Eén Zondag durfde ze niet. 's Zaterdag's-avonds, met de laatste post,
was er een brief van Groo'va gekomen, dat Groo'moe Vrijdags in bed
had moeten blijven, en waarom Geertje twee Zondagen achtereen niet
bij Oom en Tante was geweest.--Dat Gróó'va daar van wìst!.... Ze
had nu al drie keer Oom voorgelogen. Eens, dat ze thuis had moeten
blijven om ongesteldheid van de Juffrouw; de andere keeren, dat ze
naar Juffrouw Koenders moest en dat Mina d'er had meegevraagd naar
een bidstond voor de Inwendige Zending.
Daarom hàd ze die Zondagmorgen geknikt en weer geknikt van nee,
en trok ze 's avonds naar Oom, trachtende zich de gerustheid op
te dringen dat ze niets verlegen was. Maar Oom zei op zoo'n rare
toon:--"Zoo! zien we je weer es!" en die viezerik van een Gerrit,
die d'er natuurlijk ook weer zat, begon hard te lachen.
Toen ze nog maar kort er was, lei Tante opeens een pertretje voor haar
neer, en ze ontstelde d'er van, want de eerste gewaarwording was: een
pertretje van haar zelve, waar ze bleek en slecht op uitzag. Wanneer
was dàt dan gemaakt?.... Maar die kleeding en het haar zoo.... Och,
het was een pertret van d'er moeder!.... Ze kende dit niet; zij had
ook een pertret, maar dat was van na het trouwen. En hier Moe nog
als jong-meisje!....
Tante had het pas, toevallig, gevonden. Het zag er nog netjes uit,
bijna als nieuw.
--Hè, mag 'k et es meeneme?--De vraag was gedaan, voordat ze er over
had nagedacht.
--Wau je 't auk es bai Hains late kaike? vroeg Tante en trok een
spottend gezicht.
Zij voelde dat zij hevig kleurde, want ja, ze had aan Hem gedacht;
hem te zeggen: "'k heb me pertret late maken"; te kijken wat hij
zeggen zou van d'er bleekheid!....
Schielijk trachtte zij 't goed te praten:
--Nee, zoo maar, om et es op me kamertje te hebbe.
--O! Nau, haut et dan maar.
's Avonds thuis--Hij was nog uit--stond ze er in haar kamertje lang
mee in de hand. Ze sloeg haar album op, om het andere er naast te
hebben. Maar 't was zoo vreemd, dit vroegere trok haar veel meer
aan. Allerlei kwam haar nu in de gedachten, door Groo'moe haar over
Moeder verteld. Moe had later zoo geleden, ook hier zag zij al bleek
en zwak.--Nee, ze mocht er geen grapje mee hebben: 'en pertretje van
d'er Moe, om wie Groo'va zoo getreurd had....
t Was 'er opeens, of ze Groo'va's stem hoorde, terwijl hij haar
van Moeder vertelde. Hij had het toch maar zoo zelden gedaan.... Er
kamertje thuis zag ze nu als om zich, 't witte behangsel, het kleine
raampje.... van benee klinkt de stem van Groo'va, die uit school komt
en haar roept....
Nu schoot het hart haar al te vol. Zij gooide zich neer op haar
ledikant, diep het hoofd weg in het kussen, dat toch niemand haar
snikken zou hooren. Koos verschoof, Truus wier onrustig, maar zij
kon zich niet beheerschen.
Tot op eens door de stilte van 't huis de doffe slag sloeg van
't sluiten der huisdeur, het snerpend geknars kwam van 't wringen
der grendels. Zij vloog op, bracht de hand aan het voorhoofd,
stond, verbijsterd, in starre lengte tusschen de drie lage bedden,
maar kromp ineen op zijn nadering, bij die trage regelmaat van het
trapgestommel. O, ze wou, dat Truus ontwaakte, of Koos, of dat de
Juffrouw riep! Als er toch maar iets gebeurde.... Maar de kinderen
bleven slapen, heel het huis sliep, of was stil. Hij was nu in de
kamer beneden, even hoorde ze gestommel, toen was 't stil. Hij daar,
alleen....
Zij zat op de rand van haar bed met haar bijbel. Onbewust had zij
het boekje genomen. Zij moest het schuin voorover houden om een
letter te kunnen lezen. Maar nu prevelde zij woorden: "Die in de
schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de
schaduw des Almagtigen. Ik zal tot den Heere zeggen: Mijne Toevlugt
en mijn Burg! mijn God, op welken ik vertrouw!".... Wat bleef hij
lang beneden! God! als ie nou maar niet weer aan het grog drinken
was. Zeker toch al bier gedronken. Hij hàd et gezeid, laa'st, toe'
zij geen glas van 'em anneme wou: "Als jij me d'er niet van af houdt,
dan raak ik an de zuip".... O God nee, 'et mocht niet zijn! Wie weet,
waar-ie venavent geweest was! In wat voor slecht gezelschap. Wàs ze
maar met 'em meegegaan! "As jij me d'er niet van af houdt".... Of ie
'en kind was, zoo had ie 't gezeid, hij, d'er petroon!.... Gotogot,
waar bleef ie nou toch. As ie al es te veel had gedronke en benee was
neergevalle. Zou ze.... o, ze mòest naar beneje!.... Wacht! Ja! d'ar
knirpte 't deurtje van 't buffet. Ja, ze had et zeker gehoord. Dus
dan zat ie wat te eten. Got, daar kwam ie, dan hàd ie gegete....
Het oor aan de reet van de kamerdeur, luisterde zij. 't Warde,
't woelde, 't joeg haar hoofd door: of d'er wel boter geweest was in
't potje, of ie z'en worst wel zou hebben gevonden, anders stond d'er
niks als appelstroop en daar had ie zoo et land an; of ie toch grog
zou hebben gedronken....
Dáár was ie, de laatste tree op. Geertje hield de hand op 't hart,
't dee d'er pijn van 't snelle kloppen. Plotseling schrikte ze: als
ie haar staan zag, als ie nu eens binnen kwam.... Ze wist wel dat hij
niet zou komen, hij was al in de kamer gegaan, knars, nu was de deur
gesloten, ze kon niet hooren of er gesproken werd; às de Juffrouw
nog niet sliep, zou ze zeker wel weer brommen....
Gut!.... Hè! ze was verschrikt. Omdat ie z'en laarzen had buiten
gezet! Al hàd ie haar zien staan, al wàs ie nu gekomen!
Met beide handen steunde ze tegen de deur, alles beefde, trilde aan
haar, 't was of een prop in 'er keel gestopt was.... stootend tegen
Koos z'en bed, kwam ze weer op het hare te zitten.
Toen steeg al d'er kracht in 'er op in een drang om zich te
uiten. Heffend de krommend spiertrekkende armen, gooide ze trotsch
het hoofd achterover, drong het àlmeer in de nek, en lachte, met
gesloten oogen, strak de tanden op elkander, lachte de lust van haar
liefde tegen, àl maar meer de borst zich welvend in 'en smartelijk
spannings-genieten, tot z'ineens zich voorover liet zakken en diep
ademhaalde.
Als het zonde was wat ze deed, dan zou God haar straffen. Ze kon
niet anders. Ze was van Hem, hij had haar noodig, ze zou nu telkens
met hem meegaan, liegen.... of desnoods niet-liegen, maar hem niet
meer alleen laten trekken, met 'em zijn, de enkele uren, dat ze samen
kònden wezen. Goeie Jan!.... Ja, ze zou hem Jan gaan noemen. Hij had
het al zoo vaak gevraagd, gespot en ook zich boos gemaakt, omdat ze
Meneer zei wanneer hij haar zoende. Ze zou nu nooit Meneer meer zeggen,
wanneer ze samen alleen waren. Oppassen, de andere keeren! Nou ja, d'er
viel zooveel op te passen! Eenmaal zou et toch uitkomen. Zeker! dat
kon niet anders! Dan.... O!.... Als z'eens samen vluchtten.... Jan
had laatst zoo ie's gezeid: as ik hier maar weg kon komme! Samen weg,
en samen werken, al et geld hier achterlaten. Groo'va.... Nou ja, as
die d'er maar iets van merkte, zou-d-ie eischen dat ze thuis kwam. En
ze kon Jan niet meer alleen laten. Dus moest ze de grootou'ers toch
verdriet doen. Dan was ver-weg, ineens samen weg, nog et beste. Of
Jan schei'en van de Juffrouw. Als dat kon. Maar Groo'va zou dan net
zoo kwaad zijn. O, as ze d'er samen ineens uit konne!....
Langzaam, uit angst van gerucht te maken, ontkleedde ze zich. En haar
oog viel op Truusje die woelde. Het was plots of haar adem stokte,
tinkelend viel een haarspeld langs een ijzeren spijl van het bed. Van
dat kind af--zij! en hij!.... En zij, kòn ze 't Groo'moe aandoen? Maar
wat dan toch, God! wat dan toch?
In haar radelooze onmacht, viel ze op de knieën. Zij prevelde "Onze
lieve Heer," maar zij kon niet bidden. Groo'va's gelijkenis van de
verdroogde waterputten en de zielen die niet meer kunnen bidden,
kwam haar in de gedachten. Och maar Groo'va, wat wist Groo'va van
een droefheid als de hare! Nergens een uitweg. O, voor haar! zij
was tevreden als ze hier maar stil mocht blijven en 'er liev'ling
daag'lijks zien. Dat had z'em ook geschreven, toe' in die brief. Maar
hij, hij bleef, wanneer ze zoo leefden, ongelukkig. Hij wou haar
heelemaal tot vrouw, net of de Juffrouw niet bestond. Of je dat
kreng kon verdonkeremanen! Dus dan--zùllie weg, van de kinders,
van de zaak, van alles weg. Zou hij dàt willen? Als het hem gelukkig
kon maken, zou ze 't doen. Ze was van hem. Al het and're moest nou
wijken. Máár--hij moest d'er eerst lang over denken. Alles moest ze
met 'em bespreken--niet enkel rekening hou'en met zijn verlangen om
met haar te leven, goed de toekomst overzien, alles, mogelijke armoe,
en de kind'ren niet meer bij hem.... Ze voelde dat ze 't hem alles
flink, ernstig zou kunnen voorhouden.
Maar dan niet in die nare k'ffees, waar ze wist dat kerels
hen begluurden en waar hij altoos 'en beetje angstig was voor 't
ontmoeten van een kennis. Ze waren nu al iedere keer in 'en ander
k'ffee geweest, en overal was 't al even akelig. Wandelen was nog het
beste, as et te minste niet regende. Of anders doen wat hij laa'st
wou, 'en kamer huren waar ze alleen waren, hij wist 'en gelegenheid,
had-ie gezegd--daar konnen ze rustig dan overleggen....
Juist toen Geertje in bed wou stappen, ontwaakte Truus en vroeg
om drinken. Geertje gaf een slokje water, zette 'r even op et
potje.--"Zoete Geertje," vleide 't kind.
--Zoete Truus!
En Geertje voelde, dat Hij dáár nóóit van zou scheiden.
Maar wat dan? o God, wat dan?....
Ze was straks zoo blij geweest, toen ze even zich verbeeld had, dat
er nog een oplossing zou zijn te vinden. En nu zag z'opeens weer
niets.... Toch mocht dit zoo niet voortduren. Zelf leed z'er ook
te veel onder. Ze voelde zich meest zóó verzwakt, zóó moe, en 'er
hoofd leek wel verstompt, ze kon ook heusch aan niks meer denken,
van middag nog weer vergeten het raam in de mooie kamer dicht te
schuiven, zoodat de gordijnen waren natgeregend. Ze moest hier weg,
of.... en dat kon niet....
Weer raakte ze in die pijnlijke verdooving, die geen rusten was,
die geen oogenblik haar ontlastte van de eene gedachte, het eene
gevoel.... tot ze eindelijk, tegen de morgen, verkleumd bij het
onophoudelijk woelen, in een zware koortsslaap lag.