura, en hadden er een uitzicht tot Badajoz. Daar in de buurt
troffen we, evenals bij Evora, een romeinschen aqueduct, bestaande
uit vele bogen, die wankel genoeg leken, om zeer oud te zijn; maar
de waterleiding bij Evora uit den romeinschen tijd vertoonde bogen,
die uit de zestiende eeuw dagteekenden.
Onder de interessantste uitstapjes, die men van Lissabon uit kan
maken, komen die voor naar Coïmbra en Bussaco. Die tocht, dien men
gemakkelijk in twee dagen doet, is dubbel aantrekkelijk, want hij
vergunt den toerist, een der schilderachtigste en oudste steden
van Portugal te bezoeken, en een der mooiste landschappen van het
schiereiland te bewonderen, beroemd om de pracht van het panorama en
den rijkdom van den plantengroei.
De express van Oporto, die uit Lissabon vertrekt om half zes 's avonds,
is uitstekend geschikt voor dit reisje. Men komt om negen uur te
Coïmbra aan, en den volgenden dag kan men dan rustig de stad bezoeken.
Behalve de bekoorlijke ligging heeft de stad Coïmbra, gebouwd tegen de
helling van een hoogte langs de rivier de Mondego, haar hooge gebouwen
der Universiteit, waarvan de toren blinkt tegen het blauw van den
hemel. De geheele omgeving biedt een toerist allerlei zeer levendige
herinneringen aan de geschiedenis van Portugal. Daar resideerden
bijna alle koningen van de Alphonsische dynastie; daar was eertijds
het ware middelpunt van het leven van het land; daar werden de eerste
gevechten geleverd tegen de Mooren; daar werden de groote heldendaden
verricht en daden van vaderlandslievende opoffering; daar speelden
zich de episoden af, zoo romanesk en zoo tragisch, van de liefde
van Dom Pedro en Ines de Castro; daar worden vromelijk aangebeden de
overblijfselen van de echtgenoote van Dom Denys, Isabella de Heilige;
en eindelijk was het deze stad, die de wieg werd van een zevental
beroemde mannen, beroemd in de wetenschap, de letteren, de kunsten,
en waar de eerste dichters van het land hun inspiratie kwamen zoeken,
door den geest van Camoëns erheen gevoerd.
Maar de voornaamste glorie van Coïmbra, de schoonste parel aan de
kroon der stad, is haar oude universiteit. Coïmbra is in hoofdzaak
stad van wetenschap en studie, die beide begunstigd worden door het
overheerlijk zachte klimaat, de poëzie van het landschap en de kalmte
van het leven in de stad, en voordat wij den lezer er doen binnengaan,
willen we hem iets vertellen van de geschiedenis dezer academie,
waar men de heele geschiedenis van het land in kan terug vinden.
Den 12den November 1288 richtten de abt van Alcobaça, de
priors van Sainte Croix en Sint Vincent en andere geestelijken,
te Monto-Mor-o-Novo bijeengekomen, een verzoekschrift tot den paus,
waarin ze mededeelden, dat de koning Dom Denys tot de stichting
had besloten van een algemeen college te Lissabon, tot onderhoud
waarvan hij bestemd had de opbrengst van twee zijner kloosters en
kerken; ze vroegen den paus, een zoo vroom en prijselijk werk wel te
willen steunen en zegenen. Het antwoord liet zich bijna twee jaren
wachten. Eerst den 9den Augustus 1290 zond paus Nicolaas IV van
Orvieto de bul: De statu regni Portugaliae, waarin hij uitdrukkelijk
het bestaan erkende van het Algemeen College van Lissabon en er
verschillende voorrechten aan schonk.
Het College omvatte toen zes leerstoelen, het kanonnieke recht,
civiel recht, geneeskunde, dialectiek, taalkunde en muziek. De
theologie was buitengesloten van het leerplan, en dat zal niemand
verwonderen, als men zich herinnert, dat de godsdienstige orden,
vooral die der Dominicanen en Franciscanen, toen het privilege van
het onderwijs in theologie hadden, en dat de Universiteit van Parijs,
de alma mater studiorum, het monopolie had van de uitgifte der graden
voor godgeleerde studiën.
De koning, Dom Denys, liet in Lissabon, in de wijk Alfama een gebouw
oprichten, waarin het College werd geïnstalleerd en dat later de Beurs
werd. Maar de inrichting te Lissabon had slechts een kortstondig
bestaan. De voorrechten, aan de studenten toegestaan, leidden tot
oneenigheden tusschen de geestelijke en wereldlijke autoriteiten, en
aan den anderen kant werkten de schilderachtige omgeving van Coïmbra,
de ligging in het midden des lands, de voordeelen, die het eenvoudige
leven daar bood, ertoe mee, die stad te doen kiezen als zetel voor
de academie. In het kort, reeds in 1308 was de overplaatsing van
het College een feit geworden en ze werd geautoriseerd door twee
pauselijke bullen van Clemens V, gedateerd van Poitiers en gericht,
de eene aan den aartsbisschop van Braga en den bisschop van Coïmbra,
en de andere aan den koning.
De eerste statuten van de universiteit zijn van dezen tijd afkomstig;
zij werden goedgekeurd door koning Dom Denys, den 15den Februari
1309. Er worden een paar merkwaardige bepalingen in gemaakt. De
tractementen van de professoren bijvoorbeeld waren als volgt geregeld:
21 600 reis per jaar voor den professor in wetgeleerdheid, 18 000 reis
voor den rechtsgeleerden professor, 7200 voor den geneeskundigen en
dien voor taalkunde, 3600 voor den professor in logica en 2700 voor
dien in muziek, wat tegen den tegenwoordigen koers zoowat uitkomt
op 14 francs. Twee aanzienlijke burgers der stad, die den titel van
conservatoren ontvingen en een jaarlijksch inkomen van 1440 reis,
moesten waken voor de handhaving der privileges van de universiteit en
den koning raadgeven bij elken aanslag, die erop zou worden beproefd.