II.

Toen zij met Piet en Mietje meeliep tot school, had Maandag gezegd, dat

hij met uitgaan zou wachten tot haar terugkeer. Bij haar binnenkomen,

trof haar weer zijn verlegen blik. Buurvrouw was er geweest, hij

vertelde het onmiddellijk; buurvrouw was net de kamer uit, ze was

stuursch geweest en vreemd en ten slotte was ze uitgevallen:

--Maandag, dat ken toch zoo niet. He't die meid hier venacht geslapen?

--Zal ik vandaag nog weggaan? vroeg Geertje.

--Nai, je blaif, saulang je will.... Ma'r.... je mot nie baus op me

weise, 'k heb d'er nau wat motte fertelle....

Hij had van haar zwangere toestand gesproken. En dat zij nog altijd

hield van de vader.

--Sie je, sau begreip se wel, datte....

Iets als een blos vaagde over zijn bleekheid.

--Heb u Heins genoemd? angstigde Geertje, geheel in die angst in.

Het hoofd schuddende tot ontkenning, zag Maandag haar in de oogen. Haar

mooie oogen, vol liefde voor dien.... En zij, gerustgesteld, gaf zich

rekenschap van die vleug van verlegenheid, die het schaarsche bloed

langs zijn ouwelijk knapegezicht had gejaagd. En tegelijk doorteederde

hen medelijden met elkander.

Geertje wilde nu onmiddellijk schrijven aan Groo'va. Doch de gedachte

aan de vroeger geschreven brief deed haar denken aan haar koffer.

--Me goed!....

Ja, Maandag had er ook al over zitten prakkezeeren. 't Beste was,

dat hij nog eens ging met een man van de dienstverrichting. Geertje

wilde zelve gaan, maar hij wond zich op, verbood het. Zij moest hem

een briefje meegeven, als bewijs dat hij recht op het goed had. Kon

die dienstverrichtingsman het dan niet alleen doen? Nu, Maandag zou

dan op de hoek van de straat, aan de Schie blijven staan.

--En uw werk?

--Au, me werk, da' kom terecht.

Hij gaf haar papier op zijn schrijftafeltje. Zij wist haast niet hoe

zich er te houden om te schrijven, zijn stoel was zóó ongemakkelijk,

maar zij bedacht, wat deze schrijfplaats was voor hem en ze móest

zeggen:--Wat zit u hier prettig!

Toen dacht ze even na en schreef vlot:

"Oom! Na het gebeurde kan ik niet bij U terugkomen. Ik verzoek

u vriendelijk mijn goed en de koffer aan brenger dezes mede te

geven. Ik zal ook aan Groo'va schrijven. De groete van

Geertje.

Toen 't briefje af was, liep zij naar de achterkamer. Zij meende Meneer

daar bezig te hooren. Warempel, haalde de bedjes van de kinders af.

--Hè, da's nou nie' mooi van u. As ik dat nog niet kan doen....

--O, d'er blaift genoch te werke. 't Briefie al af?

Na de lezing maakte hij haar een compliment, dat ze het zoo schielijk

had klaar gekregen. Een geluksgevoel, een gewaarwording van sympathie,

van thuis zijn, doorwarmde haar. Zij wist, hoe vlug en goed hij

schreef. Uit die domheid van Oom's huis uit....

Zij maakte zich over niets bezorgd. Opgewekt bracht zij de achterkamer

verder aan kant, deed Maandag's bedstee in de voorkamer, veegde de

vloer aan en nam er stof af. Toen keek zij in de kast na, wat voor

eten er nog stond. Maar zij werd gestoord door gestommel. Maandag en

de man brachten samen haar goed, een rommel, zoo maar meegegeven. Tante

had geen woord gesproken, de dingen hun letterlijk toegegooid.

De man stond te wachten op zijn loon. IJlings grabbelde zij in haar

pas meegebrachte zondagsche rok naar haar portemonnaie. Twee centen

er in!.... En ze had nog drie gulden, van de tien die Groo'va laatst

gestuurd had. Tante moest die er hebben uitgenomen. Dus bezat ze niets,

twee cent! Verlegen keek ze Maandag aan.

--Wacht....

En met een gedrochtelijk scheef-naar-voren gooien van zijn romp,

trok hij de elleboog op en liet de hand tasten in een vestzak.

Geertje wendde zich om, opdat de dienstman niet zou zien dat zij

schreide.

Geertje · 第 42 / 53 题