XIII.

Over Jan Heins werd nu weder gesproken, zoo vaak en op bijna dezelfde

toon, als toen Geertje pas in de stad was en naar een betrekking

zocht. De rijke drukker, de goocheme koopman, die een kennis,

een vriend was van Oom. Haast elke dag wìst Oom wat van 'em. "Jan

Heins" of "Jan" dee dit of dat, Jan had weer geboft met een pracht

van een zaakje. Jan was toch pinter, een kraan van een vent. Ooms

kinderlijken aard deed het goed, dat zijn bewondering weer zich kon

uiten. Geertje begreep dit--zij had er plezier in. Pocher, práálhans,

maar och, zoo'n hàns, zoo'n klimopnatuur, die graag groot met den eik

werd. Spreuken 19 vers 6: "velen smeeken het aangezicht des prinsen"

en "de liefhebbers des rijken zijn vele"....

Soms walgde Oom zijn praten haar: enkel aanbidding van't gouden kalf,

je hoorde van niet anders als geld, Jan in het geld, wat ie nou

weer verdiend had; wel bewondering, maar toch zoo, dat je voelde:

hè, had ik ook wat. Dom, want of Oom alles zou weten, omdat ie nou

voor de firma lìep; of Jan een agent zijn boeken zou toonen; of Oom

dagelijks kwam in het Hang....

Soms maakte het praten haar plotseling angstig. Dan wist ze niet meer

en verloor haar gedachten, in een angst van verwarring, een droefheid

als pijn. Oom zei 't maar, hij dee het om haar te plagen, omdat ie niet

velen kon dat zij Jan lief-had; en Jan, och Jan, misschien spotte ook

hij.... Hij gaf immers niets meer om haar, het was uit, hij had haar

afgewezen, die avond, afgewezen met een leugen; of ze bedelen kwam,

niet te spreken; hìj niet voor háár.... nu wìst ze niet meer....

Tante kon zóó akelig doen. Ze werd àl norscher tegen Geertje, had geen

vriendelijk woord meer voor d'er, zei de heele morgen niets. Als Oom

dan kwam en vertelde van Jan en pochte en zei dat Jan Mozes te slim

was, dan keek Tante naar háár met een grijns en smakte, de borden op

tafel klessend, of ze honden 't voer voorsmeet, Geertje was 't of

zij verstolde. Zij voelde zich worden gedreven vol schroom. Opeens

had zij de zekerheid of bijna-zekere radeloosheid, dat Oom en Tante

niets anders deden dan haar voor de gek houden, door mooi te praten

over hem die ze haatten met al de venijnigheid van hun afgunst.

Maar 's avonds zat zij wel eens alleen met Oom. Wanneer hij dan

over de zaken begon, hoog opgevend eerst van zijn eigen draven,

dan voelde zij een vreugdevolle verwachting in zich aantintelen,

als een in stilte verloofde, tot wie een vriend van den beminde zou

spreken. Glimlachend, als moest zij hem aanmoedigen, zag zij Oom

aan. Weg waren de schrijnend-weeë leegte, de wanhoopsbeklemming,

de alledags-druk onder Tante's verneed'rende stugheid, van het leven

in dit huis zonder Hem. Blij voelde zij zich Oom zijn nichtje. Want

zij-samen hier in de kleine woning waardeerden, begrepen Hem, ginds in

de groote. Tante was een haar vreemd wezen, dat geen eerbied voelen

kòn. Oom had dit kùnnen-bewonderen van Groo'va en Groo'moe, die ook

haar het hadden geleerd. Zij had Jan lief met ootmoedige liefde. Voor

altijd en in weerwil van alles. Hij had haar afgewezen, die avond,

maar van hem wilde zij elke vernedering ondergaan. Van hem en om

hem. Of Tante en dikwijls ook Oom haar onvriendelijk behandelden,

wat kwam 't er op aan--zij had haar liefde. Hoe was het mogelijk, dat

zij, een gansche dag lang, zich had verhard in het spinnige denken:

verrek jullie maar, verrek jullie maar.... Hoe kwàm zij telkens weer

tot wanhoop? Zij had haar liefde--wie nam haar die af!? God gedoogde

dat zij Jan liefhad, nu het een kuische liefde was. Zij mocht haar

geluk dus toch vinden in hem, al haar denken mocht zijn voor hem,

altijd voor hem, alleen voor hem; deze schat kon nooit haar ontnomen,

dat zij altijd zou denken aan hem....

Doch langdurig was geen van haar stemmingen meer. Onmiddellijk

na zulk wegdwepen in onzelfzuchtige vereeringsliefde, kon z' als

geslagen liggen van wanhoop en leek het giftig mokken: "verrek

jullie maar, allemaal magge jullie verrekke", een ontspanning voor

het verzet in haar tegen het bewustzijn dat zij werd mishandeld. Het

gebeurde op eenzelfde dag, dat zij, in een radeloos geluk-willen-zien,

schroomvallig angstig wenschen dorst, dat het kind niet zou blijven

leven, want om het kind had hij met haar gebroken, was ze niet zwanger,

dan kwam hij wel weer, het kind was oorzaak van al haar rampspoed;

en z' als gekromd ging in vrees voor De Heer, Die haar zou straffen,

haar kind haar onthouden, de schat, uit liefde waarvoor--niet om

haar--Jan nog wel weer eens goed worden zou.... Verward kon zij dan

rondzien, in de kamer waar zij naaide met Tante, die enkel smakte,

geen woord tot haar zei; rondzien als zocht zij een hoek van donkere

stilte, waar ze knielen kon tot een gebed.

's Nachts lag zij uren in 't duister wakker, tegelijk bang voor en

snakkende naar de schemering, aldoor vervuld van het voorgevoel,

dat er iets gebeuren ging. Zóó bevreesd was zij hiervoor, in de

onzekerheid wat het zou wezen, dat zij bad of het nu toch mocht

komen. 't Was mogelijk dat Jan haar schreef of dat hij, integendeel,

ruzie met Oom kreeg; misschien werd zij met een miskraam gestraft,

misschien was het Groo'va die overkwam....

De brief aan Groo'va lag nog in de winkella. "Rotterdam", de datum en

"Waarde Grootvader", meer stond er niet op het velletje. Onaangeroerd

was het blijven liggen--de winkella deed niet meer dienst. Alleen zij

wriemelde telkens vreesachtig aan de la, zonder die te openen. Die

onvoltooide brief verontrustte haar als een schuld. In het antwoord

op een schrijven van Oom had Groo'va gevraagd, waarom Geertje niet

schreef; doch niet die vraag had haar beangstigd--Groo'va was al zóó

vaak ongeduldig geweest! 't Was het niet weten wat zij doen zou, mèt

dat gevoel dat zij schrijven moest, dat het beter zou zijn wanneer

Groo'va wist, er mocht daar dan van komen wat wilde. Haar liefde,

haar smachtend verlangen naar Jan kwam hiertegen in verzet. Want

zeker riep Groo'va haar terug. Geen dag zou hij haar te Rotterdam

laten. Weg.... Alles uit.... Zij kon dit niet dragen, bij de

gedachte stokte haar keel. Maar moest dit niet?.... het moest.... het

moest.... Zoo pijnigde het denken haar, telkens wanneer ze besloten

was: neen. En zwichtte haar gehechtheid aan zìjn stad; scheen de

radelooze behoefte om althans niet uit zijn nabijheid te gaan, te

zullen zwijgen tegenover het folterend geheimzinnig dringen in haar,

die rusteloosheid die iets wilde en haar weifelen vervolgde met de

aanblik van het vel papier in de la, dan zakte alle kracht uit haar

weg, dan wilde ze, maar kon niet doen.

Toch werd haar angstige onrust zóó fel, dat zij neerviel op het krukje,

haastig de la openschoof en greep.... Maar nu doorschoot een andere

vrees haar. Nu dòrst zij het Groo'va niet bekennen. Niet meer aan

zijn antwoord dacht zij thans, aan zijn eisch van thuis te komen:

het was haar, als stond hij dáár, vóór de toonbank, als moest zij

nu spreken, en hij zag haar aan.... nog altijd was hij de Vermaning,

de strenge Vermaning in lange gestalte....

Zij schreef de brief de volgende middag. Weer had de onmiddellijke

vrees haar vernuftig gemaakt. Zij schreef een brief, die zij nog niet

zou verzenden. Oom was onder 't eten vroolijk geweest en Tante deed

de wasch in de keuken. Rustig zat zij in de winkel. En schreef dat

zij liefhad en werd bemind. Haar geliefde--geen naam--kon haar nog

niet trouwen, doch zij twijfelde niet aan zijn woord. Maar nu was

zij zwanger van hem. Of Grootvader kon vergeven.

Zij borg de brief onder in haar koffer.

Geertje · 第 38 / 53 题