Toen zij met Piet en Mietje meeliep tot school, had Maandag gezegd, dat
hij met uitgaan zou wachten tot haar terugkeer. Bij haar binnenkomen,
trof haar weer zijn verlegen blik. Buurvrouw was er geweest, hij
vertelde het onmiddellijk; buurvrouw was net de kamer uit, ze was
stuursch geweest en vreemd en ten slotte was ze uitgevallen:
--Maandag, dat ken toch zoo niet. He't die meid hier venacht geslapen?
--Zal ik vandaag nog weggaan? vroeg Geertje.
--Nai, je blaif, saulang je will.... Ma'r.... je mot nie baus op me
weise, 'k heb d'er nau wat motte fertelle....
Hij had van haar zwangere toestand gesproken. En dat zij nog altijd
hield van de vader.
--Sie je, sau begreip se wel, datte....
Iets als een blos vaagde over zijn bleekheid.
--Heb u Heins genoemd? angstigde Geertje, geheel in die angst in.
Het hoofd schuddende tot ontkenning, zag Maandag haar in de oogen. Haar
mooie oogen, vol liefde voor dien.... En zij, gerustgesteld, gaf zich
rekenschap van die vleug van verlegenheid, die het schaarsche bloed
langs zijn ouwelijk knapegezicht had gejaagd. En tegelijk doorteederde
hen medelijden met elkander.
Geertje wilde nu onmiddellijk schrijven aan Groo'va. Doch de gedachte
aan de vroeger geschreven brief deed haar denken aan haar koffer.
--Me goed!....
Ja, Maandag had er ook al over zitten prakkezeeren. 't Beste was,
dat hij nog eens ging met een man van de dienstverrichting. Geertje
wilde zelve gaan, maar hij wond zich op, verbood het. Zij moest hem
een briefje meegeven, als bewijs dat hij recht op het goed had. Kon
die dienstverrichtingsman het dan niet alleen doen? Nu, Maandag zou
dan op de hoek van de straat, aan de Schie blijven staan.
--En uw werk?
--Au, me werk, da' kom terecht.
Hij gaf haar papier op zijn schrijftafeltje. Zij wist haast niet hoe
zich er te houden om te schrijven, zijn stoel was zóó ongemakkelijk,
maar zij bedacht, wat deze schrijfplaats was voor hem en ze móest
zeggen:--Wat zit u hier prettig!
Toen dacht ze even na en schreef vlot:
"Oom! Na het gebeurde kan ik niet bij U terugkomen. Ik verzoek
u vriendelijk mijn goed en de koffer aan brenger dezes mede te
geven. Ik zal ook aan Groo'va schrijven. De groete van
Geertje.
Toen 't briefje af was, liep zij naar de achterkamer. Zij meende Meneer
daar bezig te hooren. Warempel, haalde de bedjes van de kinders af.
--Hè, da's nou nie' mooi van u. As ik dat nog niet kan doen....
--O, d'er blaift genoch te werke. 't Briefie al af?
Na de lezing maakte hij haar een compliment, dat ze het zoo schielijk
had klaar gekregen. Een geluksgevoel, een gewaarwording van sympathie,
van thuis zijn, doorwarmde haar. Zij wist, hoe vlug en goed hij
schreef. Uit die domheid van Oom's huis uit....
Zij maakte zich over niets bezorgd. Opgewekt bracht zij de achterkamer
verder aan kant, deed Maandag's bedstee in de voorkamer, veegde de
vloer aan en nam er stof af. Toen keek zij in de kast na, wat voor
eten er nog stond. Maar zij werd gestoord door gestommel. Maandag en
de man brachten samen haar goed, een rommel, zoo maar meegegeven. Tante
had geen woord gesproken, de dingen hun letterlijk toegegooid.
De man stond te wachten op zijn loon. IJlings grabbelde zij in haar
pas meegebrachte zondagsche rok naar haar portemonnaie. Twee centen
er in!.... En ze had nog drie gulden, van de tien die Groo'va laatst
gestuurd had. Tante moest die er hebben uitgenomen. Dus bezat ze niets,
twee cent! Verlegen keek ze Maandag aan.
--Wacht....
En met een gedrochtelijk scheef-naar-voren gooien van zijn romp,
trok hij de elleboog op en liet de hand tasten in een vestzak.
Geertje wendde zich om, opdat de dienstman niet zou zien dat zij
schreide.