Uit denzelfden tijd stamt de koets van Jan V, een beeld van kostbare

sierlijkheid. Aangestoken door de dwaze weelde van het hof te

Versailles, putte deze vorst, wiens nagedachtenis slechts droevige

herinneringen wekt, het land uit door zijn verkwisting en de pracht

zijner feesten, waarin hij wedijverde met het hof van Lodewijk XIV. De

koets, die ons werd vertoond, is een product van dien geestestoestand

en ze heeft stellig nog al eenige diamanten uit de mijnen van

Brazilië gekost! De bronzen bekleeding, die overal is aangebracht,

is met kunstvaardige hand bewerkt; op het paneel van het portier stelt

een fijn schilderstukje, door twee bekoorlijke jonkvrouwen gedragen,

een schelp voor, waarin Neptunus reist, de koning der zee, terwijl de

godin Ceres hem de eerste vruchten van de aarde aanbiedt. De fransche

invloed laat zich terugvinden in het beloop der lijnen en tot in alle

bijzonderheden van het koninklijke rijtuig. Laat ons nog ten slotte,

want we moeten ons beperken, het rijtuig noemen van Jozef I uit de

tweede helft der 18de eeuw, dat niet minder luisterrijk versierd is;

de schilderij, die aan de achterzijde het bovenste paneel versiert,

stelt de worging voor van een leeuw door een onverschrokken man,

terwijl een groep mannen en vrouwen er naar kijken in een mooie

landelijke omgeving met donkere wolken aan den horizon. Is het een

allegorie, en is de held misschien Pombal? Maar dan hadden er drie

leeuwen moeten zijn, de Heilige Dienst, de Jezuïeten en de Adel! En

Lissabon na de vreeselijke aardbeving van 1755, die het leven kostte

aan 30 000 inwoners, was ook niet voor te stellen door een liefelijk

landschap!

Volgen wij nu het hof in de zomerresidenties van Cascaes en

Cintra. Zoodra de warmte het verblijf in Lissabon minder prettig

maakt, gaat de koninklijke familie naar Cintra, waar het Koninklijk

Paleis wordt betrokken door de koningin moeder, en het kasteel van

Pena door koning Carlos en koningin Amelia. De adel volgt hen in de

verplaatsing, en de families van den hoogen adel in Lissabon hebben

bijna alle hun villa te Cintra. Komt dan September in het land,

dan vertrekken ze allen naar Cascaes, naar Estoril, waarheen dan het

echte seizoen verplaatst is.

Cintra is een stadje van minder dan 4000 inwoners, gelegen op de

helling van een berg, die zich bijna loodrecht verheft in de vlakte

van Estramadura en waarvan de eenzame ligging den indruk van zijn

hoogte versterkt. Er is een weelderige plantengroei; Cintra verdwijnt

letterlijk onder het groen. De talrijke villa's, die de eerste

kringen van Lissabon herbergen tijdens het verblijf van den vorst,

voltooien met hun tuinen vol bloemen de schoonheid van het geheel. De

elegantie van de bewoners, de levendigheid en vroolijkheid der feesten,

de schoone omgeving maken van Cintra in de maand Juli het mooiste

plekje van Portugal, een paradijsje, welks roem geheel Europa door

klinkt. Daarbij geven de ligging op 28 kilometer afstands van Lissabon

en de gemakkelijke verbinding per spoor er altijd drukte en beweging.

Aan het station van Cintra bespieden tal van rijtuigen den onschuldigen

toerist; het lijkt, of men in Napels is, zoo grooten ijver leggen

de koetsiers aan den dag. Het eenvoudigste voor den reiziger zonder

pretensies, die zijn morgen wil besteden aan een bezoek aan het

Koninklijk Paleis en eerst in den namiddag naar Pena wil gaan, is,

de tram te nemen in het station zelf; dan bereikt men snel en op niet

dure manier het binnenplein van het paleis. Het is een mooie weg;

die bij den uitgang der stad een bocht maakt, zoodat men het gezicht

op Lissabon krijgt.

Het Paco Real is zeer oud, en de mengeling van moorschen en gothischen

stijl doet zien, dat het herhaaldelijk omgebouwd is. Al kan men den

juisten datum van den bouw niet vaststellen, men heeft onomstootbare

bewijzen, dat het huis van arabischen oorsprong is. De aard van het

metselwerk, de azulejo's, die het plaveisel van de kapel vormen met

hun mozaïek van zoo groote fijnheid, ook die, welke de kleine poort

omgeven, toonen die afkomst. De bestaande overlevering sluit er zich

buitendien bij aan, dat de Mooren een alcazar in Cintra hadden; de

gekanteelde muren van het Castello dos Mouros, met hun vijf torens

en hun kleine moskee, boden hun op den berg een schuilplaats aan in

tijden van oorlog; maar het is zeker, dat tijdens den vrede de hoofden

naar beneden kwamen, om in de vlakte een gemakkelijker verblijf op

te zoeken, en hun alcazar lag naar alle waarschijnlijkheid op de plek

van het tegenwoordige paleis.

Nadat de Mooren uit Cintra verdreven waren geworden in 1147, werden

de gebouwen, ter belooning, ten geschenke gegeven voor aan de kroon

bewezen diensten aan een zekeren Gualdin Paës, van wien ze overgingen

naar de Tempeliers; die ridders gaven in het begin der 14de eeuw het

paleis aan koningin Isabella, die het als huwelijksgift schonk aan

den koning. Sedert dien tijd woonden de vorsten uit de dynastieën

van Aviz en Braganza om beurten in het kasteel, ieder van hen er

wijzigingen of verfraaiingen aanbrengend.

Het kasteel heeft zijn bekendheid vooral te danken aan de gevangenschap

van koning Alphonsus VI. Wat een treurige geschiedenis, onder

zooveel andere droevige in het portugeesche vorstenhuis, die van den

ongelukkigen prins, die al op driejarigen leeftijd verlamd werd,

die zwak bleef en van beperkt verstand, maar die het vermogen

tot lijden niet had verloren en over zijn lijden spreken kon,

ongelukkige echtgenoot van de kleindochter van Hendrik IV, prinses

Marie, Francoise Isabella van Savoye, vervallen van het koningschap

bij besluit der Cortes; slachtoffer van zijn broeder, den infant

Dom Pedro, zes jaren gevangene in Cintra, waar hij in 1683 stierf,

na droevig zijn laatste dagen te hebben voortgesleept. In deze kamer

op de tweede verdieping van het kasteel, waar men u nog tegenwoordig

de steenen wijst van den vloer, uitgeslepen door de wandelingen van

den ongelukkige, bij de kapel, in welker muur een bres was gemaakt,

opdat de van zijn waardigheid vervallen koning de mis zou kunnen hooren

lezen, zonder door het volk te worden gezien, wat donkere dagen moet

Alphonsus VI er hebben doorgebracht! Hij stierf op 40-jarigen leeftijd,

bijgestaan door zijn biechtvader, tot wien hij zijn bede richtte:

"Kom, mijn Vader, gij ten minste zijt mijn vriend gebleven, geef mij

uw hand." In die eenvoudige woorden ligt alle bitterheid opgesloten

van dit terecht verbitterde hart.

Wij kunnen den lezer niet door alle zalen voeren van dit kasteel,

dat te belangwekkender is omdat het een der weinige oude monumenten

van Portugal is. De beschrijving is vaak gegeven, onlangs nog in

een werk, te Lissabon verschenen, van graaf Sabugosa. Het is een

zeer aantrekkelijk boek, versierd met heerlijke illustraties, met

potlood door den koning geteekend. Beroemde zalen zijn de Zwanezaal,

de Eksterzaal, de Arabische Zaal en die der Blazoenen, meest genoemd

naar de zolderingen met prachtig schilderwerk.

Na het Koninklijk Paleis te hebben bezocht, zal de toerist allicht een

beetje streng oordeelen over den bouwtrant van het kasteel Pena, maar

welk een verrukking bezorgen hem het uitzicht en de wandelingen! Men

kan het uitstapje gemakkelijk op een namiddag doen, en men treft

op de markt te Cintra goede rijtuigen, die men zeker liever zal

gebruiken dan een ezel. De weg stijgt snel tusschen villa's. Het

genoegen en de verbazing nemen gaandeweg toe. Hoe kan een berg of

liever een ophooging van rotsen zulk een prachtigen plantengroei

vertoonen! De rotsblokken verdwijnen letterlijk onder de varens,

hortensia's, camellia's, veldbloemen in duizend tinten, terwijl in

elke spleet van het gesteente de boomgroei begint met jonge olmen

en ceders, en dennen. Den berg kronend met een krans van kanteelen,

verheft de muur van het moorsche kasteel zich boven onze hoofden,

een beeld uit andere eeuwen. Bij het naderen krijgt men telkens een

ander kijkje op het slot Pena, terwijl de vlakte beneden al dieper

daalt, de horizon zich verwijdt en men door het gebladerte Cintra

ziet liggen met zijn witte huizen en de schoorsteenen van het paleis.

Na een uur stijgens, dat met den ruwen weg en de steile helling zwaar

werk voor de paarden moet zijn, hadden de twee sterke dieren ons

gebracht bij den ingang van het pad naar het kasteel der Mooren. Er

zijn nu niet anders van over dan met groen begroeide ruïnen van het

oude oorlogsfort; maar als bijna ongeschonden wordt u de primitieve

moskee getoond, sedert door de Christenen veranderd in een kerk,

die van San Pedro de Canafrem, en een waterleiding of eigenlijk

waterréservoir, dat al sinds eeuwen daar onder het donkere gewelf

slaapt, maar dat is ook de groote aantrekkelijkheid, die ligt in den

gekanteelden muur, loopend boven de vlakte en voorzien van torens,

die het geweld der tijden hebben getrotseerd. Trappen loopen rondom

den muur, noodzakelijk geworden door de oneffenheden van het terrein

en de wandelaars in staat stellend, de omgeving van verschillende

punten op te nemen. Over een groen heuvelland van allerlei tint ziet

men Pena nu zeer dichtbij liggen; Cintra ligt in een diepen afgrond;

het land ontrolt zich vrij naar Mafra, en de diepblauwe zee wijst

door een smal schuimrandje de plaats van de kust aan.

Van het slot der Mooren bereikt men in enkele minuten het hek van het

park van Pena. Er is een fijne smaak voor noodig geweest en tevens

groote bekendheid met de kunst om van een terrein partij te trekken,

om op zoo doelmatige manier de rotspartij te gebruiken. Het park

is bekoorlijk met zijn schaduwrijke lanen, zijn bloeiende heesters,

zijn kleurige bloembedden, zijn bronnen, die onder camellia's zich

verbergen, zijn rhododendrons en varens. Wat het kasteel betreft,

de bouwmeester heeft niet denzelfden goeden smaak aan den dag

gelegd, toen hij door allerlei stijlen door een te mengen en

ongelijksoortige bouwsels naast elkaar te zetten, het geheel deed

gelijken op een middeleeuwsch kasteel, in de 19de eeuw uit bordpapier

opgetrokken. Maar laat ons den indruk van dezen schoonen dag niet

bederven door over architectuur te gaan praten; laat ons erkennen,

dat de plaats goed gekozen is voor een koninklijke residentie. Het

grootsche van het panorama, dat de heele provincie Estramadura omvat,

wordt door niets overtroffen dan door het uitzicht van Foia op den

Monchique in Algarvië.

Wij hebben het genoegen gehad, om tijdens ons verblijf te Cintra in

alle bijzonderheden de villa, of laat ons liever zeggen, het paleis

te bezichtigen van den vicomte de Monserrate. Het park is hetgeen

eigenlijk alleen van de bezitting bekend is, en dat is al veel,

want men is er daar in geslaagd, een granietrots te veranderen in

een aardsch paradijsje, waar men vereenigd vindt in een groepeering

met de gelukkigste tegenstellingen planten van de geheele wereld en

uit alle vijf werelddeelen. De zeldzaamste boomvarens staan er naast

gewone treurwilgen, en op de bloemperken staan bloemen uit het Oosten

en het Westen. Op de groene velden prijken manden met fransche rozen

naast die met vreemde buitenlandsche wonderbloemen.

Het park wordt intusschen veel drukker bezocht dan het kasteel, want

de vergunning tot het zien van het laatste verkrijgt men niet zoo

gemakkelijk. Het is de nabootsing van een indisch paleis, maar een

bekoorlijke nabootsing. De vestibule in den vorm van een rotonde komt

uit op eene galerij, die door het geheele gebouw loopt; de 30 marmeren

zuilen steunen 15 bogen van fijn kantwerk met een groot bekken in

het midden en de vertrekken aan beide kanten. Kostbare meubelen,

zeldzame bibelots en kunstvolle beelden zijn er vele; de meeste

van die mooie dingen komen uit Indië. De overvloed en de rijkdom

van die zeldzaamheden weten precies de grens in het oog te houden,

die niet moest worden overschreden, of men zou aan een museum denken,

en de inrichting van een patriciërswoning zou op een tentoonstelling

gaan gelijken.

Als de eerste weken van September daar zijn en de temperatuur iets

minder warm is geworden, verlaat het hof Cintra voor het fort Cascaes,

en de villa's, die gesloten worden langs de heuvels, worden weer

geopend aan de zee.

Cascaes was dertig jaren geleden slechts een gehucht van visschers,

op zes mijlen afstands van Lissabon, aan het uiteinde van de groote

baai, waar de Taag in uitmondt. In 1879 dacht een man van smaak,

de heer Souza Roza, thans gezant van Portugal te Parijs, dat men wel

gebruik kon maken van de schoonheid van die plaats en te Cascaes een

uitspanningsoord kon inrichten, dat snel tot bloei zou komen door de

nabijheid van Lissabon. Er werd een club opgericht met een tennisveld,

want het tennis maakte in die dagen opgang in de lusitanische wereld;

weldra werden enkele veranderingen aangebracht in de oude citadel

der plaats, zoodat het hof de nieuwe badplaats kon komen inwijden;

er werden terreinen gekocht, villa's verrezen en de palmen stonden

in rijen tot aan het strand. Tegenwoordig zijn Cascaes en zijn buur

Mont Estoril modebadplaatsen geworden, waar de elegante menigte zich

verdringt en waar prachtige feesten worden gegeven.

Het is niet, dat de ligging van Cascaes zoo bijzonder mooi is; het

strand is er heel gewoon en de stad beteekent niet veel; maar van

het terras is het uitzicht aantrekkelijk op de zee en de kust bij

Lissabon. Diep, helder water bespoelt er de rotsen, en wat het klimaat

aangaat, het is verrukkelijk zacht, daar de temperatuur zelden onder

15 graden C. daalt en 30 nooit te boven gaat. Als het niet zoo ver was,

zou Cascaes uitstekend geschikt zijn voor internationaal winterstation,

daar geen enkele plaats zulke gunstige klimaatstoestanden heeft en de

zieken dikwijls veel lijden van de snelle wisselingen in temperatuur

in het Zuiden.

Een cornicheweg volgt de kust en voert op een rots, waar de plaats

ligt, die Bocca do Inferno heet. Het is een breede, diepe inzinking,

in den vorm van een put, dien de natuur heeft uitgeslepen in de

rots; de diepte van den kuil staat in verbinding met de zee door een

onderaardsche gang, en het schuim der golven bij vloed, de branding,

doet een sterke strooming ontstaan en vult onmiddellijk de diepte met

schuimend water. Vroeger kon men erin neerdalen met een trap, waarvan

de treden in de rots waren uitgehouwen, maar ten gevolge van tragische

voorvallen, veroorzaakt door het plotseling stijgen van het water is

de toegang verboden. De wandeling van de Bocca do Inferno vormt met

die van den Cintraweg de voornaamste aantrekkelijkheid van Cascaes.

Vóór Cascaes ligt nog een andere badplaats, die heerlijk mooi is;

wij hebben al van Mont Esteril gesproken. Die plaats bestaat uit drie

verschillende wijken, wier inwoners niet met elkaar in aanraking komen,

namelijk Sint Jan, bewoond door de burgerij; Sint Antonius, bezocht

door ambtenaren, en de Mont, waar vooral de aristocraten hun intrek

nemen. Die laatste wijk is vol van weelderige villa's, die wedijveren

in den glans en de pracht hunner tuinen; de palmen staan er weelderig,

en de bloemen, vooral de geraniums, zijn weergaloos. Estoril heeft zeer

goede hôtels, en in een daarvan is onlangs een bekoorlijk klein casino

ingericht, met schouwburgzaal, speelzaal en een terras met uitzicht

op de zee en de heuvels aan de kust. Toch zien de hôteliers met een

zekeren angst uit naar de resultaten van het volgend seizoen. Er is

namelijk een besluit uitgevaardigd, dat alle hazardspelen verbiedt op

zware straffen, en dus mag men, zonder juist voor het baccarat in de

bres te springen, erop wijzen, dat het een der sterkste grondslagen

voor het succes van zoo'n casino is. De deftige heeren en dames, die de

voorname badplaatsen bezoeken, willen spelen. Men hoopt nog een modus

vivendi te vinden, en dat een zachte uitlegging in de plaats kome van

het strenge verbod. Wat men ook probeere, het schijnt zeer moeilijk,

om, waar ook, onze moderne maatschappij te genezen van die kwaal,

die zij van vroegere eeuwen heeft overgenomen. Het volstrekte verbod

van spelen in plaatsen, bestemd voor openbaar vermaak, zal dat niet

de klanten doen verhuizen naar iets meer verborgen plaatsen, en zal

het kwaad er niet door verergerd worden?

.... Wij gaan Lissabon voor vier-en-twintig uur verlaten, want het is

volksfeest in Villafranca. Wij willen daarvan gebruik maken, om wat

volkstypen te gaan zien en nationale kleederdrachten, en we willen

den tocht voortzetten tot Santarem.

Villafranca, waarvan de naam al aanduidt, dat de plaats door

Franschen is gesticht, is een stadje van 4000 inwoners aan de Taag,

op 37 kilometer afstands van Lissabon. Men kan het per spoor bereiken,

maar het is aardiger, om, als men ertoe in de gelegenheid is, langs de

rivier te gaan; op bepaalde dagen bestaat er een dienst met een boot,

die afvaart van de Markt. De boot vaart de Taag op langs de kaden van

Lissabon; het gezicht op de stad en de voorsteden is interessant tot

Olivaes, waar de rivier een echte binnenzee wordt; men vaart tusschen

de vlakke eilanden Pavoa, Lombo en Alhandra door en dan wordt de

rivier weer smaller tot Villafranca. De ontscheping is schilderachtig,

als de boot met haar vele vlaggen stopt te midden van al de booten

van de kleine haven, die bekende visschersschuiten van de Taag,

waarvan de voorsteven sierlijk zich omhoog buigt. Een bonte wemelende

menigte beweegt zich langs de oevers, dorpelingen met roode of groene

mutsjes, trotsche boeren, campinho's, met schitterend witte kousen,

vrouwen met veelkleurige halsdoeken, de heele plaats is uitgelaten

vroolijk, en de straten zijn met bloemguirlandes versierd. Wij hebben

het schouwspel vóór ons, dat altijd zoo aantrekkelijk blijft voor

vreemden, van volksfeesten, waarin mannen en vrouwen zich op hun

mooist uitgedost vertoonen.

De mannen dragen vesten met glanzende metalen knoopen, een korte

broek en een rooden of blauwen wollen gordel; de vrouwen een kort

rood jakje met twee zilveren knoopen, een wit lijfje, een rok met

fluweelen linten, en enkele hebben een rijk geborduurden boezelaar van

heldere kleur en op de borst een hoop kostbaarheden, bij voorbeeld

groote harten, kettingen in drie rijen, kruisen, doekspelden, heele

juwelierswinkels. Onder de menigte gaan in elke richting vlugge,

kleine paardjes van fijne vormen, die straks in de stierengevechten

hun lenigheid zullen vertoonen.

Een uur sporens door de vlakte brengt ons naar Santarem. Die stad

ligt op een hoogte boven de rivier, en de rijweg beklimt den heuvel

met tallooze kronkelingen, waardoor men eenige mooie kijkjes op het

dal krijgt.

Santarem is een zeer oude stad, en de strategische ligging was

oorzaak, dat de plaats veel belegeringen heeft doorstaan en dat ze

hevige gevechten heeft moeten leveren tegen de Mooren, die haar nu

eens in bezit hadden en dan weer verloren. De stad is wel vervallen

van haar vroegere grootheid; de versterkingen zijn verdwenen, en het

is na een rustig, doodsch stedeke. Een paar kerken zijn het eenige

belangwekkende. Maar let eens op! Van welk hout zouden wel die

rijtuigen zijn gemaakt? De straten zijn zoo nauw, dat er eigenlijk

maar een enkel rijtuig door kan en dat men op onmogelijke manier moet

manoeuvreeren, om, als twee wagens in tegengestelde richting zich

bewegen, elkander voorbij te komen. Dan volgen herhaaldelijk botsingen,

waar echter de bak, noch de veêren van schijnen te lijden. De al

te sterke hellingen sleuren de paarden mee, en de glijpartij wordt

pas bij een bocht opgehouden door een bons tegen een muur, die,

als het riet, wel buigt, maar niet breekt, en de paarden komen eraf

met een stoot tegen hun neuzen. Zoo iets komt vaak voor, en de punt

van den disselboom is dan ook veelal dik omwonden, om de stooten

te breken. Die straten, die in Venetië schijnen thuis te behooren,

geven het stadje iets bijzonders, en Santarem is daarvoor wel een

bezoek waard, maar toch ook om de schoone panorama's, die men kan

genieten van het hoogste punt der stad of van de brug over de Taag.

Wie belang stelt in het visschersbedrijf, moet Setuval bezoeken. Die

groote handelstad met 20 000 inwoners ligt ten Zuiden van Lissabon

aan de baai van denzelfden naam. De stoomboot van het staats-zuidernet

brengt ons naar Barreiro, waar men aan het station wordt afgezet. Het

traject per spoor van Barreiro naar Setuval duurt vijftig minuten,

en de heele reis legt dus op iets meer dan een uur beslag.

Deze streek van Estrumadura is zeer vruchtbaar. De ommiddellijke

omgeving van Setuval wordt gevormd door een heel woud van oranjeboomen

en citroenen, vol welriekende bloemen en gouden of roode vruchten;

zooals men weet, is het een der eigenaardigheden van oranjeboomen

en hun familieleden, dat men aan denzelfden boom bloem en vrucht

tegelijkertijd vindt. Een heerlijke geur zweeft over de stad,

een voordeel, dat men niet heeft te Douarnenez in Bretagne, de

tweelingzuster van Setuval in zake de sardinevisscherij. De stad

wordt geheel door de vischindustrie in beslag genomen. Een groote,

schaduwrijke laan loopt langs het strand, maar is daarvan gescheiden

door een rij huizen en fabrieken. Setuval heeft inderdaad niet minder

dan 34 fabrieken voor het conserveeren van sardines, en het product,

dat er geleverd wordt, is uitstekend. Verscheiden huizen uit Nantes

hebben succursales in die haven, waar meer dan 2000 visschers zich

met de vangst der vischjes bezig houden. Hun methode verschilt van die

onzer Bretagners, die veel verder in zee gaan visschen en vaak hun aas

uitgooien, waar geen visch meer is te vangen. De visscher van Setuval

zoekt de sardinenschoolen, en als hij die heeft ontdekt, omgeeft

hij ze met reusachtige netten of cerco's en vernauwt langzamerhand

den cirkel; de zegen wordt opgehaald midden in zee en de visch is

gevangen. Anderen geven de voorkeur aan de armaco's, dat zijn vrij

ingewikkelde netten, waar de visch in een wijde ruimte binnenzwemt,

en er niet kan ontsnappen. Te Espinho, dichtbij Oporto, wordt ook aan

sardinenvisscherij gedaan met cerco's, maar de vischbanken zijn er zoo

dicht bij de kust, dat men na de schoolen visch te hebben ingesloten,

ze met ossen kan laten ophalen, waardoor de netten met hun inhoud

veilig aan den wal worden gebracht.

Een eind buiten Setuval, tegenover Coïmbra bij kaap Espichel,

in het diepe water, waar veel haaien zich ophouden, doet de

koning op zijn jacht _Amelia_ aan de vischvangst, een genoegen,

dat voor hem te grooter is, daar hij er wetenschappelijke studiën

mee vereenigt. Don Carlos heeft in de voorrede tot den Catalogus,

dien hij heeft uitgegeven, over de verschillende wijzen van visschen,

die hij toepast, geschreven, over harpoenen en netten van allerlei

vorm; maar daar hij vooral belang stelt in de diepzeefauna, heeft

hij daarvoor zijn eigen instrumenten. Die stellen hem in staat,

tot op diepten van 1700 meter te visschen en dan een enkelen keer

een der groote zeldzaamheden boven te brengen, die het Museum van

Necessidades opluisteren.

In den loop van vele methodisch ondernomen excursies met de beste

werktuigen en een uitgezocht personeel, zijn zoo onder koninklijke

leiding, en gedetermineerd en gerangschikt door een geleerden

natuurhistoricus, verzamelingen bijeengebracht, die wedijveren kunnen

met de collecties van den vorst van Monaco, in zake oceanographie de

mededinger van koning Carlos.

Van de verschillende provincies van Portugal is Algarvië de

kleinste, maar ook de origineelste. Gelegen in het uiterste Zuiden

van het land, wordt het grondgebied der provincie ingesloten door den

Serra de Monchique en den Serra de Malhao, welks golvingen bijna tot

Guadiana en tot de zee doorloopen. Algarvië heeft het aan die ligging

te danken, dat het beschut is tegen de koude noordenwinden en een

gelijkmatige, warme temperatuur geniet. Daarin schuilt het geheim

van den plantengroei, met de zee het schoonste sieraad der provincie.

Het is bijna ongeloofelijk, maar waar, dat wij in dezen tijd,

waarin het reizen zoo gemakkelijk is geworden en waarin zooveel

dwepers met de natuur haken naar tochten door minder bekende landen

en de banaliteit der modeplaatsen ontvluchten, dat wij in dezen

tijd hier geen enkelen toerist hebben ontmoet, al den tijd dat wij

er waren. Ook de Portugeezen zelf weten zoo goed als niets van deze

mooie provincie. Er zijn twee redenen voor die vereenzaming; de eene,

die wel eenig recht van bestaan heeft, ligt in de moeilijkheid om er

te komen; de andere, zeer ongegrond, berust op een onjuiste legende

van onzindelijkheid.

Het moet erkend, dat op den spoorweg, die Barreiro, het zuiderstation

van Lissabon aan de overzijde van de Taag, verbindt met Tunes, het

middelpunt van Algarvië, de treinen veel te langzaam rijden. Men heeft

bijna twaalf uren noodig met den dagtrein en tien met den nachttrein

voor een traject van 300 kilometers, wat buitensporig is, want de weg

is, met uitzondering van een paar punten, niet lastig, en het lange

oponthoud bij de stations brengt een verlies van tijd mee, dat niet

gerechtvaardigd wordt door drukke handels- of verkeersbeweging.

In Portugal De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 3 / 10 段