in aanraking te komen met die gemeenteraden. Zonder dat onze tocht
eenigszins een officiëel karakter had, waren onze bewegingen
door Portugal in de pers vermeld geworden met veel weelde van
bijzonderheden, en onze doorluchtige personen vonden telkens op hun
verplaatsingen hun komst voorafgegaan door artikelen, die de indrukken
van den vorigen dag resumeerden en die van den volgenden vermeldden,
altijd met de grootste welwillendheid. En zoo was het niet zeldzaam,
dat bij onze aankomst aan het eindpunt voor een dag, we daar op de
markt de notabelen van de plaats bijeen vonden, die met den pastoor
aan het hoofd gekomen waren om hun welkomstgroeten te brengen aan de
vreemdelingen. De pastoor, in civiel, onderscheidde zich door zijn
statigheid en welgedaanheid; hij trad op als de woordvoerder van
zijn gemeenteraad in uitstekend Portugeesch, waar wij op antwoordden
in niet minder uitstekend Fransch, dat we zeer getroffen waren; en
men begreep elkaar vrij goed, terwijl er handen werden gedrukt. Dat
sympathieke in de ontvangst had soms iets roerends, zooals bij dien
notabele van Monchique, die door ziekte verhinderd, aan zijn zoon
opdroeg, erop te letten, als wij passeerden, ten einde zijn geheele
huis te onzer beschikking te stellen; of die magistraat van Portimao,
die tot één uur in den nacht wachtte op het rijtuig, dat de twee
Franschen moest terugbrengen, omdat hij erop gesteld was, hun vóór
hun vertrek de groeten van zijn gemeenteleden over te brengen. Dat
gebeurde in Algarvië, de minst bekende streek van Portugal, maar
misschien wel de interessantste.
Omdat wij van den gemeenteraad hebben gesproken, moet ik enkele
woorden wijden aan de geestelijkheid in Portugal en haar hiërarchische
indeeling. Al is de uitoefening van den godsdienst vrij in Portugal,
de Roomsch-Katholieke is staatsgodsdienst, en de geestelijkheid van
die kerk oefent er grooten invloed uit, vooral op het platteland. Het
koninkrijk bevat drie aartsbisdommen, dat van Lissabon, dat van
Braga en dat van Evora. De aartsbisschop van Lissabon, die den
naam van patriarch draagt, heeft de waardigheid van kardinaal. Die
aartsbisdommen omvatten elf bisdommen en bijna vier duizend gemeenten.
Alleen de aartsbisschoppen en bisschoppen worden evenals de kanunniken
door den staat bezoldigd; de gemeentelijke geestelijkheid wordt
betaald uit de inkomsten der kerk, uit wat toevallig inkomt en uit
een bijzondere gemeentelijke belasting. De kerkelijke plechtigheden
worden met groote plechtigheid gevierd; de kosten worden gedragen
door broederschappen.
De ouderwetsche gebruiken bij doopplechtigheden, trouwpartijen
en begrafenissen hebben overal de neiging om te verdwijnen en in
overeenstemming te zijn met wat men elders ziet. Toch treft men nog wel
dikwijls bij doop en huwelijk in de provincie aan wat genoemd wordt de
"trincheria's", dat is dat een zijden lint van verschillende kleuren
aan elk eind gedragen door twee jonge meisjes, gespannen wordt vóór
de kerkdeur; om er voorbij te gaan, moet de stoet een muntstuk van
koper of zilver offeren. En de trincheria's komen dan telkens weer
voor tot aan het huis, waar het feest is voor doop of huwelijk. Om
de linten naar beneden te doen gaan, moeten er iederen keer gaven
worden geschonken aan de jonge meisjes.
Op sommige plaatsen in het land was nog lang in gebruik een soort
van nagemaakte roof van de bruid; elders werd de godsdienstige
plechtigheid gevolgd door enkele ritueele gebruiken, bijvoorbeeld door
het breken van een aarden kruik of het drinken van een teug wijn door
de verloofden uit denzelfden beker, die dan werd leeggeworpen. Die
oude gewoonten, vaak zoo schilderachtig, verdwijnen langzamerhand; maar
de dansen verdwijnen niet, die genieten bij bruiloften en doopfeesten
nog algemeene populariteit. Op dat punt zijn de gebruiken echter niet
overal gelijk; er zijn streken, waar de bruid met ieder der gasten
mag dansen, en andere, waar het haar alleen geoorloofd is met haar man
te dansen. Die dansen worden begeleid door volksliederen en romances,
gezongen bij de guitaar.
In de provincie Minho bestaat nog de gewoonte, de begrafenissen
te doen volgen door een doodenmaal, dat overvloedig is en waar
de geplengde wijn gedronken wordt onder snikken en zuchten. Ook is
het gebruikelijk, bij die gelegenheid aan het hoofd der familie een
kabeljauw aan te bieden, zoo gelegd op een met een servet bedekten
schotel, dat alleen de staart te zien komt. In de dorpen van Beira
wordt de overledene door al zijn buren en vrienden in den nacht met
licht gehuldigd; ieder brengt zijn kaars aan, steekt die aan en zet
ze langs den muur tegenover het lijk, om dan zijn plaats in te nemen
onder de wakers aan de baar.
Bij de zomerfeesten kan men de volksoverleveringen in hun
aantrekkelijksten vorm terugvinden. De feesten van de Heilige Maagd,
die in het geheele land hoog wordt vereerd, dan die van Sint Jan,
van den H. Petrus, den H. Antonius en de verschillende schutspatroons
der gemeenten zijn vol karakter en hebben veel schilderachtigs. Op de
avonden van Sint Jan en den H. Petrus worden altijd op de marktpleinen
der dorpen kleine vuurtjes gestookt van geurige planten, die geregeld
onderhouden worden. Jongens en meisjes dansen eromheen tot het
aanbreken van den dag, onder het zingen van klaagliederen, vol van
liefde en kinderlijk geloof. Die beide heiligen zijn namelijk voor
het portugeesche volk twee zeer goedige heiligen, die de minnenden
beschermen. De dauw, die in die nachten valt, heeft een weldadigen
invloed, en het water, dat men aan de fonteinen drinkt voordat de
zon op is gegaan, wordt beschouwd als een echte liefdedrank en als
een talisman voor het geluk!
De H. Antonius, de strenge heilige uit de Middeleeuwen, is buitendien
door het volksgeloof veranderd in een echten makelaar in huwelijken;
hij geniet hier als overal elders buitendien den roep van verloren
voorwerpen te kunnen doen terugvinden. Maar het portugeesche volk
houdt niet van omwegen; als het tot den heilige gerichte gebed
niet onmiddellijk verhoord wordt, neemt men tot krasse middelen zijn
toevlucht. Het beeld van den heilige wordt stevig aan een touw gebonden
en neergelaten in een put; het bad duurt tot de heilige genadig is,
en het verlangde wordt verkregen.
Bij alle volksfeesten behooren liederen, begeleid door guitaar,
viool of harmonium. Het muzikale karakter der liederen verandert met
de streek. In het Noorden is het rhythme levendig en vlug; in het
hart der bergen en in de vlakten van Alemtejo is het zwaarmoedig en
langzaam; in het gebied van Neder Beira heeft het een wiegende cadans
als de golven der zee. Het meest algemeen verspreide lied is de fado,
een droevige muziek, die ontroert, door accoorden van de guitaar
begeleid. Met de lang aangehouden en kwijnende tonen is de fado een
weerspiegeling van de portugeesche volksziel, waarop de arabische
invloed een indruk van sentimentaliteit heeft achtergelaten en een
levensopvatting, die iets fatalistisch heeft.
Terwijl wij al de voorafgaande bijzonderheden vernamen van een
vriendelijken geleider, liepen wij vlug door die eindelooze straat
van 24 Juli, die langs de Taag loopt van het Maritieme Arsenaal tot
Belem, en wij naderden het koninklijk Necessidades, het doel onzer
wandeling. Onderweg ontmoetten we veel regimenten, muziek voorop,
stevig doorstappend, jagers en voetvolk, het geweer op den schouder,
de witte draagband eronder, die ondanks hun krijgshaftige houding
hun een verwaarloosd uiterlijk geeft, dat eerst verrast. Het was
het uur van de aflossing der wachtposten, en wij volgden een der
regimenten tot het paleis, onder het geluid der fluiten en bronzen
trompetten. Vóór het paleis aangekomen, stond de wachtcompagnie stil
en schaarde zich op een rij, juist toen uit een dwarsstraat jagers te
paard en lanciers aankwamen. De muziek hief het koningslied aan, en de
plechtigheid der overneming had plaats. Wij zagen bij die gelegenheid,
uitgezonderd de artillerie, de bijna volledige verzameling van alle
typen der verschillende portugeesche wapens.
De haven van Lissabon, waarvan de ligging uit het oogpunt van
schilderachtigheid zoo opmerkelijk is, is de ruimste haven van
Europa. De reede, door de monding van de Taag gemaakt, levert veel
overeenkomst op met de fransche haven van Brest; Almada en Barreiro
doen denken aan Roscanvel en Lanvéoc, en de Barra Grande tusschen
Lissabon en Olivas herinnert aan de Goulet. Dat kanaal, dat meer
op een zeearm gelijkt dan op een rivier, biedt voor schepen van
allerlei diepgang een prachtigen toegangsweg tot de haven; de diepte
is veertig meter in het midden, en is nergens beneden de tien meter
bij den laagsten waterstand. Wat de baai van Lissabon aangaat, die
30 kilometer lang is en 12 kilometer breed, dat is zeker de wijdste
haven der wereld.
Als men bedenkt, dat Lissabon dat punt van Europa is, dat het dichtst
bij de westkust van Afrika is en bij het amerikaansche vasteland;
dat die haven is gelegen op den weg van Indië en China; dat de oude
natuurlijke schuilhaven sinds vele jaren plaats heeft gemaakt voor een
moderne haven, voorzien van de beste maritieme inrichtingen, muren
en kaden, die in elk seizoen en alle zeeën toegankelijk zijn voor
schepen van elke tonnen maat, en dat over een lengte van meer dan vier
kilometer; dat er dokken zijn, waarvan één 180 meter lang is en 25
meter breed, reparatie-inrichtingen, hydraulische kranen van 40 ton,
drijvend dok en voortreffelijke entrepôts, sporen, die alle kaden
verbinden met de lijnen van de Koninklijke Spoorwegmaatschappij,
kan men zich bijna niet verklaren, dat die buitengewoon gunstige
omstandigheden niet beter benut worden ten behoeve van den handel, en
dat Portugal den vreemdeling het meeste voordeel ervan overlaat. Het
moet zeer luid gezegd worden, de haven van Lissabon zou tot een
schitterende toekomst geroepen kunnen zijn. Laat ons hopen, dat het
staatsbestuur, dat voor de exploitatie nu het fransche huis Hersent
opvolgt, dat tot heden concessionaris was, met voorzichtigheid,
zuinigheid, orde en verstand van zaken de belangen der haven zal
behartigen, eigenschappen, zonder welke noodzakelijk elke industriëele
onderneming mislukken moet.
De aanwas der beweging in de haven van Lissabon is langzaam
maar geregeld geweest sedert twintig jaren. Zij vertegenwoordigt
jaarlijks 3 300 000 tonnen; ook het reizigersverkeer is steeds
toegenomen; het grootste contingent wordt geleverd door de lijnen op
Zuid-Amerika. Sinds de Zuid-express dagelijks rijdt tusschen Lissabon
en Parijs, blijkt het meer en meer, dat die lijn bepaald is aangewezen
voor het snelle vervoer.
In den zeehandel bekleeden wij, Franschen, ver van de eerste plaats, en
het doet weemoedig aan, om in een land, waar de fransche denkbeelden
altijd ingang vonden, waar onze invloed in allerlei dingen zich
openbaart, waar de sympathie ons nooit wordt onthouden, om daar op
te merken, hoe door gebrek aan initiatief, door een te dikwijls
ongerechtvaardigd wantrouwen en een sleur, waar de mededingende
volken van profiteeren, wij ons hebben laten voorbijstreven. Een
lid van het bestuur der haven van Lissabon deelde ons mee, wat
hoogst belangrijk was, vooral omdat een Franschman het ons zeide,
dat een van onze fransche groote stoombootmaatschappijen, wier
schepen geregeld de haven van Lissabon aandoen, stelselmatig en bij
verscheiden gelegenheden weigerde, coli's mee te nemen bestemd voor
havens, die zij bedient, onder voorwendsel dat zij geen tijd heeft
te verliezen voor zoo weinig vracht. De koopwaren, die haast hebben,
hoopen zich op de kaden op en nemen van dag tot dag toe tot op den
dag dat het een of ander engelsche schip of een duitsch, die beide
minder kieskeurig zijn, er hun voordeel mee doen.
Hierbij moet nog worden opgemerkt, dat er te Lissabon een Kamer
van Koophandel is, die voor onze reeders en kooplieden steeds de
uitvoerigste en nauwkeurigste inlichtingen beschikbaar heeft; maar wij
verzuimen, daar gebruik van te maken, terwijl anderen er voordeel van
weten te trekken en onze landgenooten dag aan dag klagen over dwalingen
en vergissingen, die den achteruitgang der fransche zaken bespoedigen.
Aan vischvangst wordt in Portugal veel gedaan. Volgens de laatste
statistieken houdt zij meer dan 40 000 visschers bezig, beschikt over
meer dan 6000 visschersschepen, en de opbrengst gaat de 20 millioen
te boven. De rivieren en de kusten zijn zeer vischrijk; sardines
worden langs de geheele kust gevangen, en de tonijn op de kust van
Algarvië. De bloei van de vischvangst gaat den koning zeer ter harte.
Overigens beteekent de nijverheid niet veel in Portugal;
de textielindustrie en de mijnbouw komen nog het eerst in
aanmerking. Linnenweverij en spinnerij houden veel vrouwen in Lissabon
bezig, evenals te Oporto, Coïmbra, Guimaraes, Santarem en Torres Novas;
de waarde van de gemaakte fabrieksgoederen overtreft jaarlijks de 15
millioen francs. Behalve voor weefsels is het vlas ook de grondstof
voor een nationale industrie, die terecht beroemd is, het kantwerken,
dat vooral wordt uitgeoefend in Vianna, Lagos, het schiereiland Peniche
en te Setuval. Al in hun prilste jeugd leeren de meisjes met de spoelen
omgaan, en in veel kantwerkscholen wordt de vaardigheid verhoogd.
Wat den mijnbouw aangaat, al heeft Portugal geen mijnen, die in rijkdom
van opbrengst kunnen wedijveren met de mijnen van Rio Tinto in Spanje,
toch zijn er mijnen van beteekenis. Koper vooral is er in overvloed in
de provincie Alemtejo, waar de Sint-Domingomijnen en die van Aljustrel
een goede opbrengst hebben. IJzer, tin, lood, antimonium worden op
vele plaatsen gevonden en de mijnen worden geëxploiteerd door meer
dan 350 concessionarissen.
Maar de ware rijkdom van Portugal ligt in zijn landbouw. Herhaaldelijk
zal men in dit te vluchtige reisverhaal beschrijvingen ontmoeten, die
van den weligen plantengroei op portugeeschen bodem gewagen. Alleen
het gezicht van die verschillende landschappen onder hun uniform
en diadeem van groen kan een denkbeeld geven van de mildheid van
Portugals bodem. Van de oevers van de Minho tot die van de Guadiana
heeft men het gevoel, door een onafgebroken tuin te gaan of door
een uitgestrekt park. Alemtejo zelfs, hoe vlak en kaal het schijne,
vooral in vergelijking met de naburige streken, ziet er met zijn
groene weiden en onmetelijke korenvelden bloeiend uit.
Veel bosschen, waarin eiken overheerschen, maar allerlei boomsoorten
voorkomen, beslaan een oppervlakte van 1 200 000 hectaren. De
druif, gekweekt overal in het koninkrijk, bezorgt het land een
bloeienden uitvoerhandel. De oppervlakte aan wijnbergen is ongeveer
220 000 hectaren en de jaarlijksche opbrengst bij de zes millioen
hectoliter. De wijn heeft een aangenamen smaak; maar een wat te sterk
alcoholgehalte voor ons verwend gehemelte; ik herinner hier terloops
aan den portwijn, die wereldberoemd is.
In een zoo vruchtbaar land vindt men natuurlijk veel vee, daar het
overal voldoende voedsel kan krijgen, aan den landbouw onschatbare
diensten kan bewijzen, en het aangewezen middel van vervoer is in
streken, waar de rivieren niet goed bevaarbaar zijn en de spoorweg
nog slechts een klein terrein bestrijkt. Daar komen dan ook bijzonder
mooie exemplaren voor van paarden, ezels, muilezels en vooral van
runderen. Die laatste zijn er in groote verscheidenheid; ze munten
uit door de hoedanigheid van het vleesch, den melkrijkdom en de groote
kracht. Het Barrova-ras munt boven dat van alle andere streken uit door
den vorm van den kop en de buitengewone ontwikkeling der horens. Onder
de herinneringen aan de buurt van Oporto komt op den voorgrond die
aan deze beesten, met hun intelligente oogen en zachtgewilligen
aard, twee aan twee onder een juk gespannen en loopend met gekruiste
horens. Reuzenkudden van schapen en geiten brengen levendigheid in
de bergachtige streken; en in het land van Tras os Montes, Minho,
Beira speelt het varken de groote rol, die het bij ons in Bretagne
heeft. In het kort, volgens een nog pas verschenen statistiek bereikt
het aantal stuks vee ongeveer 6 400 000, zoo wat 70 per vierkanten
kilometer en 1262 per duizend inwoners.
Het zal dus geen verbazing wekken, dat de uitvoerhandel, die zoowat
200 francs per jaar bedraagt, vooral steunt op landbouwproducten;
alleen het vee is er voor bij de 20 millioen in betrokken en de wijnen
voor meer dan 60 millioen. Bij den buitenlandschen handel overtreft
niettemin de invoer den uitvoer; maar wij, Franschen, komen daarbij
eerst op de zesde plaats, ver achter Engeland en Duitschland.
Zoo is ongeveer de economische toestand van Portugal. Nu heeft het
land zware crisissen doorstaan, en zijn financiëele toestand heeft
dikwijls groote teleurstellingen verwekt; maar al kan het er dan geen
aanspraak op maken, om in de toekomst den rang te hernemen, dien het
innam in den roemvollen tijd, toen zijn vlag over alle zeeën wapperde,
toen zijn stoutmoedige zeevaarders voor hun vaderland een onmetelijk
koloniaal rijk hadden veroverd, het zou onrechtvaardig wezen, de
bronnen van rijkdom over het hoofd te zien, die Portugal een zeer
eervolle plaats kunnen verzekeren onder de volken van Europa.
Men zou zich intusschen kunnen afvragen, of er geen groote
bezuinigingen zouden zijn aan te brengen in het bestuur der publieke
zaak, of het aantal militaire betrekkingen niet ver de behoefte
te bovengaat, of er wel een boven alle kritiek verheven strenge
plichtsbetrachting bij alle ambtenaren heerscht; maar welk land kan
zich in al deze dingen vrij pleiten? Zou het land er niet bij winnen,
als er een vaster hand aan het bestuur was, als de koning in de
geregelder bijeengeroepen Cortes meer zijn invloed liet gelden? Zou
een zakenkabinet niet ver te verkiezen zijn boven een politieke
regeering in een land, waar de politiek zoo dikwijls rampen over het
land heeft gebracht? O, die eeuwige verdeeldheid, waar de besten in
ondergaan, terwijl het land er geen voordeel van heeft! Conservatieven,
regenerado's, progressisten, en dat terwijl er een republikeinsche
partij voor de deur loert, slechts wachtend op een gelegenheid, om
te profiteeren van de verdeeldheid der tegenstanders en het roer in
handen te nemen.
Wij wenschen van harte aan het sympathieke Portugal een wijze
regeering, die enkel het algemeen belang op het oog heeft en industrie,
handel, landbouw weet te doen vooruitgaan, die de latente rijkdommen
van het land weet te exploiteeren, die eindelijk met de Kamers
samenwerkt, om de orde in de financiën te herstellen en aldus voor
Portugal een weg tot voorspoed opent.
De groote hoofdsteden zijn lang niet alle even goed bedeeld, wat
haar omstreken betreft. Uit dit oogpunt bezien, bieden de beide
hoofdsteden van het Iberisch schiereiland wel een bij zonder scherpe
tegenstelling. Zoo kaal en doodsch en eentonig de omstreken van Madrid
zijn, zoo heerlijk veel schaduw, kleur en verscheidenheid bieden die
van Lissabon aan. Terwijl Madrid in een omtrek van tien mijlen buiten
het Pardo (en hoe dan nog) geen enkel mooi plekje voor uitstapjes heeft
aan te bieden, biedt Lissabon aan reizigers en toeristen in een kring
van veel geringer uitgestrektheid de lachende stranden van Estoril en
Cascaes, het wonderschoone landschap van Cintra, zonder nog te gewagen
van de wandelingen aan de Taag, met de mooie uitzichtspunten, van de
kust van Setuval en van de uitstapjes in de streek van Estramadura,
waar de schilderachtige kleederdrachten in het aardige landschap des
te beter uitkomen.
Op die verschillende wegen, waar wij de lezers denken te brengen,
zullen de koninklijke paleizen ons als bakens dienen. Al laat hun
bouwtrant soms wat te wenschen over, het moet erkend, dat de plaatsen
met smaak zijn gekozen en dat de natuur voor alle een onvergelijkelijk
kader oplevert. Er zijn er niet minder dan zes, in Lissabon en in de
onmiddellijke omgeving. Necessidades, Ajuda, Belem, Cascaes, Koninklijk
Paleis en Pena te Cintra, en nog moeten erbij gevoegd Queluz, Villa
Viciosa en Mafra, waarover wij te gelegener tijd iets zullen zeggen.
Voor de poorten van Lissabon, men mag wel zeggen in Lissabon, want
de grenzen der stad zijn moeilijk precies aan te geven, staat op een
hoogte boven Belem het kasteel Ajuda, de gewone residentie van de
koningin-moeder Maria Pia. Deze weelderige woning, met haar edelen
gevel, is nog niet voltooid. Het oorspronkelijke plan was te weidsch,
en de uitvoering zou zulke uitgaven hebben noodig gemaakt, dat na
de voltooiing van den zuidelijken vleugel en den oostelijken gevel
de koninklijke schatkist er genoeg van had. Een bevel van hoogerhand
moet den bouw plotseling hebben doen staken midden in het werk, want
de bogen aan de westzijde van het eereplein zijn blijven hangen in het
ledige en hun vreemde silhouetten geven aan het paleis een atmosfeer
van stilte en verlatenheid.
Het Ajudapaleis onderscheidt zich door de grootschheid en den
rijkdom van de zalen, waarvan de mooie parketvloeren van verschillend
gekleurd hout de sierlijkste arabesken vertoonen. De zalen beneden
zijn maar matig interessant, maar die van de eerste étage hebben iets
werkelijk koninklijks door hun omvang, de hoogte der plafonds en de
schoone harmonie der verhoudingen. Op de wachtzaal, de grootste van
alle, volgen de salons van Jan IV en Jan VI; de troonzaal, met de
drie koninklijke zetels onder een prachtigen fluweelen troonhemel,
neemt den zuidelijken hoek van het paleis in. Het gezicht, dat men er
heeft op Lissabon en de Taag is onbeschrijfelijk mooi. In een complex
van huizen en tuinen vertoont zich de stad op de zeven heuvelen; wij
zien hier neer op de onmetelijke haven met haar schepen van allerlei
soort en de drukte der kaden; heel aan den horizon wordt het wijde
estuarium van de Taag nauwer en verliest zich in de velden; van de
hoogten van Palmella daalt de blik naar Barreiro, half verborgen door
kaap Cacilhas en den heuvel Almada, volgt dan den tegenoverliggenden
oever van de rivier en dwaalt af naar de zee, terwijl aan onze voeten
de sierlijke toren van Belem zich in de golven van de Taag spiegelt,
en de bevallige koepel van het klooster van Jeronimus zich afteekent
tegen de lucht.
Door de eindelooze Ajudastraat dalen wij weer af naar Belem. Het
kasteel van Belem heeft iets bescheidens en de appartementen zijn
eenvoudig en deftig.
Ofschoon het nauwelijks de moeite van een bezoek loont, is alleen
de verzameling rijtuigen een lang bekijken waard. Er zijn twee
zalen voor bestemd; een, aan den zuidkant van het kasteel aan het
Ferdinandsplein, bevat de koetsen van de oude koningen; de andere
daarnaast de galarijtuigen van het hof. De negen in die laatste zaal,
voor het meerendeel van engelsch fabrikaat, zijn prachtige exemplaren
van de moderne carosserie; met de breede zittingen van rood damast en
de sobere, smaakvolle versieringen; maar de zaal van de oude koetsen
is een wonder; de 21 daar bijeengebrachte wagens vertegenwoordigen
een geheel, dat een volkomen eenige collectie vormt; de meeste der
rijtuigen dateeren uit de 18de eeuw.
Het oudste is dat van Filips II, koning van Spanje en Portugal,
dus uit het eind der 16de eeuw; de vorm is eenvoudig, en de lederen
banden, waarmee de groote koets van buiten bekleed is, zijn versierd
met een groot aantal spijkers van verschillende grootte, wat een
origineele decoratie oplevert. Men staat ook onwillekeurig stil vóór
den triomfwagen, die aan de spits reed bij de officiëele ontvangst van
den markies de Fontes, Don Rodrigo de Menezes, gezant in diplomatieken
dienst naar het hof van paus Clemens XI; de mooie allegorische groepen,
die er voorop en achterop staan, de rijke bekleeding, waar de wielen
zich onder verschuilen, vormen een tegenstelling met den eenvoud
van den bak; er waren twintig paarden noodig, om het enorme rijtuig
te trekken.