I.

--Goeie nacht!....--Nacht Geertje....

Ze hebben haar wel te rusten gewenscht, Meneer en Mevrouw, zonder

haar te zien, zonder dat zij hen gezien heeft. Elken avond net

hetzelfde; als slot van de dag de kille plichtpleging op de mat,

waartoe de groet, die zij aanvankelijk in de kamer kwam brengen, al

gauw is afgesleten. Maar waarom zou zij beters verwachten? Mevrouw

is vriendelijk, nogal geduldig. Meneer zegt nooit iets, alles is goed.

In de donkerte kraakt de sousterrainstrap, kraakt nog eens, dan staat

ze beneden. Van de straat komt dof gerucht. Hier aan den achterkant

leeft zij begraven. De stilte verschrikt slechts haar eigen geluid,

òpschrikkend vlak achter haar. Door 't korte smalle gangetje--de deur

van de logeerkamer, die de voorhelft van het sousterrain inneemt,

voorbij--gaat ze tevens langs de deuren van het kolenhok en van

haar kamertje. Dan is er de open deur van de keuken. Daar glanst de

tegelwand onder de gasvlam, glinstert de pekel boven de gootsteen;

er lauwt een lucht van gebraden vet. De keuken is laag en niet groot,

toch hol; in de bedomptheid schaduwt het nog. Vlak naast de vlam

snijdt het langwerpig-vierkante licht-en-luchtgat den muur juist

boven de keukentafel open. Er kunnen twee matglasramen tegen gezet,

maar die liggen op de glazenkast. Dag en nacht blijft het gat geopend

en dringt er lucht door tusschen de tralies, aan de buitenkant in de

muur opgezet. Een van haar eerste avonden, in Juni, heeft Geertje

tusschen die tralies donkere, heel kleine oogen zien fonkelen, en

met een schreeuw is ze opgevaren, heeft de ramen gegrepen, in 't gat

gekletst, waarna ze rillend is blijven staan. Mevrouw heeft haar tot

kalmte gebracht: geen rat, geen muis komt ooit hier binnen. Gerust

is Geertje sedert nooit, maar de lucht! er moet wàt lucht zijn! Ze

weet toch al niet hoe te doen van benauwdheid. Als de lesjeerkamer

openmocht, de deur en de ramen, dan kwam er tocht. Maar Mevrouw in

d'er nettigheid, kan je begrijpen!--"Geertje, nee', geen keukelucht,

waar me logées later moeten slapen." Muf blijft de kamer aldoor

gesloten en zij hier achter, ze walgt soms, ze stikt.

Het is of de avonden 't ergste zijn. Wanneer, vroeg, duisternis valt

door het lichtgat: het verlaten, trieste plaatsje, waar over-dag

ook nog wel eens een stem plotseling door de stilte heen ketst of

't gerucht van een bezigheid schraapt, hooger en hooger oplost in

schemer, zoodat Geertje, even het hoofd vóór de tralies, met verbazing

ziet, dat de hemel nog licht is; dan draalt zij, uit vrees voor meer

hitte en voor muggen, maar eindelijk laat zij het gaslicht ploffen

en angstigt nu de nacht tegemoet, de looden-loome, niet-koelende

nacht. Haar eenzaamheid is een gevangenis van opgesloten-benauwing,

een lauwe broeiing, zonder uitweg.

Waar de stoving het ergst is, moet zij slapen. Op het vensterlooze

vertrekje, in den dooden hoek van het sousterrain, waar het plaatsje

heeft opgehouden, is de ruimte voor het nog donkerder kolenhok

uitgespaard; achter het hok donkert hittig haar bedstee.

Zij aarzelt nu in de keuken rond, valt eindelijk neer op de stoel

bij het luchtgat. Ze snakt naar lucht, èffe, vrij in de lucht!

Maar Mevrouw heeft 'er een standje gegeven, toen ze eergisteravond,

nadat ze de gerepereerde laarzen van Meneer had aangenomen, aan de

deur was blijven staan.

--Dat past toch niet. 'k Dacht dat jij dat wel wist.

Uitgaan mag ze, op d'er avond. Maar ze wil de straat niet meer

op. Schuw is ze van de straat, van de menschen. Schuw--deze kelder

is óók een toevlucht.

De laatste Juni is 'et gebeurd, toen ze net een week hier in huis

was. Ze dacht aan niks as an d'er werk, 't viel toch al zwaar, zoo

derekt op 'er ziekte. Te zwak was ze, om verder te denken. Dit mo'st

nou, dit had ze zelf zoo gewild.--Mevrouw was goed voor der, zij dee

d'er werk: geen hoofd had ze meer voor prakkezeeren. En daar is zij

Hem tegengekomen!

De grond heeft niet gedeind, de straat heeft niet gedraaid; ze zag

hem opeens, en had ééne gedachte: dat ze doorloopen moest, gewoon doen.

Het oogenblik zelf was het moeilijkste niet. Toen hij voorbij was,

brandde de smaad: luisterend naar de heer met wie hij liep, had hij

glimlachend, met lachóógen naar haar gekeken, haar áángekeken, vlak in

het gezicht, niet gegroet, gekeken--hòe! De pijn is als een brandwond

geweest--die voel je evenmin da'lijk het ergst. D'er twee boodschappen

heeft ze kunnen doen. In de winkels àl gezeid wat ze moest. Toen is

ze in een roes naar huis gesneld, heeft boven de antwoorden opgezegd

en hier benee is ze weggeschuild in een verlangen van: niet meer hier

weg, nooit weer de straat op--de straat-met-Hèm....

Maar de nacht, toen ze lag, onmachtig, onmachtig in droomen, niet

wetend, op 't laatst, of zij droomde of ijlde of dacht!

Angstig, moe, was ze ingeslapen, diep in de bedstee bang zich

verbergend. Maar rauw na het zoete wegzijn in slaap, is zij, al in de

voornacht, ontwaakt, niet wetend, waar was zij!? nee, duisternis, nee,

zij was niet meer ziek, zij lag hier in 'er bedsteê--gedróómd had ze,

van die zaal, met Hem.

Ze is, half overeind, op haar elleboog gaan steunen. En àlmaar heeft

ze geprakkezeerd:--voor het éérst met de meening der anderen mee. Met

Oom en Groo'va en Tante en Maandag en Willem en Dominee Gobius, die,

ieder op zijn eigen manier, haar tegen Jan hebben opgestookt. Gepriemd

zijn hun woorden haar door het hoofd. Jan is dit en Jan is dat,

haar heeft hij ongelukkig gemaakt, liefde nooit voor haar gevoeld....

Ze heeft niet gehuild--slechts geprakkezeerd, àlmaar vóór zich die

oogen, die oogen, spottend-vroolijk, lachend haar aanziend!

Tot zij, in de broeiing der bedstee, gerild heeft van moeheid,

is ingeslapen....

Toen zij ontwaakte, was het nog nacht.

Onmiddellijk is zij klaar wakker geweest, in een gevoel, of een

lichaamspijn haar uit de slaap had weggetrokken. Maar zij wist ook

dadelijk: het onherstelbare deed haar lijden, iets veel ergers dan

pijn aan het lichaam. Dat onherstelbare wàs er al; zeker. Weken lang

had ze zich opgedrongen, dat ze 't vergeten zou, dat ze vervuld was

met andere dingen:--eerst met de vraag waar ze blijven zou, toen met

haar dienst. Maar die nacht was het weergekomen.

Hij had haar niet lief. Waarom toch niet! Was ze niet knap genoeg? niet

vroolijk? Wat kon hij tegen haar hebben gehad? Dat hij nu keek,

of hij met haar spòtte!.... Om de miskraam? Nee! dat niet. Zóó

slecht was hij niet, haar Jan. Trouwens, naar 't kind had hij nooit

verlangd. Integendeel, juist toen ze zwanger bleek, was hij minder

van haar gaan houden. Hoe kon hij dan nu zóó tegen haar doen?

Twee gezegden, beide van Maandag, hebben telkens haar denken gepijnigd.

--"Heins is geen man die zich hecht 'an 'en vrouw, an jou zoo min als

'an een ander."

--"Dach' ie dat je z'en eenige was; vraag es met wie-d-ie 'et nou

weer houdt!"

Zou het waar wezen? Zou hij zóó zijn?

Een gulp van afgunst heeft haar doorwoeld. Strak in de duisternis

staarde haar blik.... Op haar elleboog ingesoesd is zij.

Toen, in die nacht, is dat nog gebeurd. Zij heeft hem weergezien in de

slaap. De droom bracht hem tot haar, den man dien zij liefheeft--dien

zij eeuwig beminnen zal. En ellendig is zij ontwaakt.

Of ze dronken geweest was, trillend, beverig, heeft ze gesoesd op

haar dag-werk. De kamerschuier schoot uit haar hand, een haak van

'er mouw hechtte in de vitrage en trok daar een lange scheur, bij

het dekken voor het ontbijt viel de kaasstulp op de grond.

Toen wist ze niet meer en kon ze niet meer, en wezenloos is ze gevlucht

naar de keuken.

Enkel hier, hier stil alleen, heeft zij rust, is zonder angst. Zoo

dankbaar is zij voor deze dienst! Waar had zij anders moeten

blijven? Bij Maandag kon niet, ze wou niet bij Oom, dus toch weg? met

groo'va mee? Willem drong aan en Groo'va vermaande. Hier, nu ze werkt

en verdient, is ze vrij. Als het nu maar gáát met 'et werk.... Hier

voelt ze zich veilig voor Oom en Tante. Zij wil daar niet heen,

die schijnheilige duivels, ze hebben haar zóóveel leed gedaan, en

nog is het steken en striemen, telkens kwaadgespreek van Jan. Laffe

afgunstigen, domme tobbers. Oom nou met z'en sigaren-depôt, dat hij

met liegen bij Groo'va verdiend heeft....

Loom zit zij neder, roerloos in peinzen. Vóór haar op tafel haar

avondbrood en het kannetje karnemelk. Plots schrikt zij op, de stem

van Meneer:

--Zit jij daar nog!? Het gas moet uit....

--Ja Meneer.

Ze haalt de lantaren, steekt de kaars aan:

--Nacht Meneer.

Dan kraakt de trap, wat gestommel boven--in haar slaaphok omzoemen

muggen het licht.

Geertje · 第 49 / 53 题