Met die, haar telkens later zelve verwonderende tegenwoordigheid van
geest, waarmee zij in elke uiterste nood schijnbaar kalm de uitweg
insloeg, was zij nu naar de Nadorststraat geloopen. En het had haar
niet ontmoedigd, toen zij meer dan een uur bij juffrouw Tabbe, de
vriendelijke buurvrouw, van wie meneer Maandag dikwijls verteld had,
doch die ze maar eenmaal had ontmoet, moest zitten wachten. Er kwam
daar een jong paar op bezoek, een nicht van de juffrouw, die diende bij
rijkdom aan de Eendrachtsweg, met er gelant; en een andere buurvrouw,
van de benedentrap, zanikte telkens aan de deur, omdat 'er zoon van
zestien jaar in twee dagen en nachten niet thuis geweest was; en toen
schrikte Geertje even, toen de juffrouw d'er man, die aan de nachtboot
van Londen bleek te zijn, plots een alkoofdeur opensmeet en, met
een--"o, neem me nie' kwaluk" om zijn nachtkleedij, weer toetrok. Doch
ze lachte maar mee met het meisje van de Eendrachtsweg, en dee net of
ze heel niet merkte, dat die nuf óók lachte om haar. Ze had gezegd,
dat ze Maandag spreken mòest en de buurvrouw vroeg niet verder.
Toen kleine Mietje d'er bleeke neusje om de deur stak, wipte Geertje
van 'er stoel en deed de deur verder open en haalde beide kinderen
binnen met lacherige drukte, en zei toen lachende-op-'er-gemak
tegen juffrouw Tabbe, dat Mietje en Piet zeker wel een oogenblik
daar mochten blijven. Meteen had zij Maandag al meegevoerd. En
in zijn voorkamer vertelde zij alles:--waarom ze bij Oom niet had
kunnen blijven, en dat ze hem smeekte haar bij zich te nemen, in
plaats van zijn zuster die niet terugkwam. Terwijl ze sprak, neep
even de onbescheidenheid van het verzoek haar door het hoofd. Met
buurvrouw's hulp kwam hij er zóó wel, nu beide kinderen schoolgingen;
hij had haar niet noodig. Maar het mòest, ze wou in de stad blijven,
en bij wie anders kon ze terecht? Een oogenblik kwam er misverstand,
toen Maandag antwoordde dat het niet ging. Zij dacht aan geld, aan
bezwaren van zijn kant. Maar hij meende het om haar:--ze dee' toch
beter, hij had het er immers laatst ook al gezeid, naar huis te gaan,
eindelijk weer naar d'er groo'va.
--Ik kan hier nie' weg, ik wil niet, ik kan niet!
Zij gilde haar leed uit en Maandag begreep. Wel kwam hij linksch en
verlegen achter haar aan, toen zij de kinderen halen ging. Hij liet
haar het nieuws aan buurvrouw vertellen. Beduusd hoorde hij haar
vrijmoedigheid. Maar even later zag hij haar schrikken, toen zij
weer in zijn woning waren en buurvrouw nog weer eens praten kwam;
en hij doorzag de opzettelijkheid van haar doen, en kwam haar met een
grapje te hulp, dat sedert telkens werd herhaald:--hij wou nou ook wel
'en kinderjuf, daarom nam-d-ie Geertje bij um.
De buurvrouw mokte, die keurde af. 't Was niet om wat zij aan Maandag
verdiende, dat gaf zij de kinderen rijkelijk weer. Ze vond zich te kort
gedaan in waardeering van haar hulp, het zat haar opeens tot hoog in
de keel, dat daar een ander zou ringelooren in Maandag's vertrekken,
die ze, na zoolang al telkens te zijn bijgesprongen, nu Maandag z'en
zus voor altijd weg scheen, vrijwel was gaan beschouwen als een stuk
woning van d'er eiges. Dus sprak zij in onvolledige zinnen of met niet
duidelijk verstaanbare woorden en sjokte dan weg met een nijdige vaart,
zoodat Geertje in een gulp van wanhoop de nijpende gewaarwording kreeg,
dat die vrouw net dee als Tante. Maandag bleef zich om Geertje heen
bewegen met een zenuwachtigheid die hij niet kon verbergen. Hij gaf
haar aanwijzingen, waar ze om lachen moest, zoo overbodig waren ze;
hij begon allerlei dat hij niet voleindde.
Samen brachten zij de kinderen te bed, nadat buurvrouw onder een mal
stuursch-doen ook tegen de wichten, hun twee beschuiten met suiker
was komen brengen. Geertje werd hoe langer hoe angstiger, daar zij
merkte, hoe zenuwachtig Maandag was, en, in het voorvertrek terug,
barstte zij in tranen uit.
--Morge zal ik gaan, maar toe, la' me venacht hier blijve!
Zijn bleeke lippen trilden en het blauw onder zijn oogen scheen op
te zwellen.
--Hau je nug altaid saufeill van um?.... Arme maid....
Bijna geruchteloos stond hij op. De kinders mochten niet hooren,
dat hij uitging, maar hij moest nu zoo gauw mogelijk naar Geertje
d'er Oom en Tante. Die behoorden te weten waar ze was.
--Wil ú d'ar heen!?
--Ja netuurluk! Jai ken 't nie doen.
Even werd zij zich bewust, dat in haar looden gevoel van volslagen
ontreddering een verlichting kwam: thuis zouden ze 't weten en hij zou
goed meebrengen.... Maar meteen warde nieuwe angst door haar gedachten:
ze zouden ruziën tegen hem, ze zouden haar hier niet willen laten,
meekomen, da'lijk Groo'va schrijven.... Op haar zakdoek bijtend,
zag zij hem in de kamer na, terwijl hij zich gereed maakte om uit te
gaan. 't Was of ze in een rouwkamer zat, waar niet hardop geschreid
mocht worden.
Toen hij weg was, bleef ze roerloos zitten. Een plichtsdrang verweet,
dat ze niet opstond om wat te redderen, wat gezelligheid te brengen
in de holle kamer, of althans vast thee te zetten, gelijk hij had
verzocht. Hij had gezegd, dat hij spoedig terug kwam--en zij bleef
gedrukt op haar stoel. Eens verschoof zij die en schrikte van het
geknerp. Zij schrikte bij ieder geluid op de trap, bevreesd dat
buurvrouw weer zou komen. Want aarzelend had Maandag haar bekend,
waarom buurvrouw eigenlijk mokte: dat het Geertje niet paste, alleen
te zijn in huis bij een ongetrouwde man. Vooral hinderde haar in
dit verwijt, dat zij het in het geheel niet voorzien had. Ze zag
zich wanhopig-, hulpeloos-dom tegenover al de toornige menschen. Ze
vond de gedachte, dat er iets zou zijn af te keuren in haar verblijf
bij een zóó goede man als Maandag, te onzinnig om boos te zijn op de
buurvrouw. Het mensch was kwaad uit goeiigheid, omdat ze gewoon was
hier alles te doen. Maar zij, wat was ze onverbeterlijk-onnoozel, daar
ze had kunnen hopen, dat het mogelijk was: zij, bij Maandag in huis....
De zakdoek wringwindende om de vingers, staarde ze met doffe oogen
het bijna niet gemeubelde vertrek in. 't Geriktik van een wekker
vinnigde van de schoorsteen af, waar een pop lag van Mietje en
Maandag zijn pijp. Ook op de roodhouten kast geen vaasje, nergens
een versierinkje. Kale wanden met grauw behang, die de kamer
dieper deden schijnen dan ze was. Hier voor, bij het andere raam,
Maandag zijn schrijftafeltje, de stoel er voor met de rug naar de
huishoudtafel. 's Avonds kon hij er nooit aan zitten, omdat de
lamp hier boven de huishoudtafel voor het eene raam hing. Alles
lag en stond precies op zijn plaats: het dofhouten inktkokertje,
het potje lijm, het bakje met schaar, potlood en pennen, en in de
vakjes allerhand pakjes--alles klein en keurig netjes. In haar
verbeelding zag Geertje er de kleine bultenaar voor zitten. Oom
had daar wel eens van verteld, hoe hij dan net een jongetje leek,
dat aan een tafeltje zit te spelen. Die tafel met het boekenrek er
boven, was Maandags geluk, zijn eenig genoegen.... Geertje vond er
afleiding in, met medelijdende genegenheid aan hem te denken. Wat een
zorgen had die man en hoe weinig vreugd. Maar Piet en Mietje vergolden
't hem wel: zulke zoete kinderen! Eenmaal in bed, lagen ze stil als
muizen. In alles zóó gezeggelijk. Anders zou 't ook niet kunnen,
zoo'n huishouding.... Wanneer zij nu maar gezond bleef en wezenlijk
wat helpen kon.... Hòe zou Maandag het aanleggen bij Oom? Een poosje
had ze zich niet angstig gevoeld, doch nu ze 't zich voorstelde:
Oom bulderend, Tante krijschende, viel weer het besef over haar van
de onmogelijkheid, dat zij hier bleef.
Een rumoer beneden deed haar hevig schrikken. Het kon onmogelijk haar
gelden en toch dreef de angst haar tot vlak aan de deur. 't Was de
buurvrouw van benee, ze herkende de stem in het schreierig verwijten,
dat tegen dof-lijzig beweren van een mansstem inging. De zoon thuis
gekomen, dronken. Hier op het portaal hoorde ze fluisteren, een deur
was opengegaan, natuurlijk luisterende menschen.
Zij langzaamde terug naar haar stoel bij de tafel en bleef er zitten,
ontredderd, angstig, onmachtig iets uit te richten.
Maandag vond haar nog zoo op de stoel. De deur, uit zijn hand
schietend, zwaaide open; hij schrikte daar zelf van, doch, Geertje
aanziend, trok hij de kleine, kortbroekige spillebeenen bijeen, lei
de linker arm uit langs zijn lijf en sloeg aan met de rechterhand,
onder een grijns van zijn onvolgroeide knapegezicht. Geertje zag die
gewilde lach en meteen zijn grauwe bleekheid, de verlegen angst die
zijn zwak-gevoelige trekken en oogen niet vermochten te verbergen.
Zij schoot op:
--Wat zeie ze?
Nog trachtte hij komedie te spelen. De aan het smalle, ingevallen
gelaat als een kikkerbek vooruitspringende mond zette de lippen uit tot
een trechterende toet en met een narrige ondervraging van verwondering
keken de oogen haar aan. Eerst toen sloot hij de deur achter zich,
nam, voor haar heen gaand, de hoed met een armzwaai af en ging zijn
overjas aan de kapstok in de hoek der kamer hangen.
--Toe meneer.... hoe was et, thuis?
--De groete! kwam 't uit de hoekschemering.
Hij treuzelde, schraapte daar een hoest weg met dat pijnlijk
moeitevol-snerpende, waarin je voor Geertje's gevoel de misvormdheid
van zijn borstkas kon hóóren. Toen stapte hij terug in het licht en
vroeg vriendschappelijk-verwijtend:
--Maid, haij no' nuch chain drinke geset?
Meteen kroop hij op de stoel aan de andere kant der tafel.
--Drinke!? Och nee, och gut, neem u me nie kwalik.... Maar zeg nou
eerst is, hoe is et gegaan?
Nu zag hij, over de tafel, in het volle lamplicht haar aan, met een
medelijden dat niet veinsde.
--Se ware well naidig....
--Zie je wel!
--Maid wat haj dan gedacht?.... aarzelde hij op een toon van
vertroosten.
Even bleef het zwijgen van beider onrust tusschen hen hangen. Toen
vertelde hij haar alles. Dat Oom tegen hem had geschuimbekt van woede,
hem indringer genoemd en smerige dingen verweten had. En dat Tante
d'er tusschen door had gegild:--Ze zal weg! we schrijven venavend an
der groo'va.--Haar goed hadden ze hèm niet mee willen geven; hij had
niks met Geertje te maken.... Zijn verhaal liep onregelmatig. Hij hokte
telkens, dan schraapte zijn keel; het op de romp als in een stolpkraag
omhoog gehouden hoofdje wendde zich dan schuinoogend iets naar haar
om en de uitdrukking van zijn gelaat scheen bits. Toen Geertje, bij
zijn mededeeling van Tante's zeggen over het schrijven aan Groo'va,
weder opvoer van haar stoel, bleef het scheef-omhoog liggende hoofd,
angstig de mond open, haar aanzien. Doch een gedachte van durven,
van tarten, trilde over haar volverlicht gelaat.
--Dan zal 't nou gebeuren, dan moet Groo'va wete.... En even
later:--Hè, had ik nou mijn brief maar hier.
Zij had hare geestkracht terug. Uit bescheidenheid tegenover Maandag
verzweeg ze haar verlangen om, deze avond nog, hier, een nieuwe brief
te schrijven. Bij de buurvrouw ging zij lichten treds een nachtjak
leenen. En bij de kinderen, in het oude bulten-en-gaten-bed der
weggeloopen moeder, sliep zij die eerste nacht vrij rustig.