X.

De eerste keer dat ze buiten kwam, zag ze buren naar haar kijken. Daar

ging het nichtje dat in de kraam moest. Dadelijk dacht zij aan Groo'va:

God! wàs 't niet beter hem nu te schrijven? Zij zou het straks met

Tante bepraten.

--Tante.... begon zij.

Maar als een fyzieke benauwing drong het plotseling naar haar hoofd,

dat ze Tante zou moeten vertellen: de buren hebben me nagekeken. Ze

durfde niet....

--Wat wau je den? Tante vroeg het ongeduldig.

--'k Weet niet.... niks....

Ze kreeg een kleur. Schouderophalend slofte Tante weg. Geertje was

opeens weer moe.

Zij had ook last van een slecht geheugen, deed tweemaal een boodschap

verkeerd. De tweede keer stoof Tante op:--Is de medam det auk nog te

feill? 'k Meinde dat je 't nug al kon stelle! Dat steek de heile dag

geen fin uyt, en dan doet ze-n-en baudschap verkeird!....

Eens in de Zomerhofstraat zag zij Jan vóór zich gaan. Zij kon haast

niet verder, zoo klopte haar hart. Angst doorschokte haar: wàt zou

hij zeggen!.... Zij dacht aan die middag, hier in de straat, toen

hij liep met Benjamin Cohen. Wàt zou hij zeggen. Zij durfde niet voort.

Hij was een groote kruidenierswinkel binnengegaan, waar zij wel

eens iets had gekocht. Daar hem ontmoeten.... onmogelijk! Toch wou

ze hem zien. Ze mòest hem zien. Ze zei zich, dat ze niet verlangde,

dat haar angst te hevig was. Maar dat ze niet weggaan mòcht om hun

kind. Dadelijk wist ze het tegendeel. Om het kind moest ze kalm

blijven, vluchten.... Maar ze kwam niet van de plek.

Zij trantelde, in de kou, voor de huizen, keerde telkens, voordat ze

aan de winkel was, terug. Vreemd, dat hij zoo lang in dat huis bleef!

Eindelijk liep ze tot de ingang. Ze zag hem staan, pratend aan de

toonbank, maar.... hij was 't niet! een àndere man, die zóó van ter

zij, niets meer leek op Jan.

De ontnuchtering die in haar viel, maakte haar weer plotseling moe. In

haar hulpeloosheid sleepte ze zich voort, zich voelende van God en

de menschen verlaten en toch zich bewust, bang te zijn geweest voor

de ontmoeting, zoo opeens, onvoorbereid, terwijl ze bleek zag, nog

slap van de ziekte.

Maar dien avond, terwijl ze zich uitkleedde in de benauwde,

naar petroleum en naar in de vlam gedropen vet stinkende keuken,

kreeg ze een gierend verlangen naar hem, hem, haar man, die haar

werd onthouden. Zij zette zich op de rand van het bed, in radelooze

overspanning. Daarna bad ze, onstuimig, lang, een aanroepen en opnieuw

aanroepen, aanfleemen, smeeken van de Heer, dat Die, de Eenige, haar

zou beschermen tegen zichzelve, tegen haar slechtheid, tegen de zonde,

de macht der verleiding van haar in onmacht rampzalig begeeren.

--Hai hep vast gesaid da ie komp....

Wel viermaal had Tante het herhaald tegen Geertje tot stilling

van eigen ongeduld. Zij was nog wel thuisgekomen met zulke mooie

osselapjes. Haar man had ze 's morgens visch beloofd, in een gretig

mee willen genieten van drie dagen fortuinlijk werken. Maar met de

Vrijdag was daar geen aankomen aan geweest. Stom dat ze niet om

de dag had gedacht. Met mooie lapjes en een vischbelofte voor 's

Zondags had ze gehoopt hem tevree te zullen houden. En nu was het

bij tweeën geworden, toen hij eindelijk zat. De lapjes waren onder

't braden al niet meegevallen en toen nog dat lange staan! Ook de

aardappels hadden geleden. Gelukkig was d'er behoorlijk sjeu.

Geertje kon het eten niet doorkrijgen. Ze was met geeuwhonger gaan

zitten. Gefolterd had Oom's wegblijven haar, om het kind, want

daar mòest het nadeelig voor zijn, wanneer zij met een holle maag

liep. Anders nam ze nog wel eens een homp brood tusschentijds, maar ze

had niet gedurfd om Tante, die haar als hersteld beschouwde, en voor

het kind.... voor hèm dòrst ze niet vragen; aldoor leefde ze in die

tweestrijd van haar liefde-vol-meelij voor 't wicht, in het besef dat

het kind was haar schande, dat Tante's wrok viel op het kind, dat het

niet mocht bestáán voor Tante, dat haar kleine haar werd misgund, dat

men háár, nou ja, beklaagde, maar tegelijk om hèm verguisde. Angstig,

zich haar lafheid verwijtend, had ze telkens gehoopt, dat Oom nù wel

zou komen, zoodat ze beter deed niets vooruit te vragen. En dadelijk

toen Tante de schotel met de onoogelijke, blauw geworden aardappels

neerzette, had het geklopt in haar van weerzin. 't Vleesch was leer,

leer met aangebakken vet. Ze kon het niet naar binnen krijgen. Ze

nam een groote hap, daar het moest, maar de tweede had ze wel uit

willen spugen. Oom en Tante deden alles drijven in de sjeu, maar

zij walgde van dat vet, dat stolde om de keiïge aardappels en het

verdroogd-harde vleesch. Oom bleef goed geluimd, als iemand die

prettig van buiten komt, vervuld van zijn werk. En Tante smakte

lijzig door, welvoldaan uit zelfvoldaanheid. De pot was juist haar

ijdelheid. Haar luiheid haatte alle werk behalve koken, hoe slecht

ze het deed. Geertje dorst nooit vragen of ze helpen mocht; alles

gaf Tante grif uit handen, maar haar "pot", daar kwam niemand aan,

niemand kon het immers als zij.... God nog toe, het draaide Geertje,

elk oogenblik dacht zij over te geven. Maar ze drong zich het eten op,

't arme kind moest toch wàt hebben! Onderwijl ratelde Oom door, een

voor Geertje onbegrijpelijk verhaal van zakendrukte met Cohen. Nooit

zag Geertje Mozes meer hier. Was er dan toch iets gekomen van die

plannen? Zij luisterde in een lusteloos nieuwsgierig-zijn, haars

ondanks geprikkeld door Oom's geheimzinnigheid. Nu sprak hij van Jansen

op de Binnenweg, dat het zoo'n prachtige zaak was geworden. Was hij

bij die geweest? Dorst hij dat? Maar wat had hij met die te maken?

--Ik krijg um wel. Maar langzaam an. 't Bedonderde is, hij kent Mozes

Cohen, hoe, weet God! Wat die vuilik bij hem doet! M'ar hij is al

weze stoke, Benjamin zei 't, hij wist et voor vast....

Geertje zag Oom aan, begreep niet. Benjamin? En Mozes stoken? En Oom

dee zaken met Mozes Cohen!.... Onwillekeurig keek ze naar Tante.... wat

had die? Ze staarde zoo raar.... Dan was er iets dat zij niet mocht

weten, al 't geheimzinnig-doen had dus een reden.... Iets tegen

Jan! O! vast tegen Jan, Oom in zaken met Benjamin, tegen Jan, om zich

te wreken, en die haar dat natuurlijk verzweeg! En zij at daarvan,

zij met Jan's kind, zijn kind wier' gevoed van wat Oom verdiende

aan een schoftestreek tegen hem!.... O onze God! die oneerlijkheid,

al dat liegen en bedriegen! Gisteravond had ze zich al zoo geërgerd

aan wat Oom had geantwoord, toen ze in een moedige bui plotseling hem

had gevraagd: of 't nu geen tijd werd om Groo'va te schrijven, alles

eerlijk hem te vertellen, daar hij haar ommers thuis wou hebben, en het

toch ééns weten moest. Oom had gezeid:--"Me lieve meid, denk d'erom,

wat nie' weet, wat nie' deert, la' we 't veel liever nog es anzien,

je kan nooit wete wat ter gebeurt, wa' mowwe d'en ouwe man verdriet

doen".... Altijd huichelen, stiekumert spelen! Zoo had Oom z'en heele

leven gedaan. Nu deed-ie het weer tegen haar. En Jan was het kind van

de rekening. Maar ze wou niet en dat zou niet. Veel liever stond ze met

het kind op straat! Groote God, de fieltenboel! Zij in d'er sufheid,

die 't niet gesnapt had! O, je stikte hier, in die kóói, waar je zat

als een idioot, stom als ze was, dat ze zich in d'er slapte zóó had

laten belatafelen. Ze liet zich niet behandelen als een halve gare,

als een onwijs kind. Weten zou ze 't! Oom wel krijgen. Slimmigheid

tegen slimmigheid. Nou hadden ze achterdocht. Nou niks zeggen. Net

als de kat geduldig zijn....

Oom was plotseling minder spraakzaam. Hij had op Tante's gezicht

moeten zien, dat hij zijn neus had voorbijgepraat. Maar Geertje keek

staâg lusteloos, zij zat er bij, suf-onverschillig. In haar verborgen

opwinding had ze de moed gevonden om haar portie naar binnen te werken,

en toen ze klaar was, opstond van tafel, zei Oom, blijkbaar om lief

te doen:--"Zij begint weer beter te ete."

--Wacht maar, dacht ze en glimlachte.

Laat uit de benauwde bedsteê gekropen, had Oom, de volgende

Zondagmorgen, zich in de keuken geboend en gepoetst. Nu was Tante er

met gesloten deur bezig. Geertje had Oom zijn ontbijt gegeven.

--Wil u nog drinke?

Hij bedankte. Kinderachtig-stijf in bewegen, als altoos met zijn

Engelsch hemd, zat hij, een potloodje in de mond, over de vele bladen

van het Nieuwsblad gebogen te zoeken tusschen de advertenties.

--Oom, vroeg Geertje, wanneer stuurt Groo'va nou toch et geld?

--Geld, welk geld?

--Van d'erfenis. Da' me same zouwe krijge.

--En je grootvader he 't geweigerd!

--O en laat u et er bij?

--'k Mot wel. Maar.... 't is nou ook nie' noodig.

--En die zake waar u van sprak?

Geertje keek zacht, met haar vriend'lijkste oogen, echt als het

nichtje dat helpen wil. Oom zag haar aan, gewichtig-voldaan, een

spottend lachje trok langs zijn gezicht.

--Jij weet niet voor wie ik nou zake doe.

--Toch mit meheer Cohen?

Oom wachtte even, keek stralend van plezier naar haar.

--Voor de firma Heins en Cohen.... 'k Was gisterenavent nog in et Hang.

--Oom!

Geertje hield zich vast aan de tafel.

--Dat had nich'je niet verwacht, hè? Och ja, Oom is nog wel voor

wàt goed!

--Heins en Cohen?! Maar.... welke Cohen?

--Benjamin, Heins' kepejon.

--Doen die nou same?

--En ik ben agent. Advertensies en publiciteit. 't Ketoor is bij

Cohen gebleve. Maar Heins is volledig firmant. 't Plan van die krant

hangt nog in de lucht. Maar affijn, às daar wat van komp, werk ik

daar netuurlek ook voor. 't Gaat. Ik scharrel nog al wat op....

Geertje stond in een nevel met glansen. De dingen op tafel

prismaden. Ze hield zich niet in....

--Got, ga je huile!

Zij prevelde:

--'t Doet me zoo'n plezier.

--O! Nou. Dan is et goed.... Zie je, Geer, jou hè't Heins smerig

behandeld, aldersmerigst, da'r blijf ik bij.... Nee! la' me je

alles nou zegge. Heins kent me meenink daarover ook. Nooit za'k

'em dàt vergeve. Onze vrindschap is uit, voor goed. Maar daarom ka

'k toch wel zake voor em doen. Waarom niet? Da's geen kwestie van

vrindschap. Hij betaalt me nie' meer as ik waard ben; as je dat denk,

Jezus nee.... Trouwe's, 'k zie de vent bijna niet. Heele weke gaan d'er

voorbij, da'k alleen met Cohen te doen heb. Kazeweel nou gisterenavent,

omdat hij bevrind is met Janse....

Geertje snakte weg te komen. Oom was een kind, niet slecht, alleen

laf. Maar als ze hem zitten liet, kwam er ruzie. Met de oogen smeekte

ze. Doch hij zwetste, ratelde door. Dat Jansen nu preezedent was van de

Kegelclub, waar Oom vroeger ook lid van geweest was, waar hij met Heins

was bevrind geraakt. Dat hij wel derekt naar Jansen had kunnen loopen,

maar na wat er vroeger op de Binneweg was gebeurd, liever gewild had

dat Heins met hem sprak. Dat hij dáárom in 't Hang geweest was....

--Hoe gáát het met Jan?

--Da' mot jij nog vrage!.... Smeerlap.... Maar ik had um noodig. Janse

wil gaan adverteere.

Geertjes lippen hapten om woorden. Maar geen klank kwam uit haar mond.

Oom vertelde van de winkel. Dat hij zéker hier niet bleef. Waarheen

hij gaan zou, wist-ie nog niet. Misschien als agent naar Delfshaven.

--Dan krij'k 'en ketoortje. Maar nooit meer 'en winkel. Die

beroerdigheid nie' meer.

Tante verscheen, ze spiegelglansde. Doch keek Oom verwijtend aan.

--Och wàt nou?! Geer vint et best!....

Geertje dacht dat ze neer zou slaan. Ze knikte. Strompelde weg naar

achter, waar beider vuilgoed verspreid op de grond lag, waar het

stonk van heet water en vuil.

Even bleef ze wezenloos staan. Toen brak haar gevoel in een snik. Zij

veegde de tranen af. Sterk zou ook zij zijn. Sterk òm hem, àls

hij--haar man! O, haar lief, haar heerlijkheid! Die dùs zorgde voor hen

allen, zonder dat iemand daar iets van kon zeggen. Slimmert, heerlijke

slimmert, klevvert! Klevver, klevver was-t-ie en lief! Woorden niet,

maar met daden sprak-t-ie! Hij liet zijn Ismaël niet in de steek.

Weelde van hervonden geluk had haar ziel op eens veranderd. Zij dorst

niet knielen, Tante kon komen, maar zij prevelde dank aan God.

En ze begon, haar moeheid beheerschend, het keukentje aan kant te

brengen. En toen Tante binnenslofte, verwonderd, maar blijkbaar prettig

verrast, dat ze niet alles zelf had te doen, vroeg Geertje verlof om

's middags naar de kerk te gaan.

--Na de kerk? Jai?.... M'ar maid!

Tante keek ongeloovig, zij knikte, zag Tante ernstig recht in

't gezicht.

--Jai mot et wete. As je graag will.... Dan keu je dat an Grau'fa

schraife....

Haar beenen bewogen verstijfd van schroom, toen ze de kerkdeur door

en over de steenen als zerken ging. Zij wist, dat zij geen woord

zou kunnen spreken, zelfs niet tegen de kostersvrouw. Zij wist

zich een bleeke zondares, in rouwkleeding die zij niet waardig

meer was. Achter een pilaar ging zij zitten en niet dicht bij de

preekstoel, als vroeger. De kerk was nog leeg, er kilde een tocht;

een rilling doorschokte haar, toen zij zat. Bij het eerste neuriën

van het orgel onderging zij een ontroering, die met een paar lichte

schokken, onverhoedsche inkrimpingen van haar borst, het gansche

gezichtsvlak beneden de oogen vochtig maakte, hoezeer zij wreef met

de ijlings uitgetrokken zakdoek, hem proppend tegen mond en neus. Zij

werd niet meer gewaar, wat er voorviel, tot ze de stem hoorde van

de bijbellezende voorzanger. Toen was 't of de tranen van zelve

droogden. De zwarte hand met de felwitte doek slapte van zelf neer

naar de schoot. Met een strak bewustzijn luisterde zij, schoon niet

hoorend wat werd gelezen. Het was weer het oude, die vaste dienstvorm,

waaraan zij zóóveel deel had gehad--zij voelde weer zich opgenomen,

zij gretigde dit gevoel in als voedsel. Die voldoening vervulde haar

volkomen. Zij dacht niet na, zij droomvoelde voort. Zij wist niets van

de menschen om haar: hun zang met den orgeltoon dronk zij in. Zij wist

ook niet van den predikant; zij kon hem niet zien en zij luisterde

niet. Zij hoorde het preeken, dat was haar genoeg. Weer nam zij deel

aan den dienst van God, in het Huis van God, weer mocht zij. Zóó had

Hij zich ontfermd over haar, in Zijn eindelooze genade. Hij was nu

hier, Hij zag op haar neer; zij sloot de oogen om als-te-knielen. Want

altijd was zij gaarne geknield, al zei Groo'va dat God niet gaf om

den vorm, slechts lette op het wezen des gebeds.

De predikant begon al aan het tweede gedeelte van zijn in vieren

gesplitste rede, toen zij hem een deel van den tekst hoorde zeggen,

en onmiddellijk wist, waaruit dat deel was, uit Romeinen 5 vers 21:

"Opdat, gelijk de zonde geheerscht heeft tot den dood, alzoo ook de

genade zou heerschen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door

Jezus Christus, onzen Heere." Was 't niet? Ja, "de zonde geheerscht

heeft." Dominee zei nu ook déze woorden, om de tegenstelling tot het

heerschen der genade.

In het warme gevoel van een blijde gerustheid, keek zij op, voor het

eerst, en rond. Geen enkel bekend gezicht, maar De Kerk! Ginds een

baan van zon boven de menschen, goudschijnend tegen den muur. Zij

zat in het sombre gedeelte, achter een pilaar, daar behoorde

zij, boetelinge, schoon God haar vergaf, "alzoo ook de genade zou

heerschen." Onmiddellijk had ze den juisten tekst gegist!.... Heerlijk,

dat z' er nog zóóveel van wist. Goeie Groo'va, die het haar geleerd

had....

Zij voelde zich het kleinkind van Groo'va. Wel trachtte zij thans

te luisteren naar de preek; wel proefde zij een bevestiging van

God's genaderijke bedoeling met haar in Dominee's keuze van tekst;

maar telkens dreef zij weer weg in haar droom en bleef dit geen

Rotterdamsche kerk. De kerk, dus Thuis, waar het immers de kerk

was, de kerk één met huis, in de gestadige dienstvervulling van den

koster-en-voorzanger-hoofd-van-de-school. De kerk, waar je Dominee

hadt en Mevrouw, en dàn Groo'va met Groo'moe en haar; Groo'va, die las

en voorzong en al' dee, wat nìet door Dominee zelf gedaan werd. In

de onmiddellijke, stâge nabijheid van die kerk was zij opgegroeid;

in een de kerk, evenveel als de school, weten één met Groo'va: méér

nog één, immers omdat het de Kèrk was, de Heilige Dienst, het hoogste,

het einddoel--al het and're vergankelijk....

God-zij-Dank, had zij dit eenheidsgevoel terug. Bij Oom had zij

het verloren; niet bij Jan, al vroeger bij Oom. Hoe had Oom het los

kùnnen laten! Zij voelde meelij en iets als wrevel, schoon zij wist,

dat God dezen niet wilde. Ver voelde zij zich van Oom's huis en weer

thuis. O, zij snakte naar Groo'va, naar thuis! Niet naar het Hang,

dat mocht niet meer. Wel was er in andere dingen eenige overeenkomst

voor haar gevoel tusschen thuis-bij-Groo'va en thuis-bij-Jan: thuis

gevoeld had ze zich in beide, als nooit een oogenblik bij Oom. Maar

verlangen naar 't Hang mocht zij nooit meer. Dat was de eisch--door

God gesteld. Wat Hij met haar ziekte had willen zeggen. Duidelijk

zag zij heel Zijn Bestier. God had hun liefde thans gelenkt tot

een zuiver geestelijk beminnen: zooals zij 't vroeger had willen

houden. Toen had Jan haar bepraat, maar nu zag hij zelf het in, dat

zij elkander mochten blijven liefhebben, omdat hij toch geen liefde

geven kòn aan zijn vrouw, maar dat zij niet met elkander mochten

zijn. Dit was zonde, overspel, hun kindje wàs een kindje van zonde,

maar God in zijn Goedheid liet het haar, zij voelde, wist het, door

Gods Ontferming mocht zij het hebben, zìjn zoontje, haar schàt.

Aangedaan, in gretige vroomheid, luisterde zij aandachtig naar het

einde, de leerrijke toepassing van de preek; en bij het psalmzingen

zong zij mee.

Schoon ze, dikwijls moe van haar dracht en tengevolge harer ziekte,

stil en voorzichtig-kalm zich bewoog, en vreemde zich voelen bleef

in Oom's huis, toonde zij veel meer opgewektheid en nam Tante vlijtig

werk uit de hand.

De dagen gingen in een àndere eentonigheid dan vroeger voorbij. Oom's

verdiensten leken ongeregeld, soms was 't nog armoe een gansche

week--dan meende Geertje in Tante's behandeling 't verwijt van de

overlast te voelen en dacht zij er over Jan te schrijven, meer geld

te vragen ter wille van 't kind. Maar zij begreep, dat de schuld lag

bij Oom.

Zij bleef zooveel mogelijk in huis, omdat zij nieuwsgierigheid en

spot- en vitzucht zag in de oogen der buurvrouwen. Erger nog dan die

onbescheidenheid griefde haar de toon van Gerrit Holkers, die dikwijls

's avonds aankwam en een grapje maakte van het vragen naar "de kleine".

Veertien dagen na haar kerkgang had zij de namiddag gebruikt voor

een lange brief aan Groo'va die wéér gevraagd had, waarom zij niet

kwam. In schemerdonker bracht zij de brief zelve even naar de bus,

zoodoende had ze meteen een luchtje; en juist toen ze 't couvert

liet vallen, hoorde ze een stem.... meneer Maandag! Hij was aan het

kuieren geweest met de kinders. Even deed hij wat terughoudend, maar

zij toonde duidelijk haar blijdschap. De kleintjes zagen er keurig

en best uit, maar meneer zelf bleek en verhavend.

--Waarom komp u niet er is an? vroeg ze vol meelij, wetend zijn

toestand.

--Geertje, hoe keuj dat nau segge?

Zij wist: zij dacht aan wat Oom gezeid had:--"Maandag? die trap ik

m'en huis uit." Maar ze moest weten, ze hield zoo van hem, 't was

alles vréémd toch, en ze zàg ook, dat hij het naar vond, niet boos

was op haar.

--Wàt heb u dan toch gehad mit Oom?--Zij vroeg het zacht, als schaamde

ze zich; de kinderen luisterden, kopjes omhoog; en er kwamen menschen

langs hen.

--Och da' weit je well.

--'k Weet van niks.

--Weit jai nie da' j' Aum no' faur Hains laup, faur Hains en Benjamin

Cohen?

--Jawel....

--No' den.... O, is 't soms nie smerig, sauas die mit main heb gedaan

en mit Mauses, enkelt um 't schandegeld dat tie dur kraigt?

--Schandegeld?

--Ja seker schandegeld! Eers dat ie sau feill praats heb gehad! Hains

mos teronder bai dit en bai dat, hai sau 't same doen mit Mauses. Nau,

die doch ter 't saine fan, goochume jaud, wat? had j' Aum in

de gate. Dattie s'en neef 'en loer wau draje, da's sen ongeluk

gewees. Anders hattie et nauit sau angeleit met j' Aum. Geld kon

die kraige, meheer Driessens, fan de drukkerij fan Wilton en Co.,

sau em op weg hebbe gehollepe. Dan had al et gedoe fan Hains en

Benjamin gelege! M'ar toen he't je Aum de saak verraje.... ja seker

verraje-n-an Benjamin!....

--Oom?!

Nee, Geertje gelóófde 't niet! Tartend zag zij Maandag aan.

--Dan nìet verraje. M'ar toch maar verklapt. 't Ken weze dat et meer

stommigheid was, enkelt om te kunne poche. M'ar et is baikans niet te

glauve. An je konkerent det te vertèlle!.... M'ar laat et dommigheid

sain, 't was 'en schaaj, 'en schaaj faur Mauzes, die um niks doen kon,

'en schaaj faur main, alleen niet faur hum, omdat ie dalik te finde

was faur wat Benjamin um wau gaife, die wist wattie deej dat ie um der

bai nam, want d'armee was tie uijtgekocht.... Affain, 't is gebeurd,

't is faur main ook beroerd, m'ar 'k heb toch m'en braud, wat? Dag

Geertje, 'k mot ferder.

De trieste, goedige oogjes van de bultenaar zagen even goedig haar

aan. Maar Geertje voelde wel: uit was de vriendschap. Hoorde zij

ook niet bij Oóm? Voor Maandag was zij een stuk van Oom. En wat was

dit nu voor verhaal! Niets begreep zij er van, en toch.... Liegen,

Maandag, nee, dat kon niet!

Nochtans kòn zij in deze dingen niet komen. Want als dit alles zoo

was, wat dan?.... Wat bleef er dan van Jan zijn toeleg om haar en zijn

Ismaël te helpen? Zij was op eens weer bezwaard, weer moe.... Niemand

had ze, wie ze 't kon vragen. Ze dorst niets zeggen, thuis; en ze

moest heel een ávond daar zitten, hooren hen aan, Oom en Tante en

Gerrit als die kwam, met dit angstig stormen in haar van vragen

waarvan àlles afhing....

Geertje · 第 35 / 53 题