Langzamerhand was Geertje gemeenzamer geworden met haar mevrouw. Zij
vond haar nooit heibeiïg meer, begreep het eischen van netheid en
stipheid, doordat Mevrouw zelf in alles haar best deed. Meneer was
slordig en onverschillig. Hij scheen, bij de post, niet veel te
verdienen. Blijkbaar waren ze niet rijk. Mevrouw was staâg aan het
overleggen. Geertje trachtte mee zuinig te zijn. Mevrouw, van haar
kant, was inschikkelijk. Ze had "het" van Geertje altijd geweten. De
directrice van het Huis had haar ingelicht: aan het Huis dankte
Geertje de dienst. Soms kon Mevrouw nog wel eens zeggen:--"Je was
beter maar wéér als juffrouw gegaan," wanneer het grove werk Geertje
zwaar viel; maar ze wist van de directrice, waarom die Geertje,
althans voorloopig, niet bij kinders had willen doen, een dienst
als deze 't geschiktst had gevonden; en Geertje zelve verzweeg haar
niets. Ongemerkt raakte zij aan het praten, onder het werk, de lange
tijden, dat ze mèt Mevrouw bezig was. Mevrouw hield ook geen slot op
d'er mond, klaagde zelfs wel over Meneer: dat die zich van zoo weinig
aantrok en als-t-ie kon maar het liefst op z'en bed lag. Ook over de
Godsdienst spraken ze samen. Mevrouw d'er ouders waren orthedoks en
zij zelf ook wel geloovig; maar Meneer spotte met al wat vroom was en
zoo kwam ze niet vaak naar de kerk. "Je moet wat doen voor de vrede
in huis".... Daarbij had ze goedig geglimlacht: Geertje hield bepaald
van Mevrouw. Zoo had ze het gerust gezeid, toen ze wéér over-stuur was
geraakt, doordat ze Jan in de verte gezien had. De eerste keer had
ze 't niet durven vertellen, ze was toen zoo eigen niet met Mevrouw
en had enkel gevraagd of ze de gebroken kaasstulp mocht betalen,
wat Mevrouw niet had gewild. Nu liet ze de andijvie aanbranden en
de rijst kwam ongaar op tafel, en toen Mevrouw zei:--"Wat hadt je
nou weer?" bekende ze, onder tranen, alles. Hem gezien, toen ze
turf was wezen bestellen; blijven staan met een stuk in de keel,
thuis 'en gevoel of alles draaide, twee keer zich aan het fornuis
gebrand. Mevrouw had gegispt:--"Maar Geertje, meisje, een man die je
zóó slecht heeft behandeld".... och, Mevrouw begreep het niet--toch
was ze blij, dat ze nu het gezeid had.
Van Willem zijn brieven vertelde zij ook. Hoe die nog maar telkens
aanhield, schoon ze niets voor hem had verzwegen.--"Vindt je dat
dan niet mooi van die jongen, dat hij zóóveel van je houdt? De
meeste mannen zijn zoo trouw niet!" had Mevrouw, haar aanziend,
geantwoord. 't Zelfde, wat Maandag vroeger zei: tegenwoordig, sinds
dat gesprek, daags na haar terugkomst van thuis, sprak die niet meer
over Willem. Trouw? nou ja! 't jong hield van háár, maar als zij niet
van hèm kon hou'en.... Niet die eerste keer zei ze dat aan Mevrouw;
ze dorst zoo opeens niet, het viel haar zoo moeilijk, nìemand die
meevoelen wou met háár!....
Maar later, op een avond, boven, begon Mevrouw een lang gesprek. 't
Kwam aan, toen ze sprak van haar eigen bevalling: dat er later een
dagmeisje noodig zou wezen, wanneer de baker weg zou zijn.
--Geloof je, had ze vriend'lijk gevraagd, dat jij het dan hier uit
zult houden? 'k Ben wel eens bang, dat me dienst je te druk is. Je
bent niet gewoon aan dat schuieren en schrobben. En dan met een klein
kind d'erbij, de luiers die alle dag moeten gewasschen.... Begrijp
me goed, ik hou' je heel graag, ik spreek alleen in jou belang....
Geertje had erkend, dat ze wel eens moe was. Eerst d'er ziekte,
toen de miskraam, en veel werken, nu, dat 'er zwaar viel.
--Maar as u me wegstuurt, sta-n-ik op straat.
--Och kom, meid, je weet wel beter! As je daarom blijft, wil 'k je
niet hou'e. Maar je meent niet wat je zegt. Jij vindt best 'en nieuwe
betrekking. Ook wel bij kinderen, als je graag wilt. Maar ik denk
aan wat anders, Geertje. Gooi jij je levensgeluk niet weg? Een goeie
man en die je zóó liefheeft als die Heukelman toont te doen. Doe toch
je best en vergeet het verleden! 't Heeft je nooit iets gegeven als
leed.... Niet? Nou goed. Maar het is voorbij. Daarover beeldt je je
toch niets in?! Hij kàn niets meer voor je zijn. En hoeveel zou jij
kunnen wezen voor een jongen, die door al wat er is gebeurd niet in
zijn gevoelens voor je is veranderd! Denk nu eens niet aan jezelf,
maar aan hem. Je wéét dat je hem gelukkig kunt maken. Is die voldoening
je nog niet genoeg? Heeft het leven je zóó weinig geleerd? Meisje,
meisje, hòe menige vrouw zou alles geven voor die voldoening....
--O ja! als ze hòudt van 'en man!
--Och kind, hou'en, wat ìs dat "hou'en"! Hecht toch niet te veel
aan dat woord. Verliefdheden gaan zoo vaak gauw over. Wat Heukelman
voelt voor jou, is wat ànders. Dàt is blijkbaar de echte liefde. Om
je te vergeten, is hij naar Amerika getrokken. Maar het heeft niets
gebaat. Met het oude verlangen naar je, is ie teruggekomen.... en
toen moet de mededeeling van je grootvader hem wel heel diep hebben
gegriefd. Heb je dáár wel eens over gedacht? wat die man om jou
heeft geleden?
--Maar Mevrouw, kan ìk dat helpen? Ik was hèm geen verantwoording
schuldig. Nooit heb ik hem zóóveel voet gegeve!
--Dat beweer ik ook niet. Ik zeg niet: "door jou", maar òm jou
heeft-ie veel geleden. Och, dat mòet je zelf ook voelen. Juist als
je je volkómen vrij tegenover hem weet.... wat je bent, geen mensch
kan je dwingen.... me dunkt, dan voel je toch mee'e-lij.... ik vin'
de jongen heusch erg te beklagen, en, nog eens, ik vraag me af,
of een liefde als die man heeft voor jou, ook al beantwoordt jij
die nog niet, geen beter waarborg is voor 'en duurzaam geluk dan 'en
verliefdheid, desnoods van twee kanten, die in het huwelijk dikwijls
vervliegt.... Denk er eens over. Ik praat je niets aan. 'k Hou je
gráág hier. Ik zeg het alleen, juist omdat ik belang in je stel.
Beteuterd was Geertje blijven staan, geschokt, verontrust.... Mevrouw
méénde het goed.... niemand, die haar nu ànders raad gaf, niemand als
Maandag en dat was een man, Maandag had zulke vreemde gedachten, maakte
haar bàng, soms, bij al zijn goedheid.... Mevrouw was godsdienstig,
ook dàt deed haar goed, ze snàkte vaak naar de vroomheid van
Groo'moe.... Ja, maar Willem! die was als Groo'vá.... zou zij leven
moeten met Willem?....
Verbijsterd kwam zij de kamer uit en stond in de graf-holte beneden.