De eerste keer dat ze buiten kwam, zag ze buren naar haar kijken. Daar
ging het nichtje dat in de kraam moest. Dadelijk dacht zij aan Groo'va:
God! wàs 't niet beter hem nu te schrijven? Zij zou het straks met
Tante bepraten.
--Tante.... begon zij.
Maar als een fyzieke benauwing drong het plotseling naar haar hoofd,
dat ze Tante zou moeten vertellen: de buren hebben me nagekeken. Ze
durfde niet....
--Wat wau je den? Tante vroeg het ongeduldig.
--'k Weet niet.... niks....
Ze kreeg een kleur. Schouderophalend slofte Tante weg. Geertje was
opeens weer moe.
Zij had ook last van een slecht geheugen, deed tweemaal een boodschap
verkeerd. De tweede keer stoof Tante op:--Is de medam det auk nog te
feill? 'k Meinde dat je 't nug al kon stelle! Dat steek de heile dag
geen fin uyt, en dan doet ze-n-en baudschap verkeird!....
Eens in de Zomerhofstraat zag zij Jan vóór zich gaan. Zij kon haast
niet verder, zoo klopte haar hart. Angst doorschokte haar: wàt zou
hij zeggen!.... Zij dacht aan die middag, hier in de straat, toen
hij liep met Benjamin Cohen. Wàt zou hij zeggen. Zij durfde niet voort.
Hij was een groote kruidenierswinkel binnengegaan, waar zij wel
eens iets had gekocht. Daar hem ontmoeten.... onmogelijk! Toch wou
ze hem zien. Ze mòest hem zien. Ze zei zich, dat ze niet verlangde,
dat haar angst te hevig was. Maar dat ze niet weggaan mòcht om hun
kind. Dadelijk wist ze het tegendeel. Om het kind moest ze kalm
blijven, vluchten.... Maar ze kwam niet van de plek.
Zij trantelde, in de kou, voor de huizen, keerde telkens, voordat ze
aan de winkel was, terug. Vreemd, dat hij zoo lang in dat huis bleef!
Eindelijk liep ze tot de ingang. Ze zag hem staan, pratend aan de
toonbank, maar.... hij was 't niet! een àndere man, die zóó van ter
zij, niets meer leek op Jan.
De ontnuchtering die in haar viel, maakte haar weer plotseling moe. In
haar hulpeloosheid sleepte ze zich voort, zich voelende van God en
de menschen verlaten en toch zich bewust, bang te zijn geweest voor
de ontmoeting, zoo opeens, onvoorbereid, terwijl ze bleek zag, nog
slap van de ziekte.
Maar dien avond, terwijl ze zich uitkleedde in de benauwde,
naar petroleum en naar in de vlam gedropen vet stinkende keuken,
kreeg ze een gierend verlangen naar hem, hem, haar man, die haar
werd onthouden. Zij zette zich op de rand van het bed, in radelooze
overspanning. Daarna bad ze, onstuimig, lang, een aanroepen en opnieuw
aanroepen, aanfleemen, smeeken van de Heer, dat Die, de Eenige, haar
zou beschermen tegen zichzelve, tegen haar slechtheid, tegen de zonde,
de macht der verleiding van haar in onmacht rampzalig begeeren.
--Hai hep vast gesaid da ie komp....
Wel viermaal had Tante het herhaald tegen Geertje tot stilling
van eigen ongeduld. Zij was nog wel thuisgekomen met zulke mooie
osselapjes. Haar man had ze 's morgens visch beloofd, in een gretig
mee willen genieten van drie dagen fortuinlijk werken. Maar met de
Vrijdag was daar geen aankomen aan geweest. Stom dat ze niet om
de dag had gedacht. Met mooie lapjes en een vischbelofte voor 's
Zondags had ze gehoopt hem tevree te zullen houden. En nu was het
bij tweeën geworden, toen hij eindelijk zat. De lapjes waren onder
't braden al niet meegevallen en toen nog dat lange staan! Ook de
aardappels hadden geleden. Gelukkig was d'er behoorlijk sjeu.
Geertje kon het eten niet doorkrijgen. Ze was met geeuwhonger gaan
zitten. Gefolterd had Oom's wegblijven haar, om het kind, want
daar mòest het nadeelig voor zijn, wanneer zij met een holle maag
liep. Anders nam ze nog wel eens een homp brood tusschentijds, maar ze
had niet gedurfd om Tante, die haar als hersteld beschouwde, en voor
het kind.... voor hèm dòrst ze niet vragen; aldoor leefde ze in die
tweestrijd van haar liefde-vol-meelij voor 't wicht, in het besef dat
het kind was haar schande, dat Tante's wrok viel op het kind, dat het
niet mocht bestáán voor Tante, dat haar kleine haar werd misgund, dat
men háár, nou ja, beklaagde, maar tegelijk om hèm verguisde. Angstig,
zich haar lafheid verwijtend, had ze telkens gehoopt, dat Oom nù wel
zou komen, zoodat ze beter deed niets vooruit te vragen. En dadelijk
toen Tante de schotel met de onoogelijke, blauw geworden aardappels
neerzette, had het geklopt in haar van weerzin. 't Vleesch was leer,
leer met aangebakken vet. Ze kon het niet naar binnen krijgen. Ze
nam een groote hap, daar het moest, maar de tweede had ze wel uit
willen spugen. Oom en Tante deden alles drijven in de sjeu, maar
zij walgde van dat vet, dat stolde om de keiïge aardappels en het
verdroogd-harde vleesch. Oom bleef goed geluimd, als iemand die
prettig van buiten komt, vervuld van zijn werk. En Tante smakte
lijzig door, welvoldaan uit zelfvoldaanheid. De pot was juist haar
ijdelheid. Haar luiheid haatte alle werk behalve koken, hoe slecht
ze het deed. Geertje dorst nooit vragen of ze helpen mocht; alles
gaf Tante grif uit handen, maar haar "pot", daar kwam niemand aan,
niemand kon het immers als zij.... God nog toe, het draaide Geertje,
elk oogenblik dacht zij over te geven. Maar ze drong zich het eten op,
't arme kind moest toch wàt hebben! Onderwijl ratelde Oom door, een
voor Geertje onbegrijpelijk verhaal van zakendrukte met Cohen. Nooit
zag Geertje Mozes meer hier. Was er dan toch iets gekomen van die
plannen? Zij luisterde in een lusteloos nieuwsgierig-zijn, haars
ondanks geprikkeld door Oom's geheimzinnigheid. Nu sprak hij van Jansen
op de Binnenweg, dat het zoo'n prachtige zaak was geworden. Was hij
bij die geweest? Dorst hij dat? Maar wat had hij met die te maken?
--Ik krijg um wel. Maar langzaam an. 't Bedonderde is, hij kent Mozes
Cohen, hoe, weet God! Wat die vuilik bij hem doet! M'ar hij is al
weze stoke, Benjamin zei 't, hij wist et voor vast....
Geertje zag Oom aan, begreep niet. Benjamin? En Mozes stoken? En Oom
dee zaken met Mozes Cohen!.... Onwillekeurig keek ze naar Tante.... wat
had die? Ze staarde zoo raar.... Dan was er iets dat zij niet mocht
weten, al 't geheimzinnig-doen had dus een reden.... Iets tegen
Jan! O! vast tegen Jan, Oom in zaken met Benjamin, tegen Jan, om zich
te wreken, en die haar dat natuurlijk verzweeg! En zij at daarvan,
zij met Jan's kind, zijn kind wier' gevoed van wat Oom verdiende
aan een schoftestreek tegen hem!.... O onze God! die oneerlijkheid,
al dat liegen en bedriegen! Gisteravond had ze zich al zoo geërgerd
aan wat Oom had geantwoord, toen ze in een moedige bui plotseling hem
had gevraagd: of 't nu geen tijd werd om Groo'va te schrijven, alles
eerlijk hem te vertellen, daar hij haar ommers thuis wou hebben, en het
toch ééns weten moest. Oom had gezeid:--"Me lieve meid, denk d'erom,
wat nie' weet, wat nie' deert, la' we 't veel liever nog es anzien,
je kan nooit wete wat ter gebeurt, wa' mowwe d'en ouwe man verdriet
doen".... Altijd huichelen, stiekumert spelen! Zoo had Oom z'en heele
leven gedaan. Nu deed-ie het weer tegen haar. En Jan was het kind van
de rekening. Maar ze wou niet en dat zou niet. Veel liever stond ze met
het kind op straat! Groote God, de fieltenboel! Zij in d'er sufheid,
die 't niet gesnapt had! O, je stikte hier, in die kóói, waar je zat
als een idioot, stom als ze was, dat ze zich in d'er slapte zóó had
laten belatafelen. Ze liet zich niet behandelen als een halve gare,
als een onwijs kind. Weten zou ze 't! Oom wel krijgen. Slimmigheid
tegen slimmigheid. Nou hadden ze achterdocht. Nou niks zeggen. Net
als de kat geduldig zijn....
Oom was plotseling minder spraakzaam. Hij had op Tante's gezicht
moeten zien, dat hij zijn neus had voorbijgepraat. Maar Geertje keek
staâg lusteloos, zij zat er bij, suf-onverschillig. In haar verborgen
opwinding had ze de moed gevonden om haar portie naar binnen te werken,
en toen ze klaar was, opstond van tafel, zei Oom, blijkbaar om lief
te doen:--"Zij begint weer beter te ete."
--Wacht maar, dacht ze en glimlachte.
Laat uit de benauwde bedsteê gekropen, had Oom, de volgende
Zondagmorgen, zich in de keuken geboend en gepoetst. Nu was Tante er
met gesloten deur bezig. Geertje had Oom zijn ontbijt gegeven.
--Wil u nog drinke?
Hij bedankte. Kinderachtig-stijf in bewegen, als altoos met zijn
Engelsch hemd, zat hij, een potloodje in de mond, over de vele bladen
van het Nieuwsblad gebogen te zoeken tusschen de advertenties.
--Oom, vroeg Geertje, wanneer stuurt Groo'va nou toch et geld?
--Geld, welk geld?
--Van d'erfenis. Da' me same zouwe krijge.
--En je grootvader he 't geweigerd!
--O en laat u et er bij?
--'k Mot wel. Maar.... 't is nou ook nie' noodig.
--En die zake waar u van sprak?
Geertje keek zacht, met haar vriend'lijkste oogen, echt als het
nichtje dat helpen wil. Oom zag haar aan, gewichtig-voldaan, een
spottend lachje trok langs zijn gezicht.
--Jij weet niet voor wie ik nou zake doe.
--Toch mit meheer Cohen?
Oom wachtte even, keek stralend van plezier naar haar.
--Voor de firma Heins en Cohen.... 'k Was gisterenavent nog in et Hang.
--Oom!
Geertje hield zich vast aan de tafel.
--Dat had nich'je niet verwacht, hè? Och ja, Oom is nog wel voor
wàt goed!
--Heins en Cohen?! Maar.... welke Cohen?
--Benjamin, Heins' kepejon.
--Doen die nou same?
--En ik ben agent. Advertensies en publiciteit. 't Ketoor is bij
Cohen gebleve. Maar Heins is volledig firmant. 't Plan van die krant
hangt nog in de lucht. Maar affijn, às daar wat van komp, werk ik
daar netuurlek ook voor. 't Gaat. Ik scharrel nog al wat op....
Geertje stond in een nevel met glansen. De dingen op tafel
prismaden. Ze hield zich niet in....
--Got, ga je huile!
Zij prevelde:
--'t Doet me zoo'n plezier.
--O! Nou. Dan is et goed.... Zie je, Geer, jou hè't Heins smerig
behandeld, aldersmerigst, da'r blijf ik bij.... Nee! la' me je
alles nou zegge. Heins kent me meenink daarover ook. Nooit za'k
'em dàt vergeve. Onze vrindschap is uit, voor goed. Maar daarom ka
'k toch wel zake voor em doen. Waarom niet? Da's geen kwestie van
vrindschap. Hij betaalt me nie' meer as ik waard ben; as je dat denk,
Jezus nee.... Trouwe's, 'k zie de vent bijna niet. Heele weke gaan d'er
voorbij, da'k alleen met Cohen te doen heb. Kazeweel nou gisterenavent,
omdat hij bevrind is met Janse....
Geertje snakte weg te komen. Oom was een kind, niet slecht, alleen
laf. Maar als ze hem zitten liet, kwam er ruzie. Met de oogen smeekte
ze. Doch hij zwetste, ratelde door. Dat Jansen nu preezedent was van de
Kegelclub, waar Oom vroeger ook lid van geweest was, waar hij met Heins
was bevrind geraakt. Dat hij wel derekt naar Jansen had kunnen loopen,
maar na wat er vroeger op de Binneweg was gebeurd, liever gewild had
dat Heins met hem sprak. Dat hij dáárom in 't Hang geweest was....
--Hoe gáát het met Jan?
--Da' mot jij nog vrage!.... Smeerlap.... Maar ik had um noodig. Janse
wil gaan adverteere.
Geertjes lippen hapten om woorden. Maar geen klank kwam uit haar mond.
Oom vertelde van de winkel. Dat hij zéker hier niet bleef. Waarheen
hij gaan zou, wist-ie nog niet. Misschien als agent naar Delfshaven.
--Dan krij'k 'en ketoortje. Maar nooit meer 'en winkel. Die
beroerdigheid nie' meer.
Tante verscheen, ze spiegelglansde. Doch keek Oom verwijtend aan.
--Och wàt nou?! Geer vint et best!....
Geertje dacht dat ze neer zou slaan. Ze knikte. Strompelde weg naar
achter, waar beider vuilgoed verspreid op de grond lag, waar het
stonk van heet water en vuil.
Even bleef ze wezenloos staan. Toen brak haar gevoel in een snik. Zij
veegde de tranen af. Sterk zou ook zij zijn. Sterk òm hem, àls
hij--haar man! O, haar lief, haar heerlijkheid! Die dùs zorgde voor hen
allen, zonder dat iemand daar iets van kon zeggen. Slimmert, heerlijke
slimmert, klevvert! Klevver, klevver was-t-ie en lief! Woorden niet,
maar met daden sprak-t-ie! Hij liet zijn Ismaël niet in de steek.
Weelde van hervonden geluk had haar ziel op eens veranderd. Zij dorst
niet knielen, Tante kon komen, maar zij prevelde dank aan God.
En ze begon, haar moeheid beheerschend, het keukentje aan kant te
brengen. En toen Tante binnenslofte, verwonderd, maar blijkbaar prettig
verrast, dat ze niet alles zelf had te doen, vroeg Geertje verlof om
's middags naar de kerk te gaan.
--Na de kerk? Jai?.... M'ar maid!
Tante keek ongeloovig, zij knikte, zag Tante ernstig recht in
't gezicht.
--Jai mot et wete. As je graag will.... Dan keu je dat an Grau'fa
schraife....
Haar beenen bewogen verstijfd van schroom, toen ze de kerkdeur door
en over de steenen als zerken ging. Zij wist, dat zij geen woord
zou kunnen spreken, zelfs niet tegen de kostersvrouw. Zij wist
zich een bleeke zondares, in rouwkleeding die zij niet waardig
meer was. Achter een pilaar ging zij zitten en niet dicht bij de
preekstoel, als vroeger. De kerk was nog leeg, er kilde een tocht;
een rilling doorschokte haar, toen zij zat. Bij het eerste neuriën
van het orgel onderging zij een ontroering, die met een paar lichte
schokken, onverhoedsche inkrimpingen van haar borst, het gansche
gezichtsvlak beneden de oogen vochtig maakte, hoezeer zij wreef met
de ijlings uitgetrokken zakdoek, hem proppend tegen mond en neus. Zij
werd niet meer gewaar, wat er voorviel, tot ze de stem hoorde van
de bijbellezende voorzanger. Toen was 't of de tranen van zelve
droogden. De zwarte hand met de felwitte doek slapte van zelf neer
naar de schoot. Met een strak bewustzijn luisterde zij, schoon niet
hoorend wat werd gelezen. Het was weer het oude, die vaste dienstvorm,
waaraan zij zóóveel deel had gehad--zij voelde weer zich opgenomen,
zij gretigde dit gevoel in als voedsel. Die voldoening vervulde haar
volkomen. Zij dacht niet na, zij droomvoelde voort. Zij wist niets van
de menschen om haar: hun zang met den orgeltoon dronk zij in. Zij wist
ook niet van den predikant; zij kon hem niet zien en zij luisterde
niet. Zij hoorde het preeken, dat was haar genoeg. Weer nam zij deel
aan den dienst van God, in het Huis van God, weer mocht zij. Zóó had
Hij zich ontfermd over haar, in Zijn eindelooze genade. Hij was nu
hier, Hij zag op haar neer; zij sloot de oogen om als-te-knielen. Want
altijd was zij gaarne geknield, al zei Groo'va dat God niet gaf om
den vorm, slechts lette op het wezen des gebeds.
De predikant begon al aan het tweede gedeelte van zijn in vieren
gesplitste rede, toen zij hem een deel van den tekst hoorde zeggen,
en onmiddellijk wist, waaruit dat deel was, uit Romeinen 5 vers 21:
"Opdat, gelijk de zonde geheerscht heeft tot den dood, alzoo ook de
genade zou heerschen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door
Jezus Christus, onzen Heere." Was 't niet? Ja, "de zonde geheerscht
heeft." Dominee zei nu ook déze woorden, om de tegenstelling tot het
heerschen der genade.
In het warme gevoel van een blijde gerustheid, keek zij op, voor het
eerst, en rond. Geen enkel bekend gezicht, maar De Kerk! Ginds een
baan van zon boven de menschen, goudschijnend tegen den muur. Zij
zat in het sombre gedeelte, achter een pilaar, daar behoorde
zij, boetelinge, schoon God haar vergaf, "alzoo ook de genade zou
heerschen." Onmiddellijk had ze den juisten tekst gegist!.... Heerlijk,
dat z' er nog zóóveel van wist. Goeie Groo'va, die het haar geleerd
had....
Zij voelde zich het kleinkind van Groo'va. Wel trachtte zij thans
te luisteren naar de preek; wel proefde zij een bevestiging van
God's genaderijke bedoeling met haar in Dominee's keuze van tekst;
maar telkens dreef zij weer weg in haar droom en bleef dit geen
Rotterdamsche kerk. De kerk, dus Thuis, waar het immers de kerk
was, de kerk één met huis, in de gestadige dienstvervulling van den
koster-en-voorzanger-hoofd-van-de-school. De kerk, waar je Dominee
hadt en Mevrouw, en dàn Groo'va met Groo'moe en haar; Groo'va, die las
en voorzong en al' dee, wat nìet door Dominee zelf gedaan werd. In
de onmiddellijke, stâge nabijheid van die kerk was zij opgegroeid;
in een de kerk, evenveel als de school, weten één met Groo'va: méér
nog één, immers omdat het de Kèrk was, de Heilige Dienst, het hoogste,
het einddoel--al het and're vergankelijk....
God-zij-Dank, had zij dit eenheidsgevoel terug. Bij Oom had zij
het verloren; niet bij Jan, al vroeger bij Oom. Hoe had Oom het los
kùnnen laten! Zij voelde meelij en iets als wrevel, schoon zij wist,
dat God dezen niet wilde. Ver voelde zij zich van Oom's huis en weer
thuis. O, zij snakte naar Groo'va, naar thuis! Niet naar het Hang,
dat mocht niet meer. Wel was er in andere dingen eenige overeenkomst
voor haar gevoel tusschen thuis-bij-Groo'va en thuis-bij-Jan: thuis
gevoeld had ze zich in beide, als nooit een oogenblik bij Oom. Maar
verlangen naar 't Hang mocht zij nooit meer. Dat was de eisch--door
God gesteld. Wat Hij met haar ziekte had willen zeggen. Duidelijk
zag zij heel Zijn Bestier. God had hun liefde thans gelenkt tot
een zuiver geestelijk beminnen: zooals zij 't vroeger had willen
houden. Toen had Jan haar bepraat, maar nu zag hij zelf het in, dat
zij elkander mochten blijven liefhebben, omdat hij toch geen liefde
geven kòn aan zijn vrouw, maar dat zij niet met elkander mochten
zijn. Dit was zonde, overspel, hun kindje wàs een kindje van zonde,
maar God in zijn Goedheid liet het haar, zij voelde, wist het, door
Gods Ontferming mocht zij het hebben, zìjn zoontje, haar schàt.
Aangedaan, in gretige vroomheid, luisterde zij aandachtig naar het
einde, de leerrijke toepassing van de preek; en bij het psalmzingen
zong zij mee.
Schoon ze, dikwijls moe van haar dracht en tengevolge harer ziekte,
stil en voorzichtig-kalm zich bewoog, en vreemde zich voelen bleef
in Oom's huis, toonde zij veel meer opgewektheid en nam Tante vlijtig
werk uit de hand.
De dagen gingen in een àndere eentonigheid dan vroeger voorbij. Oom's
verdiensten leken ongeregeld, soms was 't nog armoe een gansche
week--dan meende Geertje in Tante's behandeling 't verwijt van de
overlast te voelen en dacht zij er over Jan te schrijven, meer geld
te vragen ter wille van 't kind. Maar zij begreep, dat de schuld lag
bij Oom.
Zij bleef zooveel mogelijk in huis, omdat zij nieuwsgierigheid en
spot- en vitzucht zag in de oogen der buurvrouwen. Erger nog dan die
onbescheidenheid griefde haar de toon van Gerrit Holkers, die dikwijls
's avonds aankwam en een grapje maakte van het vragen naar "de kleine".
Veertien dagen na haar kerkgang had zij de namiddag gebruikt voor
een lange brief aan Groo'va die wéér gevraagd had, waarom zij niet
kwam. In schemerdonker bracht zij de brief zelve even naar de bus,
zoodoende had ze meteen een luchtje; en juist toen ze 't couvert
liet vallen, hoorde ze een stem.... meneer Maandag! Hij was aan het
kuieren geweest met de kinders. Even deed hij wat terughoudend, maar
zij toonde duidelijk haar blijdschap. De kleintjes zagen er keurig
en best uit, maar meneer zelf bleek en verhavend.
--Waarom komp u niet er is an? vroeg ze vol meelij, wetend zijn
toestand.
--Geertje, hoe keuj dat nau segge?
Zij wist: zij dacht aan wat Oom gezeid had:--"Maandag? die trap ik
m'en huis uit." Maar ze moest weten, ze hield zoo van hem, 't was
alles vréémd toch, en ze zàg ook, dat hij het naar vond, niet boos
was op haar.
--Wàt heb u dan toch gehad mit Oom?--Zij vroeg het zacht, als schaamde
ze zich; de kinderen luisterden, kopjes omhoog; en er kwamen menschen
langs hen.
--Och da' weit je well.
--'k Weet van niks.
--Weit jai nie da' j' Aum no' faur Hains laup, faur Hains en Benjamin
Cohen?
--Jawel....
--No' den.... O, is 't soms nie smerig, sauas die mit main heb gedaan
en mit Mauses, enkelt um 't schandegeld dat tie dur kraigt?
--Schandegeld?
--Ja seker schandegeld! Eers dat ie sau feill praats heb gehad! Hains
mos teronder bai dit en bai dat, hai sau 't same doen mit Mauses. Nau,
die doch ter 't saine fan, goochume jaud, wat? had j' Aum in
de gate. Dattie s'en neef 'en loer wau draje, da's sen ongeluk
gewees. Anders hattie et nauit sau angeleit met j' Aum. Geld kon
die kraige, meheer Driessens, fan de drukkerij fan Wilton en Co.,
sau em op weg hebbe gehollepe. Dan had al et gedoe fan Hains en
Benjamin gelege! M'ar toen he't je Aum de saak verraje.... ja seker
verraje-n-an Benjamin!....
--Oom?!
Nee, Geertje gelóófde 't niet! Tartend zag zij Maandag aan.
--Dan nìet verraje. M'ar toch maar verklapt. 't Ken weze dat et meer
stommigheid was, enkelt om te kunne poche. M'ar et is baikans niet te
glauve. An je konkerent det te vertèlle!.... M'ar laat et dommigheid
sain, 't was 'en schaaj, 'en schaaj faur Mauzes, die um niks doen kon,
'en schaaj faur main, alleen niet faur hum, omdat ie dalik te finde
was faur wat Benjamin um wau gaife, die wist wattie deej dat ie um der
bai nam, want d'armee was tie uijtgekocht.... Affain, 't is gebeurd,
't is faur main ook beroerd, m'ar 'k heb toch m'en braud, wat? Dag
Geertje, 'k mot ferder.
De trieste, goedige oogjes van de bultenaar zagen even goedig haar
aan. Maar Geertje voelde wel: uit was de vriendschap. Hoorde zij
ook niet bij Oóm? Voor Maandag was zij een stuk van Oom. En wat was
dit nu voor verhaal! Niets begreep zij er van, en toch.... Liegen,
Maandag, nee, dat kon niet!
Nochtans kòn zij in deze dingen niet komen. Want als dit alles zoo
was, wat dan?.... Wat bleef er dan van Jan zijn toeleg om haar en zijn
Ismaël te helpen? Zij was op eens weer bezwaard, weer moe.... Niemand
had ze, wie ze 't kon vragen. Ze dorst niets zeggen, thuis; en ze
moest heel een ávond daar zitten, hooren hen aan, Oom en Tante en
Gerrit als die kwam, met dit angstig stormen in haar van vragen
waarvan àlles afhing....