--Tante, had ze gevraagd, is 't goed as 'k es 'en avend na Mien
Koenders loop?
--Na Mien Koenders! hoe kom ie d'ar no' w'er bai?
Geertje had ongeloof gehoord in de bot-kortaffe toon. En listig had
ze erg gewoon, als kon het haar niet veel schelen, geantwoord:
--Zoo maar, 'k wou d'er nog wel is zien.
Van toen af, wist ze, dat ze niet naar Mien ging. Ze had aan Mien en
d'er moeder gedacht, de zondagmiddag toen ze uit de kerk kwam. Omdat
het vrome menschen waren. Omdat ze behoefte had aan zoo'n aanspraak,
van christelijke, ernstige menschen. Een oogenblik had ze verlangd
naar de vernedering, de zelfbeschuldiging bij haar binnenkomen in de
winkel en de achterkamer, onder de strenge, terstond berispende oogen
van juffrouw Koenders en van Mien, die dadelijk aan haar zouden zien,
hoe het met haar was geloopen; juffrouw Koenders, die spreken zou, net
als Groo'va later doen zou. Misschien, dat ze 't niet onmiddellijk
opmerken zouden, met d'er zondagsche rouwgoed kwam 't niet zoo
uit. Dan zouden ze, als de laatste keer, in een afgemeten begroeting
hun boosheid over Geertje d'er wegblijven toonen. Langzamerhand zou
alles blijken, zou zij alles zeggen.... ze zòu het, ze wou.... Te
minste, wanneer ze alleen met d'erlui was, als ze Mien's vrijer d'er
maar niet vond en misschien nog andere menschen, de femielje van Mien
d'er vader.... Die vrees voor de vrijer en andere menschen had haar
weggedreven, de kant van huis op. Maar sedert was de gedachte aan het
bezoek telkens teruggekeerd, en nu in haar angst, haar ongedurigheid
door de dingen die Maandag verteld had, wilde ze menschen spreken, wie
ook; zon ze op een gang naar het Hang, te verbinden met een bezoek aan
Mien Koenders. Zenuwachtig, wist ze zelf niet, waar ze naar toe zou
gaan en waar niet; maar ze mòest de straat op, d'er uit. Daarom had
ze, aarz'lend, gevraagd, of ze naar Mien mocht; plots stil beslissend,
toen Tante's bits wantrouwen haar die steek gaf en ze van niets meer
wist dan een drang tot tegenweer met sluwe leukheid.
Nu liep ze op het Singel--en niet naar Mien. Met opzet ging ze
deze weg, iets òm, maar ze had ommers nu de tijd, en ze mocht Oom
es tegenkommen. Tot bij de Binnenweg, maar dan links. Vrijdag-avond:
Jan zou d'er zijn, dan bleef-t-ie altijd laat zitten schrijven. Ze had
dus maar naar de winkel te gaan en te vragen om meneer te spreken. Dat
kon best, was heel gewoon. Dom, dat ze 't niet veel vroeger gedaan
had. Er trilde een opstand door haar gevoel, dat ze weken had laten
voorbijgaan, zonder éven Hem te bezoeken. Wel met weifeling: immers
òm Hem, opdat Hij thuis geen moeite zou krijgen, had ze gewacht,
angstig-smachtend gewacht, aldoor uitstellend iedere poging.... Maar al
gebeurde d'er wat met het mensch; voor hun kind, voor hun liefde moest
het. Hijzelf zou het billijken, als ze hem uitlei, hoe Maandag haar
in de war had gebracht. Schoon moe van veel werk, voor Tante gedaan,
verhaastte zij onwillekeurig de pas. In maanden was zij niet in de
avondstilte geweest. Een oogenblik schreide de weemoed in haar, daar
zij aan vroeger dacht, toen zij vàn daar kwam en ze ook heen-en-weer
ging door de menschen, de paren, de groepen, de lastige jongens, langs
de bonte winkels vol licht. Nog weer schielijker ging zij voort. Door
de ontroering van haar verlangen schokte slechts berouw-verbazing,
dàt ze 't bestaan had: zóó lang van Hem af. Vast overtuigd was zij weer
van zijn liefde, en glimlachend vergaf haar denken, dat hij niet meer
moed getoond had. Zooals een moeder haar grooten zoon zou vergeven.
Eerst toen de deurknop van de winkel haar uit de hand schoot, nadat het
slot gelicht was, en zij, dus nog eens naar de knop tastend, de deur
echt bedelaarsachtig open duwde, doorloomde haar verlegenheid. En het
kon wel zijn dat ze bloosde, toen zij, plotseling vóór Bos, knikkend
hem goedenavond zei en vroeg:--Hoe gaat het? en na even ophouden:--Is
Meneer d'er! Kan 'k em es spreke?
--Menéér? lijzigde Bos. Zijn dooie oogen ontweken haar schuw. Hij had
even naar haar gekeken, toen zij in de deur stond. Nu telde hij voort
aan de vellen kleurpapier die vóór hem op de toonbank lagen.--Acht,
negen, tien.... zei hij half-hardop, terwijl zijn vingers de bladen
in een hoek oplichtten.
Geertje zag zijn doen even aan.
--Ja, ik wou 'm graag effe spréke.
Zij trachtte bevelende vastheid aan haar stem te geven, doch het
krieuwelde in haar keel en ze moest kuchen, daar haar stem oversloeg.
Nu zag Bos even op. Zijn blik gleed langs haar, stuursch-verlegen.
--'k Glauf nie'.... maar ik wil wel es kaike.
--Asjeblief, zei Geertje heesch. Ze kuchte nog eens, omdat ze nu heesch
sprak. Ze vond het ellendig, verlegen te worden. Maar die Bos, hij
deed zoo vreemd! Vroeger, om onder een hoedje te vangen, en nou zoo
onvriendelijk. Ze begreep wel, hij wist, was bang.... onwillekeurig
zag ze om naar de binnendeur; God! als nou het mensch eens kwam....
--Toe, ga dan effe, drong ze aan, daar Bos bleef treuzelen aan
zijn papier.
Nu zag hij haar recht in het gezicht, boos, hoonend.... Ellendeling,
vroeger altoos de beste maatjes, haar flikflooiend om suiker in zijn
koffie; bangert, nu-d-ie wist van haar.... Als Jan nou es.... niet
haar boven liet komen, maar haar tegemoetkwam, bovenaan 't trapje,
zooals ie deed met leveranciers, dàn zou Bos kijken! dan hield ie
straks bij 't weggaan de deur nog voor d'er open....
Toen hij het trapje opging, kraakte de tweede tree. Een ontroering
doorhuiverde haar. Die tree had de laatste tijd gekraakt, elke
morgen, wanneer zij kwam met de koffie, van het kantoor, de winkel
in.... Gelijk een windvlaag, gelijk een stortgolf, was de overstelping
in haar, nu z' opeens voor alles oog had, de kasten, de tafel terzij
van het trapje, de mommen en poppen die van de zolder neerhingen,
alles, iedere kleinigheid. Och, er was niet veel verwisseld, alleen
weer andere ansichtkaarten. Het deed zoo'n goed, terug te zijn; hier
was haar geluk, haar leven.... Jan, de naam zong in haar ziel.... Even,
bedeesd, dacht zij ook aan hun kind.... als dat ooit eens.... Maar het
was, of gestommel.... Ze deed vanzelf een pas vooruit, dieper de winkel
in, om niet opeens vlàk voor het mensch te staan. Doch de binnendeur
bleef dicht, ze had het zich verbeeld. Hè, het duurde wel heel
lang. Zij leunde met de hand op de toonbank. Daar stond het krukje,
waar ze zóó vaak op zat, waar Jan haar eens een zoen had gegeven,
toen ze alleen waren in de winkel, brutaal, om moog'lijke kijkers
op straat.... Zij dorst er nu niet op gaan zitten. Ze werd weer moe;
och, dat was bangheid. Als.... O, daar kwam.... Bos. Niet Jan.
Strompelend kwam hij het trapjen af en bleef schuins vóór Geertje
staan.
--Ja, 'k dach' wel. Meneer is d'er niet.
Wat zei-d-ie!
--Is Meneer d'er niet!?.... Venavend niet?
Strak zag ze hem aan. O! ze zag het, hij loog! Hij loog! God, ja
maar.... dat wou dan zeggen, dat Jan-zelf, dat Hij niet wilde.
Het was opeens, alsof zij groot werd, of haar oogen verwijdden,
haar hoofd verhoogde.... De borst vooruit, zuchtte zij diep. Toen
scheen het trapje te wijken, te draaien.... Nee! flauwvallen zòu ze
niet! hier niet! Ze wilde zeggen, ze deed haar best om te zeggen:--Dan
kom ik nog wel es terug. Maar dáár ontbrak haar de kracht toch toe. Ze
knikte even naar Bos, die haastig langs haar heen was gestapt, als
bang dat ze niet naar de straatdeur, niet de winkel uit zou gaan;
toen waggelde ze weg....
Het bewustzijn hield haar staande, dat dáár het mensch was,
Sefie.... en ook Hij. Ook om Hem mòest ze staan blijven, loopen. Alles
leek haar hol, bodemloos, leeg. Ze wist niet meer, wilde niet meer;
maar ze liep; vóórt moest ze, weg, want Hij wou niet van haar....
Het leek haar een onmogelijkheid, dat zij nu opeens staan zou voor
Tante. Even dacht zij aan Mina Koenders. Maar ook bij die kòn zij
niet zijn. Toen wenschte zij te wezen bij Maandag. Hij, alleen,
was misschien nog haar vriend.