Truusje had weer kou gevat, in de ingewanden, één nacht was ze
koortsig geweest, maar nu had ze weer naar beneden gemogen, en, naast
Geertje gezeten aan de tafel in de huiskamer, hield ze zich bezig
met vlechtmatjes. Moe zei telkens dat ze daar te groot voor wier',
maar zij had er zoo'n plezier in; en nou Moe weer met hoofdpijn op
bed lag, had ze niet gerust, voordat Geertje beneden in de winkel
vijf vellen papier was wezen halen, zwart, en rood, en groen,
en goud en zilver. Zelf had zij toen de matjes geknipt, Geer had
reepjes voor haar gesneden; en nu had ze al twee matjes klaar: een,
heel gemakkelijk, maar dat vond Geer nu juist het mooiste: zwarte en
gouden ruitjes, niets anders; het tweede vond ze zelf zoo prachtig,
't was toch ook veel moeilijker geweest: een zilveren matje, met roode
reepjes doorvlochten, zoo, dat ze groote roode ruiten had gekregen,
waarin zilveren sterretjes, en midden in het matje een muizentrap
van rood en zilver.
Nu was ze weer aan een moeielijk bezig, een zwart matje, waarin ze
ruitjes moest maken, net als op een dambord, om de beurt rood of
groen èn zwart, en in ieder ruitje een kruisje.
't Was een dag van koude Octoberregen, het plat stond vol water, en
telkens dee de wind de regenstralen tegen de ramen spetteren. Truusje
was blij dat ze nog niet uit mocht. Koos naar school en Moe boven in
bed, o, het was zoo heerlijk zitten! Maar Geer was stil, ze was wel
vriend'lijk, maar anders kon ze zoo prettig vertellen, uit de Bijbel
en van d'er Groo'va, en nou zei ze bijna niks.
Geertje werd gewaar, dat het kind telkens onder 't vlechten met
verwachting, ongeduldig, naar haar opkeek; maar zij kòn niet spraakzaam
wezen, ze voelde zich zoo gedrukt, zoo ellendig.
't Was alles anders geloopen dan ze had gedacht.
Al dadelijk, bij 'er terugkomst hier in de stad, die schrik, dat
Meneer haar stond op te wachten aan 't station. Ze had hem veel liever
haast-niet gesproken, totdat hij haar brief zou hebben gelezen.
--Ik kon je toch niet alleen late komme! 't Is hier zoo'n uithoek! had
hij gezeid.
Nou, ze had de tram kunnen nemen....
Hij had haar dicht langs het water gevoerd. Uit de benauwde
afgeslotenheid van de volle coupé had ze opeens in de ruimte
gestaan. In die wijde openheid was ze alleen geweest met hem;
de wind had haar omdwerreld; haar hoed was er haast afgewaaid;
haar rokken zaten stijfgeflapt tegen haar beenen, dat ze bijna niet
vooruit kon. Hij ging heel dicht langs het water: vlak daar bij hen
al dat water, met die in de wind als tegen hen op schonkende zwarte
bonken van booten; het dreigende klotsen van het water of het onder
hen nog doorliep; en aan de landkant de onafzienbare verlatenheid
van de breede kade met park. Opééns had er, vlak achter de al in de
nacht verzonken stille booten, een havenboot een gil doen hooren,
en meteen was de wind weer onder de rand van haar hoed gekomen; ze
had moeten omdraaien om de hoed te kunnen houden en haar taschje was
'er ontglipt; gelukkig had Meneer het gegrepen....
Toen had hij gezeid:
--Geef me toch een arm!
En.... ze wist het niet precies meer. Hij had toen haar arm genomen,
en er was opeens geen wind, en geen water, niets geen vrees meer;
't bootje, dat haar had doen schrikken, stoof vliegensvlug ginds
dobb'rend weg, met z'en mooie kleurenlichtjes; overàl zag ze lichtjes
tinklen, op het water, d' overkant; en nu zàg z' ook, dáár, de huizen,
hooge rij van rijke huizen, met verandaas en balkons achter hoogomhekte
tuintjes...., al dat rijke van de stad, van de groote, drukke stad.
En gejubeld had het in haar, dat ook zij hier dan toch woonde in dat
leven; zij, die uit et boerendorp was, waar ze den avond te voren
nog liep met een Heukelman door de velden....
Toen had Meneer haar willen zoenen. Maar d'er kwam net een man van
een boot.
--'k Ben zoo blij dat je terug ben, had hij gezeid.
Ze had een steek gevoeld onder de borst.
--Waarom zeg jij nou ook niet, da' je blij ben?
Toen was ze gaan plagen.
--Blij? ik blij? U hadt me straks es moete zien, toen ik weg moest
van Groo'moe....
Maar terwijl ze dit zei, had ze spijt gekregen. Daar niet van spreken,
die goeie Groo'moe.... En ze had wat vreemd gekeken, en net had hij
haar aangezien, en toen zeker niet begrepen....
--Zie je wel! je méént er niks van.
En zijn arm had haar omvangen.
't Was onder een lantaren.
--Pas u toch op! as de mense u zien!
--Wat kunne mijn de mense schele!
In zijn arm, en dàt te hooren!.... Maar ze had zich toch beheerscht.
--Nee toe, niet hier. Gaat u dan mee.
En ze had hem verteld van d'er brief.
--Hou je dan 'en beetje van me?
--Dat weet u wel.
--En ik mag je niet eens 'en zoen geve?
--Nee, dat mag ook niet. We moete niets doen wat niet mag. Dan zijn
we veel gelukkiger....
Doch hij had maar aangehouden. Toen had zij gedacht: Als hij 't zoo
prettig vindt om me te zoenen, misschien heeft hij er dan wel wat
voor over.
--Op ééne voorwaarde, had ze gezeid. As u me belooft, dat u thuis
nóóit meer van zoene spreekt.
Toen had hij luìdop gelachen, en haar beetgepakt, en 'er gezoend, op
'er wangen, 'er oogen, 'er mond; tot een jongen langs hen heen ging;
toen had zij zich zóó geschaamd, dat ze zich had losgerukt.
Ze had et water in kunne loope! Niets meer over van 'er planne,
en de eerste avent al.... Ze had de brief verfrom'le wille, in
'er zak.... toch niet gedaan.... Ze was niet boos geweest op
hem. Manne wille altijd zoene. Zij had wijzer moete weze. Maar,
inplaats, ze voelde 't nòg, had ze, dadelek toen-ie 'er zoende, toen
z'en snor kwam bij 'er mond, wéér datzelfde gevoeld as toen thuis,
met de handschoen.... En ze had, juist om dat toch kwijt te rake,
de handschoene heel de Dinsdag gedrage, dat Rika Schaap d'er nog
gezeid had:--Meid, wat hebbe me nou an de hand, draag jij glezéé?....
Toen, thuis. Dat afschuwelijke liege bij et thuiskomme. Eerst had hij
méé wille thuiskomme, zegge dat-ie haar gehaald had. Aarz'lend had zij
gevraagd:--Zoudt u dat wel doen?--en dadelijk had hij gezeid:--Nee,
da's waar, je heb gelijk.
Net had zij d'er goed naar boven, toen hij binnen was gekomen.
--Zoo! Geertje, hoe maak jij et?
Hè, zoo aak'lig. En, om toch maar natuurlijk te schijnen:
--Ben je met de tram gekomme?
't Spreken was haar onmoog'lijk geweest. Nauwelijks had ze ja
kunnen knikken. En hij nog: hetzelfde woord:--Ja, et is daar an
't Maas-station ook zoo'n uithoek....
--Geirtje laup anders wel meer 's ave's allainig aufer straat, had
de Juffrouw gesnauwd.
En dat snauwen pas had haar de kracht gegeven, om ook te liegen en
lachend te antwoorden:
--Ja, dat wou 'k ook zegge!....
Hu! akelig was de thuiskomst geweest.... Smart'lijker de dagen
later. Toen ze hem niets blij gezien had met de brief. O! die
Heukelmans! die spoken! Die d'er schuld was 't. De brief was héélemaal
niet geworden, wat ze had willen schrijven. 't Beste was zeker geweest,
as ze-n-em da'lek de zondagnacht geschreven had. Maar as ze 't tòe'
's maandagsmiddags maar had kunne doen! Dat toe' net die Riek most
komme!.... Hij scheen d'er niks van begrepen te hebben, niks an gehad,
niks blij d'er mee. Hij keek aldoor treurig, verwijtend. En ze hàd
em toch zoo lief....
--Huil je?.... Geer!
--Gut kind wat is-t-er! Huile? Nee....
Ze huilde wel. En kleine Truus had et gemerkt.
--Schiet je op met je matje? O wat wordt et mooi!.... Kijk, daar heb
je je vergist.
Gewillig liet Truus verbeteren. 't Kind was stil. Altoos, als ze
droefheid zag. Kleine schat! Die lieve oogen....
--Plak je ze dan straks ook nog in je schrift?
--'k Wou dat jij me-n-es wat voorlas....
--En 'k moet Koos z'en kouse stoppe!
Truusje zweeg. Om hen, geen ander gerucht dan het striemen van de
scheefgedreven regen tegen de lage ramen en het vinnige getiktak van
het kleine koekoekklokje. In het heele huis was 't stil. Altoos als
de Juffrouw ziek was. Zelfs Sophie hield zich dan rustig. As je maar
niet vroeg, waar die dan zat en wat ze dee'! Hemel ja, ze zou toch
wel water opgezet hebbe?.... Kwart vóór elve. Gauw us kijke.
--Ga je weg?
--Effe maar, effe kijke.... O!....
Zij deinsde vóór de deur terug, bijna had ze de kan laten vallen,
die ze net van het buffet had genomen. Hij was daar, hij, op dit uur!
Met open mond, de bovenarmen krampachtig tegen de zijden gedrukt,
stond ze, blééf ze vóór hem staan, en er oogen gingen niet van hem
af en ze dorst geen adem halen. Ze voelde dat ze begon te beven, dat
er lijf van beving trilde, ze dacht aan Truus die het zien moest,
en hij!.... en ze kon geen stap vooruit doen, het was er of haar
lichaam inkromp vóór die groote man daar vóór haar, het was of ze
zoo neer zou slaan. 't Was of er oogen al grooter werden, of die
hem omvatten moesten.... Stil keek hij haar aan, en lachte.... Toen
snerpte weer 't bewustzijn in haar van Truusje's tegenwoordigheid,
en ze kòn zich plots beheerschen, hare oogen staarden niet meer, een
floers kwam er voor, zij begonnen te tranen, koud wier d'er lichaam,
o koud, als verschrompeld, toen ze wilde langs hem gaan.
--Wat 'en weer, hè? en ik moet d'er op uit! hoorde ze nog.
Sophie was gelukkig niet in de keuken maar ze hoorde gestommel op de
benedentrap, nu naar boven kon ze niet,--even op de bestekamer....
IJzig beving haar de kille vocht daar. Roerloos bleef ze staan,
starende op het miez'lig leken van de regen in het raampje.
Wat was dáár nu haar gebeurd?--God! ze wist et niet meer, ze had een
ijskoud hoofd, dat leeg was, ze wier gèk!.... Die oogen! ze brandden
er in het koude hoofd, er oogen, ze staken, of ze niet meer pasten
in de kassen.... Wat was hij komen doen? Och, wat kwam et er op an,
wat hij was komen doen! hij was toch vrij, in zijn eigen huis, om in
de kamer te komen als hij wou? Gotogot, wat hàd ze dan, waarom dee
ze zoo krankzinnig, wat zou hij nu van d'er denken; en dan Truus, 'er
kleine Truus.... 'En rilling schokte door er lichaam, echch, ze vond
zichzelf zoo mis'lek.... Doen nu, flink zijn, 't mòest om Truusje....
Tegen Sophie, in de keuken, zei ze, vriendelijk, iets over het weer,
dat 'en mensch d'er ziek van zou worden. IJlings zette ze water op
't stel, en toen weer naar binnen.
Truus was alleen en wipte van haar stoel, toen ze Geertje zag binnen
komen, liep op haar af met uitgespreide armpjes.
--Heb je nòg hoof'pijn?
--Hoof'pijn? hoe dan?
--Nou, Pa zei, je hadt gisteravent ook al zoo'n hoof'pijn gehad en
dat net nou Moe ziek is.
--Kleine snoes!
Het mocht niet, mòcht niet, sterk-zijn mòest ze. Truus leek toch
al zenuwachtig. O, te huilen in die krullen, op dat lieve, lieve
kopje.... Dus--had Hij voor haar gezorgd, haar gered tegenover 't
kind! Goeje man, om dat te bedenken....
--Is Paatje uitgegaan?
--Hè ja, en nou met zoo'n regen....
't Kind keek haar aan en zij het kind. Hun oogen làchten elkander
tegen, van innige liefde voor Hem, bij beiden.
Met de avond, toen de lamp op was, was de Juffrouw beneden gekomen;
om haar wier' Maandag afgescheept aan de voordeur. Maar na een half
uur al klaagde zij over meer hoofdpijn en koortsigheid.
--Hai jai nog te werke? vroeg ze aan d'er man.
Maar Meneer had niks te doen. Hij las het Nieuwsblad bij zijn biertje.
--Gaa'j nog uit?
--God, ik weet niet, mens! Ja misschien wel.... Hadt je wat?
--Of ie nog bij me moeder anging....
Geertje hielp de Juffrouw naar boven. Toen ze weer beneden was,
zei Meneer, opgestaan achter haar aankomend:
--Hei je d'er gehoord? of ik nog uitging? Ja, 'en boodschap an d'er
moeder! Net of die zal komme kijke, elke keer dat d'er dochter
hoof'pijn heef'! Weet je waarom dat nou was? Omdat ze de pest in
he't, dat ik nou hier alleen met jou zit. En daar ben ik nou juist
zoo blij om....
Voordat ze zich verweren kon, had hij haar om de middel beet, zoende
haar in de nek, op de oorrand, wilde haar wang.... en het brandde
haar lijf in. Radeloos trok ze de schouders op om de bloote nek te
beschermen; toen, heel even, liet ze zich gaan, rustte haar hoofd
in de hoek van zijn schouder; tòen kwam weer die schrijnende drang,
dat heel haar wezen wou schreien, schreien; voetstampend wrong ze
zich van hem los:
--Laat u me, of ik ga zóó naar bove!
--En die zeit dat ze van me houdt!
--Hè, dàt staat u gemeen om dat nou te zegge. U weet heel goed,
da'k van u hou. Maar ik màg me niet late zoene....
Hij had weer zijn krant genomen. Duizelig sleepte ze zich door de
kamer, zocht op 't buffet haar mand met kousen, vond die waar-ie
altijd stond, sleepte weer zich naar 't buffet, want de Juffrouw wou
kamille, maar viel neer op de Juffrouw d'er stoel.... och, ze was
weer machteloos.
--Wee j' óók wat bier?
--Nee dank u.
--Toe neem nou wat!.... Waaròm toch niet!.... Weet je wàt, 'en
glaasje wijn!
--Nee, voor geen geld!
Zij schrikte op. Zij nou wijn! En as de Juffrouw et merkte, Sefie
et zag....
--Waar ga je heen?
--Uw vrouw he't om kemille gevraagd.
In de keuken verbeeldde ze zich, dat Sophie telkens achterdochtig
haar aankeek. Ze zag bleek--dat kon ze altoos voelen. Maar verder
was er toch niets aan haar te zien. Heur haar zat gewoon, dat had ze
al gezien. Waarom keek die meid dan zoo? Of was 't alleen, omdat ze
altoos nijdig wier, als Geertje 's avonds in de keuken kwam?
--Is de Juffrouw na bet?
--Ja, dat heij toch wel gehoord.
--Gaat Meneer nog uit?
--Weet ik 't!
Had ze dat nou onverschillig genoeg geantwoord? Maar Sefie wantrouwde
haar, waarom anders dat gevraagd! Gotogot en d'er was toch niks, ze
weerde hem af, zooveel ze kon! moest ze dan weg, van em weg, hier et
huis uit?.... Och, ze beeldde 't zich maar in. Ja, Sefie die zou wat
denke! 't Was d'er nog al geraje te kijke naar 'en ander. As Meneer
en de Juffrouw es wiste, wat die beneje uithaalde met de jonge's van
de drukkerij....
Weer hoorde je niks als het gieren van de wind in dat tochtslop van
een plat, en het spatten van de regen. In de kamer het niet-ophoudend
getiktak van de koekoek. Hij zat nog altoos met z'en krant. Nooit
had ze hem zoolang zóó zien zitten. Nadat ze de Juffrouw kamille
gebracht had, was ze met 'er stopmand op 'er eigen plaats gaan
zitten. En ze tràchtte flink te werken. Eindeloos leek de tijd bij
dat zwijgen. God! en et was nog geen negen uur!
--Toe, gaat u nou wat uit, zei ze, plotseling, zacht. 't Was net of
een ander het voor haar zei. Omdat zij niet durfde.
Ze durfde ook niet opzien. Maar ze werd gewaar, dat zijn heele lijf
zich verplaatste, dat hij langzaam de krant opvouwde, dat hij heenboog
over de tafel.
--Waarom vraag je dat?
--U blijft nooit zoo zitte.
--'k Ben ook nooit met jou alleen.
Zijn stem, eerst bijna fluisterend, werd alweer luider. En Geertje
meende een stap te hooren en gekraak, achter de deur. Zij voelde hem
en zich beloerd uit de keuken en beloerd van boven, uit het groote
bed. Hoe kon hij zeggen van: alleen....
--We magge niet alleen zijn.
--Magge we niet alleen zijn?....
Even keek ze naar hem op, zag hem.... keek hij boos? of droevig?
--Zoo!
Weer schoof hij met zijn stoel. Toen, zacht weer, en moeilijk sprekend,
langzaam, als kon hij zijn tong maar niet dwingen, als wou 't geluid
niet uit de keel:
--Dus, as 'k een vrouw had, ziek, maar waar 'k veel van hiel' en
jij was me-n-onverschillig, dan zou 'k hier wel magge zitte. Niemand
kan toch van me verge, da'k d'er 'en groot huis op nahout, waar ik
hard voor werke mot, om d'er me vrouw en kinders in te late wone, en
zelf me in me vrije tijd laat natregene. Maar nou mo'k dat wèl. Nou
'k es eene avent alleen ben met et meisje dat me pas 'en lange
brief he't geschreve om me te zegge dat zij ook van mijn houdt,
nou mo'k as 'en smerige kat de straat op en de regen in.... Nee
Geer', làch d'er nou ma'r niet om, 'k zeg et werachtig niet om te
malle. 'k Zàl vo'rt weggaan, na 't ketoor of na de kroeg, 't kan me
niet verdomme waar. Maar eerst mo'k jou toch dit nog zegge. Waarom
heb je me geschreve dat je verliefd op me ben as 't alleen is om
me-n-et bestaan nog ondragelekker te make?.... Ja, nou ga je griene,
maar ik mot et je zegge. Je weet da'k van je hou en je weet ook hoe
'k over me vrouw denk. Om de kinders blijf ik bij d'er. Geluk he'k
nooit bij d'er gevonde. Toe' bei jij gekomme. En zoo a'k je zag,
die Zondag, da'j met je Oom kwam, dacht ik: dàt zou 'en vrouw voor
me weze. Och, gedachte benne tolvrij. Je ben hier bij ons gekomme,
en zoo werachtig as God leeft, as-t-er 'en jonge was gekomme, die
je had bevalle, 'k zou um hier gastvrij hebbe-n-ontvange. Maar
nou is et tusschen ons zoo geworde, dat jezelf me-n-ongevraag'
schrijft dat je-n-ook van mijn houdt. Toe je wegging he'k gedach':
God, as ze maar terugkomp! En 'en oogenblik zei 'k tot mezelf:
't Zou misschien ook beter weze. Je bèn teruggekomme, en je heb me
die brief meegebrach'. Maar op et oogenblik dat je-n-em geef, zeg je:
blijf van me-n-af, raak me nie' meer an! Nou dan wil ik nou m'ar zegge:
as je die brief heb' geschreve om me plezier te doen, dan heb je je
vergist! want juist met je brief, juist nou 'k wéét dat je-n-ook van
mijn houdt, heb je me 't bestaan onmógelijk gemaak, ik kàn zoo niet
leve, ik voel me-n-as 'en hònd, die ze vastlegge in z'en hok, en dan
'en stuk vleesch d'er voor hange. Nou weet je-n-et en nou zak gaan.
--Wáár gaat u heen!
Geertje was opgevlógen van angst. Wàt ging hij doen!?
Maar hij, kalm:
--O, wees gerus, 'k ga naa't ketoor.
Zij hoorde hem in 't portaal aan Sophie zeggen, dat die sluiten kon,
dat hij naar 't kantoor ging.
Toen wist ze zich alleen in verbijstering.
Gedachteloos had ze de kous weer genomen, en pikte, pikte--werd gewaar
dat ze draden oversloeg, en prikte meteen zich in de vinger.
God!.... Nee, hij wàs naa't kentoor. Uitgaan kon-d-ie niet,
Sefie mocht al sluiten. O!.... zooas-t-ie d'arnet d'er ankeek! Net
of-t-ie zich te kort wou doen. En om háár brief! Ze had gedacht, em
gelukkig te make. En 't was net et tegendeel.... Zou hij wille dat ze
wegging? Zou hèm dat makkelekker valle, as ze mekaar.... nooit meer
zagge?.... Groote God, voor goed hier weg! Na huis--ja, dan toch maar
na huis, na Groo'moe. Niet in 'en andere betrekking. Dàt nooit! Al
kon ze zoo op Groeneveld. Dan maar Groo'moe oppasse. Hem, en Truusje,
niet meer zien.... O! God!! dat dàt nou moest! Ze dacht dat ze net
zoo gelukkig was. Hoopte vast dat et goed zou gaan. Waarom wou hij
't niet perbeere? En hij zei ook niet wat ie wòu! Zij wier d'er àltoos
miserabel van as-ie d'er had gezoend. En nou klaagde-n-ie zelf ook. Wat
wou-d-ie dàn? Ze kon ommers toch nooit z'en vrouw worde. Hij mocht de
Juffrouw niet verlate, 't zou de grootste zonde zijn. En hij zou et
ook niet wille. Hij z'en Truuzepop niet meer hebbe! Tusse hun beie
kon d'er niks weze. Maar.... was ze dan niet krankzìnnig geweest,
met die man, van wie ze wist, dat-ie verliefd op d'er was, zoo'n
brief te schrijve?! O God! wat had ze gedaan! Zij die sterk had wille
weze. In plaa's van em van d'er af te were, um ongelukkig te make met
zoo'n brief.... Wat zei-d-ie ook, van die hond in z'en hok.... Och,
ze wist et niet meer! Maar hij was ongelukkig, van ondragelek had-ie
gesproke, en dat alles door haar, door háár....
Zij merkte niet dat de kamerdeur openging, ze zag Sophie pas, toen die,
verwonderd spottend d'er aankijkend, vlak bij de tafel staande vroeg:
--Heij de Juffrouw niet haure belle?
Wat? had de Juffrouw gebeld? Kon Sophie niet even kijken? Of nee,
ze zou wel gaan.
Toen ze zich de trappen had opgesleept, en de kamer was ingedrááid
met 'en angstig zich vasthouden aan de deurpost, méénde ze dat ook
de Juffrouw d'er achterdochtig aanzag, maar dat kon haar niet meer
schelen, ze ging hier nu toch van daan, as de Juffrouw 't merkte, wist
zij meteen hoe ongelukkig zij d'er man gemaakt had. Onverschillig zei
ze:--"'k Heb hoof'pijn, van 't weer," toen de Juffrouw, wantrouwend,
zei dat ze bleek zag. Werktuiglijk, als een schim die beweegt, wist
ze dat ze de kamer doorliep. Ze wist zich nu zóó onverschillig. Toch
vlijmde de haat door haar heen, toen de Juffrouw, als altoos bij
et helpen, vriendelijk en lief begon, gul d'er aanbood van de
kamille. Ze sidderde, ze kon het compres haast niet om het magere
nekje krijgen, ze gruwde van de lucht in bed, en toen zag ze, dáár,
zijn plaats.... Terwijl ze de nachtpon dichtknoopte, had ze willen
rukken, trekken, 't compres zóó nauw dat dat mensch er door stikte.
Toen Geertje beneden kwam, was Sophie in de kamer--en hij.
En ze begréép niet, hoe ze de moed had, onverschillig te zeggen:
--Is u al klaar?
Hij bromde iets, ze verstond niet wat. Hij sneed zich leverworst. Zij
sneed hem brood er bij, gaf Sophie haar boterhammen.
Sophie was weg.
--Eet jij niks? vroeg hij.
--Dank u, zei ze, borg haar stopmand.
Sophie kwam goede-nacht zeggen.
--Nach' Meneer, nach....
Zij hoorden haar de trap opklossen.
Toen sprong hij op, was bij haar stoel.
--Zeg, wees niet boos op me: 't spijt me zoo, da'k et je gezeid heb.
--Mijn niet, et is beter zoo.
--Wat zeg je dat raar. Wàt is beter zoo?
--'k Weet nou dat et onmogelek is. Dat ik u niet gelukkig kan
make.... 'k Mòet hier weg.
--Bei je... dol? Moet je weg? Kun jij mijn niet gelukkig make? Kind,
d'er is geen sterveling anders die 't kan.
--Och, dat zègt u.
--Praat jij nou geen mallepraat. Anders lees ik je je brief voor. Daar
zeg je 't zelf, ook van mijn.
--Geeft u me die brief terug?!
--Terug! die brief? ja dat keu je net denke. Die brief he'k bij me,
dag en nacht.
--En u zei straks zelf, da'k em niet had moete schrijve....
--Hè, begin daar nie' weer over. 'k Hèb je beroerde dinge
gezeid.... Maar begrijp je-n-ook niet hoe verschriklek of dat is--eerst
schrijf je me.... die brief! en dàn bei je zóó.
--Hòe zóó?
--Da'k je nog niet an mag rake.
En hij knielde bij haar neder, legde zijn armen op haar schoot,
nam haar hand....
--Et mag ook niet....
--Toe, laat nou toch na je kijke! Màg dat niet!? Twee mense die
zóóveel van mekaar houe, magge die dat mekaar niet zegge!....
--Zoo niet!....
En ze wou vàn hem, opstaan.
--Nee! nou laat ik je nie los. 'k Zal je geen kus geve, of je moet
'et goed vinde. Maar loslate doe 'k je niet.
--Maar wat wil u dan toch van me?
--Wat ik wil! Dat za'k je zegge!.... Maar eerst moet je-n-en glaasje
wijn met me drinke.... op onze liefde.
--Nee!
En achter hem, snel opgerezen, stond ook zij op.
--Wou je weg!? Dan doe 'k de deur op slot! Dáár is nou toch nìks geen
kwaad in.
--Kwaad? Maar et is onvoorzichtig. As Sefie morg'ochent de glaze
ziet....
--Dan wasch jij ze nou nog om. Of je drinkt mee uit mijn glaassie. Ik
mag me zelf toch werachtig wel 'en glas wijn preseteere!
Nu moest zij lachen. Hij ontkurkte de flesch en schonk een glas in:
--Drink nou....
Nadat z' een teugje had genomen, zette hij de mond aan 't zelfde
plekje.
--Nou ééne zoen?
En daar ze snel haar gezicht omkeerde, raakten zijn lippen heur
haarwrong aan.
--Nou dan niet! Maar hoor nu eve. Je vroeg me, net-zoo, wat ik wil. Ik
wil je kunne zegge dat ik van je hou. Ik wil je in je mooie ooge
kijke, net zoo lang as et me lust. Ik wil alléén met je zijn! God
allemachtig! ik kan toch niet hèlpe dat ik je pas heb leere kenne
toen ik getrouwd was.... Och toe, ga es met m'en uit.... Je zeg,
dat je naar Oom gaat, of naar die vriendin, en we vinde mekaar op
een afgesproke plekkie en we gaan wat zitte-n-in 'en net keffee....
--En as de mense-n-u daar zien?
--Och wat de mense! de mense! We gaan vóór zitte, vóór 't gerdijn,
in 'en hoek, d'ar keu je mekáár haast niet herkenne.
Als hem dàt nu zoo'n plezier dee'....
--Doe je-n-et!.... Krijg 'k dan nou 'en kus?
Even làg ze zich in zijn arm....
Hij wilde haar nog weer wijn opdringen, maar dat weerde zij af.
Luidruchtig ging hij nu door 't huis heen. Zij redderde alles op in
de kamer, deed het licht uit, zag in de keuken, strompelde toen ook
naar boven.
Truus' ademhaling was geregeld. Ook Koos lag stil. Even trok zij
het venstergordijn weg, leunde met het hoofd tegen het ijskoude
glas. Recht vóór het raam stond hoog de maan. Maar 't was een doffe,
bleeke sikkel, en aldoor schoten er wolken over, rosgrauwe wolken in
rust'looze jacht. De maan van haar Bruidsnacht was het niet meer.