Vreemd dreven nu verder de uren voort, als de wolken waar zij
droomend naar staarde. Wat haar gebeurde, wat haar omgaf, het leek
alles ver van haar. Toch, schoon zij als mechanisch leefde, of z'in
zichzelve een zuster verzelde, die ruzie met de familie had en hier
bij Maandag een schuilplaats gevonden; schoon, daarentegen, haar
wezenlijk-innerlijk zonderling, voor haar denken dwaas, doorschokt
werd van het enkele bewustzijn, dat zij, met haar verhuizing, dichter
weer bij Hem was gekomen, als beduidde het iets voor haar liefde,
dat de Nadorststraat eenige minuten nader bij het Hang lag dan de
Simonstraat; toch deed zij meer dan Maandag's gastvrijheid met wat
zorg voor zijn woning beloonen. Te onmiddellijk, te onwillekeurig
had haar gevoel Mietje en Piet bij Truus en Koos vergeleken, dan dat
zij voor deze kinderen eenige andere belangstelling kon hebben dan
medelijden; maar juist doordat niets haar drong tot liefde, doordat
voor dit medelijden haar diepere gevoel bleef gesloten, wist zij,
door een opgewektheid gedreven, die zonderling elke daad een glans
gaf, de wichten gemakkelijk te koesteren met een teerder zorg en een
vriendelijker verpleging, dan waaraan deze van de buurvrouw gewend
waren; en Maandag, blij, verheimelijkte haar niet, dat Piet die eerste
dag al, na het eten, hem de vraag had toegefluisterd, of déze Tante
nu bleef in huis.
Zij was verheugd, want de waarheid zou komen; niet langer lag
zij onder de leugen. Groo'va! ook Groo'va, zèlfs Groo'va, wist
nu! Zelve had zij de brief, de oude, maar met een naschrift dat
bijna even lang was geworden als haar eerste schrijven, in de bus
doen vallen. Wel was, op het oogenblik dat zij de brief losliet,
de gedachte haar komen pijnigen, of Groo'va niet te vreeselijk zou
schrikken. Maar onmiddellijk had de herinnering aan Oom's bedreiging,
nu zeker uitgevoerd, dat hij aan Groo'va schrijven zou, haar met een
kwelling gerustgesteld. Trouwens, voor haar gevoel wàs Groo'va geen
man, die men door schrik de dood op het lijf joeg. Groo'va was sterk,
de sterke Gestrengheid, de onverbiddelijk-strenge Vermaning. Deze
Groo'va wachtte zij af. Met een gelatenheid vol blijdschap, omdat nu
eind'lijk de waarheid hersteld werd, zij ontkomen was aan de leugen,
als aan Oom's huis. De strijd die de waarheid bracht, durfde zij aan,
want het was de strijd voor haar liefde. De strijd voor zóóveel meer
dan het leven. De strijd voor het eenige dat zij bezat, het eenige
dat zij ooit had bezeten. Van Groo'moe had zij zielsveel gehouden,
ook wel van Groo'va en van nicht Betje en van zoo menigeen in het
dorp. Maar wat was het allemaal-samen bij het geluk van haar liefde
voor Jan! Tevreden was zij nooit met dat and're geweest, dagen lang
had haar niets kunnen schelen, gehunkerd had z'om weg te komen, weg,
naar Oom, als wist ze toen, dat ze hier het geluk zou vinden.... Ze
zou het verdedigen, nu, haar geluk....
Zij leefde de uren in afwachting. Elke handeling voor Maandag of
voor de kinderen, alles deed zij in afwachting. Gelijk zij bij Oom de
weken doorleefd had in angstige afwachting van een brief van Jan, zoo
doorleefde zij nu de uren, een dag, een nacht, nog een dag en nacht,
in geruste afwachting van Groo'va's grimmig-gestrenge vermaning:
een blij-verbeide strijd voor haar liefde.
Onder buurvrouws zorg was het armoedige huishoudinkje keurig in
orde gehouden. Haar aangeboren behoefte aan netheid had buurvrouw
gedreven tot hulpbetoon, toen zij Maandag, die net en stipt was,
lijden zag onder de achteloosheid van zijn zuster. Maandag vertelde
Geertje van de ruzies met zijn zuster en van buurvrouws listen in
het begin, om althans de kinders iets minder slordig de straat op
te krijgen. Toen zijn zuster de eerste keer wegbleef, was buurvrouw
vanzelf dadelijk binnengekomen, had de volgende dag een schoonmaakster
gehuurd, die onder haar toezicht de rommel had gereinigd, en was
voor het verwaarloosde boeltje gaan zorgen, tot de zuster opeens weer
vóór haar stond, op een oogenblik dat zij de kinders hun avondbrood
smeerde. Ettelijke keeren was dezelfde komedie afgespeeld. De zuster
niet anders beschaamdheid toonend dan door over buurvrouws hulp te
zwijgen, niet te ruziën, niet te bedanken, te doen als zag zij de
properheid niet; buurvrouw goedschiks een verzorging stakend, waar
ze soms weken lang haar rust van kinderlooze welgezeten burgervrouw
aan had opgeofferd. Nu met Geertje's onverwachte tusschenkomst
was buurvrouw veel minder inschikkelijk. Geertje vond het heel
natuurlijk--de moeder bleef toch altijd de moeder, doch nu had een
vreemde de taak genomen--, maar aan Maandag's teergevoeligheid deed
de stuurschheid van buurvrouw pijn, en daarom was Geertje brutaalweg
begonnen, voor allerlei kleinigheden over te loopen om raad. Eerst
had ze bijna geen antwoord gekregen: bij een hoonenden blik van den,
weer in nachtkleeding, achter een bord dampende snert gezeten man,
een onverstaanbaar mokken der vrouw. Ontmoedigd had zij gevreesd,
dat de vrouw haar toeleg begreep. Maar door argeloos te doen en
vriendelijk te blijven en voor de norsch gemompelde raad nederig
te bedanken, had ze de tweede morgen bereikt, dat de vrouw haar
staande hield op de trap om haar te waarschuwen tegen een meid,
die in de straat stond met een wagen visch. Er was eten en Geertje
dacht niet aan visch-koopen, maar met drukke omhaal betuigde ze haar
erkentelijkheid: 't was zoo moeielijk, wanneer je vreemd en alleen
voor het huishouden stondt, je niet telkens te laten beetnemen. Een
kwartiertje later tikte buurvrouw; en, eenmaal binnen, keek zij
onbeschoft monsterend rond en vroeg of Geertje hier wel voor zorgde
en dat niet vergat, maar besloot met een:--"Nou, et valt me mee." Ze
zette zich ongenood tot een praatje. Geertje dacht terstond: nou komt
het. Om de goeie Maandag plezier te doen, had ze het mensch hierheen
getroggeld. Maar nu ging die zich moeien met haar! Ze zag het, ze zag
de vragen komen.... Een woedende ontsteltenis overstelpte haar, en,
onmachtig tot zelfbeheersching, zag ze zich haar spel met de vrouw
bederven, voelde ze, dat ze alles verspeelde.
Toen het mensch vroeg:
--Denk ie daj aum je nog weer bij um zel neme?
antwoordden haar oogen met trots en verachting.
--'t Is tuch dáárum, drong het mensch aan, met het hoofd knikwijzend
naar Geertje's schoot.
--'k Weet niet wat u bedoel, zei Geertje.
--Aue!.... En treuzelend opstaand met een zucht vol
zelfvoldaanheid:--Hebbe me-n-et sau laat!--Toen, smakkend juist als
Tante kon doen, keerde buurvrouw, de handen knuffelend onder de schort,
het groote lichaam naar de deur:--Nau.... ajuus dan.
Hard viel de deur toe.
Geertje knikte de verdwenene na, gelijk zij als meisje-op-school
de meesters, ook Groo'va zelf, na een berisping had nageknikt. Het
gebeurde speet haar om Maandag. Maar wanneer die stikvreemde menschen
zich ook al in haar zaken mochten mengen!.... Het hoofd steunend op
de rechter elleboog, zat zij aan de tafel voor het raam naar buiten
te staren. Wel wat moe, wat als-verdoofd. Eens trappelde ze haar
ergernis uit. Maar kom, och kom, dat indringerige mensch, wat had
zij met het wijf te maken.... Ze dwong zich tot belangstelling in de
dingen op straat. Daar hadt je die jongen weer van de koetsier uit
de rijkelui's stal, twee huizen van hen af. Bij het boodschappen doen
in de straat, zag zij hem telkens, eenige als een-jongeheer-gekleede
tusschen al de gewone jongens, aanmatigend met zijn dikke glanzige
gezicht-van-gezondheid onder zooveel honger-bleekheid. Maar nu had
ze straks het afgeluisterd, dat de jongen van het schoenlappertje de
"mooie meneer" verweet nog geen hemd aan zijn lijf te hebben dat
van hemzelf was.--"Niks is van jou! Je vader he't niks. Jullie mot
de kleere drage, die de heer van de stal je geeft...." Een valsch
mondvertrekken van verlegenheid-verbergen op de glanzige dikke kop
die zweeg--Geertje had hardop moeten lachen. Nu speelde de jongen
er weer....
Hoe kwam hij nù daar te spelen? Geertje's blik sloeg op naar de school,
aan de overkant der, voor deze bouw verwijde, op dit gedeelte als-nieuw
geworden, straat; de school, waar zij dikwijls al in getuurd had,
zonder meer te onderscheiden dan een vage glimmerschemer van door glas
gescheiden ruimten. Ook nu tuurde zij. En terwijl zij erover nadacht,
hoe de jongen van de koetsier op dit uur vrij van school kon hebben,
en een tweede vraag zich in haar opdrong: waarom Maandag Piet niet
dee' op die school; trachtte haar bijna professioneele belangstelling,
een belangstelling die voortkwam uit haar afkomst en jeugd, de lichte
muren van het nog nieuwe gebouw te doordringen. De ramen waren als
bij een kerk, zoo hoog dat zij hier van boven de kind'ren niet zien
kon en zelfs niet de meester; wel in het tweede lokaal zag ze wat,
donkerten van zittende jongens en ook de meester, staand bij het
bord; maar het was haar toch niet mogelijk, de man z'en gezicht te
onderscheiden, ook niet, toen hij zich verplaatste.
Haar mijmeren vergeleek deze school, deze gróóte stàdsschool met vele
meesters, bij het oude kleine gebouwtje, weggedoken achter de boomen,
op het donkere pleintje naast de dorpskerk.... Donker, midden in de
zomer. Nù moest het in het lentegroen staan.... Haar blik gleed van
de schoolramen naar de kleine ruimte naast het gebouw, waarvóór het
trottoir van het uitgebouwde straatbrok een hoek maakte. Achter een
schutting, een rij jonge kastanjes met traag ontluikend loof. Al wat
ze hier van de natuur te zien kreeg!