VIII

Donderdags, toen de Juffrouw weer op de been was en Geertje haar vrije

avond zou hebben en naar Oom gaan, had Meneer haar op het kantoor

toegefluisterd:--"Gaan we nou v'enavent samen?" Maar ze kon niet,

ze mòest Tante spreken, over die boodschap van Groo'moe.... Toen ze

's avonds weer naar huis liep, dacht ze telkens, Hem te herkennen in

een van de mannegestalten, aanschaduwend uit de nevel--en dan wier'

ze bang--èn hoopte.... Maar hij zat thuis, met de Juffrouw en die

d'er Nicht uit de Pesage--en even keek hij haar, strak, aan.... 't

Was vóór, in de mooie kamer, beie lichten waren aan--poerem! altoos

als de Nicht kwam. 't Malle wijf dee ook zoo hoog, nauw'lijks zei ze

Geer gedag. Toch dorst Geertje niet heengaan: ze wist dat de Juffrouw

dan boos wier. Aarz'lend ging ze zitten op het tipje van een stoel.

--Je ken zelvers je 'n glaassie pons inschenke, zei de Juffrouw,

m'ar pesòp mit de tafel en 't mauie kleed.

Over de tafel heen zaten de Juffrouw en de Nicht met mekaar te

smoezen. Op zij van de Juffrouw in 'en lage stoel lag Meneer;

door de boeket van gemaakte bloemen, die midden op de tafel stond,

kon de Nicht zijn gezicht niet zien. Hij keek àldoor Geertje aan:

ze wist zich geen ráád met het warme ponsglas, en ze mocht toch niet

laten merken, hoezeer het aangekeken-worden haar kwelde. Hij zelf,

hij mòcht dat niet merken. Zij spande haar uiterste wilskracht in,

om toch niets verlegen te lijken, ze dronk van de pons, hoe warm die

was, maar opeens had zij die steek weer, boven op het hoofd die steek,

die telkens kwam, de laatste dagen. 't Was of het licht, juist boven

haar, almaar dichter òp haar zengde....

Toen ging hij een mop vertellen, van de Beurs, een malle kerel,

vroeger metselaar, nou rijk, die in het ootje was genomen. Nicht

scheen haast niet naar hem te luist'ren, maar toen lachte hij hàrd

zelf, met een achterover-gooien van het hoofd, en Geertje kòn niet

laten naar hem te kijken, en zag zijn prachtige rij witte tanden.

Sophie, met 'en schoone japon an--die wist ook wel wat ze dee!--kwam

zeggen dat de meid d'er was voor Juffrouw Hesselaar. De meid zou m'ar

effetjes bove komme.

--Geer, bring jai de maissies ook 'en glaassie.

Alles om Nicht! Zoo'n malligheid! Sophie kreeg anders van niks haast

mee. Maar Geertje leefde op van de frischheid buiten de kamer. Zou ze

nù naar boven durven? Nee, ze moest met het goed nog helpen!--Zoo als

ze weer binnen kwam, vroeg de Juffrouw haar, het goed van juffrouw

Hesselaar te halen.

Toen het mensch was ingepakt, ging de Juffrouw met 'er mee. Dat was

zoo et gewone petroon. Eerst bleven ze stilstaan, fluisterende,

vlak bij de deur. Daarna wier langzaam de deur geopend. Langzaam

ging Hesselaar d'er uit, na, zonder omkeeren, nog-eens voornaam

goeien-avond te hebben gezeid, waar Meneer niet op antwoordde. Hij

was bij de tafel blijven staan. Achter juffrouw Hesselaar was de

Juffrouw de kamer uit gegaan en de deur ging dicht.

Dadelijk lagen zijn armen om haar.

--Meneer! pas òp toch!

Maar hij zoende, zoende, zoende. Weerloos liet ze zich nu zoenen. Ze

wist het wel, straks kwam het lijden. Telkens als hij haar gezoend had,

kreeg ze die drang om luid te schreien, die ellendige, schrijnende

drang, dat ze slap en willoos neerzeeg, móe èn dat ze niet kòn

slapen. Maar het oogenblik was zálig. Ze kon hùnk'ren naar zijn

kussen. Wanneer ze getobd had en geschreid en met zwaar hoofd dee'

d'er werk, zonder meer aan hem te denken; dan voelde ze onverwachts

hem in haar nek, heel even, gauw, in de winkel, op de trap, of in

't portaaltje; maar het zware gevoel was weg, verwonderd-nog keek

ze hem na, als hij doorging, verwonderd en vol van dankbaarheid,

schoon droef strakgeknepen de mond.

Nu weer wier' z'als weggedragen. Heel 'er lijf rustt' op zijn

arm. D'oogen dicht zàg z'in het licht, goudgedroom wolkte van de

gaskroon. Vrij lag 'er hoofd van pijn, gewichtloos. Toen, eensklaps,

schóót het 'er lijf in, die priem, dat vroeger nooit gevoelde,

en ze hóórde wat ze voelde, hóórde 't borr'len in d'er buik, en

ze slóeg zich op en vàn hem, in een haat, een bitse woede, en een

machteloos-zich-schamen.

--Got, meid, wat is-t-er nou!

--Och, la me los! Ze riep het uit.

--Zeg! hou je mond!--Weer zei hij 't zacht, zacht en schielijk;

keek verschrikt naar de deur om.

--Wat kan mijn....

Ze had lust hem te tergen, hem--of een ander--of

zichzelf. Ja! zichzelf.... Wéér had ze hoofdpijn. En heftige

buikkramp. Toen ze de glazen bijeenzette op het blad, raakte d'er

mouw de ponsflesch aan: was-t-ie gevallen, nou, háár 'en biet.

--Meid! pas op! zei hij, en lachte.

--Och!....

Wat moest hij haar plagen! Hè! ze had.... ze wou.... ze wist

niet.... Wat bleven die twee op de gang nou toch klessen? Zij dorst

de kamer niet uit. En ze kon, ze kòn 't niet hebben, dat Hij aldoor

d'er zoo stijf aankeek. O, dat drukken op d'er hersens, net een band,

een ijz're band.... O, Goddank, daar was de Juffrouw.

's Zaterdags om de veertien dagen had Geertje veel vermoeiend werk. 's

Morgens moest ze beneden helpen bij het schoonmaken en weer-schikken

van de winkel, 's middags werden de kinderen verschoond en viel er

boven van alles te doen. Telkens, deze laatste maanden, hield Meneer

d'er langer beneden. Bos, de binder, die 's Zaterdags ook voor de

winkel kwam, was te oud om dìt te doen; en Piet, die jongen die toch

alle dagen in de winkel stond, was volgens Meneer "nog te veel 'en aap"

om dàt te doen. Geertje hier en Geertje daar, dus.

Onder wanhoopsschreien ingeslapen, was ze deze Zaterdag met een zwaar

hoofd en oogen die staken, opgestaan. Koos was erg ongezeggelijk

geweest bij het aankleeden; doodmoe was ze beneden gekomen. Toen,

ruzie met Sophie over een melkkan die vuil was blijven staan; en

gezeur van de Juffrouw, die, met een norsch gezicht rondloerend,

overal wat op had te zeggen.

Eindelijk kon ze naar de winkel. Maar Meneer riep haar in 't

kantoor. De bedienden waren nog niet gekomen.

--Kom eerst hier effe helpe, mit die kiste!

Twee kisten met scheurkalenders, waar hij er dadelijk van in de winkel

wou hebben.

Hij zat op een van de kisten, en toen zij zich bukte over de andere,

trok hij haar tot zich, op zijn schoot.

--Nee, laat nou!

--Goeiemorge kind! 'En kus!

Ze liet hem doen, weer wier' ze anders.... maar opeens, daar was de

werkvrouw! 't mensch wàs daar al, de deur al toe;--en nu stond Geertje

eerst weer recht, bukte ze over de kist, wanhopig, snakkend naar adem,

niets meer ziende....

Hij scheen kalm; hij floot een deuntje. Toen de vrouw achter was:

--Schrikte je?

--Ja netuurlek, vreeselik.

--Och 'et mensch he'b niks gezien.

--Dat denk u maar....

--Maar ik ken d'er toch beter as jij. Da's zoo'n soes! Eer die wat

ziet....

--'k Mag et lije. Maar ziet u nou wel dat u op moet passe....

Geertje zei het met ernstige aandrang, gemoedelijk. Maar hij:

--Soe beveel her luitenant!

En hij wilde weer haar pakken. Maar zij was al met 'er kalenders bij de

deur. Wat kòn hij vroolijk wezen! En zij, ach.... zij bleef triestig.

Bij 't weer-schikken van de winkel, terwijl de moeder van Sophie er aan

het dweilen was, praatte hij de honderd uit. Ook toen Piet en Bos er

waren. Maar toen Piet, van het lachen, een karton met visitekaartjes

bijna in een emmer liet vallen, kreeg hij een standje, dat de jongen

niet lachen meer kon.

--Zeg, help jij um nog effetjes bij 't surteere van die dooze met mooi

brievepepier, zei Meneer tegen Geertje. Ik ben toch nog zoo lang in

de winkel.

Piet kwam anders nooit achter, in het pakhuis. Er waren twee groote

pakken uit Duitschland: mooi papier van allerlei grootte, met bloemen

en randen en anderen opschik--specialiteit van de winkel.

Nauwelijks was Piet met Geertje bezig, of Meneer stoof binnen door

de achter hem dichtflappende katroldeur:

--Hei je je hande nou afgeveegd?.... Wel allemachtig, zoo'n soeskop

toch! Nou pakt-ie me dat papier beet, zonder z'en handen af te

vege.... Ga jij m'ar na vore, ventje. Jij kan 't ook wel af mit

Bos. Dan zel ik de Juffrouw helpe.

En zij waren samen alleen.

Over het plaatsje heen zag je de zetterij en ook aan de winkelkant

waren ruiten. Vrij waren zij dus niet, maar toch....

--Weer 'en oogenblikkie same! lachfluisterde hij en zag haar aan. Aan,

zoo blij, met z'en prachtige oogen.... Een schok ging er door haar

lichaam. De hardglanzige bloemetjes van het vel dat ze in de hand

hield trokken scheef, vielen dansend van het papier af, al het papier

was een oogenblik rose.... Ze lei het neer, ze wóu nu kalm zijn. En

toch keek ze hem weer aan. Ze wist niet meer, de laatste dagen: ze

had toch wel zelfbeheersching geleerd. Vroeger, toen ze vaak uit het

dorp naar stad ging: met hoe begeerige oogen had ze dan stilgestaan

voor allerlei winkels--en toch nooit er iets gekocht. En met al

het leeren voor Groo'va, als zelfs Groo'moe wel eens dee' blijken,

dat ze Groo'va streng vond, veeleischend--hoe had ze haar gedachten

gedwongen! En 's Zondagsmiddags in de kerk, toen ze wist dat Piet

Slager verliefd op d'er was, hoe had ze, bij zijn leuke fratsen,

als-ie alles dee' om d'er aan het lachen te krijgen, ernstig voor zich

gekeken, geluisterd.... Maar nu, deze laatste dagen, gaf ze zich toe,

in machteloosheid. Ze wist, het was niet goed voor haar, dat ze naar

hem keek als hij lachte, als zijn groote oogen glansden. Maar het

werd een sterk verlangen, dat haar onbedwingelijk aandreef. Ze wìlde

niet dat hij het zou merken, en weer had ze zich verraden. Telkens

bij het overgeven van het papier, raakte hij haar handen aan: hij

mòest voelen, dat ze 't toeliet.

--Zoo'n stommeling hè, met z'en smerige klauwe, die me dat pepier

zou bederve, zei hij luid--en knipoogde.

Zij lachte niet--ze had meelij met Piet, net of die elke keer dat ie

de menschen pepier moest late kijke, eerst z'en handjes wasschen ging!

--He'k et leep gedaan of niet? fluisterde hij nu.

Zij wòu daar niet op antwoorden.

Toen begon hij van Donderdagavond. Vertrouwlijk, met gedempte stem.

--Wa'n tiep hè, die nicht van me vrouw! 'En drukkie op d'er lijf,

of ze de vrouw is van de burgemeester.... En z' is mintenee gewees!

Geertje zei niets.

--Wis je dat?

--Wat?

--Da' ze mintenee gewees' is.

--Nou wa' zou dat?

--Wat dat zou? O!.... Ja, as jij d'er zoo over denk.

Na een oogenblik van zwijgen:

--Weet je wel eens wat dat is mintenee?

--Nee.

--O! Nou! zeg dat dan. 'En mintenee--da's 'en juffrouw die voor de

duite, zonder da' ze mit em getrouwd is, net doet of ze de vrouw is

van 'en vent.

--Maar wordt die man dan niet kwaad?

--Die man....! Pgh! Nee, die is goed! Ik g'loof da'j d'er niks van

begrijp....

En hij wou haar meer daarvan zeggen, toen Bos en de jongste

kantoorbediende binnenkwamen met een van de kisten met kalenders.

's Zondags zou Geertje 's avonds uit gaan, wanneer de kinderen in

bed zouden zijn. Naar Oom? of eindelijk weer eens perbeeren bij de

Koendersen?--òf met Hem?....

's Zaterdagsavonds, vóór het naar bed gaan, toen de Juffrouw al naar

boven was, had hij haar vastgehouden, in de huiskamer:--"Kom je nou,

morrege?" En 's Zondags zag hij haar telkens aan....

Toen zij 't stof afnam in de mooie kamer, kwam hij sigaren doen in

het kastje dat naast de schoorsteen hing. Even maar, de deur stond

open, even bleef hij achter haar staan, en wriemelde onder in haar

nekhaartjes. Weer die stróóm door haar lijf, die tinteling, maar daarna

ook de buikkrampen weer, dat ze moest voorover staan om het maar wat

minder te voelen. En het moeë gevoel in de beenen, de lusteloosheid,

behoefte tot schreien. Hij had de kamer al verlaten. Een klein moment

zat ze, op de rand van de lage leunstoel; daarna sleepte ze zich

voort, weer, stofte de schoorsteen af en zijn kastje, de vaas met de

groote pluimenboeket; was nu aan de eetesjère. Al dat prutsgoed daar

bijeen!.... Jee!.... Hè gelukkig, niet gebroken. Eigelek zou je al die

dingen een voor een d'er af moete neme, schoonmake en later allemaal

tegelijk d'er weer opzette. Jawel, of d'er voor zóó ie's tijd was,

hier in huis!.... Heere.... Kepot! Hè zonde! 't Mooie vaasje, dat

Meneer nog us meegebrach' had uit de Haag. Zòu ut te lijme zijn? 't

Vaasj' ongeschonde en et poppetje zelf ook. As et er nou m'ar angelijmd

kon.... Dadelek vertelle toch, zóó as ze klaar was met stof afneme.

Zou hij boos zijn? Och wel nee! Hij wist toch wel dat ze der best

dee. 't Was nou net de laatste dage. Vroeger had ze nooit wat

gebroke. Donderdag die ruit in de keuke, eigelik Sefie d'er schuld,

gist're 't oor van d'er lampetkan.... nou ja! hoe lang al gelijmd! 't

Was niet te verrege van iemand, da'j d'er altoos an dacht, de lampetkan

nìet an et oor te vatte.... Nou m'ar gaan zegge.

Zij kwam de achterkamer in, denkend aan hem, hoe hij zou kijken,

omdat hij de vaas gekocht had.

En hij was niet in de kamer! De Juffrouw alleen met Truus en

Koos. Da'lek zag die wat er was en stoof op:

--Wel àllemachtig! nau die faas weer! Grootegòt wet sunde toch! Wat

hài jai de laa'ste dage....

--'t Kan misschien nog wel gelijmd.

--Och gelaimd! Dan is 't mauie d'er tuch àf! Sau'n kostlek stuk!....

--Zou d'er 'en nieuwe te krijge weze?

--O, sau jai die dan betale?! zit de mamsel sau goed in d'er sente! We

hebbe je kedaus nie' naudig! As je me spulle m'ar nie' breek. Blaif

d'er anders af mit je klauwe....

Geertje had zich koud voelen worden en hard. Net of ze zoo in 't ijs

gezet wier. Ze zag dat Truusje bleek was geworden. Maar dat gaf haar

nu geen troost. Tè sterk voelde ze haat-en-onmacht. Toen flitste

't door haar: o! me wreke!....

En toen ze boven was, om de kinderbedden en het hare op te maken,

wipte ze met poesepasjes even de kamer van meneer-en-de-juffrouw in,

waar Meneer zich stond te scheren.

--'k Heb et poppetje afgebroke van dat mooie nieuwe

vaasje.... Toe! nie' boos kijke!.... As u nie' boos ben, ga 'k

venavent mee!

Geertje · 第 21 / 53 题