Er warde in Geertje's gedachten een, tegelijk haar moemakend en
haar prikkelend, gezwerm van nieuwe indrukken, van dingen die ze had
opgemerkt of die ze had van Hem gehoord, de avonden dat ze met hem
was uitgeweest. 't Had meest niet met haar liefde te maken, en toch
hield het haar ook staag bezig, omdat het dingen waren die hij haar
had gezegd, of die zij saam met hem gezien had.
Hij had haar, de eerste zondag al, toen ze daar in dat donkere hoekje,
vlak tegen het gordijn en de muur aan, hand in hand hadden gezeten
in het koffiehuis over de Maas, en sinds dien had hij telkens weer
verteld van juffrouw Hesselaar. En--wel was 't haar lang bekend, dat
er zijn gemeene-vrouwen; uit de Bijbel wist ze 't al en nu zag z'er
telkens staan, op de hoek van de Visschersdijk, als z'een brief had
of om melk moest; maar dit was zoo heel ie's anders! Zóó'n verhouding,
jaren lang, en die was begonnen uit liefde!.... Geertje vond juffrouw
Hesselaar lang niet zoo gemeen als der man, die haar had getrouwd om de
centen van den ander te krijgen, en die daar nu z'en mooie winkel met
"Heerenartikelen" van hield, waar hij op zijn beurt de winkeljuffrouwen
muntjes voorhield. Maar wat ze niet begrijpen kon, was, dat het mensch
nu dorst voornaam doen, en nog veel minder, dat juffrouw Heins d'er
flikflooide.--"Om d'er duiten", had Meneer gelachen.--Wat zag je al
niet om het geld gebeuren! Van wat vreeselijke toestanden had hij
verteld, uit de allerdeftigste huizen--en dan telkens was 't om het
geld! Maar die keer toen hij spottend zei, dat z'en vrouw juffrouw
Hesselaar vleide om de kans op een stukje erfenis, had ze mee'elij
met hem gekregen, daar hij heelemaal niet inzag, hoe hijzelf zijn
geluk vergooid had, enkel-en-alleen om het geld. Zij kende de heele
geschiedenis nu; openhartig had hij verteld:--alleen om het geld was
hij getrouwd. Maar inplaats van te erkennen dat hij dom had gedaan,
schoof hij het telkens op zijn armoe. Net of een man als hij ooit
gebrek zou hebben gelejen! Oom, ja; maar hij was toch Oom niet! Met
hem zou elke vrouw het hebben aangedurfd, al bezat ze net zoo min
wat als hij. En nou.... O, kòn ze d'er maar niet aan denken!
Hij had haar zijn verlangen gezegd. Ze was geen kind meer, ze wist
toch wel wat het was, getrouwd-zijn. Tusschen hem en zijn vrouw was het
uit, was er nìets meer, sedert lang al; en hij gruwde van het mensch,
sinds hij hield van háár. Hij was ommers jong en gezond. 't Was geen
leven voor hem, zoo.....
De eerste keer--de tweede zondag dat ze samen uitgingen, 't was toen
in dat kleine k'ffee, erge's achter in de Hoogstraat, waar ze, haast
al de tijd, alleen voor het gordijn hadden gezeten--de eerste keer
had ze 't naar gevonden, dat hij over zoo ie's begon. Net, opeens,
of Hij 'et niet was, want ze was als-bang geworden. Maar 's avonds,
toen hij, thuis gekomen kort na haar, met grappen had geperbeerd de
Juffrouw d'er slechte luim weg te praten; toen de Juffrouw hoe langer
hoe iezegrimmiger had gekeken, en zij de Juffrouw-en-hem-samen,
hij gedwee achter z'en vrouw an, naar boven had zien gaan!.... O,
toen was er in haar geslagen als een woede tegen alles; alle kracht
in er was in opstand gekomen; en ze was gevlucht op het plat, waar
ze het had staan uithijgen, omdat ze 't niet kon uitgillen, dat deze
leugen, deze marteling niet mòcht voortbestaan;--tot huilen had ze
niet kunnen komen, doordat ze te bedroefd en te boos was; ze had de
vuisten gebald en de nagels in de palmen gedrukt, met de voeten had ze
getrappeld in het water dat onder d'er wegplafferde over 't zink; en,
toen ze stond vóór de leuning van 't plat, had 'et 'er goed gedaan,
goed, dat beneden op het Steiger een man een vrouw met de armen
bedreigde en haar uitschold voor "hoer" en zulk gemeens....
Toen ze weer binnen was gekomen, had Sefie in de kamer gestaan, en
natuurlijk had die geklikt, en samen hadden ze d'er pret over gehad,
Meneer en zij, dat de Juffrouw, naar z'aan hem gezeid had, haar nu
verdacht een vrijer te hebben en daar grabbeltjes mee te hou'en,
's avonds laat van 't hooge plat af.
Maar die nacht had ze niet gelachen. Was het onvoorzichtig geweest,
plotseling, zonder iets om, op het plat? 's Nachts had ze koorts
gehad, geijld. Goddank dat de kinderen zoo vast sliepen! Als
iemand haar had kunnen hooren! Misschien had ze zijn naam gezegd,
of meer. Want ze had gedroomd, dat hij stond voor haar bed en haar
riep. Zóó vast had ze 't gedroomd, dat ze, wakker geworden, zich had
afgevraagd, of hij zou zijn weggegaan. En ze had ook zeker-geweten,
dat ze gesproken had in de slaap. Daarop toen die razende angst,
dat ze zich zou hebben verraden, dat er iemand iets gehoord had,
was 't ook maar Truus of Koos geweest.... De angst scheen de koorts
te hebben verdreven. Zóó bang was ze geworden, dat ze, zonder zich
te verroeren, de oogen naar de matte lichtplek aan de zoldering, was
blijven liggen tot de morgen. Ze had de eerste geluiden gehoord van de
stad die moet wakker worden; het scherp duidelijk stappen van klompen
van een enkele heel-vroege; kort daarop plotseling het dichtslaan
van een huisdeur; toen de donder van een trein over de viaduct en 't
nacht-doorborend stoomgefluit; toen vlak-beneden menschen die praatten;
toen weer lang de leegte-van-stilte, met enkel, telkens, het tergen
van de langzaam zich hoorbaar loswikkelende, loodzwaar neerbonzende
en zwaar nog nadreunende tijdgeluiden van de toren; en toen opeens,
als iets dat nog maar schuchter nadert, allerlei geruchtgezoem....
En om haar, in huis, niets dan even een licht schuiven in het bedje van
Truus die zich verlegde. Zij, alleen-wakker, als om af te luisteren
dat allen sliepen. Hij ook, dáár, vlakbij, naast zijn vrouw.--De
gewoonte van alle nachten, alle nachten, z'en heele leven.... Maar
háár had hij gezegd zijn geheim, al zijn leed en zijn verlangen,
háár-alléén in de gansche wereld. Nee, ze was niet bang meer voor
hem, hij mòcht haar zeggen wat 'em kwelde; niemand kon haar ontnemen,
dat ze zijn vertrouwen had....
Toen ze eindelijk zich niet vergiste, toen ze zeker was dat het
gestommel kwam van vlak boven haar, dat Sefie was opgestaan, wipte ze,
verkleumd, het bed uit. Duizelig had ze zich aangekleed en de gansche
dag was ze koud gebleven, overtuigd dat ze ziek zou worden. Maar
's avonds had hij d'er een glas grog opgedrongen, half-dronken was ze
ingeslapen, en de volgende morgen had Sefie aan d'er bed moeten stooten
om 'er wakker te krijgen. Toen was ze als weer beter. Toch had ze, op
avonden dat de Juffrouw vroeg naar boven was gegaan, nog twee keer zich
zoo'n glas grog laten geven tegen slapeloosheid. En onder het drinken
had hij haar gepakt en mee uit haar glas gedronken.... onvoorzichtig:
Sefie nog in de keuken....
De tweede keer had hij zich vergeten, had hij haar wezenlijk bang
gemaakt.
Sedert had ze geen grog meer genomen.
Toch vroeg hij het telkens weer--en geen kracht had zij om meer dan
te weigeren. Want ze wist wat hij bedoelde, waarom hij aandrong op
"samen-drinken", maar de opstand van haar schaamte vervloeide iedere
keer in hetzelfde medelijden, dat haar, bleek, met een droeve blik van
overgegevenheid, hem lang deed aankijken, wanneer ze hadden gezeten
in een k'ffee, en vóór hen op straat liepen andere paren, en met zijn
stem-van-radeloosheid zei hij:--"Kijk, die gaan nou ook naar huis,
maar ze kunnen samen blijven"....