--Je ben zoo stil, bei je nou boos op me?
--Nee.
--Nou bei je van mijn!
--Dat was ik al.
--Nou, ja! maar toch niet zoo....
--Schat!
Zij keek hem aan, hem aldoor aan. Zij struikelde over een
kabeltouw, zonder zijn arm waar' zij gevallen, maar toch bleef ze
hem aankijken. Naast hen, daar, vlak bij, was de drukte; er werd
een groote boot geladen, in een koperroode rook rammelde en raasde
't hard, sissend omwaasde de stoom de menschen, groote lichten als
uitschietende vuurstaarten zetten dees' eene plek in helgloed--overal
elders was het donker, lag de nacht al over de stad. Nu zag zij hèm in
de rossige gloed en gaarne was zij blijven stilstaan, om hem rustig
aan te kijken. Goud lag er nu op zijn snor, in zijn oogen. Maar al
zag ze hem zoo anders: wat zij, drinkende zijn beeld in, nu in hem
zag en aldoor in hem zag--was zijn hoofd, zijn groote gestalte,
zooals die straks haar was verschenen, straks, toen dat haar wil
had gebroken. Toen hij, in de vreemde kamer, plotseling te mooi
was geworden, toen er uit zijn groote oogen al de gloed en al de
zachtheid heerlijk op haar neergestraald was, waar zij vaag iets
van gezien had in de schrikkelijke nachten, dat zij lag aan hem
te denken. Toen hij, in 't blank-glanzig hemd, strekkend bei zijn
armen uit, met die beweging van fleemen en nemen, groot en krachtig
als was verrezen uit de nevel van haar strijden, groot en krachtig
gelijk hij geweest was, die avond dat Truusje ziek was geworden,
toen zij, even beneden gekomen, hem gezien had op de drempel van
de plat-deur, 't hoofd iets scheef om de rook van zijn sigaar;
't groote rossige mooie hoofd tegen de fijne lichtdonkerheid van
de prachtige zomerhemel. Als die zondag met de halters, toen hij,
lenig als een jongen, forsch die mooie bewegingen maakte, slank in
't blanke zondagslinnen. Zoo, maar mooier nog was hij geweest nu,
en.... zij wist, ach, wist het niet alles meer--hoe zij gestreden en
hem gesméékt had, hoe zij geschreid en verwoed zich verzet had.... 't
was, of dàt lang was geleden, of nu alles nieuw geworden, toen,
dat ééne oogenblik, van die hemelsche verzachting, die verblijding
in zijn oogen, de boos-droeve, mooie oogen....
Moe was zij, rozig, 't was ook heel laat al, en die felle kou hier
buiten; maar toch voelde ze zich licht nu, alles leek opeens gelukkig,
zelfs de donkere steenen en huizen keken niet zoo raad'loos triest
meer als wanneer z'er vroeger liepen....
--Zeg, pop, hier is 'en duppie, nou ga jij met de tram mee tot de
markt--ik ga loope.... Wees nou kalm, hoor! laat in go's naam toch
niks merke!....
Zwijgend knikte ze lachend hem toe. Waarom was hij bang, de
goeiert?--Even 'en kneep nog in z'en arm; toen stapte zij rustig en
vast uit het donker; knikte tegen de conducteur, zocht een hoekje,
sloot de oogen....
Nog was ze niet halverweg de trap, toen het krommekrates-lijfje van
de Juffrouw van 't pertaal haar tegenwenkte.
--Maid, waar hai je tuch gesete?
Even had zij het bewustzijn: als alles is uitgekomen, zal 'k er geen
oogenblik om liegen. Maar ze zei kalm:
--Hoe dan?
--Hoe den? um dat 'et al sau laat is en je-n-Aum is hier gewees',
je had gesaid da'j naar um toe gink.
--'k Ben Mina Koenders tegegekomme.
--Au, dat hep ik al gesaid, maar hai wau d'er nie n'ar toe
gaan.... D'er is e' brief van je grau'fa. Je grau'moe is erger,
je grau'fa verwach' je.
Geertje stond nú eerst boven. Tusschen de Juffrouw en Sefie. Ze voelde,
dat àlles kon gebeuren en zij zou kalm blijven.
--'t Komp wel gek, mit de wasch hier, morrege, ma'r je mot netuurlek
gaan. Je-n-aum had f'enafent nog weg gewild.... Ja nau, schrik m'er
nie', je hadt toch niet ferder gekonne as Amersfaurt. Nau ga j' mit
de eerste train, m'ar wai ben sau froeg nie' wakker, d'arum hep ik
afgesprauke.... ga no' gauw je tassie pakke en dan slaap ie f'ennach
m'ar bij Aum.... Sefie sel bai de kinders slape.
Zwijgende sleepte ze zich naar boven.
Toen ze Truusje op de krullen kuste, dacht ze dat z'in zwijm zou
vallen.
Daarna treuzelde ze zooveel moog'lijk,--ook nadat Sefie het
kamertje was binnengekomen met een gezicht van: ben je nou nog niet
klaar,--omdat zij Hem nog graag gezien had.
Maar de Juffrouw riep aan de trap, om nou toch wat voort te maken,
't wier zoo laat, Geer' moest vròeg op.
Daarom ging zij, keek rond in de straat, maar blijkbaar bleef hij
met opzet lang weg.