--Wat! Wat! Wat! kreesch Tante. En op de maat van elke uitroep kwam
ze, van de drempel tusschen winkel en kamer, waar ze, ongemerkt
toegetippeld op het gerucht van het drukke gepraat, naar Oom's
woordenvloed had staan luisteren, een pas nader tusschen hem en
Geertje. Oom bij de deur, de klink in de hand; Geertje neergezonken
achter de toonbank, zoo zwaar met 'er last op het kleine krukje: zwaar
en zich voelend als uitgeput; Tante in 't midden, een hoonende furie.
Onder 't eten had Oom zitten mokken. Zoodat Tante was
uitgeschoten:--Nau, wat is het verdikke nau weir?--En op het oogenblik,
dat hij de deur zou uitgaan, was hij tegen Geertje begonnen.
Verwezen had ze naar hem geluisterd. Eigenlijk wist ze alleen dat
ze moe was. O, Gòd, zij was zoo moe! Die goeie Maandag had het 'er
gisteravond gezegd:--Meid, je ben doodop, je mot na bed.--Leunend
op hem, die flink had gesteund, was ze in een verdooving naar hier
gestrompeld. Met de oogen toe had ze aan tafel gezeten, tot Tante zelf
zei:--Ga jai maar.--Toen had alles gedraaid en gedeind; de piepend tot
grillige lellen verkrimpende gastong boven de gootsteen in de keuken
had haar werktuigelijk toedoffende oogen telkens opengeprikkeld; tot
ze, in schemerrosheid zich alleen nog haar smachten naar slapen bewust,
gelijktijdig de pijn van haar gewrichten bij het in bed zakken, en de
wrevel over Tante's nog binnenkomen met vatenboel had geweten. Met
looden hoofd had zij lang geslapen, tot weer de hinder van Tante's
af- en aansjokken haar had geërgerd, en ze als een pijn de schrik
gevoeld had van de gewaarwording, dat het dag was, niet meer het
weg-zijn-in-de-nacht.... Maar ze was nog blijven liggen in een bedenken
dat niets haar kon schelen. Al sliep ze niet, ze rustte te-minste. Ze
had heel goed gemerkt, dat Tante's kousenvoeten hoe langer hoe
olifantiger ploften en plompten over de dreunende vloeren; dat Tante
de dingen op 't aanrecht kletste en norsch half-zacht-sprak met Oom
in de kamer. Maar zij had zich doof gehouden en geen goeienmorgen
gezeid, toen Oom kwam en snuivend boven de gootsteen plaste. Ze
had zóó gedacht: ja, verrek jullie maar. Tot--Oom lang weg--Tante
't niet meer uithield en, breed, handen op dijen, voor 't bed, op
een toon van mijn-neem-je-niet-in-de-maling gevraagd had:--Seg, sau
j' auk is opstaan? Toen had ze zich gekleed, lui-langzaam. Zij had
niet gesproken, evenmin Tante. Die was uitgegaan om visch. En in de,
het huis als opruimende, eenzaamheidsstilte had zij even wanhopig
geschreid. Ook had ze nagedacht: ze zòu schrijven, zeker schrijven,
nu, alles, aan Groo'va.
Hiervoor was ze dadelijk na 't eten naar voren gewankeld en
neergevallen in die stoffige ontreddering van de winkel, die geen
winkel meer was, die bij hun klein-behuisdheid zoo veel dienst
zou kunnen doen, doch die Tante liet wat hij was--uit armoe en uit
achteloosheid. Grijs van het stof, lag daar heel wat papier nog,
een pak van van-alles, bij leege doozen, waar Tante verstelwerk
naast had gelegd, hemden van Oom en oude lappen. Juist toen Geertje
van onder de met stoflaag bedekte een katerntje weggrissen wilde,
kwam Oom de winkel door, naar de deur.
Dadelijk toen zij hem norsch had gezien, bij zijn thuiskomen voor
het eten, had zij gedacht: hij heeft Jan gesproken. Daarna had zij
opgemerkt, hoe hij Tante wenkend aankeek. En onder haar wegwankelen
hier naar voren, had zij hem hooren opstaan en Tante achternagaan,
de keuken in. Maar telkens had zij zóó gedacht: verrek jullie maar,
verrek jullie maar. 't Deed goed, dat te hóóren in hare gedachten.
Nu had hij, met de hand aan de deurknop, op een toon, als stal ze,
gevraagd:--Wat doe jij daar?
Zwijgend had ze 't papier laten zien, wetend dat die beweging tartte.
--Da's mijn papier, ja. Wat mot je daarmee?
--'k Wou 'en brief schrijven.
--O got, soms nog an Heins? Nou m'ar, dat laat je hoor. Bei je
bedonderd! Denk ie da' w'al nie' meer as genogt last van je hebbe? Wou
je da'k ruzie mit de vent kreeg? Dank je. 't Is nou wel geweest. Je
laat 'um mit rust, hoor! Hei je 't verstaan?
Zacht zei Geertje, dat ze aan Groo'va ging schrijven. Oom verstond
niet en raasde voort. Toen furiede Tante nader bij. Zij deed, of ze nu,
uit Oom's verwijten, eerst vernam van Geertje's bezoek. Dat prikkelde
Geertje op uit haar loomheid: altijd liegen, hè, wat een wijf! Maar
meteen hoorde ze zich uitgescholden worden voor een leugenaarster.
--Sau'n slet! Die fraag me: mag 'k na Mien Koenders? Tante ma'k
asseblief es gaan?--En Tante deed een kinderstem na.--En dan klep
ze verdòmt weer die fent na, die al lang genogt fan d'er heit. Genog
tot hier! Seg, haur ie, tot hier!
Geertje deed zich pijn aan de buik, zoo kneep ze de vermagerde, van
grof werk eeltig en goor geworden zenuwvingers der ineengevouwen handen
tegen elkander boven haar schoot. Haar lippen hadden tot antwoorden
bewogen, toen Tante háár een leugen verweet. Maar 't was waar, ze hàd
gezeid, dat ze naar Mien Koenders gaan zou. Ze hàd gelogen. Wat kwam
't er op an! Iedereen loog ommers, iederéén! Verrek jullie maar! Verrek
jullie maar! Jullie liegt ook. Je doet niet anders! Heer in den hemel
en dat verweet háár.... Haar lippen beefden, haar oogen glansden,
bij Tante's spreken over Jan. Maar ze zweeg en bleef onbewegelijk
zwijgen, ook toen Oom zijn gezwets weer begon. Ze had een steek aan
de slapen gevoeld en toen was 't of er lood in 'er hoofd kwam; van
boven leek 't leeg en van voren zoo zwaar. As ze nou weer hoofdpijn
most krijgen.... Angstig dacht ze aan haar kind. En dit gaf haar
kracht tot verweer.
Ze herhaalde:
--'k Wou niet schrijven an Jan.
--Zoo, wat mos je dan mit dat papier?
--'k Zeg u, 'k ga an Groo'va schrijve.
--Groo'va! Wat mot je nou weer mit Groo'va?
--Mag 'k nie meer an Groo'va schrijve?
God in den hemel, de aak'lige wezens! Oom die Tante vragend
aankeek. Tante die knikte. Zoo, dus dat mocht. Nou maar, dat was z'
ook maar geraden. Anders liep ze zoo d'er huis uit. Of ze riep om de
peliessie, as ze d'er soms wouen hou'en.
Maar nou was het nog niet uit! Oom, die zwetser, kle'ste maar
door.... Wat! wàt zeid'ie? Nee, die was brutaal! Oom, die opkwam vóór
Jan tégen haar!.... Alles om 't geld.... Ze huiverde. Ze moest zeggen,
met bevende lippen:
--O, ben we nou daaran toe!
Oom, voortrazend, hoorde haar eerst niet. Maar Tante had weer met
haar oogen gewerkt. Oóm hield in.
--Wa' zei ze? Wa' zei je?
Geertje, giftend haar toon tot een hoogheid:
--Ik zei: ben we nou daaran toe?
Maar nu siste Tante vooruit. Zij bleef in haar woorden steken van
boosheid. Wat het slet dan toch wel dacht. 't Geld lag zeker te grabbel
op straat! Ja, als je van een ander je kost kreeg. Oom moest wèrken
voor zijn brood. Maar eerst moest ie werken kùnnen. Hij had lang
genoeg gezocht. Dat et nou toevallig zoo trof, dat ie juist werk
voor de vent had, door wie Geertje zich zoo onbenullig had laten
schoffeeren, dat kon toch geen reden wezen voor Oom, om het werk
niet aan te nemen. En natuurlijk--werken voor iemand en vijand met
'em zijn, dat ging niet. Geertje had het moeten begrijpen. Maar ze
was als een kind zoo dom. Trotsch, parmantig, trotsch as 'en pauw,
maar och got, zoo kinderlijk dom....
Geertje dacht niet meer: verrek. De liefhebberij van dat ruwheidje te
laten zingen in haar hoofd, zooals vroeger de vele bijbelteksten,
was weggezonken met àlle denken. Wezenloos zat ze en staarde
dof. Oom en Tante keken elkander aan als twee menschen die een derde
hebben afgeranseld, en, met een blik over de nederliggende heen,
elkander zeggen, dat het genoeg is. Oom ging de deur uit en Tante
naar achter. Een paar buurtkinderen kwamen loeren door het weinig
beschermde winkelraam, waar achter tegenwoordig niets meer te kijk
was. Ze zagen nieuwsgierig naar die starende, onbeweeg'lijke vrouw.
Een stuip in haar buik wekte Geertje uit de verdooving. Toen
trachtte zij de brief te schrijven. Zij zette de datum en "Waarde
Grootvader." Draaide aan de pen.... Wat moest ze schrijven!? Dat een
man haar had bedrogen? Hàd hij?!....
Ach, zij wist het niet! Gisteravond, onder Maandag's spreken, was
zij overtuigd geweest. Maandag had ook geraden:--Ga weg! gá toch
naar huis, naar je dorp, arm kind. Wat martel je je en lijdt hier
armoe! Denk aan je kind, ga krachten opdoen, trek zoo gauw als je kan
naar buiten.... Zij had het gehoord. En gedacht: het mòet. Weg. Van
alles wèg--om het kind. Jan verstiet haar, zij mocht niet meer
hopen. Weg moest ze, Rotterdam uit, om 't kind. Dadelijk zou ze
schrijven aan Groo'va.
Maar nu ze zat, met het velletje vóór zich.... "Waarde
Grootvader".... Wat nu meer?
Weer voelde ze 't lood in haar hoofd en die dofheid, net of er boven in
't hoofd wat brak....
Zoo mocht het niet. Om het kind niet. Gevaarlijk.... Dokter had gezegd:
Pas op....
Toen zij het velletje had weggeborgen, achter in de winkella en de
pen uitgeveegd; toen ze, opstaande, wist: vandaag nog niet--viel de
moeheid van haar af als een doek.