Hare dagen bleven èn traag èn vol onrust. Een loom afwachten-mòeten
met angst. Wanneer er een brief van Groo'va kwam, schrikte zij op: nu
zou het wezen. Telkens weer, schoon iedere maal de lezing kalmeering,
ontnuchtering gaf, bijna iets als teleurstelling.--Groo'va wordt
oud, schimpscheutte Oom. Het zeggen ontstemde haar op het oogenblik
zelf:--Oóm die zoo over Groo'va sprak! Maar door haar nadenken
krieuwelde, als een wrevel over leegheid, het besef dat geen
hartelijkheid haar ontroerde en dat Groo'va's vermaning haar koud
liet. De ouwe man, och gut zoo zielig, hij vermaande haar net als
toen zij een kind was; wanneer hij eens wìst; maar hij giste niks,
het bleven dezelfde lessen altijd, die had zij d'er heele leven
gehoord; in zoo'n dorp ook, wie weet er daar van de stad.... Als een
priemsteek kwam dan de gedachte aan de brief in haar koffer: telkens
dezelfde kwelling, op precies dezelfde manier haar verschrikkend, of
ze werd opgejaagd door een wesp. Ze trachtte te vluchten, maar had de
steek. En het gaf niet, dat zij Jan's naam vaak noemde, zooals vroeger,
wanneer zij slapeloos woelde, de namen der boeken van de Bijbel;
of buikstreelend het geluk van teederheid voor haar kindje trachtte
te voelen. De vrees groeide soms tot starre ontzetting, en nadat zij
Groo'va eenmaal in de droom had gezien: een bedelaar met witte haren,
die spits opfladderden in de wind, terwijl hij een lange stok, als
de herders hadden op de plaat boven Groo'va zijn schrijftafel thuis,
vervloekend tegen haar ophief; dacht zij nooit aan hem, of zij zag
hem zoo.
In strakke wanhoopszekerheid wist zij dat Jan niet meer van haar
wou weten. Nu niet, meest wist zij dit: hij wilde nú niet. Maar
somtijds bekende zij zich het ergste. Dan beefde de weedom in haar
als een koortskou en ze mòest weer gaan hopen: wanneer 'et kind er
maar zou zijn. De eene keer koesterde haar denken de kleine in een
versmelting van dankbaarheid, omdat hij zijn ouders bijeen zou brengen;
de andere keer haatte zij haar zwangerschap angstig als de stoornis
in haar geluk.
Over de onophoudelijke pijniging van rusteloos-vreezen en
zonder-hoop-verlangen lag loodendrukkend de trage folter van het
samenleven met Tante. Zij voelde wederzijdsche haat. Een kleine
tijd alleen met Oom, een enkel woord met hem gewisseld, en ze
was haar bewustzijn weer meester. Maar de meeste tijd was zij met
Tante alleen, en onder de minachting van die haar stuurschheid,
haar snauwen en de-dingen-op-tafel-kletsen, kromp Geertje's gevoel
met onmachtig haatverzet ineen; zij vond zich een kat, in een hoek
gedrongen, tegen twee heel hooge muren, als op het plaatsje achter
de keuken, die hel van een keuken, waar 't altijd stonk van de aldoor
lekkende gootsteen, waar overdag Tante norschte en sarde, en waar zij
's nachts, in de holle tijden van doodmoe snakken naar de slaap,
soms neus en mond dichtpropte met een tip van het beddelaken, om
het niet uit te gillen van begeeren naar de reuk van Jan zijn snor,
welke ze, dommel-verdoofd, gemeend had te ruiken--en er was niets
dan de stank van de gootsteen. In de hoek der twee muren--waar kon
ze heen? Ze moest blijven in Jan zijn stad en wie had ze hier anders
dan Oom? Maar God-nog-is-toe die vuilheid, die armoe--zij hóórde hier
niet, ze was beter gewend. Dan kwam de pijn van ergste verootmoediging:
gevallen-meisje, hàd ze geen thuis.
Oom's zaken gingen weer miserabel; hij klaagde, dat Cohen hem niets
gunde. Nu colporteerde hij met een werk in tien-cents-afleveringen
over De Worstelstrijd der Transvalers, een onderneming van een jonge
uitgever, die kap'taal had gekregen van Heins. Maar de menschen namen
het boek niet, er bestond al een dergelijk; en toen Cohen zich bereid
verklaarde, de uitgaaf voor de helft der kosten van de jonge uitgever
over te nemen, was het met Oom's colporteeren uit. Van verhuizen was
geen sprake meer en telkens maande de huisbaas om huur. Weer was er om
bijstand geschreven aan Groo'va. En terwijl het antwoord nog uitbleef,
vernam Geertje uit een vraag van Gerrit Holkers aan Tante, dat Oom geld
had te leen gevraagd aan Jan. Zwijgend zat zij bij het gesprek en ook
haar ontsteltenis zweeg. Maar in haar hoofd was de droefheidsverijling,
die haar gedachten als hulde in een mist van leed. 't Was alles toch
naar, wat kwam dit er op aan? Nieuwe schande, maar bij zóóvele? Er
was hunner niets dan vernedering tegenover Jan. En harer was de
niet-te-gelooven wreedheid van het van-Hem-gescheiden-zijn. Of zij
ook daarbij zat onder een muur, een hoek van muren, waarachter Hij
leefde, zoodat iedereen Hem zag en sprak, iedereen, behalve zij.
Op grauwe weekdagen van regen was een zondag gevolgd van zon. Toen
Geertje 's morgens een kan melk ging halen bij de Melkinrichting aan de
Schie, omdat de melkboer in de straat ook tegen betaling niet leveren
wilde, zoolang niet betaald was wat er nog stond; onderging zij een
weeke streeling door de blijheid van het weer. Alles glansde gelijk
het zachtrimp'lende water. Even bleef zij leunen tegen een boom aan
de wal en zag naar het pontje dat kerkgangers overvoer. Zij schrikte
van een dame, die rakelings haar voorbijgleed op een fiets. Zij keek
de fiets na, het was een jongmeisje, met kastanjebruin haar, juist
zoo opgemaakt als het hare. Gewichtloos gleed ze licht hobbelend
voort. Met een ruk wendde Geertje zich af en ging haars weegs om de
melk te halen. Als een kramp had de spijt plots haar voelen doorwrangd
over 't verschil tusschen haar en dit meisje dat niet jonger leek dan
zij. Wat zag zij er uit, met haar buik en zoo slonzig. Gelukkig maar,
dat Jan haar nooit zag.
Bij het thuiskomen bemerkte zij, dat Oom en Tante op haar binnentreden
een gesprek afbraken, en nog een paar keer werd zij gewaar, dat er weer
iets voor haar werd geheim gehouden. Die geheimzinnigheden maakten
haar altoos angstig: zij dacht erbij aan Jan en aan Groo'va. Maar
onder het eten begon Oom tegen haar:
--Me woue van de middag deres op uit.... een glaassie bier drinke
bij Remein.... Om een uur of vier.... Je gaat mee?
Ze zei dat ze te moe voor wandelen was. Maar Oom hield aan:
--Och bei je bedonderd! Je mot nie toegeven an die slapte. 't Zal
juist goed doen a'j d'er is uitkom.
Geertje keek ter sluiks naar Tante en zag onmiddellijk: ze hoefde
niet, Tante had liever dat ze niet meeging. Dus weigerde ze weer:
te moe. Maar terwijl Tante bezig was voor de uitgang zich dubbel te
boenen bij de gootsteen, begon Oom er nog eens over, toen Geertje,
vóór hem staand, hem hielp aan het boordknoopje van zijn eenige
Engelsch-hemd. Ze moest nu maar meegaan, het kon nog best, eer dat
Tante met alles klaar was....
Driftig kwam Tante aangesloft:
--Ik heb nie lang meer naudig en as de maìd tuch liever thuysblaif.
--Maar me got, zoo'n kuiertje! da's gezond en nog 'en verzetje.
Er was iets goedigs in Oom zijn toon. Rouw viel de stem van Tante
daarover:
--Laat die maid no' tuch thuys blaife! Begraip ie niet dat se mit de
Sondag geen lol het om d'er pesiessie te late kaike?
Door Geertje vlijmde de drang tot een spotlach van haat. Zij stond in
een driehoek met Oom en Tante en keek tartend Oom aan. Hij haalde de
schouders op, zei niets. Rustig begon Geertje aan de vatenboel, die
Tante, alsof het van zelf sprak, voor haar had laten staan. Tante was
nog een tijd lang vlak naast haar bezig, doch zij wisselden geen woord.
Nu hoorde zij Oom in de tusschenkamer met drukte van ingenomenheid
over het weer en de wandeling praten, als gingen z' op reis naar
een andere stad. Tante aarzelde tusschen haar winterjaketje en haar
nieuwe mantieljetje, in 't najaar gekocht op een uitverkoop. Oom,
vroolijk, vond met drukke beslistheid, dat er geen sprake zijn kon
van het jaketje. Toch trok Tante dit eerst aan. Maar toen had zij het,
voor het spiegeltje staande, al warm.
--Nò got mensch, neem dan toch je mentielje!
Oom had te vroeg zijn sigaar aangestoken en werd
luidruchtig-ongeduldig. Hij dampte aan de open huisdeur. Tante
pruttelde over de moeilijkheden der voltooiing van haar toilet. In
Geertje's kou-van-gramschap spinnigde het leedvermaak als iets
onverschillig-luttels. Zonder groeten zwaaide Tante eindelijk zwaar
naar voren; toen kwam Oom toch even in de deur tusschen winkel en
tusschenkamer en riep veel te hard:--Dag Geertje!
Over de huissluiting zei hij niets. Geertje dacht met wrevelige spot
aan het misbaar dat hij in vroeger tijd maakte, wanneer "de winkel"
open bleef staan, de winkel waar niets in was te halen. Nu was ook
de winkel weg, maar Oom zijn luchthartigheid was gebleven.
Terwijl zij in de stilte der eenzaamheid de keuken verder aan kant
bracht, daalde er een verlatenheidsgevoel in haar, dat haar loom
maakte en op slapen belust, met een denken, dat ze dàt er wel van
mocht hebben. Wel had zij ook zin, om, nu Tante geen bezwaren kon
maken, alle deuren en vensters eens flink tegen elkaar open te zetten,
dat het vuns-muffe huis 'es ééne keer doorluchtte; maar zij miste de
kracht om het alles te dòen; waar ze was en zooals ze was, viel ze
neer, op haar, scheef in de hoek geduwde, nog onopgemaakte ijzeren
ledikantje. Zwaar woog haar buik, die bult aan haar lichaam, en over
haar oogleden streek een drukking, zij dacht aan de hoofdpijnen tijdens
haar ziekte, en weer radeloosde in haar die onmacht tegen de Angst;
haar ziel doorsnikte de smart om het verlies van de gebedskracht,
zij zei zich óók-van-God-verlaten, van God en de menschen, van Jan
en van allen, alleen met haar kind, hier in de doodschheid der aan
alle kanten door menschengedoe dicht omdrongen, maar toch van alle
menschengeluid en menschengezicht afgesloten achterkeuken.
Uit de looden loomheid der onbewustheid ontwaakte zij met een
loozing van adem, als had zij die al de tijd opgekropt. Doch meteen
snerpte zij een kreet uit, schóóf haar lijf omhoog, gooide haar
beenen omver, duwde, trok, streek aan haar rokken, en schreeuwde
weer:--Nee! Gemeenert! nee!... en kromp, met een opkromming der
beenen, haar gansche lichaam afwerend, ineen, en trachtte van het bed
te glijden. Maar Gerrit, die zij eerst gezien had, over haar heen
gebogen, een arm gestoken onder haar rokken, hield nu haar rug met
beide armen omkneld, heesch haar naar zich op, hoofd tegen hoofd,
en zij, gillend:--Help! Help! was, beide armen als staken tegen zijn
heupen, niet bij machte zich aan zijn omknelling te ontwringen.
--Rakkert, je zult! hij knarsetandde.
Maar haar luider gillen zonder woorden maakte hem bang, even ontsloot
de band van zijn armen, en zij, bukkend, schoof zich los. Zij stond
achter haar ledikantje, in de keukenhoek.
--No' waêt waij no'? beproefde hij te lachen. Het was een grijns
van verlegenheid.
Zij, de rug tegen de keukenmuur, de knie tot pijnigens drukkend tegen
het ijzer van het ledikantje, zóó haar zwakheid houdend staande,
keek hem aan, zag zijn walgelijk verlegen-zijn en meteen hoe hij
leek op Tante. Niets beschermde haar tegen hem dan het ledikantje,
waar hij overheen had te stappen om bij haar te zijn. Doch zij
voelde geen vrees meer, bevelend schimpte haar verachting uit in
een kort-afgekapt:--"Gemeene vent, ga weg!" en toen hij begon op
andere toon:--"Jassus Geer, wais no' nie sau flauw," schoof ze met al
haar zenuwkracht het lichte ledikant vooruit, zoodat hij, door haar
beslistheid verschrikt, achteruitweek; toen koelstemde zij alleen
nog:--"Ga je?"
Ze zag hem zijn hoed oprapen, die onder de worsteling van zijn hoofd
was gevallen, ze weerstond zijn verlegen-aanhalige blik, hij trachtte
met een schouderophalen onverschilligheid te veinzen--daarop sjokte
hij weg.
Toen de winkelbel had geklikt, schoof Geertje zich voort langs de
muur, en leunde even in de deurpost, en steunde op de tafel in de
tusschenkamer, en sloeg eindelijk met het lichaam tegen de voordeur aan
en trachtte met een rukwrong het knarsende nachtslot om te draaien,
dat na een schijn van beweging onwrikbaar bleef. Alle schijnkracht
was uit haar weg. Zij waggelde tot achter de toonbank en viel daar
op het krukje neer, het hoofd dadelijk in de armen op het plat der
toonbank begraven. Geen schreien doorschokte haar, haar leed was te
groot en haar kracht te gering. Zij voelde zich in ellende verzonken,
alles walgelijke ellende. De eigen broer van de vrouw van haar oom:
dit voelde zij als het smartelijkste. Met wat voor menschen leefde háár
óóm, Groo'va zijn eenige zoon met zóó 'n vrouw. Want Gerrit was precies
zijn zuster. Zijn gezicht, zijn oogen, zijn praten, zijn loopen. En
zij zat aan die menschen vast. Toen met de kermis had Gerrit ook al
zoo gemeen gedaan, toen had zij er niet van gesproken, maar nu zou zij
alles vertellen. Ze kon de smeerlap niet meer zien, maar Oom zou hem
nu de deur ook wel wijzen. Of zou Tante? O, die Tante, dat háár oom
met zoo'n mensch was getrouwd! Gerrit kon bij Tante geen kwaad doen;
toen hij indertijd zoo lammenadig handelde met Lena, schoof zij al de
schuld op het meisje. Zij heette de dingen gewoonweg liegen. Als ze
nù ook eens niet wilde gelooven!?.... En als Gerrit dan ontkende? Dan
kreeg Geertje de beschuldiging van een nieuwe leugen op haar brood....
't Overdenken van deze mogelijkheid bracht haar zenuwen weer wat in
werking. Zij zat, voorovergebogen, de armen in een hoek breeduit over
de toonbank, op de leegheid van de winkel te staren, en er trok een
lachje van hatend verachten om haar mond. Lusteloos keek zij nu en dan
naar het weinige zondag's-beweeg in de doodsche straat. Voorstellingen
van ander bestaan vleugden door haar denken: hoe het nu thuis in het
dorp zou zijn, Groo'va en nicht in de middagpreek, de Heukelman's,
al de andere meisjes; hoe in het Hang, de kinderen.... Haar wijsvinger
wipte een traan uit het oog.... Met wreede wanhoopsdrang kwamen haar
gedachten telkens in de droefheid van hier terug.
Toen zij Oom's stem buiten hoorde, 't voetengewrijf en getrappel, en
klik-klakkend op Oom's duwen de deur openging, bleef zij bewegingloos
zitten.
--Zoo Geer, daar benne we weer.... Meid, wat zit jij da'r ongelukkig.
Nu was Tante het treedjen op en binnengehijscht en Geertje voelde de
blik van kwaadaardige onverschilligheid. Zij bleef bewegingloos vóór
zich staren.
--Zouj de mens' ook is goeie dag zegge? verweet Oom goedaardig.
Oom stond dáár en Tante dáár, Geertje bleef staren bewegingloos.
Smakkend en schouderophalend sjokte Tante in de zwaarte van haar
pontificaal de winkel door. Toen keek Geertje op en haar blik lag in
de oogen van Oom. Ze meende er verwondering of onrust in te zien, wat
haar weeker aandeed. Haar lippen bewogen, maar woorden kwamen er niet.
Vóór de toonbank op haar neerziend, schudde Oom het hoofd.
--Jij heb je weer over stuur zitte make.
Geertje wist, dat zij nu het moest zeggen, doch zij vond de woorden
niet. Toch moest het, Tante was doorgegaan naar de keuken..
Haar lippen beefden, terwijl zij als smeekend opzag naar Oom.
--.... G.... Gerrit.... is-t-er geweest.... hij he't me kwaad wille
doen.
--Wàt he't-ie? schetterde Oom's verbazing, en zijn luidruchtigheid, die
Tante's aandacht kon trekken, ontnam Geertje de geringe gerustheid. Het
was haar, of Tante kwam toegeschoten, om te furiën dat zij loog. Het
hoofd wringend tusschen de opgeheven handen, schudde zij snikkend,
zij kon het niet zeggen. Maar daar kwàm de stem uit de keuken, de
blerkstem, met de toon van plezier in hoon:
--Och laat-er tuch, ze draump weer fen Hains.
Nu schoot in Geertje de haat tot een kracht, tot een woede van
verontwaardiging, een felle fierheid die zich moest uiten, en ze sprak,
ze zei het gebeurde, maar ze zei het zooals ze het wist: met haar
gróóte afkeer van haar belager, omdat hij Gerrit was, Tante's broer.
Tante stond terzij van haar op de drempel der tusschenkamer. Ze
striemde Geertje's verhaal met een spotlach. Hahaha, zoo'n uil
van een maid, die zich zóó verschrikken liet. Jasses, om zoo ie's
gemeens te denken, en dat enkel van 'en grap. Maar Geertje's zenuwen
stonden gespannen. Een grap! Ze deed haar verhaal opnieuw, met een
nadrukkelijke aanduiding, zonder schroom, in haar toon steeds haar
walging, van elke bijzonderheid, waaruit de bedoeling van Gerrit kon
blijken. Aldoor zag zij Oom daarbij aan, strak in de oogen, zoodat
hij die neersloeg òf weer háár aankeek--Tante niet. Zij voelde, zij
zag, dat Oom haar geloofde. Maar Tante ook! het moest zoo zijn. Haar
toon was doorstraald van het zelfbewustzijn, onder deze beleediging
opgeveerd.
--Nau, dan he't Gerrit sich fergeite, verschoonde Tante als was
't iets gewoons.
--O, en u vindt dat zeker niks!
--Seg ik dat, hep ik d'ar ies fan gesaid! M'ar nau je 't fraagt,
nau sal ik et segge. Nai, sau erg fin ik det niet. Gerrit is geen
getrauwd man soas Hains!
--Mag ie daarom alles mit me doen?
--As Gerrit 'en schuld had an jou of 'en ander maissie, dan kennie
et goed make. Haur je dat? Anders hep ik niks gesaid. Ik ken d'er
die et niet goed make kenne. 'k Laat nau daar of ze 't sauwe wille.
--Noemt u um maar! Zegt u maar Heins! Maar an die heb ik me gegeve,
Jan heeft niks gedaan tege me wil. En ùw broer he't m'overvalle,
me wille dwinge tot gemeenheid. Ziet u! ziet u! dat is het verschil.
--Gerrit hep nie' goed gedaan. M'ar je mot ook niet fergeite.... de
jonge wist hoe jai d'er an toe ben, en....
--Nou! En?
--Je begraip me bes'.
--O zoo. Nou, ik ben geen hoer.
--Nai, je ben de maag fan Orleejans! 't Is zeker netjes, 'en dikke
buyk fan en getrauwd man! En as d'er dan en jonge komp, die je froeger
wel had wille trauwe, die je seker sau hebbe getrauwd as die buyk
fan hum gewees was, en hij fergeit zich en augeblik, dan schreeuwt
de medam as gesmaurde onschuld.
Geertje stoof op van de toonbankkruk. Dreigend kwam zij af op
Tante. Maar ze vermocht niet meer te doen, dan de gehate toe te sissen:
--Jij bent net zoo gemeen as je broer.
En zij duwde haar uit de weg, liep als vluchtend naar de keuken,
trachtte daar de deur te sluiten, doch toen dat niet snel genoeg
ging, liep ze, zinneloos, terug naar de tusschenkamer, haalde haar
manteltje en hoed uit de kleerenkast, trok het onder de haastigheid
van haar rukken krakende dingetje aan, pinde de hoedespeld door heur
haar.... klaar was ze, nu kon ze het huis uit....
--Wat mot jij? kwam Oom ze in de weg.
--Oom u begrijpt wel, ik ken hier niet blijve. Tante heef' me nou
dinge gezeid....
--Zoo. En wat jij zei, was dat netjes?
--O, neem u nou nog haar partij?
--Ik neem niemand zijn partij. Maar ik vraag jou alleen: waar wee
je heen?
--Dat zal ik wel zien as ik buite ben!
--Jawel, mooie onzin. Maar je komp er niet uit.
--God, begin u nou ook mit geweld?
--Ik begin niks. Maar ik heb me verstand. D'eenige waar je heen kan
is Groo'va, en as je daar komp, is et z'en dood.
--Nee, ik ga de stad niet uit.
--Sie je wel, hoonlachte Tante op. De nette medam wil de stad nie
uyt. Seg, lau je kamere daur Hains....
--Oom, la me door of ik sla je vrouw!
Ze duwde hem weg, nu een ruk--ze was buiten. In de doodsch-stille
zondagnamiddag. Een manteltje over d'er daagsche japon. Zelfs d'er
beursje had ze vergeten. Het Hang.... Mina Koenders.... dat Oom
misschien was bang geweest voor zelfmoord--het flitste door haar
wargedachten. Toen viel er, als iets veiligs en zekers, de gedachte
aan Maandag's woning.
En met een rustig op het uiterste inspannen van haar zwakheid,
richtte zij zich daarheen.