de andere, steunend op de termen van een charter van Dom Hendrik,
gedateerd van 19 September 1450 en op verschillende andere bescheiden
en getuigenissen, bestrijdt die meening en plaatst de stad van
den Infant dichter bij kaap Sint Vincent, op de plek, die Beliche
genoemd wordt. Na onderzoek van de stukken zouden wij geneigd zijn
tot de laatste opvatting. Hoe het ook zij, het staat wel vast,
dat op deze kust en binnen een bekenden kring van ongeveer een mijl
de infant omstreeks 1460 een dorp heeft gesticht, waaraan hij zijn
naam verleende. Dat dorp had ten doel, zoo zegt het charter, hulp
en bijstand te verleenen aan de talrijke schepen, die door tegenwind
gedwongen waren in deze streken een schuilplaats te zoeken, en waarvan
de bemanningen dikwijls op deze kusten aan land werden geworpen. De
gedenkplaat van 1839 spreekt bovendien van een beroemde school van
cosmographie, van een sterrenkundig observatorium en van werven voor
den bouw van oorlogsschepen. Het lijkt dus wel zeker, al blijft nog
open de discussie over enkele vragen naar personen, tijden en plaatsen,
dat de omgeving van kaap Sint Vincent in vervlogen eeuwen het tooneel
is geweest van groote maritime werkzaamheid; dat energieke zeevaarders
en misschien groote vloten van daar zijn vertrokken, om verre landen
te ontdekken en onbekende streken te leeren kennen. Men gevoelt nog
duidelijker dan anders de ijdelheid van de aardsche dingen en de
onstandvastigheid van het werk der menschen, als men deze treurige
en verlaten streken doorreist, nu de stroom der jaren alles heeft
verplaatst en zooveel heeft vernield, na het eerst te hebben opgebouwd.
De ezeltjes hebben bij het verlaten van Sagres hun tragen gang hervat;
de doodsche streek ontvangt het laatste licht van den stervenden dag;
de nacht valt langzamerhand over de kust en geeft aan de hooge rotsen
schimachtige gedaanten, terwijl de maan over de rustig geworden zee
een reuzendraperie van zilver legt.
Van Algarvië hebben wij tot nu toe slechts de vlakten en het strand
gezien; wij moeten nog, voor we Alemtejo onder handen nemen,
doordringen in dien Serra de Monchique, dien men ons als schoon
heeft beschreven en waarvan de sierlijke vormen een wonderprachtig
belvedère schijnen, geplaatst door de natuur juist aan het begin van
ons oud Europa.
De rijweg, die naar de badplaats Monchique voert, gaat van Portimao uit
en loopt langs den stijgenden rechteroever der rivier. Het uitstapje,
met de onvermijdelijke bestijging van la Foia, het hoogste punt van
de bergketen, kan desnoods in een enkelen dag gebeuren; maar als men
het onvergelijkelijke schouwspel van den zonsondergang wil genieten,
is het te verkiezen, naar beneden te gaan, om te logeeren in het hotel
van de badplaats Monchique, van waar men gemakkelijk den volgenden
morgen in Portimao terug kan zijn op het uur van het ontbijt. Wij
kunnen dit uitstapje niet hartelijk genoeg aanbevelen; het is niet
ver en niet vermoeiend, noch kostbaar, ongeveer 2000 of 2500 reis,
dus zes of zeven gulden, voor een rijtuig met twee paarden. Maar
ook kan men den toerist niet ernstig genoeg waarschuwen voor een
vergissing, waarvan hij noodzakelijk het slachtoffer moet worden,
als hij zich toevertrouwt aan de aanwijzingen van den officieelen
gids der portugeesche spoorwegen.
Men vindt inderdaad in de genoemde gidsen ten zuiden van Beja, op
de lijn van Lissabon naar Villa Real de Santo Antonio, een station,
dat antwoordt op den naam Saboia Monchique en dat, naar de kaart te
oordeelen, vlak bij den Serra moet liggen. Dat is echter een grap en
niets anders, of ja, het is meer, en die aanwijzing, die door niets
gerechtvaardigd wordt, moest onmiddellijk verdwijnen, want zij stelt
er den reiziger aan bloot, om te goeder trouw een allervervelendste
vergissing te begaan. Het station Monchique ligt ongeveer vijf uren
van het dorp van dien naam, en het is zoo goed als onmogelijk er te
komen. Er is inderdaad geen weg, geen pad zelfs; noch paarden, noch
rijtuigen, noch ezels kunnen er u brengen door den doolhof van heuvels
en dalen. De rampzalige reiziger is genoodzaakt in dat verloren land
te wachten op den volgenden trein, dat wil zeggen philosofisch stil
te zitten van vijf uur 's morgens tot twee uur in den namiddag, of
van twee uur 's middags tot twee uur 's morgens. Hij zal dan leeren
begrijpen, dat de kortste weg tusschen twee punten niet altijd de
rechte lijn is, want om zijn doel op andere wijze te bereiken, zal
hij nog bijna vier uur moeten sporen en drie uur per rijtuig afleggen,
samen 90 kilometer.
En nu wij toch op dit onderwerp zijn gekomen, laat ons nu dan zeer luid
zeggen, dat die omweg onzin is. Monchique, een prachtig gelegen plaats,
een middelpunt, als aangewezen voor een lustverblijf, dat warme,
zeer geneeskrachtige bronnen heeft, moest daarheen de toegang niet op
alle mogelijke manieren gemakkelijk zijn gemaakt? Zooals de toestand
nu is, levert alleen Algarvië de bezoekers, zoodat feitelijk enkel
die provincie er van profiteert. Is het dan zoo moeilijk, een weg van
twintig kilometer aan te leggen, zelfs in een land met geaccidenteerd
terrein, en er een automobieldienst in te stellen, zooals reeds met
goed resultaat op veel plaatsen in Portugal werkt? Waarom neemt de
staat niet het initiatief tot die onderneming, en waarom is er, als
de staat zich onthoudt, niet een groep kapitalisten, die een zaak wil
exploiteeren, waardoor Monchique minder dan tien uren van Lissabon
zou zijn verwijderd, en die dus een schoone toekomst zou tegemoet gaan?
Nu dit gezegd is, keeren we tot ons onderwerp terug. Na de geheele
bovenstad te zijn doorgegaan, verlaat de weg Portimao en daalt in
het dal af. De boerenhoeven volgen elkaar op met hun wijngaarden en
vruchtboomen. De grondeigendom is zeer verbrokkeld in deze streek. De
boomgaarden hebben alle hun vruchtbaarheid te danken aan de noria's,
die er vlijtig werken aan de besproeiing. Zoo'n noria is een origineele
pomp, gevormd door een primitief rad, op welks schoepen potten of
kannen van aardewerk of tin zijn bevestigd of oude inmaakblikken
en melkkannen, die elk op hun beurt het water scheppen uit het
réservoir. Een ezel, die geresigneerd rond loopt in een cirkel,
brengt het toestel in beweging.
De weg loopt over de rivier en gaat dan met een flauwe helling in het
dal omhoog, dat nauwer wordt en in den Serra verdwijnt. De rivier, die
tot beek wordt, kabbelt onder eucalyptusboomen; de hellingen worden
steiler, de horizon wordt wijder en Caldas de Monchique verschijnt
in een wonderlijk dichte massa groen.
De bergketen van Monchique heeft twee alles beheerschende toppen,
den Foia van 903 meter en den Picota van 780 meter hoogte. Op de
zuidelijke helling van den Picota liggen de baden of caldas van
Monchique ter hoogte van 250 meter, en op zes kilometer afstands van
de stad van denzelfden naam. De badplaats ligt aan den ingang van
een ravijn, waar zes warme bronnen ontspringen; het badhuis bezit
alle moderne hydrotherapeutische inrichtingen; de talrijke badkamers
hebben ieder op de deur een aanwijzing in groote witte cijfers,
hoeveel het abonnement kost, een prijs, die niet voor alle gelijk
is. Van de bronnen is die van Sint Jan de voornaamste, waarvan de
opbrengst in 24 uur 280.000 liter bedraagt; het water werkt vooral
goed op aandoeningen van rheumatischen aard en huidziekten. Het aantal
baders wisselt af tusschen zes- en zevenhonderd.
Behalve dat er veel stukken en documenten bestaan, die vaststellen,
dat de warme baden van Monchique al sinds de eerste jaren van de
portugeesche monarchie werden gebruikt, hebben ook de opgravingen
uit den jongsten tijd een vrij groot aantal romeinsche munten aan het
licht gebracht, en ook arabische, waardoor blijkt, dat de exploitatie
al zeer oud moet zijn. Maar de wijze van exploitatie moet wel zeer
veranderd wezen sedert den tijd, toen koning Johan II in 1394 er
zijn waterzucht kwam genezen, en er is een groot verschil tusschen
het algemeene bassin, dat men nu nog kan zien, en de nette kamertjes
van 5000 reis. [1]
De ligging van de badplaats is verrukkelijk. Van het badhuis zelf
is het uitzicht beperkt; maar wanneer men slechts vijftig meter
is gestegen op de helling der bergen, door de lanen van een park
vol bloeiende mimosa's, kan men een heerlijk panorama genieten,
dat telkens wijder en schooner wordt bij elke bocht van den weg. Op
den voorgrond zware bosschen, waarin lichtgekleurde optrekjes zich
in het groen verbergen. Verder daarachter een ware zee van bergen,
die onmerkbaar dalen en waarin het spel van het licht zonderlinge
tegenstellingen vormt; dan de breede gordel van den kustzoom van
Algarvië, bestippeld met tal van dorpen, en eindelijk de zee, zich
aan den horizon aansluitend bij het blauw des hemels.
Van de badplaats bereikt men in een uur het stadje Monchique, in
de schaduw der kastanjes en acacia's. Op de zonnige hoogvlakte,
vruchtbaar gemaakt door vele bronnen, zijn overvloedige tuinen van
oranjeboomen, en de tuinbouw levert er in het algemeen prachtige
resultaten. Monchique voorziet Algarvië van de beste groenten, de
heerlijkste vruchten, en het tuinbouwbedrijf is een bron van rijkdom
voor het land. De waarde is meer dan vertienvoudigd in de laatste
jaren; terreinen, die vroeger verkocht werden voor eenige honderden
francs brengen nu 5000 francs en meer als koopsom op. De bevolking is
toegenomen in rechte reden met den rijkdom; ze heeft zich in dertig
jaren verdubbeld.
Het stadje is bekoorlijk met zijn Dos Chorocsplein, waar een
honderdjarige eik staat, zijn straten, die den heuvel beklimmen, het
kerkje met de eigenaardige, uit de hand bewerkte deur en de terrassen
bij de woningen vol oranjebloesem en andere bloemen. Wij hebben
reeds elders gesproken over de hartelijkheid van de ontvangst door
den gemeenteraad, de overal ons toegestoken handen, de aanbiedingen
van gastvrijheid, treffend van eenvoud en die openhartige blijdschap
van menschen, die gelukkig zijn met een bezoek en dat niet verbergen.
En nu op weg, vlug op weg, om vóór zonsondergang het hoogste punt
van den Serra te bereiken, den Foia. Een cavalcade van ezels is gauw
klaar met het onvermijdelijke geroep en gelach, de dwaze vertooningen
en nuttelooze aanmoedigingen. Arr burro!
Arr burro! Ondanks dien keelklank, die bedoelt, hen aan te zetten,
nemen de kalme beesten een kalmen gang aan met een hardnekkigheid,
een zacht verzet, dat misschien niet onpolitiek is. Van tijd tot
tijd wappert de staart en de ooren gaan overeind staan, en het dier
schijnt ons te willen zeggen: "Harder loopen? Dat zou ik u wel eens
willen zien doen!"
Inderdaad stijgt het pad verschrikkelijk en de ezels raken buiten
adem. Na anderhalf uur ongeveer van geradbraakt worden op een zadel
van een onmogelijke breedte, bereikten wij de obelisk op den top.
Welk een prachtig tooneel! Geheel Algarvië en Beneden Alemtejo liggen
aan onze voeten, als een aardrijkskundige reliefkaart; in het Zuiden
van kaap Sint Vincent tot kaap Sainte Marie; in het Noorden tot de
hoogten van Coïmbra en kaap Espichel breidt het land zich tot in
het oneindige uit over wel twintig districten. Maar het glanspunt
is de zee, waar de wijde ruimte vóór ons ligt. In het Westen gaat
de zon onder, de golven stralen in goud, purper en oranje, en de
gouden bol daalt langzaam in het water in een apotheose van stralen,
een uiteenspatting van vonken. Toen het donker was, daalden wij naar
beneden, naar Monchique, nu onder den indruk van het landschap bij
maneschijn.
Zoo is dat zoo goed als vergeten Algarvië. Het land is het waard,
dat men er veel dagen vertoeft, en wij betreuren het, dat ons de tijd
maar schraal is toegemeten, de tijd, die snel voorbij is, en dat wij
al van het mooie land afscheid moeten nemen.
Alemtejo is ook al belasterd, de provincie, die met Algarvië het Zuiden
vormt in Portugal, en dus de streek van achterlijkheid en primitieve
toestanden, naar men in het overige land denkt. Alemtejo beteekent
"over de Taag", met een ietsje van minachting. Men zou kunnen denken
aan een mooie dame, die met een minachtend lachje zou spreken over een
"zekere wereld", een van die plaatsen, waar men geen goed gezelschap
aantreft, en waarheen men zich slechts begeeft, om aalmoezen uit te
deelen of kiezers op te scharrelen.
Laat ons eerlijk zijn. Alemtejo is vlak, zeer vlak over twee derden
van zijn oppervlakte, met een vijfde geheel onbebouwd. Het is de
provincie van bouwland en van groote domeinen, landgoederen, waar
de portugeesche markiezen van Carabas niet in een enkelen dag hun
bezittingen kunnen rondrijden. De hertog van Palmella is bijvoorbeeld
een van die grondbezitters.
De indruk van eenzaamheid is des te sterker, daar de spoorweg zelden
dicht langs de steden en dorpen gaat. Sommige stations liggen op
twee of drie mijlen verwijderd van de plaatsen, waarbij ze behooren,
met wegen, die uit den tijd der Westgothen stammen, om ze ermee te
verbinden. Die uitgestrekte, dorre, schaduwlooze streken, zonder
water en ver van de zee, zijn de warmste van het land, maar men kan
er veel warmte verdragen, daar de lucht er niet vochtig is; 35 graden
Celsius verdraagt men met gemak, soms 40 graden, terwijl aan de kust
25 of 30 graden iemand al doodop maken.
Dit geldt natuurlijk voor den zomer, want in den winter daalt de
thermometer in den zonneschijn en bij de heldere lucht dikwijls
tot 7 of 8 graden. Dan bibberen de reizigers in de derde klasse,
die als in de open lucht reizen in wagens zonder glas in de vensters,
en ze droomen van het tropenland bij het wapperen der gordijntjes. De
nachten zijn trouwens nooit te warm, en de toeristen zullen goed doen,
er aan te denken, dat alleen in de koudste maanden een mantel noodig
is. In elk geval zijn de waggons eerste klasse even goed en even
dicht als bij ons, zonder nog te spreken van het rijtuig met zijgang,
dat tusschen Lissabon en Villa Real de Santo Antonio rijdt.
Dus in tegenstelling van Frankrijk is het Noorden van Portugal
verheven boven het Zuiden, dat, het is waar, er geen roem op draagt
het monopolie te hebben van de groote mannen, ministers, zangers,
schrijvers, generalen, noch zelfs dat van de vele wijnen.
Bij den eersten aanblik begrijpt men den trots van het Noorden, maar
als men beter toeziet, acht men dien toch oppervlakkig en ongegrond.
Vooreerst heeft de Portugees aan Alemtejo het witste brood te danken,
dat hij eet, en de paarden krijgen van daar hun haver. Niet veel
gouden appelen en weinig rozen, het is waar, maar graan en koren in
overvloed, die dan toch een kracht zijn in het leven. De boerenhoeven
zijn zoo groot en het bedrijf wordt zoo goed gedreven, dat men ze
nergens zoo vindt dan misschien in Engeland en Hongarije. Het zijn
groote ondernemingen, waar men een talrijk personeel onderhoudt,
in ruime gebouwen, in aantal genoeg om aan een gehucht te doen denken.
Men moet aan de stations of in de steden de boeren en de herders
zien, met hun zware gordels, hun breedgerande hoeden, hun korte,
gegalonneerde buizen en hun wijde broeken, om een denkbeeld te krijgen
van hun beteekenis en hun rijkdom. Daarbij zijn ze ook forsch en
gebruind, stevig van bouw; ze dragen het hoofd hoog; hun baard is
goed geschoren, hun kleeding onberispelijk, hun zindelijkheid tot bij
het kleingeestige af. Of de heeren van het Noorden het goed vinden of
niet, zulke boeren hebben al heel weinig van Zoeloes of Botokoeden,
en ze hebben dat nog minder, als men in de gelegenheid is, hun
welwillendheid en beleefdheid op de proef te stellen.
Alemtejo heeft nog meer in zijn grond, namelijk koper. Een rijke
ader loopt er in door, van de spaansche mijnen van Tharsis en Rio
Tinto. Santo Domingo en Aljustrel zijn de beide voornaamste mijnen
der provincie.
De eerste, dichtbij de grens van Spanje, wedijvert met haar machtige
buren en zendt haar product langs een eigen spoorweg naar Pomarao aan
de Guadiana, waar de groote stoombooten ze laden voor Engeland. De
exploitatie wordt aan de vrije lucht gedreven in een reusachtige
uitgraving onder leiding van een engelsche maatschappij. Aljustrel
behoort aan een belgische maatschappij en zendt haar koper vooral naar
Duitschland. Zooals men ziet heeft de Portugees in dezen geen geest
van initiatief getoond, hoewel hij anders niet zoo lui is, als de
legende wil, en wel degelijk werkt en bouwt en oogst, en daarbij geen
moeite spaart. Van die beide mijnen, waaruit men reeds voor honderden
millioenen, misschien voor milliarden heeft getrokken, behoort de eene
aan Engelschen, de andere aan Belgen, of met andere woorden, van die
fortuinen blijft er in het land, dat ze voortbrengt, niet anders dan
de loonen van de arbeiders en de uitgaven van het hoogere personeel. Al
het overige gaat het land uit en gaat den buurman verrijken, hetzij in
den vorm van dividenden, hetzij in dien van bestellingen van machines.
Het is zonderling op te merken, hoe alles, wat voordeel kan
opleveren, in handen is van vreemdelingen. De Portugees heeft geen
ondernemingsgeest, of als hij die wel heeft, kan hij geen geld krijgen
om hem te helpen. Er zijn weinig kapitalen, dat is zeker, maar het
is vooral, dat die, welke er zijn, het rechte vertrouwen missen,
en daardoor mislukt bijna elke nationale onderneming. Die soort van
apathie vol vrees verklaart ook de ongeschiktheid van den Portugees
voor bestuursfuncties. De wil, de vaste wil, die tot nauwlettende
studie voert, die tot een beslist oordeel en tot snel besluiten leidt,
ontbreekt bij den Portugees. En men moet vandaag leven, dat is waar,
maar wat morgen aangaat, dat kunnen we dan wel zien! De haven van
Lissabon, die door een fransche maatschappij aangelegd en geëxploiteerd
is, kwam den 7den Mei j.l., bij het afloopen der concessie, onder een
portugeesche directie. Niemand twijfelt er aan, of het loopt spaak,
en op een goeden dag zal men moeten terugkeeren tot den ouden staat
van zaken, zoo overtuigd is men, dat het nieuwe stelsel maar tijdelijk
zal wezen.
Tevergeefs beproeft de regeering daartegen te reageeren. Te Santarem
heeft zij een franschen practischen ingenieur laten komen voor de
rectificatie van den alcohol. Er is een fabriek gebouwd met moderne
machines voor meer dan 250 000 francs. Men wilde een nieuwe industrie
in het leven roepen en leerlingen vormen. Maar de practicus in
quaestie heeft noch een leerling, noch een klant gekregen, en hij is
moeten vertrekken, toen zijn engagement was afgeloopen, de machines
prachtig gepoetst achterlatend, die, als er weer eenige jaren zullen
zijn verloopen, een goede voorraad oud roest zullen zijn.
De Koninklijke Spoorwegmaatschappij wordt bestuurd door een fransch
ingenieur, aan wien ze haar ordelijken toestand en haar voorspoed
te danken heeft; de trams te Lissabon loopen met geld en ijzer uit
het buitenland: fransch is de groote brug van Santarem; belgisch de
brug van Dom Luiz te Oporto, een der glories van die stad; engelsch,
duitsch of fransch bijna alle scheepsgelegenheden... zoo is het met
alles... Maar wij waren aan de mijnen; keeren we daarheen terug.
Ze zijn onderworpen aan de regelen van de fransche wet van 1810, dus
wordt er onderscheid gemaakt tusschen den eigendom van de oppervlakte
en van den ondergrond. Maar als de eigenaar van den ondergrond een
put zou willen graven aan de oppervlakte, moet hij zich natuurlijk ook
het bezit daarvan verzekeren. De eigenaar van de laatste kan zich daar
niet tegen verweren, want er wordt spoedig tot onteigening overgegaan,
maar dan met de verzachtende omstandigheid, dat de bezitter van den
bovengrond het dubbele ontvangt van de geschatte waarde.
Men kan wel nagaan, dat de beide groote mijnen van Alemtejo een
groote waarde vertegenwoordigen, in dezen tijd, nu het koper zoowel
om de reëele waarde, als voor de speculatie zoozeer op prijs wordt
gesteld. Met koortsachtige belangstelling wordt dat metaal gezocht
en de opbrengsten zijn verbazend toegenomen.
De mijn van Aljustrel geeft aan 400 mijnwerkers arbeid, tegen een
dagloon van 3.50 francs in vijf putten, en aan 1400 andere arbeiders
tegen 2.50 francs per dag. Het syndicaat, zooals het bij ons te lande
werkt, is er nog onbekend. Er bestaat alleen een coöperatie, in April
1907 gesticht voor de verschaffing van levensmiddelen en een hulpkas,
die van Februari dagteekent. Daardoor heeft elke werkman tegen een
storting van twee francs per maand recht op geneeskundige hulp,
geneesmiddelen en verpleging in geval van ziekte.
Zoo de Aljustrelmijn interessant is uit het oogpunt van moderne
exploitatie in Portugal, ze is dat nog meer uit een ander oogpunt,
namelijk als vindplaats van zeer belangrijke overblijfselen van den
arbeid der Romeinen.
Vipasca, dat thans bekend is onder den arabischen naam van Aljustrel,
was een der belangrijkste kopermijnen en tevens waren er zilvermijnen
in den romeinschen keizertijd. In 1876 ontdekte men onder de slakken
en het puin van den mijnput van Algaras een bronzen plaat, O.78 meter
hoog, O.52 meter breed en O.08 tot O.13 meter dik, waar een latijnsch
opschrift op te lezen was.
Daar waren de oudheidkundigen klaar met hun lorgnetten.
Want inderdaad, hier was iets buitengewoons te lezen. Men kreeg
nu niet, zoo dacht men te hooren, de voor de eeuwen vastgelegde
edelmoedigheid van den een of anderen goedigen rijkaard, die een
groote som offerde, om in de tijden van Hadrianus de leegloopers
te vermaken, maar men zou het reglement van de mijn leeren kennen,
en dus inzicht krijgen in het openbare of particuliere leven van de
bevolking in den omtrek, die van de mijn leefde. Als er toen een Bond
van den Arbeid had bestaan, wat zou die daar een ervaringswijsheid
hebben kunnen opdoen! Welk een tribune voor zijn ontevredenheid! Wat
zou de sabotage daar hebben kunnen uitwerken. Om de waarheid te zeggen,
de vrijheid van handel en bedrijf zou gevaar hebben geloopen.
Maar het bleek, dat de tekst over eenvoudige dingen handelde. Na de
bepalingen omtrent den honderdsten penning, te betalen bij iederen
verkoop in het openbaar, en over het uitstel van drie dagen, waarna de
kooper dubbel zal moeten betalen, bepaalt het geschrift bij voorbeeld,
dat men zich alleen mag laten scheren en haarknippen door zijn slaaf,
als men een vrije is, of door zijn medeslaaf, als men zelf onvrij
is. Elke barbier, die van buiten komt tegen het bevel, moet boete
betalen, verliest zijn gereedschap en moet de Vicus Vispascensis
verlaten. De kleermakers, schoenmakers en dergelijke mogen slechts hun
bedrijf uitoefenen onder stipt vastgestelde voorwaarden. De bestuurder
der baden, die de zegeningen van een wekelijkschen rustdag niet mag
kennen, moet dagelijks, ook des Zondags zijn vuur, zijn water, zijn
stoom enz. gereed houden.
Er kwam nog een naspel bij deze vondst, toen in 1906 een nieuwe bronzen
plaat werd opgegraven, die werkelijk de regels der concessie en der
exploitatie van de mijn bevatte. Men leerde toen, dat de romeinsche
wetgeving in dergelijke zaken zeer veel van de onze verschilde. Er werd
toen een stuk grond gegeven aan diengene, die meende er metaal uit
te kunnen halen; er werd hem niets gevraagd, maar hij moest graven,
graven zonder uitstel het vastgestelde aantal putten, en deelen met
den fiscus in gelijke deelen wat zijn exploitatie hem opbracht.
Het belang van den een was dus ook het belang van den ander, en de
staat, die de beschikking had over onbeheerde gronden, had, hoe de
zaak ook afliep, geen risico, en de concessionaris behoefde niemand
uit zijn bezit te verwijderen. De beide platen bevinden zich op het
oogenblik in het Museum te Lissabon.
Aljustrel heeft met zijn naam ook een arabisch voorkomen aangenomen,
nog te herkennen in de lage huizen, wit en blauw geverfd, die langs de
wegen staan, op de manier van de dorpen in Alemtejo. Alleen verheffen
zich in den omtrek een paar heuvels, waarop met een zonderling geknars
die windmolens draaien, waar Portugal het monopolie van heeft, en
waarvan de wieken uitsluitend uit zeilen bestaan. Er is geen spoor
meer over van het oude kasteel, dat in de 13de eeuw zijn muren boven
Aljustrel verhief.
Alemtejo is een land vol geschiedenis. Wij hebben er zoo juist een
bladzij van gelezen, in brons gegrift. Een andere, roemrijker pagina
wordt daar dichtbij opgeroepen door den enkelen naam Ourique.
Ourique, een arm en onbeteekenend dorpje, verloren te midden der
vlakte, is tegelijk het graf van de moorsche dynastie en de wieg van
het koninkrijk.
Ten noorden van het dorp, op de plek tusschen Ourique en Castro Verde,
genaamd Campo d'Ourique, verpletterde Alphonsus Henriquez, afstammeling
van Hugo Capet, achterkleinzoon van den hertog van Bourgondië Robert,
en zoon van Hendrik van Bourgondië, die het "graafschap" Portugal had
ontvangen toen hij de dochter van den koning van Castilië trouwde,
verpletterde, herhaal ik, die Alphonsus Henriquez in 1139 het
muzelmansche leger, dat aangevoerd werd door vijf generaals en dat
al de strijdkrachten van het koninkrijk Algarvië in zich vereenigde.