--Hè! 'k ben net naar u op weg.
--Sau! Dat gebeurt je-n-auk nie te dukk'els.
Blij is zij, Maandag weer te zien, en trekt een pruilmondje op zijn
verwijt.
--Hoe make de kinders 'et?
--Best. Da' gaat goed.
Zij hoort de verandering in zijn stem, tot hartelijke, innige
ernst. Hij wéét, dat zij deelt in deze voldoening! Verheugd draait zij
met hem de Nadorststraat in, wacht op de vraag, die hij niet stelt,
zwijgt dus ook--straks zullen zij praten.
Getikt bij juffrouw Tabbe:--geen antwoord.
--Da's jammer, dan ben ze metter uijt.
--'k Heb de tijd, gelukkig, venavond.
--We hauren et wel as ze bauve komme.
En de deur van zijn woning achter zich sluitend:
--No' fertel, wat is-t-er gebeurd?
Zij lacht luid op. Die goeie meneer! Hij kijkt haar aan, of ze wàt
voor gewichtigs heeft te vertellen.
--Gebeurd? Niks!
--Sau.
Hij loopt naar de bedstee, haalt zijn huisjas.
--Hoe is Grau'fa fer je geweest?
--Och, nog al goed.
Nu zitten zij. Net als toen, in die droevige dagen.... De kamer
lijkt Geertje nòg leeger en holler; toch doet het haar goed, weer
hier te zijn.
--Zal ik thee zette?
--D'er is d'er geen.
--Krijgt u die dan ook benee!?
Ja, hij gebruikt nu alles bij buurvrouw. Anders wordt het leven te
duur, met het kostgeld dat hij betaalt. 't Is, nou ja, wel eens minder
gezellig, omdat hij toch het liefst maar hier zit en niet onbescheiden
wil wezen; zijn bakkie drinkt en dan gauw verdwijnt. Maar de heele
regeling is zoo'n verbetering in alles. Buurvrouw zorgt zóó goed voor
de kinders....
--Ja, en da's no' gekomme dur jau. Froeger ha' me d'er nauyt an
gedacht.
Geertje zwijgt. Haar gemoed schiet vol. Arme, goeie eenzame Maandag; 't
eenige, dat hij had op de wereld, waren die kinders, en nou--alleen. 't
Zijn nou juffrouw Tabbe d'er kinders. Hij zit met ze aan, beneden:--als
gast. Waarom is zij niet teruggekeerd? Hij zelf heeft gezegd, dat
ze beter niet kwam; dat het op den duur niet gaan zou. Vreemd is
hij geweest, maar ze hééft begrepen, dat hij het waarlijk liever
zoo wou: om de kinders, uit angst voor buurvrouw. Toen ook hij als
de anderen sprak, is ze gezwicht, en toch.... ze weet niet, is zij
niet ondankbaar geweest, heeft hij het heusch liever zoo gewild? Zij
durft er hem niet meer over spreken. Met vreugde opent zij haar pak.
--Dan een perzik.
--Maid! wa' no'!....
--Van Groeneveld, 'et buite bij ons. Gisteren zelf van de tuinman
gekrege.
Hij laat de vrucht liggen.
--Eet u die nou. Ik heb er meer. Voor de kinders en ook voor benee.
En ze stalt uit: ze heeft er acht!
Lachend:
--En wàt lekkere koekjes! Van de eerste bakker in 't dorp.
--Ben d'er méér bakkers?
--Ja zeker, wel drie!
Ze lacht. Maar opeens, met een schuldbesef. Groo'va heeft het haar
gezegd: voor al zijn onkosten van haar ziekte heeft Maandag geen cent
vergoeding willen aannemen. Zelfs het rijtuig, waarmee ze naar het
ziekenhuis is gevoerd, heeft hij betaald. Dit moet hij hooren:
--Groo'va is u nù wel dankbaar. Hij erkent zijn ongelijk.
Strak laat Maandag de woorden vallen:
--'k Heb 'un briefje fan im gehad.
Weer is er zwijgen. Dan valt hij uit:
--Fertel je no' niks! Hòe is 't gegaan?
Geertje, traag:
--.... Och.... niks.... Och zoo. Ik ben d'er tweemaal an huis
geweest. Willem z'en moeder lag ziek te bed. 'k Heb d'er eene keer
effe gesproke. Z'en zusters ware anders as vroeger. Of ze wat giste,
weet ik niet. 't Kan ook zijn, da'k et me verbeeld heb--'k von'
de mense allemaal anders, Domenee en et heele dorp....
--M'ar ben je-n-opgeschaute mit Wullem?
Ze zwijgt. Ze kàn deze dingen niet zeggen. Waarom dringt Maandag toch
aldoor méé aan, dat ze Willem nemen zal? Zij hòudt van Maandag, ze
is hem zóó dankbaar, het ergert haar--en dit juist doet haar pijn--,
dat zelfs hij haar niet begrijpt.
--Is 't er dus nog niet daur? houdt hij aan.
--Nee! zegt ze strak, bijna vinnig; hem aanziend.
Hij staat op en opent de deur. Terugkomend:
--'k Dach' da'k de kinders d'ar haurde.... En.... je nich', was
die geschikt?
Ja, die was heel lief geweest. Liep haar na met melk en eiers. Een
goed mensch, die ouwe nicht Bet.
--Groo'va wordt oud en drommels lastig! 'En zege' dat ie nicht bij
zich heeft.
--Anders mos' jai.
--Ja, anders most ik....
Geertje zegt het, maar meent het niet. Ze kan zich niet voorstellen,
dat het zou moeten, dat ze voorgoed met Groo'va zou zijn! Deze veertien
dagen hebben al zoo lang geleken, ofschóón de tijd is meegevallen,
nadat zij er tegen had opgezien van het oogenblik af dat Mevrouw gezeid
had:--"Wij gaan op reis en jij met kostgeld".... Gesnakt heeft ze soms
om thuis weg te komen, en toen ze gisteren weer in de stad was, de Maas
zag, de lichtjes, de masten der schepen.... ze heeft zich herinnerd:
een avond met Hem, toen z'ook van huis kwam en Hij haar haalde.... en
tòch leefde zij op, was blij, als bevrijd van een last: weer vrij!
--'k Zou in 'en dorp nie' meer kunne wenne.
Maandag, pijpdampend, verslikt zich, hoest. Dan op eenmaal, vertelt
hij, druk, van de kinders, hun leven bij Buurvrouw: Tabbe, die
ook heel goed voor ze-n-is; de wichten, ze komen bij met de dag,
Buurvrouw verzorgt z' als eigen kroost--'t mensch heeft altijd naar
kinders verlangd. Wanneer het nu maar zoo mag blijven:--van zijn
zuster hoort hij niets....
--Zou ze nog in Amsterdam zijn?
Hij haalt de schouders op:
--Of dood....
Vreemd-opgewekt, praat hij van zijn werk en spot met Oom, de
sigaren-kenner. En plotseling weer begint hij van 't dorp, of 't er
niet prachtig was, nou met de zomer.
Geertje verhaalt van Groeneveld, de bakken met druiven, de rozen,
een veulen dat in de wei z'en moeder nasprong.
--Kon Piet dat 'es zien!
Maar hij nu weer:
--En op Heukelman's boerderai?
Verlegen-plagerig ziet hij haar aan. Zij ziet de verlegenheid,
God-nog-'es-toe! wat heeft hij haar toch daarmee te plagen!
--Waarom ben u nou zoo flauw? 't Is toch al zoo moeilijk voor
me. Willem laat niet van me-n-af, nou zei ie dat ie hier wou komme.
--En jai, wil je niet?
--Néé, netuurluk! Dat ù dat vraagt, die alles weet. Ik wil niet trouwe
zonder liefde.
--En kùn je niet van Wullum hauwe?
--Je houdt toch niet van twee tegelijk!
Ernst-stralend staren zijn oogen haar aan. Een blos toog over zijn
grauwe geelheid. Hij frunnikt aan zijn pijp, vaart op.
--Dar sain ze.... Wacht! ik haal se hier.
Zij is opgerezen na hem. Hoog staat zij en staart in de eenzame
kamer. De leege kamer, vol voor haar. Zij staart, zij kijkt niet,
z' is ìn het geheel; en toch spreken alle dingen en dringen elk
met eigen weemoed. Hier heeft haar liefde het laatst gehoopt. Z'
is zóóveel ouder na al wat gebeurde.
Dat voelt ze, wanneer ze maar even alleen is. Bij menschen spreekt
en lacht zij mee, houdt de schijn op van jonge Geertje. 't Liegen
heeft ze nu wel geleerd. Vaak waart voor haar zelf de schijn door het
wezen; weet ze niet, wat haar drijft, wat ze wil; waarom ze bleef,
in dienst, bij vreemden.... Deze kale kamer weet het. Weet, hoe zij
is afgescheurd.
D' ontroering stuwt haar vóór de bedstee. Dáár stond Groo'va en
Willem naast hem. In het zwart waren allebei. Twee vermaners, twee
verwijters. Zij wachtten, gekomen om haar te halen. Toen zij hen
zag, heeft ze dóódsangst gevoeld. Of zij kwamen met de kist. Gegild
heeft ze, dat men haar hier moest laten--maar ook Maandag gaf Groo'va
gelijk. Toen is alle besef haar ontvloden, kreunend in leedhebben is
zij verdoofd, en ze wéét verder niets bepaalds meer--tòt, toen zij
lag, strak, versuft, máár bewust, onder vreemden, niets dan vreemden,
in die kamer met vele bedden, vele bedden, alle hetzelfde. Zij was
blijven leven, maar alles was dood. Nu was kindje zéker dood. Als
een gezwel was het uit haar gesneden, weggeworpen, of het een ding
was, zonder dat de moeder kon helpen. Haar bleef enkel de rouw, en de
schande, waar zij aldóór over moest hooren. Want òm haar kilde slechts
de vermaning van louter menschen net als Groo'va. Ook haar laatste
gevoel voor Groo'va is gestorven in dat huis. In al wat daar bitste,
herkende zij hem....
Met moeite doet zij vroolijk tegen de kinderen, die plots op haar
komen toegejoeld. Gelukkig zijn daar de perziken. Ze kan vertellen
van Groeneveld. Dan komt vrouw Tabbe met Maandag zijn "bakkie"
en een kleiner kop voor Geertje. Maandag glundert bij zóóveel
goedgeluimdheid. Maar de kinders haalt buurvrouw weg. Geertje geeft
de koekjes mee.
In de schemerende kamer hokt het gesprek. Maandag vraagt, of Geertje
nog wat kan blijven. Dàn durft zij:
--Weet je niks van Jan?
Nog altijd kan zij er niet aan wennen, den oudere, den vriend van
Oom, anders dan met "u" aan te spreken. Maar wetend dat het "je" hem
plezier doet, vergemakkelijkt z' er de vraag mee, die in haar brandde,
die aldoor brandt.
Hij--ja zeker, hij wéét wel wat! En dat antwoord brandt nu in
hem. Heins houdt het met een van de meiden van Stevens, die het beter
aanleit dan Geertje gedaan heeft, hem meevoert naar koffiehuis en
kemedie, dat de heele stad hen ziet. De lust tot spreken gulpt op in
Maandag. Maar hij denkt aan de kalme koelheid, waarmee Geertje vroeger
zijn wraaklust gestriemd heeft; aan haar, met niets te verwoesten,
geloof, waardoor, toen hij van Jan's scharrelen repte, z' onmiddellijk
het antwoord klaar had, dat Jan daarmee trachtte haar te vergeten. En
hij zwijgt, kijkt ontroerd naar haar, blozend wanneer hij haar oogen
ontmoet. Aarzelend, verlegen verwijt hij:
--Keu je-n-um m'ar nie' fergaite?!
--Vergete!?!
Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nòg dieper weg,
maar er stijgt een ontroering van geestdrift, die hoog boven het
and're gevoel gaat.
Weer dekt het zwijgen beider gedachten. Tot een kleinigheid afleiding
brengt. Een kind in de straat dat leelijk hoest, doet Maandag spreken
van Mietje's kwaal, die deze zomer gelukkig uitblijft; verleje jaar,
net in de warmte, was 't erg. Ook d'er moeder als meisje had 's zomers
er last van. Die d'er jeugd is door dat hoesten bedorven. En zoo'n
gesukkel verklaart zoovéél. Als je alles weet, vergeef je. Bet zou
niet geworden zijn die ze nou is, wanneer ze zich niet zoo had moeten
ontzien en niet ontzien had moeten worden, toen zij een opgroeiende
deern was. Da's met de meeste van die meiden, waar de wereld zoo fel
over oordeelt.
--Ja...., aarzelt Geertje, schuw voor de kwestie.
Maar Maandag gaat er over door. Geertje, mijmerend en onthutst nu,
luistert ongeregeld, hoort zenuwachtig brokken van zinnen, begrijpt
niet, waarom hij spreekt van die dingen. Hij zegt, dat hij wel zulke
vrouwen gekend heeft. Geertje zal het van hem niet hebben gedacht. Maar
waar moest hij anders wat liefde zoeken? De behoefte dááraan steekt
ieder mensch. Nijdig, woest-nijdig is hij geweest, toen hij ook bij die
vrouwen enkel teleurstelling vond. Ook die toonden niets dan afkeer van
hem en hij gaf er toch al zijn geld aan.--Och, ben je bedonderd, zei
een kennis tegen hem, dach'-ie, dat er ooit een meid was die voor d'er
lol ging met elke vent?--Maar met hèm was het nog wat ergers. Dezelfde
die met andere jongens vroolijk waren en vriendelijk, deden stuursch en
grof tegen hem. Dáár heeft hij heel veel onder geleden. Eens was hij
met een kennis gegaan. Zij klampten samen twee vrouwen aan. De eene
was een forsche bruine, groote oogen, een mooie lachmond. Luidruchtig
sprak die van pretmakerij. Maar toen de andere vrouw met de vriend
ging, bleef ze staan en zei geen woord meer. Eén zoo'n avond was
erger voor hem dan jaren geplaag van de jongens op school. Maar
daarop is hij na gaan denken. Bij al wat je met een ander doorleeft,
moet je je denken in die zijn toestand. Als de menschen dat beter
deden kwam er minder oneenigheid. Hij dacht: die vrouw is wat beters
gewéést. D'er zijn maar heel weinig publieke vrouwen de bree'e weg
op gegaan uit ontuchtigheid. Zoo'n meid is, wat de menschen noemen,
"gevallen". Eenmaal heeft z'een lief gehad, die d'er de herinnering
heeft gelaten van het heerlijkste geluk.--Was 't wonder, dat ze met
hèm geen plezier had? Bij die mooie herinnering?.... Toen kreeg hij
nog ééns het wanhopig verlangen om toch ook dat geluk te vinden. Hij
werd weer kuisch: uit verlangen naar liefde. Tòt hij begreep:--ik kan
het niet hebben. Hij mocht niet, hij wou niet.... of.... zijn verstànd
zèi, dat hij niet wou. 't Redeneerde zóó, zijn verstand: Een vrouw,
die wezenlijk van hem hield, zou, in de bijslaap, moeten denken:
'k wil een kind, dat op hem lijkt. Nou denk es an, zijn gelijkenis!
Maandag lacht, een triest grimas. Even zwijgt hij, en gaat dan voort:
De voldoening over het overwinnen door de redeneering is ook een
gevoel, ook een gevoel van sterk geluk, zoo goed als overwinnende
liefde. Nu leeft de geslachtsdrift in hem niet meer. Hij weet nu
geestelijk lief te hebben. Geestelijk en anders niet. Probeert zelfs,
niet jaloersch te zijn. Is ommers al vader, ook, van twee kinders!....
Geertje luistert, vreemd ontroerd. Eerst heeft zijn praten haar droef
verbaasd. Hij, ook hij zag in haar zoo'n vrouw!? Waarom anders over
die dingen gesproken?.... Toen heeft zij beseft, dat hij het zoo
niet bedoelde. Dikwijls begrijpt zij hem onvolkomen, raadt naar de
strekking van zijn gezegden. Maar zij vòelt nu zijn smart en zijn
kracht, voelt ook wel dat hij haar hiermee wil troosten, schoon zijn
gedachten haar verder ontglippen.
Hij voelt opeens verlegenheid, dat hij zich zoo heeft laten gaan,
zóóveel over zichzelven gesproken. En weer begint hij over zijn
zus.... nou is ze zìek, verrot is d'er lichaam en ze wàs zoo'n knappe
meid. D'er eerste vent ook zoo'n knappe kerel. 'En paar jaar waren ze
dol op mekaar. Ook Bets-en-zijn ouders waren knap. Maar 't schijnt,
dat hun grootvader heeft gezwijnjakt. Die heeft de schurft gebracht
in de femielje; 't is gebleken in 'et tweede gelid.... Twee broers
en een zusje jong gestorven. En de derde broer loopt met z'en bult!....