XI.

--Tante, had ze gevraagd, is 't goed as 'k es 'en avend na Mien

Koenders loop?

--Na Mien Koenders! hoe kom ie d'ar no' w'er bai?

Geertje had ongeloof gehoord in de bot-kortaffe toon. En listig had

ze erg gewoon, als kon het haar niet veel schelen, geantwoord:

--Zoo maar, 'k wou d'er nog wel is zien.

Van toen af, wist ze, dat ze niet naar Mien ging. Ze had aan Mien en

d'er moeder gedacht, de zondagmiddag toen ze uit de kerk kwam. Omdat

het vrome menschen waren. Omdat ze behoefte had aan zoo'n aanspraak,

van christelijke, ernstige menschen. Een oogenblik had ze verlangd

naar de vernedering, de zelfbeschuldiging bij haar binnenkomen in de

winkel en de achterkamer, onder de strenge, terstond berispende oogen

van juffrouw Koenders en van Mien, die dadelijk aan haar zouden zien,

hoe het met haar was geloopen; juffrouw Koenders, die spreken zou, net

als Groo'va later doen zou. Misschien, dat ze 't niet onmiddellijk

opmerken zouden, met d'er zondagsche rouwgoed kwam 't niet zoo

uit. Dan zouden ze, als de laatste keer, in een afgemeten begroeting

hun boosheid over Geertje d'er wegblijven toonen. Langzamerhand zou

alles blijken, zou zij alles zeggen.... ze zòu het, ze wou.... Te

minste, wanneer ze alleen met d'erlui was, als ze Mien's vrijer d'er

maar niet vond en misschien nog andere menschen, de femielje van Mien

d'er vader.... Die vrees voor de vrijer en andere menschen had haar

weggedreven, de kant van huis op. Maar sedert was de gedachte aan het

bezoek telkens teruggekeerd, en nu in haar angst, haar ongedurigheid

door de dingen die Maandag verteld had, wilde ze menschen spreken, wie

ook; zon ze op een gang naar het Hang, te verbinden met een bezoek aan

Mien Koenders. Zenuwachtig, wist ze zelf niet, waar ze naar toe zou

gaan en waar niet; maar ze mòest de straat op, d'er uit. Daarom had

ze, aarz'lend, gevraagd, of ze naar Mien mocht; plots stil beslissend,

toen Tante's bits wantrouwen haar die steek gaf en ze van niets meer

wist dan een drang tot tegenweer met sluwe leukheid.

Nu liep ze op het Singel--en niet naar Mien. Met opzet ging ze

deze weg, iets òm, maar ze had ommers nu de tijd, en ze mocht Oom

es tegenkommen. Tot bij de Binnenweg, maar dan links. Vrijdag-avond:

Jan zou d'er zijn, dan bleef-t-ie altijd laat zitten schrijven. Ze had

dus maar naar de winkel te gaan en te vragen om meneer te spreken. Dat

kon best, was heel gewoon. Dom, dat ze 't niet veel vroeger gedaan

had. Er trilde een opstand door haar gevoel, dat ze weken had laten

voorbijgaan, zonder éven Hem te bezoeken. Wel met weifeling: immers

òm Hem, opdat Hij thuis geen moeite zou krijgen, had ze gewacht,

angstig-smachtend gewacht, aldoor uitstellend iedere poging.... Maar al

gebeurde d'er wat met het mensch; voor hun kind, voor hun liefde moest

het. Hijzelf zou het billijken, als ze hem uitlei, hoe Maandag haar

in de war had gebracht. Schoon moe van veel werk, voor Tante gedaan,

verhaastte zij onwillekeurig de pas. In maanden was zij niet in de

avondstilte geweest. Een oogenblik schreide de weemoed in haar, daar

zij aan vroeger dacht, toen zij vàn daar kwam en ze ook heen-en-weer

ging door de menschen, de paren, de groepen, de lastige jongens, langs

de bonte winkels vol licht. Nog weer schielijker ging zij voort. Door

de ontroering van haar verlangen schokte slechts berouw-verbazing,

dàt ze 't bestaan had: zóó lang van Hem af. Vast overtuigd was zij weer

van zijn liefde, en glimlachend vergaf haar denken, dat hij niet meer

moed getoond had. Zooals een moeder haar grooten zoon zou vergeven.

Eerst toen de deurknop van de winkel haar uit de hand schoot, nadat het

slot gelicht was, en zij, dus nog eens naar de knop tastend, de deur

echt bedelaarsachtig open duwde, doorloomde haar verlegenheid. En het

kon wel zijn dat ze bloosde, toen zij, plotseling vóór Bos, knikkend

hem goedenavond zei en vroeg:--Hoe gaat het? en na even ophouden:--Is

Meneer d'er! Kan 'k em es spreke?

--Menéér? lijzigde Bos. Zijn dooie oogen ontweken haar schuw. Hij had

even naar haar gekeken, toen zij in de deur stond. Nu telde hij voort

aan de vellen kleurpapier die vóór hem op de toonbank lagen.--Acht,

negen, tien.... zei hij half-hardop, terwijl zijn vingers de bladen

in een hoek oplichtten.

Geertje zag zijn doen even aan.

--Ja, ik wou 'm graag effe spréke.

Zij trachtte bevelende vastheid aan haar stem te geven, doch het

krieuwelde in haar keel en ze moest kuchen, daar haar stem oversloeg.

Nu zag Bos even op. Zijn blik gleed langs haar, stuursch-verlegen.

--'k Glauf nie'.... maar ik wil wel es kaike.

--Asjeblief, zei Geertje heesch. Ze kuchte nog eens, omdat ze nu heesch

sprak. Ze vond het ellendig, verlegen te worden. Maar die Bos, hij

deed zoo vreemd! Vroeger, om onder een hoedje te vangen, en nou zoo

onvriendelijk. Ze begreep wel, hij wist, was bang.... onwillekeurig

zag ze om naar de binnendeur; God! als nou het mensch eens kwam....

--Toe, ga dan effe, drong ze aan, daar Bos bleef treuzelen aan

zijn papier.

Nu zag hij haar recht in het gezicht, boos, hoonend.... Ellendeling,

vroeger altoos de beste maatjes, haar flikflooiend om suiker in zijn

koffie; bangert, nu-d-ie wist van haar.... Als Jan nou es.... niet

haar boven liet komen, maar haar tegemoetkwam, bovenaan 't trapje,

zooals ie deed met leveranciers, dàn zou Bos kijken! dan hield ie

straks bij 't weggaan de deur nog voor d'er open....

Toen hij het trapje opging, kraakte de tweede tree. Een ontroering

doorhuiverde haar. Die tree had de laatste tijd gekraakt, elke

morgen, wanneer zij kwam met de koffie, van het kantoor, de winkel

in.... Gelijk een windvlaag, gelijk een stortgolf, was de overstelping

in haar, nu z' opeens voor alles oog had, de kasten, de tafel terzij

van het trapje, de mommen en poppen die van de zolder neerhingen,

alles, iedere kleinigheid. Och, er was niet veel verwisseld, alleen

weer andere ansichtkaarten. Het deed zoo'n goed, terug te zijn; hier

was haar geluk, haar leven.... Jan, de naam zong in haar ziel.... Even,

bedeesd, dacht zij ook aan hun kind.... als dat ooit eens.... Maar het

was, of gestommel.... Ze deed vanzelf een pas vooruit, dieper de winkel

in, om niet opeens vlàk voor het mensch te staan. Doch de binnendeur

bleef dicht, ze had het zich verbeeld. Hè, het duurde wel heel

lang. Zij leunde met de hand op de toonbank. Daar stond het krukje,

waar ze zóó vaak op zat, waar Jan haar eens een zoen had gegeven,

toen ze alleen waren in de winkel, brutaal, om moog'lijke kijkers

op straat.... Zij dorst er nu niet op gaan zitten. Ze werd weer moe;

och, dat was bangheid. Als.... O, daar kwam.... Bos. Niet Jan.

Strompelend kwam hij het trapjen af en bleef schuins vóór Geertje

staan.

--Ja, 'k dach' wel. Meneer is d'er niet.

Wat zei-d-ie!

--Is Meneer d'er niet!?.... Venavend niet?

Strak zag ze hem aan. O! ze zag het, hij loog! Hij loog! God, ja

maar.... dat wou dan zeggen, dat Jan-zelf, dat Hij niet wilde.

Het was opeens, alsof zij groot werd, of haar oogen verwijdden,

haar hoofd verhoogde.... De borst vooruit, zuchtte zij diep. Toen

scheen het trapje te wijken, te draaien.... Nee! flauwvallen zòu ze

niet! hier niet! Ze wilde zeggen, ze deed haar best om te zeggen:--Dan

kom ik nog wel es terug. Maar dáár ontbrak haar de kracht toch toe. Ze

knikte even naar Bos, die haastig langs haar heen was gestapt, als

bang dat ze niet naar de straatdeur, niet de winkel uit zou gaan;

toen waggelde ze weg....

Het bewustzijn hield haar staande, dat dáár het mensch was,

Sefie.... en ook Hij. Ook om Hem mòest ze staan blijven, loopen. Alles

leek haar hol, bodemloos, leeg. Ze wist niet meer, wilde niet meer;

maar ze liep; vóórt moest ze, weg, want Hij wou niet van haar....

Het leek haar een onmogelijkheid, dat zij nu opeens staan zou voor

Tante. Even dacht zij aan Mina Koenders. Maar ook bij die kòn zij

niet zijn. Toen wenschte zij te wezen bij Maandag. Hij, alleen,

was misschien nog haar vriend.

Geertje · 第 36 / 53 题